Liza Ferschtman over Sjostakovitsj’ Vijftiende symfonie
door Jeppe Moulijn 08 feb 2026 08 februari 2026
Het is niet het eerste waar je aan denkt als je het gekwelde gezicht van Dmitri Sjostakovitsj ziet: plezier. Violiste Liza Ferschtman werpt een ander licht op zijn Vijftiende symfonie.
‘Speel het maar gewoon mooi, zei hij dan bijvoorbeeld.’ Liza Ferschtman vertelt over Dmitri Sjostakovitsj en de kamermuziekbewerking van zijn Vijftiende smfonie. De violiste heeft een direct lijntje met de bron: haar vader, cellist Dmitri Ferschtman, speelde met zijn strijkkwartet vaak voor Sjostakovitsj diens eigen werk. Het is misschien een opvallende uitspraak van een componist die vooral wordt gezien als de muzikale chroniqueur van de twintigste eeuw in Sovjet-Rusland. Geen toelichting bij zijn werk kan zonder verwijzingen naar de verschrikkingen van het Stalinregime, een element dat moeilijk weg te denken is uit Sjostakovitsj’ muziek. Maar Liza Ferschtman wil graag een veelkleuriger, meer gelaagd beeld geven van de componist en zijn werk. Dat het ook van een stralende schoonheid kan zijn. Dat het gemak en de snelheid waarmee hij schreef een mozartiaanse kant heeft. Dat er een bijna kinderlijk plezier in zijn muziek kan zitten.
Een vrolijke symfonie
Als er nou één werk is waarin die elementen allemaal te vinden zijn, dan is het in die Vijftiende en laatste symfonie. In zijn Dertiende symfonie had Sjostakovitsj teksten van Jevgeni Jevtoesjenko op muziek gezet, onder meer over het Joodse massagraf Babi Jar vlak buiten Kyiv, waarin niet alleen de misdaad van de nazi’s aan de kaak wordt gesteld, maar vooral ook het in Rusland nog immer virulente antisemitisme, iets wat politiek uiterst gevoelig lag. Ook de Veertiende symfonie is feitelijk een liederencyclus, met teksten waarin Sjostakovitsj wellicht zijn eigen sterfelijkheid onder ogen probeerde te zien. Maar in de Vijftiende keert hij terug naar absolute muziek en lijkt hij zelfs aansluiting te zoeken bij zijn briljante, ironische en soms muzikanteske Eerste symfonie, waarmee het destijds negentienjarige wonderkind zijn flitsende entree had gemaakt.
Is het dan toch spielerei? Niemand die het met zekerheid kan zeggen.
De Vijftiende lijkt nog eens opgeruimd samen te vatten, terug te kijken, te relativeren. Wist de componist dat het wel eens zijn laatste kon zijn? Tegen een vriend sprak hij van ‘een vrolijke symfonie’, iets dat je bij Sjostakovitsj altijd met een flinke korrel zout moet nemen. Het eerste deel karakteriseerde hij als ‘in een speelgoedwinkel’. En inderdaad, marsjes, circusmuziek, uiterst chromatische en voor Sjostakovitsj ritmisch complexe elementen wisselen elkaar af. En een aantal keer duikt opeens Rossini’s Ouverture uit ‘Guillaume Tell’ op, als een Monty Python-achtige running gag. Naar verluidt wilde Sjostakovitsj niet dat het orkest hier van tevoren van op de hoogte was: ‘Ik wil hun gezichten zien als het langskomt’. Over kinderlijk plezier gesproken!
‘Speel het maar gewoon mooi, zei hij dan bijvoorbeeld.’ Liza Ferschtman vertelt over Dmitri Sjostakovitsj en de kamermuziekbewerking van zijn Vijftiende smfonie. De violiste heeft een direct lijntje met de bron: haar vader, cellist Dmitri Ferschtman, speelde met zijn strijkkwartet vaak voor Sjostakovitsj diens eigen werk. Het is misschien een opvallende uitspraak van een componist die vooral wordt gezien als de muzikale chroniqueur van de twintigste eeuw in Sovjet-Rusland. Geen toelichting bij zijn werk kan zonder verwijzingen naar de verschrikkingen van het Stalinregime, een element dat moeilijk weg te denken is uit Sjostakovitsj’ muziek. Maar Liza Ferschtman wil graag een veelkleuriger, meer gelaagd beeld geven van de componist en zijn werk. Dat het ook van een stralende schoonheid kan zijn. Dat het gemak en de snelheid waarmee hij schreef een mozartiaanse kant heeft. Dat er een bijna kinderlijk plezier in zijn muziek kan zitten.
Een vrolijke symfonie
Als er nou één werk is waarin die elementen allemaal te vinden zijn, dan is het in die Vijftiende en laatste symfonie. In zijn Dertiende symfonie had Sjostakovitsj teksten van Jevgeni Jevtoesjenko op muziek gezet, onder meer over het Joodse massagraf Babi Jar vlak buiten Kyiv, waarin niet alleen de misdaad van de nazi’s aan de kaak wordt gesteld, maar vooral ook het in Rusland nog immer virulente antisemitisme, iets wat politiek uiterst gevoelig lag. Ook de Veertiende symfonie is feitelijk een liederencyclus, met teksten waarin Sjostakovitsj wellicht zijn eigen sterfelijkheid onder ogen probeerde te zien. Maar in de Vijftiende keert hij terug naar absolute muziek en lijkt hij zelfs aansluiting te zoeken bij zijn briljante, ironische en soms muzikanteske Eerste symfonie, waarmee het destijds negentienjarige wonderkind zijn flitsende entree had gemaakt.
Is het dan toch spielerei? Niemand die het met zekerheid kan zeggen.
De Vijftiende lijkt nog eens opgeruimd samen te vatten, terug te kijken, te relativeren. Wist de componist dat het wel eens zijn laatste kon zijn? Tegen een vriend sprak hij van ‘een vrolijke symfonie’, iets dat je bij Sjostakovitsj altijd met een flinke korrel zout moet nemen. Het eerste deel karakteriseerde hij als ‘in een speelgoedwinkel’. En inderdaad, marsjes, circusmuziek, uiterst chromatische en voor Sjostakovitsj ritmisch complexe elementen wisselen elkaar af. En een aantal keer duikt opeens Rossini’s Ouverture uit ‘Guillaume Tell’ op, als een Monty Python-achtige running gag. Naar verluidt wilde Sjostakovitsj niet dat het orkest hier van tevoren van op de hoogte was: ‘Ik wil hun gezichten zien als het langskomt’. Over kinderlijk plezier gesproken!
Liza Ferschtman grijpt dit voorbeeld aan om het karakterverschil tussen Sjostakovitsj en zijn collega Sergej Prokofjev te duiden: ‘Bij Prokofjev had zo’n muzikaal citaat wellicht een pesterig, vilein tintje gehad. Bij Sjostakovitsj is het meer onbekommerde pret.’ Het is zeker niet het enige citaat in deze symfonie. Maar de componist, van wie altijd wordt gezegd dat hij met zijn publiek communiceerde met behulp van verborgen boodschappen, wenste niet uit te leggen waarom hij die citaten had gebruikt. En wellicht zijn ze ook puur intuïtief ingegeven, als de associaties die je hebt in een droom. Zo is er een soort oppervlakkige relatie tussen de intervallen van het hoofdthema van het eerste deel en Rossini’s deuntje (figuur 1 en figuur 2).

Figuur 1. Het hoofdthema van het eerste deel

Figuur 2. Citaat uit Rossini’s opera Guillaume Tell
Verwijzingen
De finale begint met het noodlotsmotief uit Richard Wagners Ring-cyclus. Iets dat je niet onmiddellijk met Sjostakovitsj’ muzikale universum associeert. Het motief wijst vooruit naar de uiteindelijke verwoesting van het Walhalla, de burcht der goden, aan het eind van Götterdämmerung. Wel heel lastig om hier geen buitenmuzikale boodschap in te zien.
Sjostakovitsj’ symfonie dateert uit het begin van de jaren 1970: de Koude Oorlog en de ijzingwekkende realiteit van ‘mutual assured destruction’ zijn alomtegenwoordig, in het sovjetblok evenzeer als in het Westen. Maar onmiddellijk op het noodlotsmotief volgt een verwijzing naar Wagners Tristan und Isolde, die weer uitloopt op een nostalgische verwijzing naar een elegie van Michaïl Glinka, iets dat in Rusland eerder opgepakt zal worden dan in het Westen .

Figuur 3. Sjostakovitsj citeert Wagners opera’s Götterdämmerung en Tristan und Isolde, en Glinka’s lied Breng me niet nodeloos in verleiding
Röntgenfoto
Is het dan toch spielerei? Niemand die het met zekerheid kan zeggen.
Wat we ook niet precies weten is waarom pianist en pedagoog Viktor Derevianko kort na de première een bewerking maakte van deze symfonie voor de ongebruikelijke bezetting van pianotrio en één slagwerker. ‘Voor praktisch gebruik’ is niet aannemelijk door de karrenvracht aan slagwerk en de celesta die vereist zijn. Hoe dan ook, hij verzorgde zelf op 23 september 1972 de première van zijn kamerbewerking op het Gnessin Instituut in Moskou.
De open kwint wordt door het slagwerk uiteindelijk ingevuld – pling!
Volgens Liza Ferschtman werkt deze bewerking ‘als een soort röntgenfoto van de symfonie’. Wat je wellicht verliest aan massa krijg je terug in nog meer helderheid en intimiteit. Na zijn Vijftiende symfonie volgde bij Sjostakovitsj eerst een creatieve impasse, daarna zijn zwanenzang: zijn uiterst uitgebeende en geconcentreerde laatste kamermuziekwerken. Zo slaat deze bewerking in zekere zin een brug naar dat laatste hoofdstuk in zijn componeren.
Al dat slagwerk vervult ook in het symfonische origineel een essentiële rol. Aan het einde van de finale lijkt het slagwerk als een soort muziekdoosje uit die ‘speelgoedwinkel’ van het eerste deel tot leven te komen, als de mechanische nachtegaal in het sprookje van Andersen. De open kwint a-e die eindeloos wordt aangehouden, wordt door het slagwerk uiteindelijk ingevuld – pling! – met een cis. A groot dus. Eind goed al goed? Zo simpel is het niet. Het eindoordeel is aan de luisteraar. De sfinx houdt zijn glimlach.
Beluister ook de Spotify playlist bijbehorende dit artikel:
Liza Ferschtman grijpt dit voorbeeld aan om het karakterverschil tussen Sjostakovitsj en zijn collega Sergej Prokofjev te duiden: ‘Bij Prokofjev had zo’n muzikaal citaat wellicht een pesterig, vilein tintje gehad. Bij Sjostakovitsj is het meer onbekommerde pret.’ Het is zeker niet het enige citaat in deze symfonie. Maar de componist, van wie altijd wordt gezegd dat hij met zijn publiek communiceerde met behulp van verborgen boodschappen, wenste niet uit te leggen waarom hij die citaten had gebruikt. En wellicht zijn ze ook puur intuïtief ingegeven, als de associaties die je hebt in een droom. Zo is er een soort oppervlakkige relatie tussen de intervallen van het hoofdthema van het eerste deel en Rossini’s deuntje (figuur 1 en figuur 2).

Figuur 1. Het hoofdthema van het eerste deel

Figuur 2. Citaat uit Rossini’s opera Guillaume Tell
Verwijzingen
De finale begint met het noodlotsmotief uit Richard Wagners Ring-cyclus. Iets dat je niet onmiddellijk met Sjostakovitsj’ muzikale universum associeert. Het motief wijst vooruit naar de uiteindelijke verwoesting van het Walhalla, de burcht der goden, aan het eind van Götterdämmerung. Wel heel lastig om hier geen buitenmuzikale boodschap in te zien.
Sjostakovitsj’ symfonie dateert uit het begin van de jaren 1970: de Koude Oorlog en de ijzingwekkende realiteit van ‘mutual assured destruction’ zijn alomtegenwoordig, in het sovjetblok evenzeer als in het Westen. Maar onmiddellijk op het noodlotsmotief volgt een verwijzing naar Wagners Tristan und Isolde, die weer uitloopt op een nostalgische verwijzing naar een elegie van Michaïl Glinka, iets dat in Rusland eerder opgepakt zal worden dan in het Westen .

Figuur 3. Sjostakovitsj citeert Wagners opera’s Götterdämmerung en Tristan und Isolde, en Glinka’s lied Breng me niet nodeloos in verleiding
Röntgenfoto
Is het dan toch spielerei? Niemand die het met zekerheid kan zeggen.
Wat we ook niet precies weten is waarom pianist en pedagoog Viktor Derevianko kort na de première een bewerking maakte van deze symfonie voor de ongebruikelijke bezetting van pianotrio en één slagwerker. ‘Voor praktisch gebruik’ is niet aannemelijk door de karrenvracht aan slagwerk en de celesta die vereist zijn. Hoe dan ook, hij verzorgde zelf op 23 september 1972 de première van zijn kamerbewerking op het Gnessin Instituut in Moskou.
De open kwint wordt door het slagwerk uiteindelijk ingevuld – pling!
Volgens Liza Ferschtman werkt deze bewerking ‘als een soort röntgenfoto van de symfonie’. Wat je wellicht verliest aan massa krijg je terug in nog meer helderheid en intimiteit. Na zijn Vijftiende symfonie volgde bij Sjostakovitsj eerst een creatieve impasse, daarna zijn zwanenzang: zijn uiterst uitgebeende en geconcentreerde laatste kamermuziekwerken. Zo slaat deze bewerking in zekere zin een brug naar dat laatste hoofdstuk in zijn componeren.
Al dat slagwerk vervult ook in het symfonische origineel een essentiële rol. Aan het einde van de finale lijkt het slagwerk als een soort muziekdoosje uit die ‘speelgoedwinkel’ van het eerste deel tot leven te komen, als de mechanische nachtegaal in het sprookje van Andersen. De open kwint a-e die eindeloos wordt aangehouden, wordt door het slagwerk uiteindelijk ingevuld – pling! – met een cis. A groot dus. Eind goed al goed? Zo simpel is het niet. Het eindoordeel is aan de luisteraar. De sfinx houdt zijn glimlach.
Beluister ook de Spotify playlist bijbehorende dit artikel: