Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier
bericht uit de zaal

‘Beethovens ‘Pastorale’ is één groot weerbericht’

door Stella Vrijmoed
06 mrt 2026 06 maart 2026

Welke bijzondere herinneringen hebben concertbezoekers aan Het Concertgebouw? In deze rubriek laten we publiek aan het woord over wat ze horen en meemaken. Deze maand: oud-weerman Harry Geurts.

  • Harry Geurts

    Foto: Marianne Wuring

    Harry Geurts

    Foto: Marianne Wuring

  • Harry Geurts

    Foto: Marianne Wuring

    Harry Geurts

    Foto: Marianne Wuring

‘In de jaren ’70 hoorde ik het Requiem van Antonín Dvořák in Het Concertgebouw. Aan het begin van het stuk trok er een flinke onweersbui over en hoorden we in de zaal een rollende donderslag. Ik vond dat zo indrukwekkend, het was net of het in die muziek hoorde. Het deed veel met me. Ik studeerde in die tijd Aardrijkskunde in Utrecht en vanaf mijn jongste jaren was ik al een liefhebber van het weer. Als ze mij vroeger op school vroegen wat ik wilde worden, dan zei ik: weerman. De donderslag tijdens het concert gaf me het gevoel: hier moet ik iets mee.

Sindsdien keek ik altijd naar de connectie tussen het weer en muziek. Er is zoveel muziek waar het weer in zit. Bijvoorbeeld de ‘Pastorale’ van Beethoven: dat is één groot weerbericht. In de onweerscène zit het hele meteorologische verloop van zo’n bui. De stilte voor de storm, het losbarsten van de bui, dan een paar flinke klappen en dan, wanneer de bui langzaam wegdrijft, hoor je die klappen meer in de verte.

Uiteindelijk heb ik van het weer mijn werk gemaakt: ik heb veertig jaar bij het KNMI gewerkt als weerman, onderzoeker en persvoorlichter. En inmiddels heeft mijn fascinatie voor de relatie tussen het weer en muziek ook meer vorm gekregen. Ik schrijf nu voor een meteorologisch tijdschrift een rubriek over muziek. Het is zo leuk om je daarin te verdiepen; nu ik gepensioneerd ben, heb ik daar meer tijd voor. 

Muziek was ook al vroeg een passie van mij. Mijn vader was een muziekliefhebber, zong in een koor en speelde piano. Het zondagmiddagconcert op de radio was vaste prik, dat vond ik prachtig. En toen ik voor het eerst live een orkest hoorde, in De Vereeniging in Nijmegen, zei ik: ‘Dit wil ik altijd!’

‘Na een concert slaap ik ontzettend goed’

Toen ik in Bilthoven woonde tijdens mijn studie, raakte ik in een platenzaak waar ik vaak kwam altijd in gesprek over muziek met twee medewerkers. Eén van hen ging regelmatig naar Het Concertgebouw en vroeg of we niet eens samen konden gaan. Ik heb toen een abonnement op de Meesterpianistenserie genomen en raakte goed bevriend met hem. Tegenwoordig ga ik vaker naar het Concertgebouworkest, ongeveer één keer per maand. Hoe is het toch mogelijk dat Klaus Mäkelä toch weer nieuwe details naar boven haalt in muziek die je al zo vaak hebt gehoord? 

Ik kom naar Het Concertgebouw voor de rust. Na een concert slaap ik ontzettend goed. Live muziek doet iets met mijn geest, misschien omdat ik zo geconcentreerd luister. En er gaat niets boven live: als je de instrumenten ziet, hoor je het ook anders. Je ziét de muziek. En het geluid in Het Concert­gebouw is natuurlijk ook ongelooflijk mooi.’

‘In de jaren ’70 hoorde ik het Requiem van Antonín Dvořák in Het Concertgebouw. Aan het begin van het stuk trok er een flinke onweersbui over en hoorden we in de zaal een rollende donderslag. Ik vond dat zo indrukwekkend, het was net of het in die muziek hoorde. Het deed veel met me. Ik studeerde in die tijd Aardrijkskunde in Utrecht en vanaf mijn jongste jaren was ik al een liefhebber van het weer. Als ze mij vroeger op school vroegen wat ik wilde worden, dan zei ik: weerman. De donderslag tijdens het concert gaf me het gevoel: hier moet ik iets mee.

Sindsdien keek ik altijd naar de connectie tussen het weer en muziek. Er is zoveel muziek waar het weer in zit. Bijvoorbeeld de ‘Pastorale’ van Beethoven: dat is één groot weerbericht. In de onweerscène zit het hele meteorologische verloop van zo’n bui. De stilte voor de storm, het losbarsten van de bui, dan een paar flinke klappen en dan, wanneer de bui langzaam wegdrijft, hoor je die klappen meer in de verte.

Uiteindelijk heb ik van het weer mijn werk gemaakt: ik heb veertig jaar bij het KNMI gewerkt als weerman, onderzoeker en persvoorlichter. En inmiddels heeft mijn fascinatie voor de relatie tussen het weer en muziek ook meer vorm gekregen. Ik schrijf nu voor een meteorologisch tijdschrift een rubriek over muziek. Het is zo leuk om je daarin te verdiepen; nu ik gepensioneerd ben, heb ik daar meer tijd voor. 

Muziek was ook al vroeg een passie van mij. Mijn vader was een muziekliefhebber, zong in een koor en speelde piano. Het zondagmiddagconcert op de radio was vaste prik, dat vond ik prachtig. En toen ik voor het eerst live een orkest hoorde, in De Vereeniging in Nijmegen, zei ik: ‘Dit wil ik altijd!’

‘Na een concert slaap ik ontzettend goed’

Toen ik in Bilthoven woonde tijdens mijn studie, raakte ik in een platenzaak waar ik vaak kwam altijd in gesprek over muziek met twee medewerkers. Eén van hen ging regelmatig naar Het Concertgebouw en vroeg of we niet eens samen konden gaan. Ik heb toen een abonnement op de Meesterpianistenserie genomen en raakte goed bevriend met hem. Tegenwoordig ga ik vaker naar het Concertgebouworkest, ongeveer één keer per maand. Hoe is het toch mogelijk dat Klaus Mäkelä toch weer nieuwe details naar boven haalt in muziek die je al zo vaak hebt gehoord? 

Ik kom naar Het Concertgebouw voor de rust. Na een concert slaap ik ontzettend goed. Live muziek doet iets met mijn geest, misschien omdat ik zo geconcentreerd luister. En er gaat niets boven live: als je de instrumenten ziet, hoor je het ook anders. Je ziét de muziek. En het geluid in Het Concert­gebouw is natuurlijk ook ongelooflijk mooi.’

Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Probeer nu twee maanden gratis!