Nog geen account of wachtwoord vergeten? Ga dan naar concertgebouw.nl
verhaal

Luister naar mij

door Bert Natter
12 aug. 2021 12 augustus 2021

Bert Natter kijkt mee over de schouder van Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621).

Jan Pieterszoon Sweelick

Gravure van Jan Harmenszoon Muller, 1624 (detail)

Jan Pieterszoon Sweelick

Gravure van Jan Harmenszoon Muller, 1624 (detail)

Jan Pieterszoon Sweelick

Gravure van Jan Harmenszoon Muller, 1624 (detail)

Jan Pieterszoon Sweelick

Gravure van Jan Harmenszoon Muller, 1624 (detail)

Amsterdam, 1606

Hoewel mijn broer er niet voor voelde dat ik hem zou portretteren – u moet mijn weigering vooral niet opvatten als kritiek op uw vaardigheden, broeder – kreeg ik hem na eindeloos aandringen zo ver dat hij zou poseren. Niet dat hij zonder meer ging zitten, welnee, hij wilde uitgebreid overleggen over hoe hij werd afgebeeld.
Ik stelde voor: ten voeten uit.
‘Hm’, zei hij met enig misprijzen, want dat achtte hij passender voor een vorst.
Ik bracht daar tegenin dat een beetje koninklijke hoogheid zich te paard laat vereeuwigen.
Dan nog bleef voor hem alles wat groter was dan een ‘kop’ vooral bedoeld om de ijdelheid van opgeblazen regenten te strelen.
Ik was bij hem op bezoek in zijn woning aan de Koestraat in Amsterdam – nauwelijks een aanduiding die zijn luisterrijke statie recht deed en al was het geloei tussen de gevels van de huizen al zeker dertig jaar verstomd, de stank van ossen en koebeesten hing er nog altijd – waar hij met zijn gezin op kosten van de stad woonde.
De onbehouwen straatnaam schonk me een idee: mijn broer in de buitenlucht, tokkelend op een lier en omgeven door het gedierte des velds. Muizen, egels, hazen, konijnen, geiten, schapen, varkens, ezels, paarden en koeien luisteren geboeid naar de liederen die hij vertolkt en in de verte zijn de torens van de stad te zien waar hij zijn eretitel heeft verdiend: de Orpheus van Amsterdam.
Hij onderbrak het stemmen van zijn klavecimbel niet om naar mij te luisteren. Soms siste hij midden in mijn betoog om me stil te krijgen en ping krak ping krak ping ping ping met zijn stemsleutel een snaar op de juiste toonhoogte te krijgen.
‘Orpheus,’ zei ik.
‘Orpheus? Mijn echtvrouw is springlevend.’
‘Ik bedoel Orpheus die voor de dieren speelt en zelfs de rotsen raken ontroerd. Die hebben we hier niet, maar dan zouden het de bomen zijn, de bloemen in de wei, een molen die van pure ontroering stopt met draaien.’
‘Vaak zitten de mensen hardop door mijn orgelspel heen te praten, hoor.’
Dat was een regelrechte leugen, want ik had de afgelopen weken gemerkt dat het in de drukke Oude Kerk muisstil werd zodra de balg van het orgel grommend vol lucht werd gepompt. Doordeweeks veranderde het godshuis in een park zonder bomen, een overdekte markt, waar handelaren overeenkomsten sloten, vrienden elkaar troffen om het glas te heffen en buurtgenoten het laatste nieuws doornamen, maar als mijn grote broer speelde, verstomde elk gesprek. Mensen dromden bij elkaar in de kerkbanken en staarden in verbijsterde bewondering naar de starre pijpen die zoveel innerlijke beroering brachten. Niemand zei een woord tot mijn broer zijn handen van de speeltafel en zijn voeten van het pedaal haalde.
‘Geliefde broeder, er wordt geen musicus zo vereerd in de ganse stad, wat zeg ik, in de ganse Republiek, als u.’
‘Heb ik over Antwerpen verteld?’ vroeg hij. Eindelijk stopte hij met zijn gepruts. Zijn ene hand zweefde boven de toetsen, de andere rustte op de stemsleutel. ‘Het deksel van het klavecimbel zal op kunstige wijze de glorie van onze stad uitbeelden. Isaacz gaat dat doen. Een groot vakman, kent u hem?’
‘Zeker, hij geldt als een bekwaam collega. Het feit dat de burgemeesters u de opdracht gunden dat instrument uit te zoeken en aan te schaffen, laat wel zien hoe hoog u wordt geacht en…’
Mijn broer was alweer aan het stemmen geslagen.
‘Koning David,’ zei ik plompverloren.
‘Koning David?’
‘David die harp speelt voor Saul. Maar dan zonder Saul.’
‘Ik speel geen harp. Ik ben geen koning.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Ik wil me niet met de psalmzanger meten.’
‘Het is geen meten met. Burgers van onze stad laten zich als historische figuren uitbeelden bij wijze van… zielsverwantschap.’ Dat was een verkeerd woord, niet voor de Amsterdammers, wel voor mijnheer mijn broer. ‘Ik bedoel: eerbetoon.’
Hij legde de stemsleutel terzijde.
Ik dacht eindelijk zijn aandacht te hebben.
Maar nee, hij stond op alsof het gesprek was afgerond.
Ik kwam overeind uit mijn zetel en zei: ‘Nee, broeder. Mijn wens is dat wij ons gesprek afronden. In harmonie… Luister naar mij.’
Mijn broer trok zijn wenkbrauwen op, maar nam weer plaats op de kruk achter het klavecimbel.
‘Wat wenst u?’ vroeg hij.
Ik ging ook weer zitten. ‘Misschien wilt u eerst een kleinigheid voor mij spelen?’
Hij knikte. Zonder een woord begon hij.
De melodie was bekend. Malle Sijmen. Vingers sprongen als kleine diertjes over het klavier, het gezicht verried niets van de pracht die de handen voortbrachten. De klanken voerden mij terug naar mijn vroegste jeugd, toen vader nog leefde en zijn kinderen de grondbeginselen van de muziek bijbracht – mij tevergeefs. Na zijn dood was het mijn broer die, als moeder niet in de buurt was om troost te bieden, mij zonder een woord vastpakte. Zijn armen die zich rond mijn lichaam sloten.
Het slotakkoord had geklonken. ‘En nu zal ik naar u luisteren.’
Ik schraapte mijn keel. ‘Als u het niet voor u zelf doet, wilt u het dan voor mij doen?’ Bijna had ik hem de ware reden voor mijn verzoek onthuld, maar ik haalde diep adem en zei: ‘Midden in het leven zijn wij door de dood omgeven… Ik wil niet dat een van ons later denkt: wat spijtig dat we nooit…
‘Het portret zou de achtergeblevene tot troost zijn. Op die wijze had ik uw voorstel nog niet bekeken.’ Hij wendde zijn blik naar het kleine ronde venster – oeil de boeuf, zei hij zelf graag. ‘U koos uw voorbeelden met zorg: welbeschouwd sta ik in een traditie die teruggaat tot Koning David en Orpheus. Goed, ik zal voor u zitten zolang u wilt – en mijn enige voorwaarde is dat het geen verkleedpartij wordt. Dat u mij weergeeft zoals ik ben, op de wijze waarop ik heden voor u zit. Nu ja, ik zal een kraag omdoen en mijn baard fatsoeneren. En – wacht, nog één voorwaarde – en dat we onderwijl als broeders met elkaar kunnen spreken. Ik merk dat ik het aangenaam vind om met u te verkeren. U oordeelt niet, u beveelt niet, u kruipt evenmin.’
Mijn broer zou mijn broer niet zijn als hij de eerstvolgende keer dat ik hem zag – ik ontving hem in mijn werkplaats – met een machtig idee kwam voor de wijze waarop ik hem zou vereeuwigen.

Wordt vervolgd.

Deel 2 van dit verhaal verschijnt binnenkort naar aanleiding van het oktobernummer van Preludium, waarin Sweelinck een centrale rol speelt.

Bert Natter (1968) debuteerde in 2008 met Begeerte heeft ons aangeraakt, dat werd bekroond met de Selexyz Debuutprijs en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. Zijn roman Goldberg (2015) belandde op de shortlist van de ECI Literatuurprijs. Als verteller deelt hij het podium met Camerata RCO, Menno van Delft, Hannes Minnaar en Willem Brons. Voor Preludium schreef hij eerder verhalen over Beethoven en Mahler, en maakte hij de podcastseries Bach tot op het Bot en – afgelopen zomer – Natuurtonen.

Amsterdam, 1606

Hoewel mijn broer er niet voor voelde dat ik hem zou portretteren – u moet mijn weigering vooral niet opvatten als kritiek op uw vaardigheden, broeder – kreeg ik hem na eindeloos aandringen zo ver dat hij zou poseren. Niet dat hij zonder meer ging zitten, welnee, hij wilde uitgebreid overleggen over hoe hij werd afgebeeld.
Ik stelde voor: ten voeten uit.
‘Hm’, zei hij met enig misprijzen, want dat achtte hij passender voor een vorst.
Ik bracht daar tegenin dat een beetje koninklijke hoogheid zich te paard laat vereeuwigen.
Dan nog bleef voor hem alles wat groter was dan een ‘kop’ vooral bedoeld om de ijdelheid van opgeblazen regenten te strelen.
Ik was bij hem op bezoek in zijn woning aan de Koestraat in Amsterdam – nauwelijks een aanduiding die zijn luisterrijke statie recht deed en al was het geloei tussen de gevels van de huizen al zeker dertig jaar verstomd, de stank van ossen en koebeesten hing er nog altijd – waar hij met zijn gezin op kosten van de stad woonde.
De onbehouwen straatnaam schonk me een idee: mijn broer in de buitenlucht, tokkelend op een lier en omgeven door het gedierte des velds. Muizen, egels, hazen, konijnen, geiten, schapen, varkens, ezels, paarden en koeien luisteren geboeid naar de liederen die hij vertolkt en in de verte zijn de torens van de stad te zien waar hij zijn eretitel heeft verdiend: de Orpheus van Amsterdam.
Hij onderbrak het stemmen van zijn klavecimbel niet om naar mij te luisteren. Soms siste hij midden in mijn betoog om me stil te krijgen en ping krak ping krak ping ping ping met zijn stemsleutel een snaar op de juiste toonhoogte te krijgen.
‘Orpheus,’ zei ik.
‘Orpheus? Mijn echtvrouw is springlevend.’
‘Ik bedoel Orpheus die voor de dieren speelt en zelfs de rotsen raken ontroerd. Die hebben we hier niet, maar dan zouden het de bomen zijn, de bloemen in de wei, een molen die van pure ontroering stopt met draaien.’
‘Vaak zitten de mensen hardop door mijn orgelspel heen te praten, hoor.’
Dat was een regelrechte leugen, want ik had de afgelopen weken gemerkt dat het in de drukke Oude Kerk muisstil werd zodra de balg van het orgel grommend vol lucht werd gepompt. Doordeweeks veranderde het godshuis in een park zonder bomen, een overdekte markt, waar handelaren overeenkomsten sloten, vrienden elkaar troffen om het glas te heffen en buurtgenoten het laatste nieuws doornamen, maar als mijn grote broer speelde, verstomde elk gesprek. Mensen dromden bij elkaar in de kerkbanken en staarden in verbijsterde bewondering naar de starre pijpen die zoveel innerlijke beroering brachten. Niemand zei een woord tot mijn broer zijn handen van de speeltafel en zijn voeten van het pedaal haalde.
‘Geliefde broeder, er wordt geen musicus zo vereerd in de ganse stad, wat zeg ik, in de ganse Republiek, als u.’
‘Heb ik over Antwerpen verteld?’ vroeg hij. Eindelijk stopte hij met zijn gepruts. Zijn ene hand zweefde boven de toetsen, de andere rustte op de stemsleutel. ‘Het deksel van het klavecimbel zal op kunstige wijze de glorie van onze stad uitbeelden. Isaacz gaat dat doen. Een groot vakman, kent u hem?’
‘Zeker, hij geldt als een bekwaam collega. Het feit dat de burgemeesters u de opdracht gunden dat instrument uit te zoeken en aan te schaffen, laat wel zien hoe hoog u wordt geacht en…’
Mijn broer was alweer aan het stemmen geslagen.
‘Koning David,’ zei ik plompverloren.
‘Koning David?’
‘David die harp speelt voor Saul. Maar dan zonder Saul.’
‘Ik speel geen harp. Ik ben geen koning.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Ik wil me niet met de psalmzanger meten.’
‘Het is geen meten met. Burgers van onze stad laten zich als historische figuren uitbeelden bij wijze van… zielsverwantschap.’ Dat was een verkeerd woord, niet voor de Amsterdammers, wel voor mijnheer mijn broer. ‘Ik bedoel: eerbetoon.’
Hij legde de stemsleutel terzijde.
Ik dacht eindelijk zijn aandacht te hebben.
Maar nee, hij stond op alsof het gesprek was afgerond.
Ik kwam overeind uit mijn zetel en zei: ‘Nee, broeder. Mijn wens is dat wij ons gesprek afronden. In harmonie… Luister naar mij.’
Mijn broer trok zijn wenkbrauwen op, maar nam weer plaats op de kruk achter het klavecimbel.
‘Wat wenst u?’ vroeg hij.
Ik ging ook weer zitten. ‘Misschien wilt u eerst een kleinigheid voor mij spelen?’
Hij knikte. Zonder een woord begon hij.
De melodie was bekend. Malle Sijmen. Vingers sprongen als kleine diertjes over het klavier, het gezicht verried niets van de pracht die de handen voortbrachten. De klanken voerden mij terug naar mijn vroegste jeugd, toen vader nog leefde en zijn kinderen de grondbeginselen van de muziek bijbracht – mij tevergeefs. Na zijn dood was het mijn broer die, als moeder niet in de buurt was om troost te bieden, mij zonder een woord vastpakte. Zijn armen die zich rond mijn lichaam sloten.
Het slotakkoord had geklonken. ‘En nu zal ik naar u luisteren.’
Ik schraapte mijn keel. ‘Als u het niet voor u zelf doet, wilt u het dan voor mij doen?’ Bijna had ik hem de ware reden voor mijn verzoek onthuld, maar ik haalde diep adem en zei: ‘Midden in het leven zijn wij door de dood omgeven… Ik wil niet dat een van ons later denkt: wat spijtig dat we nooit…
‘Het portret zou de achtergeblevene tot troost zijn. Op die wijze had ik uw voorstel nog niet bekeken.’ Hij wendde zijn blik naar het kleine ronde venster – oeil de boeuf, zei hij zelf graag. ‘U koos uw voorbeelden met zorg: welbeschouwd sta ik in een traditie die teruggaat tot Koning David en Orpheus. Goed, ik zal voor u zitten zolang u wilt – en mijn enige voorwaarde is dat het geen verkleedpartij wordt. Dat u mij weergeeft zoals ik ben, op de wijze waarop ik heden voor u zit. Nu ja, ik zal een kraag omdoen en mijn baard fatsoeneren. En – wacht, nog één voorwaarde – en dat we onderwijl als broeders met elkaar kunnen spreken. Ik merk dat ik het aangenaam vind om met u te verkeren. U oordeelt niet, u beveelt niet, u kruipt evenmin.’
Mijn broer zou mijn broer niet zijn als hij de eerstvolgende keer dat ik hem zag – ik ontving hem in mijn werkplaats – met een machtig idee kwam voor de wijze waarop ik hem zou vereeuwigen.

Wordt vervolgd.

Deel 2 van dit verhaal verschijnt binnenkort naar aanleiding van het oktobernummer van Preludium, waarin Sweelinck een centrale rol speelt.

Bert Natter (1968) debuteerde in 2008 met Begeerte heeft ons aangeraakt, dat werd bekroond met de Selexyz Debuutprijs en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. Zijn roman Goldberg (2015) belandde op de shortlist van de ECI Literatuurprijs. Als verteller deelt hij het podium met Camerata RCO, Menno van Delft, Hannes Minnaar en Willem Brons. Voor Preludium schreef hij eerder verhalen over Beethoven en Mahler, en maakte hij de podcastseries Bach tot op het Bot en – afgelopen zomer – Natuurtonen.

Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Abonneer dan nu.