Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier
boekenhoek

Mahler op zee

door Bert Natter
24 aug. 2022 24 augustus 2022

Schrijver Bert Natter deelt maandelijks een literair-muzikale tip. Deze keer Het laatste deel (2020) van Robert Seethaler.

  • 'Het laatste deel'

    door Robert Seethaler

    'Het laatste deel'

    door Robert Seethaler

  • Bert Natter

    foto: Eduardus Lee

    Bert Natter

    foto: Eduardus Lee

  • 'Het laatste deel'

    door Robert Seethaler

    'Het laatste deel'

    door Robert Seethaler

  • Bert Natter

    foto: Eduardus Lee

    Bert Natter

    foto: Eduardus Lee

Waarschijnlijk is er over geen enkele twintigste-eeuwse componist zoveel geschreven als over Gustav Mahler (1860–1911). Alleen al de vierdelige biografie van de Franse musicoloog Henry-Louis de La Grange (1924–2017) telt maar liefst 4.500 bladzijden.
De Oostenrijkse schrijver Robert Seethaler (1966) heeft in zijn korte roman Het laatste deel slechts 126 pagina’s nodig om Mahler te portretteren. Seethaler doet dat in een traditioneel opgebouwde, meeslepende en informatieve vertelling.
De met zijn gezondheid kwakkelende Mahler kijkt terug op zijn leven, terwijl hij zich aan boord bevindt van de oceaanstomer Amerika die hem voor de laatste keer van de Verenigde Staten terug naar Europa zal brengen. De reis begon op 8 april 1911, Mahler zou op 18 mei van dat jaar sterven.
Gezeten op het dek trotseert Mahler de elementen, terwijl een ‘jongen’ hem verzorgt: ‘Mahler bekeek hem. In zijn uniformjasje en met die pet zag hij eruit als een verklede schooljongen.’
De jongen spreekt de componist, tegen diens zin, consequent aan met ‘meneer de directeur’, ik neem aan omdat Mahler destijds Music Director van The New York Philharmonic Orchestra was. Mahler doet meestal ietwat snibbig tegen de jongen, maar af en toe is hij verrassend vriendelijk en mild.
‘Heb je weleens vliegende vissen gezien?’ vroeg Mahler.
‘Ja, die zie je de hele tijd.’
‘Ik niet.’
‘Dat spijt me.’
‘Dat hoeft je niet te spijten.’

Seethaler zet Mahler neer als een ziekelijke melancholicus die weet dat aan de overzijde van de oceaan de dood wacht. Een man die het einde voelt naderen en zijn leven in dienst van de muziek heeft gesteld. Wij kennen Mahler natuurlijk als componist, maar een groot deel van zijn leven dirigeerde hij opera’s en symfonieën van anderen in Wenen, New York en elders. Componeren deed hij in de zomervakantie, buiten het concertseizoen, het liefst ver van de bewoonde wereld in de vrije natuur, in een van zijn componeerhuisjes, zoals dat in Toblach (Tirol), waar hij onder meer zijn Negende schreef.
In kort bestek komen de hoogte- en vooral de dieptepunten uit Mahlers leven aan de orde; zijn huwelijk met Alma Schindler (1879—1964) en de geboorte van hun dochters, de dood van een van die dochters en de crisis die daarop volgde.
Lezers moeten geen stilistisch vuurwerk verwachten en Mahler-kenners zullen wellicht weinig nieuwe inzichten aantreffen, want Seethaler wil niet vernieuwen, hij wil slechts dicht in de buurt van de mens Mahler komen en daar slaagt hij zonder meer in.
Seethaler blinkt uit in beknopte, levens­echte dialogen, die soms geestig navrant zijn, zoals deze, opnieuw tussen Mahler en de gedienstige jongen:

‘Kan ik nog iets voor u doen, meneer de directeur?’
‘Ja. Gooi me in zee.’
‘Ik weet niet of ik u goed verstaan heb.’
‘Goed, goed. Breng me nog wat thee.’
‘Natuurlijk, meneer de directeur!’

Waarschijnlijk is er over geen enkele twintigste-eeuwse componist zoveel geschreven als over Gustav Mahler (1860–1911). Alleen al de vierdelige biografie van de Franse musicoloog Henry-Louis de La Grange (1924–2017) telt maar liefst 4.500 bladzijden.
De Oostenrijkse schrijver Robert Seethaler (1966) heeft in zijn korte roman Het laatste deel slechts 126 pagina’s nodig om Mahler te portretteren. Seethaler doet dat in een traditioneel opgebouwde, meeslepende en informatieve vertelling.
De met zijn gezondheid kwakkelende Mahler kijkt terug op zijn leven, terwijl hij zich aan boord bevindt van de oceaanstomer Amerika die hem voor de laatste keer van de Verenigde Staten terug naar Europa zal brengen. De reis begon op 8 april 1911, Mahler zou op 18 mei van dat jaar sterven.
Gezeten op het dek trotseert Mahler de elementen, terwijl een ‘jongen’ hem verzorgt: ‘Mahler bekeek hem. In zijn uniformjasje en met die pet zag hij eruit als een verklede schooljongen.’
De jongen spreekt de componist, tegen diens zin, consequent aan met ‘meneer de directeur’, ik neem aan omdat Mahler destijds Music Director van The New York Philharmonic Orchestra was. Mahler doet meestal ietwat snibbig tegen de jongen, maar af en toe is hij verrassend vriendelijk en mild.
‘Heb je weleens vliegende vissen gezien?’ vroeg Mahler.
‘Ja, die zie je de hele tijd.’
‘Ik niet.’
‘Dat spijt me.’
‘Dat hoeft je niet te spijten.’

Seethaler zet Mahler neer als een ziekelijke melancholicus die weet dat aan de overzijde van de oceaan de dood wacht. Een man die het einde voelt naderen en zijn leven in dienst van de muziek heeft gesteld. Wij kennen Mahler natuurlijk als componist, maar een groot deel van zijn leven dirigeerde hij opera’s en symfonieën van anderen in Wenen, New York en elders. Componeren deed hij in de zomervakantie, buiten het concertseizoen, het liefst ver van de bewoonde wereld in de vrije natuur, in een van zijn componeerhuisjes, zoals dat in Toblach (Tirol), waar hij onder meer zijn Negende schreef.
In kort bestek komen de hoogte- en vooral de dieptepunten uit Mahlers leven aan de orde; zijn huwelijk met Alma Schindler (1879—1964) en de geboorte van hun dochters, de dood van een van die dochters en de crisis die daarop volgde.
Lezers moeten geen stilistisch vuurwerk verwachten en Mahler-kenners zullen wellicht weinig nieuwe inzichten aantreffen, want Seethaler wil niet vernieuwen, hij wil slechts dicht in de buurt van de mens Mahler komen en daar slaagt hij zonder meer in.
Seethaler blinkt uit in beknopte, levens­echte dialogen, die soms geestig navrant zijn, zoals deze, opnieuw tussen Mahler en de gedienstige jongen:

‘Kan ik nog iets voor u doen, meneer de directeur?’
‘Ja. Gooi me in zee.’
‘Ik weet niet of ik u goed verstaan heb.’
‘Goed, goed. Breng me nog wat thee.’
‘Natuurlijk, meneer de directeur!’

Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Abonneer dan nu.