Nog geen account of wachtwoord vergeten? Ga dan naar concertgebouw.nl
notenbeeld

Johannes Brahms: Vioolconcert in D groot

door Axel Meijer
22 feb. 2021 22 februari 2021

‘Een concert voor viool tegen orkest – en de viool wint!’ Brahms’ eerste en enige vioolconcert groeide uit van een onspeelbaar geacht werk tot een evergreen.

In augustus 1878 schrijft Johannes Brahms zijn goede vriend, violist en componist Joseph Joachim, dat hij ‘enige vioolpassages’ voor hem klaar heeft liggen. In werkelijkheid gaat het om vergevorderde schetsen voor een gigantisch vierdelig werk, feitelijk een symfonie voor viool en orkest. Brahms heeft daar echter wel hulp bij nodig: hij is nu eenmaal pianist in plaats van strijker en zijn technische kennis schiet tekort om een ‘violistisch’ concert te schrijven.

In augustus 1878 schrijft Johannes Brahms zijn goede vriend, violist en componist Joseph Joachim, dat hij ‘enige vioolpassages’ voor hem klaar heeft liggen. In werkelijkheid gaat het om vergevorderde schetsen voor een gigantisch vierdelig werk, feitelijk een symfonie voor viool en orkest. Brahms heeft daar echter wel hulp bij nodig: hij is nu eenmaal pianist in plaats van strijker en zijn technische kennis schiet tekort om een ‘violistisch’ concert te schrijven.

  • Johannes Brahms

    omstreeks 1860

    Johannes Brahms

    omstreeks 1860

  • Johannes Brahms en Joseph Joachim

    Klagenfurt, 1867

    Johannes Brahms en Joseph Joachim

    Klagenfurt, 1867

  • Johannes Brahms

    omstreeks 1860

    Johannes Brahms

    omstreeks 1860

  • Johannes Brahms en Joseph Joachim

    Klagenfurt, 1867

    Johannes Brahms en Joseph Joachim

    Klagenfurt, 1867

In de maanden daarop werken de twee vrienden via brieven en tijdens bezoeken hard aan het stuk, waarbij Brahms uiteraard de regie in handen heeft en Joachim zich vooral met de praktische uitvoerbaarheid bemoeit. Joachim zet zijn vriend daarbij wel onder druk: de violist wil het werk in pre­mière laten gaan op het nieuwjaarsconcert van 1879 in Leipzig. Op het programma staat, imponerend genoeg, ook Beethovens Vioolconcert in D groot. Brahms zegt daar achteraf over, met typerend droge zelfspot: ‘Er stond veel D groot op het programma, en verder niet veel.’
Een eclatant succes is Brahms’ compositie aanvankelijk niet. Er wordt zelfs gesproken van een ‘concert tegen in plaats van voor de viool.’ Nu, anderhalve eeuw later, is het een van de vijf meest gespeelde vioolconcerten, samen met die van Beethoven, Mendelssohn, Tsjaikovski en Bruch.

Het begin

Het concert opent met twee gebroken akkoorden: een dalende drieklank in b klein en een stijgende in D groot. Brahms geeft dit thema aan ‘de onderkant’ van het orkest – we horen cello’s, altviolen, fagotten en hoorns.

Fig. 1: De altviolen, hoorns, cello’s en fagotten openen het concert met een dalende drieklank in b klein en een stijgende in D groot

De spanning neemt meteen toe wanneer, veel hoger, de hobo’s een kort weerwoord laten horen.

Fig. 2: De hobo’s laten een weerwoord horen

Dit antwoord is niet alleen de tweede helft van de openingsmelodie, maar ook een brug naar de gespierde expositie voor vol orkest. Die klinkt al bijna alsof Brahms naar het explosieve einde van een symfonie toewerkt. Brahms wisselt hier het geweld van de tutti af met korte, kalmere overgangspassages (vooral voor de blazers), die voortborduren op het allereerste bruggetje uit de opening. Hieruit ontwikkelt zich allengs en bijna onopgemerkt het materiaal voor het belangrijkste neventhema, dat de solist pas later volledig zal uitwerken.

Fig. 3: Bijna ongemerkt ontwikkelt zich het materiaal voor het belangrijkste neventhema

Een hoekig thema in de strijkers, gevolgd door aanzwellende bassen, vormt het einde van de orkestrale inleiding. De violist scheurt vanuit het niets tweeënhalf octaaf omhoog en maakt, in de ‘verkeerde’ toonsoort F groot/d klein, korte metten met de openingsakkoorden van het concert. Opmerkelijk is de kale begeleiding door alleen de pauken – een subtiele, maar duidelijke verwijzing naar het Vioolconcert van Beethoven, dat zo opvallend begint met pauken. Het duurt hierna een flink aantal robuust-virtuoze maten, waarachter ongetwijfeld de ervaren hand van Joachim schuilt, voordat de rust en het openingsmotief weerkeren, ditmaal in de ‘juiste’ toonsoort. Hier past de opmerking van violist Bronisław Huberman, waarmee hij de eerdere kritiek tegenspreekt: ‘Het is een concert voor viool tegen orkest – en de viool wint!’

Dan gebruikt de solist het hoekige thema van zo-even om onder dit gedeelte een streep te zetten en het nu volledig uitgewerkte en zeer lyrische thema uit het muziekvoorbeeld in figuur 2 te introduceren.
De daaropvolgende doorwerking is een dialoog over het complete melodische materiaal met een even belangrijke rol voor orkest als voor solist. Uiteraard is er een cadens, de vrije, quasi-­geïmproviseerde passage waarin de solist zijn fantasie de vrije loop mag laten. In het geval van dit concert speelt de violist altijd de cadens zoals gecomponeerd door Joachim. Brahms waardeerde die zo dat hij ervan afzag er zelf een te schrijven.

In de maanden daarop werken de twee vrienden via brieven en tijdens bezoeken hard aan het stuk, waarbij Brahms uiteraard de regie in handen heeft en Joachim zich vooral met de praktische uitvoerbaarheid bemoeit. Joachim zet zijn vriend daarbij wel onder druk: de violist wil het werk in pre­mière laten gaan op het nieuwjaarsconcert van 1879 in Leipzig. Op het programma staat, imponerend genoeg, ook Beethovens Vioolconcert in D groot. Brahms zegt daar achteraf over, met typerend droge zelfspot: ‘Er stond veel D groot op het programma, en verder niet veel.’
Een eclatant succes is Brahms’ compositie aanvankelijk niet. Er wordt zelfs gesproken van een ‘concert tegen in plaats van voor de viool.’ Nu, anderhalve eeuw later, is het een van de vijf meest gespeelde vioolconcerten, samen met die van Beethoven, Mendelssohn, Tsjaikovski en Bruch.

Het begin

Het concert opent met twee gebroken akkoorden: een dalende drieklank in b klein en een stijgende in D groot. Brahms geeft dit thema aan ‘de onderkant’ van het orkest – we horen cello’s, altviolen, fagotten en hoorns.

Fig. 1: De altviolen, hoorns, cello’s en fagotten openen het concert met een dalende drieklank in b klein en een stijgende in D groot

De spanning neemt meteen toe wanneer, veel hoger, de hobo’s een kort weerwoord laten horen.

Fig. 2: De hobo’s laten een weerwoord horen

Dit antwoord is niet alleen de tweede helft van de openingsmelodie, maar ook een brug naar de gespierde expositie voor vol orkest. Die klinkt al bijna alsof Brahms naar het explosieve einde van een symfonie toewerkt. Brahms wisselt hier het geweld van de tutti af met korte, kalmere overgangspassages (vooral voor de blazers), die voortborduren op het allereerste bruggetje uit de opening. Hieruit ontwikkelt zich allengs en bijna onopgemerkt het materiaal voor het belangrijkste neventhema, dat de solist pas later volledig zal uitwerken.

Fig. 3: Bijna ongemerkt ontwikkelt zich het materiaal voor het belangrijkste neventhema

Een hoekig thema in de strijkers, gevolgd door aanzwellende bassen, vormt het einde van de orkestrale inleiding. De violist scheurt vanuit het niets tweeënhalf octaaf omhoog en maakt, in de ‘verkeerde’ toonsoort F groot/d klein, korte metten met de openingsakkoorden van het concert. Opmerkelijk is de kale begeleiding door alleen de pauken – een subtiele, maar duidelijke verwijzing naar het Vioolconcert van Beethoven, dat zo opvallend begint met pauken. Het duurt hierna een flink aantal robuust-virtuoze maten, waarachter ongetwijfeld de ervaren hand van Joachim schuilt, voordat de rust en het openingsmotief weerkeren, ditmaal in de ‘juiste’ toonsoort. Hier past de opmerking van violist Bronisław Huberman, waarmee hij de eerdere kritiek tegenspreekt: ‘Het is een concert voor viool tegen orkest – en de viool wint!’

Dan gebruikt de solist het hoekige thema van zo-even om onder dit gedeelte een streep te zetten en het nu volledig uitgewerkte en zeer lyrische thema uit het muziekvoorbeeld in figuur 2 te introduceren.
De daaropvolgende doorwerking is een dialoog over het complete melodische materiaal met een even belangrijke rol voor orkest als voor solist. Uiteraard is er een cadens, de vrije, quasi-­geïmproviseerde passage waarin de solist zijn fantasie de vrije loop mag laten. In het geval van dit concert speelt de violist altijd de cadens zoals gecomponeerd door Joachim. Brahms waardeerde die zo dat hij ervan afzag er zelf een te schrijven.

In de kachel

Brahms had zoals gezegd aanvankelijk een vier­delig concert in gedachten, maar in een laat stadium vond hij dat de twee middelste delen toch niet pasten. Aan Joachim schreef hij met de nodige zelfspot: ‘De twee middelste delen zijn weggevallen – en dat waren natuurlijk de beste! Ik heb er een pover Adagio voor in de plaats geschreven.’ De geschrapte delen verdwenen, ­typisch Brahms, in de kachel. Het vervangende Adagio is een eenvoudig lied voor orkest en viool – en niet te vergeten hobo. Die speelt namelijk als eerste de belangrijkste melodie van dit deel.

Fig. 4: De hobo speelt als eerste de belangrijkste melodie van het tweede deel

Deze gang van zaken schoot een aantal negentiende-eeuwse violisten in het verkeerde keelgat. ‘Je denkt toch niet’, zei bijvoorbeeld de beroemde Pablo de Sarasate verontwaardigd, ‘dat ik met de viool in de hand op het podium ga staan luisteren hoe de hobo de enige melodie in het hele werk speelt?’ Brahms zelf zag gelukkig in dat de melodie rijk genoeg is om te delen, en het deel eindigt dan ook in een ontroerend duet tussen viool en hobo.

Het einde

De finale staat in rondovorm: een hoofdthema als refrein, afgewisseld door van elkaar verschillende episoden. Het deel is als een concertante bijlage bij de Hongaarse dansen, Brahms’ eeuwige bestseller, waarvan de eerste twee bundels al waren verschenen; de twee laatste stammen van een jaar na het Vioolconcert. Het Hongaarse karakter van het thema in Figuur 5 is mogelijk een knipoog naar Joachim, die veel succes had gehad met zijn eigen Vioolconcert ‘in Hongaarse stijl’. Ook in dit deel valt op hoe economisch Brahms met zijn materiaal omgaat: zo vormen de stijgende akkoorden van de orkestbegeleiding de grondstof voor een solistische passage die kort erna volgt.

Fig. 5: Het hoofdthema van de Finale heeft een Hongaars karakter, mogelijk een knipoog naar Joachims Vioolconcert ‘in Hongaarse stijl’

In alle uitgelatenheid van dit deel vindt Brahms nog ruimte om kort te laten horen dat hij Bach heeft bestudeerd: een korte meerstemmige solo verwijst naar de beroemde chaconne uit diens Vioolpartita in d klein, waarvan Brahms kort tevoren een pianobewerking voor de linkerhand had gemaakt.

Na een triomfantelijke mars besluit Brahms zijn enige vioolconcert met een voldaan wegebbende solopartij. Dan drie knallen – en klaar.

In de kachel

Brahms had zoals gezegd aanvankelijk een vier­delig concert in gedachten, maar in een laat stadium vond hij dat de twee middelste delen toch niet pasten. Aan Joachim schreef hij met de nodige zelfspot: ‘De twee middelste delen zijn weggevallen – en dat waren natuurlijk de beste! Ik heb er een pover Adagio voor in de plaats geschreven.’ De geschrapte delen verdwenen, ­typisch Brahms, in de kachel. Het vervangende Adagio is een eenvoudig lied voor orkest en viool – en niet te vergeten hobo. Die speelt namelijk als eerste de belangrijkste melodie van dit deel.

Fig. 4: De hobo speelt als eerste de belangrijkste melodie van het tweede deel

Deze gang van zaken schoot een aantal negentiende-eeuwse violisten in het verkeerde keelgat. ‘Je denkt toch niet’, zei bijvoorbeeld de beroemde Pablo de Sarasate verontwaardigd, ‘dat ik met de viool in de hand op het podium ga staan luisteren hoe de hobo de enige melodie in het hele werk speelt?’ Brahms zelf zag gelukkig in dat de melodie rijk genoeg is om te delen, en het deel eindigt dan ook in een ontroerend duet tussen viool en hobo.

Het einde

De finale staat in rondovorm: een hoofdthema als refrein, afgewisseld door van elkaar verschillende episoden. Het deel is als een concertante bijlage bij de Hongaarse dansen, Brahms’ eeuwige bestseller, waarvan de eerste twee bundels al waren verschenen; de twee laatste stammen van een jaar na het Vioolconcert. Het Hongaarse karakter van het thema in Figuur 5 is mogelijk een knipoog naar Joachim, die veel succes had gehad met zijn eigen Vioolconcert ‘in Hongaarse stijl’. Ook in dit deel valt op hoe economisch Brahms met zijn materiaal omgaat: zo vormen de stijgende akkoorden van de orkestbegeleiding de grondstof voor een solistische passage die kort erna volgt.

Fig. 5: Het hoofdthema van de Finale heeft een Hongaars karakter, mogelijk een knipoog naar Joachims Vioolconcert ‘in Hongaarse stijl’

In alle uitgelatenheid van dit deel vindt Brahms nog ruimte om kort te laten horen dat hij Bach heeft bestudeerd: een korte meerstemmige solo verwijst naar de beroemde chaconne uit diens Vioolpartita in d klein, waarvan Brahms kort tevoren een pianobewerking voor de linkerhand had gemaakt.

Na een triomfantelijke mars besluit Brahms zijn enige vioolconcert met een voldaan wegebbende solopartij. Dan drie knallen – en klaar.

Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Abonneer dan nu.