Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier
notenbeeld

César Franck: Pianokwintet in f klein

door Dirk Luijmes
19 okt. 2021 19 oktober 2021

César Franck was een bouwer. Met luttele motieven wist hij doorwrochte composities te construeren. Zijn Pianokwintet is een briljant voorbeeld.

  • César Franck

    César Franck

  • César Franck

    César Franck

Wanneer je een programmatoelichting bij een bepaalde compositie gaat schrijven, is het verleidelijk om daarin allerlei geruchten rondom dat stuk op te nemen. Voor de lezer moet het immers ook een beetje smakelijk zijn? Bij César Francks ‘Quintette pour cordes et piano’ zou je dan een mooi verhaal kunnen ophangen over de verliefde gevoelens die Franck voor een leerlinge zou hebben gehad toen hij dit pianokwintet schreef. Daarmee zou de (voor Franck opvallend) gepassioneerde toon van het werk verklaard kunnen worden. En wat te denken van het verhaal dat Camille Saint-Saëns pardoes wegliep nadat hij als pianist de première van het kwintet verzorgde? Was hij boos dat zo’n romantisch stuk aan hem was opgedragen? Of had hij een oogje op dezelfde dame? Voor de rubriek Notenbeeld is het eenvoudig de verleiding te weerstaan om dit soort roddels verder uit te diepen. Over de noten van Francks Pianokwintet valt namelijk al genoeg interessants te melden. 

Samensteller

César Franck (1822-1890) was in veel gevallen letterlijk een ‘componist’, iemand die zijn werken ‘samenstelt’. Als uitgangspunt voor veel van zijn stukken had hij aan een handjevol motieven genoeg. Zo’n motief werd een cel die Franck uit liet groeien tot één of meerdere thema’s. ­Muziektheoretici gebruiken in dit verband termen als ‘kiemceltechniek’, ‘thème générateur’ of het ‘cyclische principe’. Een van de bekendste voorbeelden van deze manier van werken vinden we in Francks Symfonie in d klein, een werk dat de Fransman schreef rond 1888, zo’n negen jaar na het pianokwintet. De eerste drie noten (d-cis-f) vormen in feite de kiem voor de thematiek van alle delen van symfonie. Volgens Franckpupil Vincent d’Indy zou ook vrijwel al het ­muzikale materiaal van Francks Viool­sonate (1886) te herleiden zijn tot één enkele cel, die in de verschillende delen tot volle wasdom komt en zich ontwikkelt in allerlei gedaantes. 

Het cyclische thema

Ook in zijn Pianokwintet maakt Franck gebruik van een ‘cyclisch thema’, dat hij een plaats geeft tussen andere thematiek (figuur 1). Het is een typisch ‘Franckiaans’ thema of motto: de componist begint met een klein motiefje (gis-a-a-gis), herhaalt dat met een kleine variatie (gis-ais-ais-gis) en bouwt het daarna wat verder uit (gis-a-c-b-a-gis). Alsof hij een zin begint (maat 1), nog eens start (maat 2), en dan vanuit het begin een (iets) langere frase ontwikkelt (maat 3). Met dit thema verbindt de componist de drie kwintetdelen met elkaar.

Fig. 1: Een cyclisch thema verbindt de drie delen van het kwintet

Nadat hij in het stormachtige openingsdeel andere thematiek heeft gepresenteerd, laat Franck het verbindende motto eerst horen in de piano; het moet teder maar gepassioneerd gespeeld worden (‘tenero ma con passione’). Die speelaanduiding noteert hij niet veel later ook als de eerste violist ditzelfde thema aanheft. Die laat het meteen volgen door de ‘omkering’ ervan: de melodische stappen omhoog worden nu stappen omlaag (en omgekeerd), zoals hieronder is te zien. Vanaf nu laat Franck zijn ‘thème générateur’ in verschillende toonsoorten terugkeren als een van de bouwstenen van het eerste deel. Tegen het einde lijkt het de overhand te krijgen en klinkt het krachtig in alle partijen (‘sempre fff e passionato’). 

Fig. 2: Omkering van het cyclische thema

Het duurt even voordat we het cyclische thema terug horen in de andere delen van het kwintet. In het meditatieve tweede deel, dat heel anders van toon is dan het onstuimige openingsdeel, klinkt het thema maar kort en pas halverwege, als een vage herinnering aan deel een. In de finale – die minstens zo vurig is als het eerste deel – moeten we tot het slot wachten. Met begeleiding van harpachtige akkoordbrekingen in de piano en lange noten in de andere strijkers, speelt de eerste violist het thema uiterst zacht en lieflijk (‘dolcissimo’) – in de onverwachte toonsoort Des groot. 

Andere thema’s

Er valt ook genoeg te zeggen over andere thema’s die Franck in zijn kwintet opvoert. In het begin van het eerste deel staan de strijkers tegenover de piano. Het strijkkwartet brengt een ritmisch motief (met een lange gepuncteerde noot en twee korte, waarin je een kiemcel kunt horen van het hoofdthema in dit deel, dat voor het eerst in de piano klinkt.

Fig. 3: Een ritmisch motief in de strijkers vormt een kiemcel van het hoofdthema van het eerste deel

Fig. 4: Dat hoofdthema klinkt voor het eerst in de piano 

Een ander voorbeeld van de manier waarop thema’s bij Franck verbonden kunnen zijn, vinden we in de andere twee delen. In het Lento duikt in het eerste gedeelte een motief op dat bestaat uit drie herhaalde noten (waarvan de eerste twee kort) gevolgd door een dalende akkoordbreking (met opnieuw de eerste twee noten kort) en een (sext)sprong naar boven. Het motief treedt regelmatig op in het langzame deel maar we horen het ook terug als tweede thema van de finale. Om ze makkelijk met elkaar te kunnen vergelijken zetten we ze hier onder elkaar in dezelfde toonsoort. 

Fig. 5: Een terugkerend motief in het Lento

Fig. 6: We horen het motief terug in de finale

 

Thema’s combineren

Het is fraai om te zien hoe Franck in zijn werken speelt met de thematiek, motieven ombouwt tot nieuwe en ook verschillende thema’s combineert. Dat laatste doet hij ook in het laatste deel van zijn Pianokwintet. Zagen we in figuur 3 al het tweede thema van dit deel, het eerste thema is een beetje fanfare-achtig en bestaat uit een akkoordbreking, opnieuw met een gepuncteerd ritme.

Fig. 7: Het eerste thema van de finale

De piano laat er al een voorproefje van horen in het begin van het deel, als de strijkers snelle nootjes spelen. Dit eerste thema komt verderop uitgebreid terug. Interessant is dat dit gegeven ook tegelijkertijd met andere bouwstenen klinkt. Zo horen we het in de finale (in de piano) onder meer samen met het tweede thema (in de strijkers). En als aan het slot het eerder vermelde cyclische thema weerkeert, klinkt het niet slechts alleen, maar krijgt het ook nog gezelschap van het eerste finalethema.

 
Fig. 8: Het eerste en het tweede finale-thema klinken tegelijk


Fig. 9: Het cyclische thema van het begin keert terug in het laatste deel

Het is bijzonder rond te dwalen in het muzikale bouwwerk dat Franck ontwierp en uitvoerde, en zijn constructieve geest, die zich in allerlei details openbaart, te bewonderen. Maar de meeste luisteraars zullen zich vooral aansluiten bij de woorden die de Franse musicoloog Jean Gallois noteerde nadat hij Francks Pianokwintet had bestudeerd. ‘Wat een bewonderenswaardig meesterwerk! Nadat je het geanalyseerd hebt, moet je alles vergeten wat je op wilde schrijven om je over te geven aan dit gedicht dat zo intens dramatisch is en dat in zijn drie delen meer muziek bevat dan een complete opera.’  

Wanneer je een programmatoelichting bij een bepaalde compositie gaat schrijven, is het verleidelijk om daarin allerlei geruchten rondom dat stuk op te nemen. Voor de lezer moet het immers ook een beetje smakelijk zijn? Bij César Francks ‘Quintette pour cordes et piano’ zou je dan een mooi verhaal kunnen ophangen over de verliefde gevoelens die Franck voor een leerlinge zou hebben gehad toen hij dit pianokwintet schreef. Daarmee zou de (voor Franck opvallend) gepassioneerde toon van het werk verklaard kunnen worden. En wat te denken van het verhaal dat Camille Saint-Saëns pardoes wegliep nadat hij als pianist de première van het kwintet verzorgde? Was hij boos dat zo’n romantisch stuk aan hem was opgedragen? Of had hij een oogje op dezelfde dame? Voor de rubriek Notenbeeld is het eenvoudig de verleiding te weerstaan om dit soort roddels verder uit te diepen. Over de noten van Francks Pianokwintet valt namelijk al genoeg interessants te melden. 

Samensteller

César Franck (1822-1890) was in veel gevallen letterlijk een ‘componist’, iemand die zijn werken ‘samenstelt’. Als uitgangspunt voor veel van zijn stukken had hij aan een handjevol motieven genoeg. Zo’n motief werd een cel die Franck uit liet groeien tot één of meerdere thema’s. ­Muziektheoretici gebruiken in dit verband termen als ‘kiemceltechniek’, ‘thème générateur’ of het ‘cyclische principe’. Een van de bekendste voorbeelden van deze manier van werken vinden we in Francks Symfonie in d klein, een werk dat de Fransman schreef rond 1888, zo’n negen jaar na het pianokwintet. De eerste drie noten (d-cis-f) vormen in feite de kiem voor de thematiek van alle delen van symfonie. Volgens Franckpupil Vincent d’Indy zou ook vrijwel al het ­muzikale materiaal van Francks Viool­sonate (1886) te herleiden zijn tot één enkele cel, die in de verschillende delen tot volle wasdom komt en zich ontwikkelt in allerlei gedaantes. 

Het cyclische thema

Ook in zijn Pianokwintet maakt Franck gebruik van een ‘cyclisch thema’, dat hij een plaats geeft tussen andere thematiek (figuur 1). Het is een typisch ‘Franckiaans’ thema of motto: de componist begint met een klein motiefje (gis-a-a-gis), herhaalt dat met een kleine variatie (gis-ais-ais-gis) en bouwt het daarna wat verder uit (gis-a-c-b-a-gis). Alsof hij een zin begint (maat 1), nog eens start (maat 2), en dan vanuit het begin een (iets) langere frase ontwikkelt (maat 3). Met dit thema verbindt de componist de drie kwintetdelen met elkaar.

Fig. 1: Een cyclisch thema verbindt de drie delen van het kwintet

Nadat hij in het stormachtige openingsdeel andere thematiek heeft gepresenteerd, laat Franck het verbindende motto eerst horen in de piano; het moet teder maar gepassioneerd gespeeld worden (‘tenero ma con passione’). Die speelaanduiding noteert hij niet veel later ook als de eerste violist ditzelfde thema aanheft. Die laat het meteen volgen door de ‘omkering’ ervan: de melodische stappen omhoog worden nu stappen omlaag (en omgekeerd), zoals hieronder is te zien. Vanaf nu laat Franck zijn ‘thème générateur’ in verschillende toonsoorten terugkeren als een van de bouwstenen van het eerste deel. Tegen het einde lijkt het de overhand te krijgen en klinkt het krachtig in alle partijen (‘sempre fff e passionato’). 

Fig. 2: Omkering van het cyclische thema

Het duurt even voordat we het cyclische thema terug horen in de andere delen van het kwintet. In het meditatieve tweede deel, dat heel anders van toon is dan het onstuimige openingsdeel, klinkt het thema maar kort en pas halverwege, als een vage herinnering aan deel een. In de finale – die minstens zo vurig is als het eerste deel – moeten we tot het slot wachten. Met begeleiding van harpachtige akkoordbrekingen in de piano en lange noten in de andere strijkers, speelt de eerste violist het thema uiterst zacht en lieflijk (‘dolcissimo’) – in de onverwachte toonsoort Des groot. 

Andere thema’s

Er valt ook genoeg te zeggen over andere thema’s die Franck in zijn kwintet opvoert. In het begin van het eerste deel staan de strijkers tegenover de piano. Het strijkkwartet brengt een ritmisch motief (met een lange gepuncteerde noot en twee korte, waarin je een kiemcel kunt horen van het hoofdthema in dit deel, dat voor het eerst in de piano klinkt.

Fig. 3: Een ritmisch motief in de strijkers vormt een kiemcel van het hoofdthema van het eerste deel

Fig. 4: Dat hoofdthema klinkt voor het eerst in de piano 

Een ander voorbeeld van de manier waarop thema’s bij Franck verbonden kunnen zijn, vinden we in de andere twee delen. In het Lento duikt in het eerste gedeelte een motief op dat bestaat uit drie herhaalde noten (waarvan de eerste twee kort) gevolgd door een dalende akkoordbreking (met opnieuw de eerste twee noten kort) en een (sext)sprong naar boven. Het motief treedt regelmatig op in het langzame deel maar we horen het ook terug als tweede thema van de finale. Om ze makkelijk met elkaar te kunnen vergelijken zetten we ze hier onder elkaar in dezelfde toonsoort. 

Fig. 5: Een terugkerend motief in het Lento

Fig. 6: We horen het motief terug in de finale

 

Thema’s combineren

Het is fraai om te zien hoe Franck in zijn werken speelt met de thematiek, motieven ombouwt tot nieuwe en ook verschillende thema’s combineert. Dat laatste doet hij ook in het laatste deel van zijn Pianokwintet. Zagen we in figuur 3 al het tweede thema van dit deel, het eerste thema is een beetje fanfare-achtig en bestaat uit een akkoordbreking, opnieuw met een gepuncteerd ritme.

Fig. 7: Het eerste thema van de finale

De piano laat er al een voorproefje van horen in het begin van het deel, als de strijkers snelle nootjes spelen. Dit eerste thema komt verderop uitgebreid terug. Interessant is dat dit gegeven ook tegelijkertijd met andere bouwstenen klinkt. Zo horen we het in de finale (in de piano) onder meer samen met het tweede thema (in de strijkers). En als aan het slot het eerder vermelde cyclische thema weerkeert, klinkt het niet slechts alleen, maar krijgt het ook nog gezelschap van het eerste finalethema.

 
Fig. 8: Het eerste en het tweede finale-thema klinken tegelijk


Fig. 9: Het cyclische thema van het begin keert terug in het laatste deel

Het is bijzonder rond te dwalen in het muzikale bouwwerk dat Franck ontwierp en uitvoerde, en zijn constructieve geest, die zich in allerlei details openbaart, te bewonderen. Maar de meeste luisteraars zullen zich vooral aansluiten bij de woorden die de Franse musicoloog Jean Gallois noteerde nadat hij Francks Pianokwintet had bestudeerd. ‘Wat een bewonderenswaardig meesterwerk! Nadat je het geanalyseerd hebt, moet je alles vergeten wat je op wilde schrijven om je over te geven aan dit gedicht dat zo intens dramatisch is en dat in zijn drie delen meer muziek bevat dan een complete opera.’  

Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Abonneer dan nu.