Nog geen account of wachtwoord vergeten? Ga dan naar concertgebouw.nl
achtergrond

Sweelinck aan de Van Baerlestraat

door Johan Giskes
16 sep. 2021 16 september 2021

Wie vanaf het podium de zaal in kijkt, ziet midden boven het frontbalkon de naam van Sweelinck staan. Het is 400 jaar geleden dat de Amsterdamse componist, organist en leermeester de laatste adem uitblies. Wat hebben Orkest en Gebouw met hem?

  • Cartouche Sweelinck

    foto: Emmely Siebrecht

    Cartouche Sweelinck

    foto: Emmely Siebrecht

  • Sweelinck in Het Concertgebouw

    foto: Emmely Siebrecht

    Sweelinck in Het Concertgebouw

    foto: Emmely Siebrecht

  • Cartouche Sweelinck

    foto: Emmely Siebrecht

    Cartouche Sweelinck

    foto: Emmely Siebrecht

  • Sweelinck in Het Concertgebouw

    foto: Emmely Siebrecht

    Sweelinck in Het Concertgebouw

    foto: Emmely Siebrecht

‘Wel is b. v. Sweelinck’s borstbeeld in ’t front gebeiteld, wel neemt zijn naam een plaats in de zaal in, maar zijn werken houdt men, naar ’t schijnt, zorgvuldig achter slot. Toch zou b. v. òf Ps. 75, òf 135 (voor vier stemmen) een zeer waardig inleidingsnummer voor dit feest hebben gevormd.’

Deze kritiek verscheen in Het Nieuws van den Dag van 16 april 1888. Aan het woord is de veelzijdige musicus Daniël de Lange die een verslag verzorgde van de feestelijke inwijding van Het Concertgebouw op 11 april. Een ad hoc orkest, solisten en drie koren hadden die onder de directie van Henri Viotta luister bijgezet. Nog altijd wordt in het front van het Gebouw tussen de borstbeelden van de roemrijkere Bach en Beethoven herinnerd aan Jan Pieterszoon Sweelinck. De reden voor het plaatsen van het beeld en de naamsvermelding op een cartouche aan de wand van de Grote Zaal moet gelegen hebben in hernieuwde belangstelling voor zijn muziek. Die groeide in de ­negentiende eeuw langzaam maar zeker en resulteerde vanaf 1894 in een volledige uitgave van zijn composities onder auspiciën van de Vereeniging voor Nederlandsche Muziekgeschiedenis. De recensie van De Lange maakt ook duidelijk dat er van meet af aan in de cartouches componistennamen hebben gestaan. Het is dus niet zo dat toen alle cartouches leeg waren, zoals Preludium op pagina 75 van het decembernummer 2020 vermeldde.

Zeldzaam

Van Sweelinck zijn naast zijn vocale werken alleen klavier- en ­orgelwerken bekend. Het online concertarchief van het Concertgebouworkest geeft in totaal dan ook slechts tien concerttreffers. Toch is er wel vaker iets uit Sweelincks oeuvre uitgevoerd. Dat is niet zichtbaar omdat in de database niet consequent alle programma­onderdelen zijn vermeld: ‘kamermuziek’ en a cappella gezongen koorwerken zijn vaak weggelaten. Zo ontbreken de uitvoering op 6 januari 1895 van de Fantasia a 4 voci door de organist M.H. van ’t Kruijs tijdens de door Willem Kes opgezette Historische cyclus en de uitvoering van Psalm 134 op 23 maart 1895 in een concert ter nagedachtenis van de jong overleden pianist Henri Tibbe. Dat dit ­weglaten niet consequent is gedaan, bewijst bijvoorbeeld het programma van het herdenkingsconcert voor Joost van den Vondel op 18 november 1937. Toen werd als tweede werk Sweelincks Chromatische fantasie door Piet van Egmond op orgel gespeeld. Of de uitvoering van Canticum voor achtstemmig koor a cappella tijdens het abonnementsconcert van 14 november 1971 door het Nederlands Kamerkoor onder leiding van Felix de Nobel.

De herdenkingsjaren 1921 en 1962 lijken aan Gebouw en Orkest voorbij te zijn gegaan. Toch bleef er aandacht voor Sweelincks muziek. In oktober 1958 speelde het orkest onder Eduard van Beinum vier keer het Praeludium [in F] voor orgel in een arrangement van Marius Flothuis voor fluiten, hobo’s, Engelse hoorn, fagotten, contrafagot, trompetten, trombones en strijkers. Flot, zoals hij in het orkest werd genoemd, schreef in zijn toelichting dat de bewerking voortsproot ‘uit de behoefte aan een werk van een oude Nederlandse meester dat – zonder geest en stijl van de muziek geweld aan te doen – door een hedendaags orkest kan worden gespeeld.’ Hij vond dat dit kon, ‘aangezien het orgel van nature klankkleuren bezit, die met die van het orkest vergeleken kunnen worden.’ Verder klonken op 9 januari 1967 onder leiding van Edo de Waart de Variaties over ‘Mein junges Leben hat ein End’, geïnstrumenteerd door Jan Mul. Op 25 december 1970 kwam de Chromatische fantasie aan bod in een arrangement voor strijkorkest van Bernhard van den Sigtenhorst Meyer.

Kleine Zaal

In de series van Het Concertgebouw in de Kleine Zaal wordt ook incidenteel muziek van Jan Pieterszoon uitgevoerd. Zoals op 4 december 1939 het chanson Tu as tout seul, Jan, of op 7 maart 1953 Psalm 86 en 81 door het Nederlands Kamerkoor onder leiding van Felix de Nobel. Op 19 februari 2006 zong het Gesualdo Consort in Het Zondagochtend Concert vier madrigalen en het Canticum nuptiale in honorem Iacobi Praetorii. Tijdens het lunchconcert van 22 mei 2013 bracht jongNBE Mein junges Leben hat eind End in een bewerking van Willem van Merwijk ten gehore. Op 5 oktober 2019 speelde Amsterdam Sinfonietta datzelfde werk in een nieuw arrangement voor sextet van Mathilde Wantenaar en de Chromatische fantasie in de bewerking van Van den Sigtenhorst Meyer; drie dagen later speelden de cellisten van het Concertgebouworkest de Variaties ‘Onder een linde groen’ gearrangeerd door cellist Fred Edelen.

Postludium: het orgel

Nadat in 1962 de restauratie van het Maarschalkerweerdorgel in de Grote Zaal was voltooid, kwam de ­organist Sweelinck vaker tot leven. Soms klonk zijn muziek in Meesters van het orgel, een serie die vanaf 1972 wegens gebrek aan belangstelling niet werd ­voortgezet. Tot en met 1983 vond nog wel jaarlijks een traditioneel ­kerstconcert met de organist Albert de Klerk en een andere musicus plaats. Hierna werden nog slechts bij uitzondering orgelbespelingen door de N.V. Het Concertgebouw georganiseerd.

‘Wel is b. v. Sweelinck’s borstbeeld in ’t front gebeiteld, wel neemt zijn naam een plaats in de zaal in, maar zijn werken houdt men, naar ’t schijnt, zorgvuldig achter slot. Toch zou b. v. òf Ps. 75, òf 135 (voor vier stemmen) een zeer waardig inleidingsnummer voor dit feest hebben gevormd.’

Deze kritiek verscheen in Het Nieuws van den Dag van 16 april 1888. Aan het woord is de veelzijdige musicus Daniël de Lange die een verslag verzorgde van de feestelijke inwijding van Het Concertgebouw op 11 april. Een ad hoc orkest, solisten en drie koren hadden die onder de directie van Henri Viotta luister bijgezet. Nog altijd wordt in het front van het Gebouw tussen de borstbeelden van de roemrijkere Bach en Beethoven herinnerd aan Jan Pieterszoon Sweelinck. De reden voor het plaatsen van het beeld en de naamsvermelding op een cartouche aan de wand van de Grote Zaal moet gelegen hebben in hernieuwde belangstelling voor zijn muziek. Die groeide in de ­negentiende eeuw langzaam maar zeker en resulteerde vanaf 1894 in een volledige uitgave van zijn composities onder auspiciën van de Vereeniging voor Nederlandsche Muziekgeschiedenis. De recensie van De Lange maakt ook duidelijk dat er van meet af aan in de cartouches componistennamen hebben gestaan. Het is dus niet zo dat toen alle cartouches leeg waren, zoals Preludium op pagina 75 van het decembernummer 2020 vermeldde.

Zeldzaam

Van Sweelinck zijn naast zijn vocale werken alleen klavier- en ­orgelwerken bekend. Het online concertarchief van het Concertgebouworkest geeft in totaal dan ook slechts tien concerttreffers. Toch is er wel vaker iets uit Sweelincks oeuvre uitgevoerd. Dat is niet zichtbaar omdat in de database niet consequent alle programma­onderdelen zijn vermeld: ‘kamermuziek’ en a cappella gezongen koorwerken zijn vaak weggelaten. Zo ontbreken de uitvoering op 6 januari 1895 van de Fantasia a 4 voci door de organist M.H. van ’t Kruijs tijdens de door Willem Kes opgezette Historische cyclus en de uitvoering van Psalm 134 op 23 maart 1895 in een concert ter nagedachtenis van de jong overleden pianist Henri Tibbe. Dat dit ­weglaten niet consequent is gedaan, bewijst bijvoorbeeld het programma van het herdenkingsconcert voor Joost van den Vondel op 18 november 1937. Toen werd als tweede werk Sweelincks Chromatische fantasie door Piet van Egmond op orgel gespeeld. Of de uitvoering van Canticum voor achtstemmig koor a cappella tijdens het abonnementsconcert van 14 november 1971 door het Nederlands Kamerkoor onder leiding van Felix de Nobel.

De herdenkingsjaren 1921 en 1962 lijken aan Gebouw en Orkest voorbij te zijn gegaan. Toch bleef er aandacht voor Sweelincks muziek. In oktober 1958 speelde het orkest onder Eduard van Beinum vier keer het Praeludium [in F] voor orgel in een arrangement van Marius Flothuis voor fluiten, hobo’s, Engelse hoorn, fagotten, contrafagot, trompetten, trombones en strijkers. Flot, zoals hij in het orkest werd genoemd, schreef in zijn toelichting dat de bewerking voortsproot ‘uit de behoefte aan een werk van een oude Nederlandse meester dat – zonder geest en stijl van de muziek geweld aan te doen – door een hedendaags orkest kan worden gespeeld.’ Hij vond dat dit kon, ‘aangezien het orgel van nature klankkleuren bezit, die met die van het orkest vergeleken kunnen worden.’ Verder klonken op 9 januari 1967 onder leiding van Edo de Waart de Variaties over ‘Mein junges Leben hat ein End’, geïnstrumenteerd door Jan Mul. Op 25 december 1970 kwam de Chromatische fantasie aan bod in een arrangement voor strijkorkest van Bernhard van den Sigtenhorst Meyer.

Kleine Zaal

In de series van Het Concertgebouw in de Kleine Zaal wordt ook incidenteel muziek van Jan Pieterszoon uitgevoerd. Zoals op 4 december 1939 het chanson Tu as tout seul, Jan, of op 7 maart 1953 Psalm 86 en 81 door het Nederlands Kamerkoor onder leiding van Felix de Nobel. Op 19 februari 2006 zong het Gesualdo Consort in Het Zondagochtend Concert vier madrigalen en het Canticum nuptiale in honorem Iacobi Praetorii. Tijdens het lunchconcert van 22 mei 2013 bracht jongNBE Mein junges Leben hat eind End in een bewerking van Willem van Merwijk ten gehore. Op 5 oktober 2019 speelde Amsterdam Sinfonietta datzelfde werk in een nieuw arrangement voor sextet van Mathilde Wantenaar en de Chromatische fantasie in de bewerking van Van den Sigtenhorst Meyer; drie dagen later speelden de cellisten van het Concertgebouworkest de Variaties ‘Onder een linde groen’ gearrangeerd door cellist Fred Edelen.

Postludium: het orgel

Nadat in 1962 de restauratie van het Maarschalkerweerdorgel in de Grote Zaal was voltooid, kwam de ­organist Sweelinck vaker tot leven. Soms klonk zijn muziek in Meesters van het orgel, een serie die vanaf 1972 wegens gebrek aan belangstelling niet werd ­voortgezet. Tot en met 1983 vond nog wel jaarlijks een traditioneel ­kerstconcert met de organist Albert de Klerk en een andere musicus plaats. Hierna werden nog slechts bij uitzondering orgelbespelingen door de N.V. Het Concertgebouw georganiseerd.

Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Abonneer dan nu.