De concertherinneringen van Hedy d'Ancona
door Stella Vrijmoed 08 mei 2026 08 mei 2026
Welke bijzondere herinneringen hebben concertbezoekers aan Het Concertgebouw? In deze rubriek laten we publiek aan het woord over wat ze horen en meemaken. Deze maand: Hedy d'Ancona.
‘Wat mij het meest is bijgebleven aan de vele bezoeken aan Het Concertgebouw, zijn de nieuwjaarsconcerten van het Nederlands Blazers Ensemble, met al die kinderen in de zaal. Dat enthousiasme, die vitaliteit en de aandachtigheid die er dan ook heerst. Ik vond dat hoopvol en ben er vaak geweest, ook met mijn eigen kleinkinderen. Als kinderen maar jong genoeg die drempel overkomen en daar dan zoiets vrolijks en aantrekkelijks aantreffen, dan stappen ze later wellicht wat makkelijker weer die drempel over.
Mijn kleinzoon heeft zich zojuist aangesloten bij Entrée en ik vind het zo leuk dat die toegankelijkheid voor jonge mensen wordt gefaciliteerd. Daar moeten we veel aandacht aan besteden, want klassieke muziek moet doorgaan. Ook als alle oude mensen in de zaal, zoals ik, er binnen afzienbare tijd niet meer zijn.
Pas op mijn achttiende, toen ik in Amsterdam ging studeren, ging ik voor het eerst naar Het Concertgebouw. In de loop der jaren heb ik abonnementen gehad op verschillende plekken in de zaal. Lange tijd zat ik op het podium, omdat mijn geliefde – beeldend kunstenaar Aat Veldhoen – vlakbij het orkest wilde zitten om tekeningetjes te maken van de musici. Het leuke was dan ook dat je de dirigent in het gezicht kon kijken. Maar nadat mijn geliefde overleed, ben ik weer in de zaal gaan zitten. Omdat ik ook lang in het bestuur van het Concertgebouworkest heb gezeten, weet ik inmiddels welke plekken geacht worden de beste te zijn – zo’n beetje middenin de zaal.
Als minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur in de jaren 1990 ging ik ook altijd even op bezoek bij de chef-dirigent om mijn waardering uit te spreken. Dat was in die tijd Riccardo Chailly – ik vond hem heel goed. Als ik met dirigenten in andere Europese concertzalen sprak, noemden zij de Amsterdamse zaal vaak bijzonder.
Dat gaat wat mij betreft niet alleen om de geluidskwaliteit, maar om een totaalbeleving. Voor mij voelt het het prettigst als alle dingen die je geest en je brein zo vol en onrustig maken, plaatsmaken voor een soort spons in je kop. Die doet al dat dagelijkse rumoer en de plichten die wachten verdwijnen en vult die met een muzikale beleving.’
‘Wat mij het meest is bijgebleven aan de vele bezoeken aan Het Concertgebouw, zijn de nieuwjaarsconcerten van het Nederlands Blazers Ensemble, met al die kinderen in de zaal. Dat enthousiasme, die vitaliteit en de aandachtigheid die er dan ook heerst. Ik vond dat hoopvol en ben er vaak geweest, ook met mijn eigen kleinkinderen. Als kinderen maar jong genoeg die drempel overkomen en daar dan zoiets vrolijks en aantrekkelijks aantreffen, dan stappen ze later wellicht wat makkelijker weer die drempel over.
Mijn kleinzoon heeft zich zojuist aangesloten bij Entrée en ik vind het zo leuk dat die toegankelijkheid voor jonge mensen wordt gefaciliteerd. Daar moeten we veel aandacht aan besteden, want klassieke muziek moet doorgaan. Ook als alle oude mensen in de zaal, zoals ik, er binnen afzienbare tijd niet meer zijn.
Pas op mijn achttiende, toen ik in Amsterdam ging studeren, ging ik voor het eerst naar Het Concertgebouw. In de loop der jaren heb ik abonnementen gehad op verschillende plekken in de zaal. Lange tijd zat ik op het podium, omdat mijn geliefde – beeldend kunstenaar Aat Veldhoen – vlakbij het orkest wilde zitten om tekeningetjes te maken van de musici. Het leuke was dan ook dat je de dirigent in het gezicht kon kijken. Maar nadat mijn geliefde overleed, ben ik weer in de zaal gaan zitten. Omdat ik ook lang in het bestuur van het Concertgebouworkest heb gezeten, weet ik inmiddels welke plekken geacht worden de beste te zijn – zo’n beetje middenin de zaal.
Als minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur in de jaren 1990 ging ik ook altijd even op bezoek bij de chef-dirigent om mijn waardering uit te spreken. Dat was in die tijd Riccardo Chailly – ik vond hem heel goed. Als ik met dirigenten in andere Europese concertzalen sprak, noemden zij de Amsterdamse zaal vaak bijzonder.
Dat gaat wat mij betreft niet alleen om de geluidskwaliteit, maar om een totaalbeleving. Voor mij voelt het het prettigst als alle dingen die je geest en je brein zo vol en onrustig maken, plaatsmaken voor een soort spons in je kop. Die doet al dat dagelijkse rumoer en de plichten die wachten verdwijnen en vult die met een muzikale beleving.’