Nog geen account of wachtwoord vergeten? Ga dan naar concertgebouw.nl
notenbeeld

Edward Elgar: Celloconcert

door Floris Don
24 mei 2021 24 mei 2021

Het Celloconcert van Edward Elgar behoort tot de big five van de celloconcerten. In het jaar na Eerste Wereldoorlog beleefde het zijn première. De componist vond er – gedesillusioneerd door de vele doden – een nieuwe toon.

Edward Elgar rond 1910

Edward Elgar rond 1910

Edward Elgar rond 1910

Edward Elgar rond 1910

Het Celloconcert van Edward Elgar behoort tot de big five van de celloconcerten. Stel, we rekenen de twee Haydns even tot de fijnproeverscategorie, dan zijn het de grote concerten van Elgar, Dvořák, Saint-Saëns (nummer 1), Sjostakovitsj (dito) en Schumann waar het dieet van de rondreizende solocellist voornamelijk uit bestaat.

En dan kun je nog een verdere rangschikking maken. Is Saint-Saëns onderhoudend maar toch ook een tikje oppervlakkig en het genie van de Schumann te grillig om echt breed populair te zijn, daar laat het Eerste van Sjostakovitsj het instrument op onnavolgbaar spectaculaire wijze uit z’n voegen barsten en is dat van Dvořák hét Grote Romantische Celloconcert dat qua melodiek, melancholie en orkestratie eigenlijk alle andere achter zich laat.

En dat van Elgar? Niets ten nadele van Beatrice Harrison of Pablo Casals, maar het is vooral aan de bevlogen interpretatie van Jacqueline du Pré (1945-1987) te danken geweest dat dit celloconcert sinds de jaren zestig waarschijnlijk het meest wordt gespeeld van allemaal. Du Prés opnamen met dirigenten John Barbirolli (1965) en Daniel Barenboim (1967) zijn monumentale erfenissen die elke solocellist tot een keuze dwingen: navolgen of bewust negeren. (Tip: zet de opname van Du Pré onderaan dit artikel op bij het lezen.)

Openingsmaten

Du Pré liet met haar gloeiende toonvorming als geen ander horen hoe volmaakt Elgar zijn concert op het karakter van de cello heeft afgestemd. Dat blijkt al meteen uit de beroemde openingsmaten

Het tempo is adagio, het orkest zwijgt op een lage e na in de cello’s en contrabassen. ‘Nobilmente’ (op nobele wijze) in fortissimo ontvouwt de solist het motto van deze partituur. Laten Dvořák en Saint-Saëns de cellist op de hoogste a-snaar starten om de aandacht van het publiek te vangen, Elgar benut meteen de ronkende breedte van het instrument: drie volle akkoorden zetten de toon, de daling zet in, en na een melancholieke rust zoekt de cellist voorzichtig weer een weg omhoog.

Pas dan begint Moderato, het eigenlijke eerste thema, een zoekende melodie in de altviolen. Een mooier begin dan dit recitatief kun je een cellist niet geven: de solist krijgt alle ruimte, het zangerige en warmbloedige karakter van het instrument wordt meteen benadrukt, de noten zijn technisch niet moeilijk. Al zal ook dit celloconcert verderop grote eisen gaan stellen aan de techniek.

Elgar heeft zijn concert volmaakt op het karakter van de cello afgestemd

Het introvert melancholische karakter van Elgars Celloconcert sluit niet alleen aan bij de eigenschappen van de cello als solo-instrument (lager dan de viool, zachter dan de piano) maar ook bij de buitenmuzikale context. Elgar begon vlak na het einde van de Eerste Wereldoorlog aan dit werk, dat een van z’n laatste grote composities zou blijken. Leek veel van Elgars muziek begin twintigste eeuw met al z’n pompeuze fortissimo’s nog de verklanking van het machtige Britse rijk, na de oorlog verdween pomp and circumstance bijna geheel uit zijn palet. Elgar was ­inmiddels gedesillusioneerd geraakt na de ontelbare dode soldaten (én paarden) die op de slagvelden waren achtergebleven. Ook leek een nieuw tijdperk aan te breken waar hij geen plek meer vond voor zijn romantische stijl – na voltooiing van het Cello­concert in 1919 verstreken er nog vijftien ­levensjaren zonder werken van grote betekenis.

Het Celloconcert van Edward Elgar behoort tot de big five van de celloconcerten. Stel, we rekenen de twee Haydns even tot de fijnproeverscategorie, dan zijn het de grote concerten van Elgar, Dvořák, Saint-Saëns (nummer 1), Sjostakovitsj (dito) en Schumann waar het dieet van de rondreizende solocellist voornamelijk uit bestaat.

En dan kun je nog een verdere rangschikking maken. Is Saint-Saëns onderhoudend maar toch ook een tikje oppervlakkig en het genie van de Schumann te grillig om echt breed populair te zijn, daar laat het Eerste van Sjostakovitsj het instrument op onnavolgbaar spectaculaire wijze uit z’n voegen barsten en is dat van Dvořák hét Grote Romantische Celloconcert dat qua melodiek, melancholie en orkestratie eigenlijk alle andere achter zich laat.

En dat van Elgar? Niets ten nadele van Beatrice Harrison of Pablo Casals, maar het is vooral aan de bevlogen interpretatie van Jacqueline du Pré (1945-1987) te danken geweest dat dit celloconcert sinds de jaren zestig waarschijnlijk het meest wordt gespeeld van allemaal. Du Prés opnamen met dirigenten John Barbirolli (1965) en Daniel Barenboim (1967) zijn monumentale erfenissen die elke solocellist tot een keuze dwingen: navolgen of bewust negeren. (Tip: zet de opname van Du Pré onderaan dit artikel op bij het lezen.)

Openingsmaten

Du Pré liet met haar gloeiende toonvorming als geen ander horen hoe volmaakt Elgar zijn concert op het karakter van de cello heeft afgestemd. Dat blijkt al meteen uit de beroemde openingsmaten

Het tempo is adagio, het orkest zwijgt op een lage e na in de cello’s en contrabassen. ‘Nobilmente’ (op nobele wijze) in fortissimo ontvouwt de solist het motto van deze partituur. Laten Dvořák en Saint-Saëns de cellist op de hoogste a-snaar starten om de aandacht van het publiek te vangen, Elgar benut meteen de ronkende breedte van het instrument: drie volle akkoorden zetten de toon, de daling zet in, en na een melancholieke rust zoekt de cellist voorzichtig weer een weg omhoog.

Pas dan begint Moderato, het eigenlijke eerste thema, een zoekende melodie in de altviolen. Een mooier begin dan dit recitatief kun je een cellist niet geven: de solist krijgt alle ruimte, het zangerige en warmbloedige karakter van het instrument wordt meteen benadrukt, de noten zijn technisch niet moeilijk. Al zal ook dit celloconcert verderop grote eisen gaan stellen aan de techniek.

Elgar heeft zijn concert volmaakt op het karakter van de cello afgestemd

Het introvert melancholische karakter van Elgars Celloconcert sluit niet alleen aan bij de eigenschappen van de cello als solo-instrument (lager dan de viool, zachter dan de piano) maar ook bij de buitenmuzikale context. Elgar begon vlak na het einde van de Eerste Wereldoorlog aan dit werk, dat een van z’n laatste grote composities zou blijken. Leek veel van Elgars muziek begin twintigste eeuw met al z’n pompeuze fortissimo’s nog de verklanking van het machtige Britse rijk, na de oorlog verdween pomp and circumstance bijna geheel uit zijn palet. Elgar was ­inmiddels gedesillusioneerd geraakt na de ontelbare dode soldaten (én paarden) die op de slagvelden waren achtergebleven. Ook leek een nieuw tijdperk aan te breken waar hij geen plek meer vond voor zijn romantische stijl – na voltooiing van het Cello­concert in 1919 verstreken er nog vijftien ­levensjaren zonder werken van grote betekenis.

Licht tweede deel

Het eerste deel van het Celloconcert heeft een open einde. Na wederom een solorecitatief, ditmaal met het akkoordenmotto in pizzicato, volgt Leggierissimo, lichter dan licht, het tweede deel vol puntige zestiende nootjes. Een goede beheersing van de rechterpols is hier zeer belangrijk, wil de cellist niet met een blessure eindigen met zoveel kolibrie-achtige strijkbewegingen per minuut. De orkestratie is bescheiden maar geraffineerd: contrastrijke, langere lijnen in de klarinet, een echo van de repeterende zestienden in de eerste violen als de cellist heel even kwarten speelt, en spaarzame contrabasnoten om de lichtvoetigheid te benadrukken.

Als het de cellist nog niet ijl genoeg is, gooit hij er een paar flageolettonen bij. De elfendans eindigt met een pittig pizzicatoakkoord.

Geen stilstand

Dan een langzaam deel, Adagio. Hét moment om te zwelgen, Elgars ‘Nimrod’ uit de Enigma-­variaties indachtig. Alleen: de oudere Elgar schuwt pathetiek, en schrijft in plaats daarvan een gevoelvol intermezzo met kamermuzikale intimiteit. Koper, hobo’s en fluiten zwijgen. Met ‘adagio’ bedoelt Elgar hier ook zeker geen stilstand, afgaande op zijn opname van het Celloconcert uit 1920 met Beatrice Harrison: het derde deel wordt op deze historische opname binnen vier minuten afgelegd, daar waar Du Pré ruim een minuut langer nodig heeft. Ook hier heeft de moderne solist dus iets te kiezen: de weg van Du Pré inslaan of niet?

De solocellist en de cellogroep vloeien samen in een machtig grommende melodie

De melodie heeft iets fragmentarisch, alsof de cellist mijmert over een onvolledige herinnering. Rijke modulaties en plotse dynamische wisselingen doen aan Schumann denken. Het deel eindigt met een puntkomma, alsof het de opmaat is naar het échte werk: de machtige finale, waar Elgar zowaar de pathetiek en het pompeuze lijkt te hebben teruggevonden.

Maar dat blijkt schijn. En daar waarschuwt de cellist al vroeg voor. Want hoe voortvarend het orkest de eerste acht maten met een marsachtig thema ook inzet, daar is de solist alweer ‘quasi recitativo’ om ‘nobilmente’ vraagtekens te plaatsen bij dergelijk machtsvertoon.

Maar zowel orkest als solist moeten toch wat energie kwijt, in een beurtelings speelse en triomfantelijke episode. Onvergetelijk is het moment waarop de solocellist en de complete cellogroep samenvloeien in een machtig grommende melodie.

De ondertoon is echter grimmig en de uitkomst onvermijdelijk. Het tempo neemt af, bewolking trekt over. ‘Molto espressivo’ bezingt de ­cellist met een gloedvol treurend relaas de vergane optimistische opwinding. Het motto keert nog eenmaal terug, het orkest reageert met vinnige akkoorden, en daarna is het snel gedaan: met ­zeventien maten allegro is het lied uit.

Licht tweede deel

Het eerste deel van het Celloconcert heeft een open einde. Na wederom een solorecitatief, ditmaal met het akkoordenmotto in pizzicato, volgt Leggierissimo, lichter dan licht, het tweede deel vol puntige zestiende nootjes. Een goede beheersing van de rechterpols is hier zeer belangrijk, wil de cellist niet met een blessure eindigen met zoveel kolibrie-achtige strijkbewegingen per minuut. De orkestratie is bescheiden maar geraffineerd: contrastrijke, langere lijnen in de klarinet, een echo van de repeterende zestienden in de eerste violen als de cellist heel even kwarten speelt, en spaarzame contrabasnoten om de lichtvoetigheid te benadrukken.

Als het de cellist nog niet ijl genoeg is, gooit hij er een paar flageolettonen bij. De elfendans eindigt met een pittig pizzicatoakkoord.

Geen stilstand

Dan een langzaam deel, Adagio. Hét moment om te zwelgen, Elgars ‘Nimrod’ uit de Enigma-­variaties indachtig. Alleen: de oudere Elgar schuwt pathetiek, en schrijft in plaats daarvan een gevoelvol intermezzo met kamermuzikale intimiteit. Koper, hobo’s en fluiten zwijgen. Met ‘adagio’ bedoelt Elgar hier ook zeker geen stilstand, afgaande op zijn opname van het Celloconcert uit 1920 met Beatrice Harrison: het derde deel wordt op deze historische opname binnen vier minuten afgelegd, daar waar Du Pré ruim een minuut langer nodig heeft. Ook hier heeft de moderne solist dus iets te kiezen: de weg van Du Pré inslaan of niet?

De solocellist en de cellogroep vloeien samen in een machtig grommende melodie

De melodie heeft iets fragmentarisch, alsof de cellist mijmert over een onvolledige herinnering. Rijke modulaties en plotse dynamische wisselingen doen aan Schumann denken. Het deel eindigt met een puntkomma, alsof het de opmaat is naar het échte werk: de machtige finale, waar Elgar zowaar de pathetiek en het pompeuze lijkt te hebben teruggevonden.

Maar dat blijkt schijn. En daar waarschuwt de cellist al vroeg voor. Want hoe voortvarend het orkest de eerste acht maten met een marsachtig thema ook inzet, daar is de solist alweer ‘quasi recitativo’ om ‘nobilmente’ vraagtekens te plaatsen bij dergelijk machtsvertoon.

Maar zowel orkest als solist moeten toch wat energie kwijt, in een beurtelings speelse en triomfantelijke episode. Onvergetelijk is het moment waarop de solocellist en de complete cellogroep samenvloeien in een machtig grommende melodie.

De ondertoon is echter grimmig en de uitkomst onvermijdelijk. Het tempo neemt af, bewolking trekt over. ‘Molto espressivo’ bezingt de ­cellist met een gloedvol treurend relaas de vergane optimistische opwinding. Het motto keert nog eenmaal terug, het orkest reageert met vinnige akkoorden, en daarna is het snel gedaan: met ­zeventien maten allegro is het lied uit.

Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Abonneer dan nu.