Nog geen account of wachtwoord vergeten? Ga dan naar concertgebouw.nl
interview

Een lijntje met Sweelinck

door Thea Derks
15 sep. 2021 15 september 2021

Deze maand klinkt de wereldpremière van Vertekende fantasie, een hommage van Joey Roukens aan Jan Pieterszoon Sweelinck ter ere van diens 400ste sterfdag op 16 oktober. Het is zijn vierde compositieopdracht voor het Koninklijk Concertgebouworkest.

Joey Roukens

Joey Roukens

Joey Roukens

Joey Roukens

‘Het is een groot voorrecht voor een toporkest als het Concertgebouworkest te mogen schrijven’, zegt Joey Roukens. ‘Het geeft een gevoel van erkenning dat zij vertrouwen in mij hebben. Tegelijkertijd blijft het spannend, zelfs al is het de vierde keer.’ Ietsje makkelijker wordt het wel, erkent hij: ‘Ik heb niet langer het idee dat ik rekening moet houden met wat hen meer of minder ligt. Bij Out of Control, mijn eerste opdracht elf jaar geleden, dacht ik nog dat ik muzikaal moest aanhaken bij de grote Mahlertraditie van het orkest. Nu ik ouder word bekommer ik me minder om de reputatie van de uitvoerenden of het repertoire waarom ze bekend staan. Het Concertgebouworkest kan overal mee uit de voeten, ook als iets stilistisch relatief verder van hen af ligt.’

Lijntje

Sweelinck is niet de eerste componist met wie je Roukens associeert. Toch kwam het idee voor een hommage niet uit de lucht vallen, verklaart hij. ‘Sweelinck loopt als een klein rood draadje door mijn werken. Zo klinkt er een Sweelinck-citaat in mijn ­strijkkwartet Visions at Sea over het maritieme verleden van Nederland. Ook zitten er referenties aan zijn muziek in mijn Slagwerkconcert en in het recentere Angeli voor vrouwenstemmen en cello’s. Ik speel bovendien geregeld zijn klavierwerken op de piano. Het toeval wil dat artistiek assistent Mark van Dongen van het Concertgebouworkest bij mij om de hoek woont. Tijdens een ontmoeting op straat vertelde ik hem over mijn liefde voor Sweelinck.’

‘Sweelinck is misschien wel de grootste Nederlandse componist ooit’

Toen het idee voor een hommage bij het orkest ontstond was het lijntje naar Roukens dan ook snel gelegd, en die hapte onmiddellijk toe: ‘Ik vond het een mooie opdracht, maar ook best een lastige. Want hoe eer je als hedendaags componist op een betekenisvolle wijze zo’n specifieke voorganger uit de zestiende en zeventiende eeuw? Voor mij is Sweelinck misschien wel de grootste componist die Nederland ooit heeft voortgebracht. Sowieso is hij de belangrijkste Nederlandse componist van klaviermuziek. Via zijn leerlingen als Scheidt en Scheidemann loopt er een directe lijn van beïnvloeding door tot Bach.’ Sweelincks vocale muziek trekt hem iets minder: ‘Ik vind de ­Cantiones sacrae prachtig, maar ze staan nog helemaal in de polyfone traditie van de Renaissance, terwijl zijn klavierwerken al veel meer vooruitwijzen naar de Barok.’

Schoonheid en inventiviteit

Hij leerde Sweelincks muziek kennen dankzij het vermaarde Fitzwilliam Virginal Book, een Engelse collectie van zestiende- en zeventiende-eeuwse klaviermuziek. ‘Ik leende de bundel als tiener uit de bibliotheek en toen ik hem aan de piano doorspeelde vond ik tussen al die stukken van vooral Engelse componisten één toccata (Toccata in a klein, SwWV 296) van ene J.P. Sweelinck. Die sprak mij meteen aan. Het stukje duurt maar een minuut of vijf maar is typerend voor zijn klavierstijl; ik speel het nog vaak tijdens mijn dagelijkse pianospeeluurtje. Ik hou vooral van zijn fantasieën en variatiewerken. Het is muziek van een enorme schoonheid en inventiviteit, die weliswaar getuigt van Engelse en Italiaanse invloeden, maar toch een heel eigen ­karakter heeft.’

Roukens zei eens dat hij zichzelf niet als een groot melodicus beschouwt. Hierin ziet hij een verwantschap met Sweelinck. ‘In dat opzicht vind ik hem fascinerend, want zijn melodieën – of beter gezegd zijn thema’s – zijn vaak an sich niet vreselijk boeiend of distinctief. Wat zijn muziek interessant maakt, is hoe hij een simpel thema onderwerpt aan allerlei contrapuntische technieken en figuraties en daaruit een prachtig bouwwerk schept. Dat zie je vooral in de fantasieën, waarvan ik er verschillende geanalyseerd heb. Die blijken doorgaans opgebouwd uit slechts één, vaak weinig opvallend thema, dat hij kunstig weet te verwerken tot grotere structuren.’

Surrealistisch vertekend

Zijn liefde voor Sweelincks fantasieën klinkt door in de titel Vertekende fantasie. Verwijst deze wellicht naar één specifiek stuk? ‘Ja, de Fantasie in dorische modus, SwWV 259, waarin hij ook een imposant bouwwerk schept uit een nogal ‘neutraal’ basisthema. Ik wilde iets componeren waarin de geest van Sweelinck doorklinkt, niet een stuk met één klein citaatje dat verder niks met de rest te maken heeft. Zo kwam ik op het idee Sweelincks taal als uitgangspunt nemen, maar dan bezien door een hedendaagse bril. Mijn compositie laveert tussen de taal van Sweelinck en die van Roukens. Alsof je Sweelinck hoort als in een droom – vreemd vervormd, surrealistisch vertekend, enigszins vergelijkbaar met hoe Berio de muziek van Schubert heeft benaderd in Rendering. Sweelinck is nooit ver weg, maar in vrijwel geen enkele maat klinken zijn noten volledig onvervormd.’

Hoe is Roukens te werk gegaan? ‘Ik begin het compositieproces altijd door mijn handen over de pianotoetsen te laten gaan, maar vanwege het specifieke concept bestond het ruwe basismateriaal dit keer al en begon ik hierover te improviseren. Mijn stuk begint en eindigt sereen en meditatief, net als de meeste werken van Sweelinck. Maar er zijn ook grote contrasten, momenten van climaxopbouw en een overgang naar een tussengedeelte dat energiek en sterk ritmisch is. Elementen die kenmerkend zijn voor mijn stijl, maar pas lang na Sweelincks tijd in zwang kwamen. Ik heb even overwogen het orgel toe te voegen, maar uiteindelijk leek het me interessanter juist instrumenten in te zetten die je niet zo snel zou associëren met Sweelinck, zoals piano, celesta, harp en slagwerk. Dat vergroot het vervreemdende en surrealistische effect. Sowieso heb ik geprobeerd in de orkestratie te zoeken naar meer ongebruikelijke kleuren en timbres.’

De juiste ingang

In 2017 componeerde Roukens op verzoek van het Concertgebouw­orkest ook al een hommage aan Leonard Bernstein, Boundless. In een interview bekende hij destijds flink wat muziek te hebben moeten weggooien omdat deze te dicht bij de stijl van Bernstein bleef. Stak dat probleem ook dit keer de kop op? ‘Nee, nu hoefde ik aanzienlijk minder te schrappen. Juist omdat Sweelincks muziek qua tijd en stijl veel verder van mij af staat was het makkelijker hem te eren. De moeilijkheid zat hem meer in het vinden van het juiste concept, de juiste ingang. Toen ik daarop het antwoord eenmaal gevonden had ging het componeren relatief vlot. Al blijf ik een langzame schrijver.’

Deze maand klinkt ook Chase, dat Roukens in 2013 schreef voor een concert rondom film en filmmuziek. Zijn er desondanks raakvlakken met ­Vertekende fantasie? ‘Niet echt, Chase laat een totaal andere kant van mij zien, meer gericht op snelheid, ritme en referenties aan populaire muziek. Er is hooguit een raakvlak met het energieke middendeel in Vertekende fantasie.’ Hij verheugt zich erg op beide concerten: ‘Heel fijn dat het Concertgebouworkest deze maand twee werken van mij op het programma heeft, een geweldige luxe!’

‘Het is een groot voorrecht voor een toporkest als het Concertgebouworkest te mogen schrijven’, zegt Joey Roukens. ‘Het geeft een gevoel van erkenning dat zij vertrouwen in mij hebben. Tegelijkertijd blijft het spannend, zelfs al is het de vierde keer.’ Ietsje makkelijker wordt het wel, erkent hij: ‘Ik heb niet langer het idee dat ik rekening moet houden met wat hen meer of minder ligt. Bij Out of Control, mijn eerste opdracht elf jaar geleden, dacht ik nog dat ik muzikaal moest aanhaken bij de grote Mahlertraditie van het orkest. Nu ik ouder word bekommer ik me minder om de reputatie van de uitvoerenden of het repertoire waarom ze bekend staan. Het Concertgebouworkest kan overal mee uit de voeten, ook als iets stilistisch relatief verder van hen af ligt.’

Lijntje

Sweelinck is niet de eerste componist met wie je Roukens associeert. Toch kwam het idee voor een hommage niet uit de lucht vallen, verklaart hij. ‘Sweelinck loopt als een klein rood draadje door mijn werken. Zo klinkt er een Sweelinck-citaat in mijn ­strijkkwartet Visions at Sea over het maritieme verleden van Nederland. Ook zitten er referenties aan zijn muziek in mijn Slagwerkconcert en in het recentere Angeli voor vrouwenstemmen en cello’s. Ik speel bovendien geregeld zijn klavierwerken op de piano. Het toeval wil dat artistiek assistent Mark van Dongen van het Concertgebouworkest bij mij om de hoek woont. Tijdens een ontmoeting op straat vertelde ik hem over mijn liefde voor Sweelinck.’

‘Sweelinck is misschien wel de grootste Nederlandse componist ooit’

Toen het idee voor een hommage bij het orkest ontstond was het lijntje naar Roukens dan ook snel gelegd, en die hapte onmiddellijk toe: ‘Ik vond het een mooie opdracht, maar ook best een lastige. Want hoe eer je als hedendaags componist op een betekenisvolle wijze zo’n specifieke voorganger uit de zestiende en zeventiende eeuw? Voor mij is Sweelinck misschien wel de grootste componist die Nederland ooit heeft voortgebracht. Sowieso is hij de belangrijkste Nederlandse componist van klaviermuziek. Via zijn leerlingen als Scheidt en Scheidemann loopt er een directe lijn van beïnvloeding door tot Bach.’ Sweelincks vocale muziek trekt hem iets minder: ‘Ik vind de ­Cantiones sacrae prachtig, maar ze staan nog helemaal in de polyfone traditie van de Renaissance, terwijl zijn klavierwerken al veel meer vooruitwijzen naar de Barok.’

Schoonheid en inventiviteit

Hij leerde Sweelincks muziek kennen dankzij het vermaarde Fitzwilliam Virginal Book, een Engelse collectie van zestiende- en zeventiende-eeuwse klaviermuziek. ‘Ik leende de bundel als tiener uit de bibliotheek en toen ik hem aan de piano doorspeelde vond ik tussen al die stukken van vooral Engelse componisten één toccata (Toccata in a klein, SwWV 296) van ene J.P. Sweelinck. Die sprak mij meteen aan. Het stukje duurt maar een minuut of vijf maar is typerend voor zijn klavierstijl; ik speel het nog vaak tijdens mijn dagelijkse pianospeeluurtje. Ik hou vooral van zijn fantasieën en variatiewerken. Het is muziek van een enorme schoonheid en inventiviteit, die weliswaar getuigt van Engelse en Italiaanse invloeden, maar toch een heel eigen ­karakter heeft.’

Roukens zei eens dat hij zichzelf niet als een groot melodicus beschouwt. Hierin ziet hij een verwantschap met Sweelinck. ‘In dat opzicht vind ik hem fascinerend, want zijn melodieën – of beter gezegd zijn thema’s – zijn vaak an sich niet vreselijk boeiend of distinctief. Wat zijn muziek interessant maakt, is hoe hij een simpel thema onderwerpt aan allerlei contrapuntische technieken en figuraties en daaruit een prachtig bouwwerk schept. Dat zie je vooral in de fantasieën, waarvan ik er verschillende geanalyseerd heb. Die blijken doorgaans opgebouwd uit slechts één, vaak weinig opvallend thema, dat hij kunstig weet te verwerken tot grotere structuren.’

Surrealistisch vertekend

Zijn liefde voor Sweelincks fantasieën klinkt door in de titel Vertekende fantasie. Verwijst deze wellicht naar één specifiek stuk? ‘Ja, de Fantasie in dorische modus, SwWV 259, waarin hij ook een imposant bouwwerk schept uit een nogal ‘neutraal’ basisthema. Ik wilde iets componeren waarin de geest van Sweelinck doorklinkt, niet een stuk met één klein citaatje dat verder niks met de rest te maken heeft. Zo kwam ik op het idee Sweelincks taal als uitgangspunt nemen, maar dan bezien door een hedendaagse bril. Mijn compositie laveert tussen de taal van Sweelinck en die van Roukens. Alsof je Sweelinck hoort als in een droom – vreemd vervormd, surrealistisch vertekend, enigszins vergelijkbaar met hoe Berio de muziek van Schubert heeft benaderd in Rendering. Sweelinck is nooit ver weg, maar in vrijwel geen enkele maat klinken zijn noten volledig onvervormd.’

Hoe is Roukens te werk gegaan? ‘Ik begin het compositieproces altijd door mijn handen over de pianotoetsen te laten gaan, maar vanwege het specifieke concept bestond het ruwe basismateriaal dit keer al en begon ik hierover te improviseren. Mijn stuk begint en eindigt sereen en meditatief, net als de meeste werken van Sweelinck. Maar er zijn ook grote contrasten, momenten van climaxopbouw en een overgang naar een tussengedeelte dat energiek en sterk ritmisch is. Elementen die kenmerkend zijn voor mijn stijl, maar pas lang na Sweelincks tijd in zwang kwamen. Ik heb even overwogen het orgel toe te voegen, maar uiteindelijk leek het me interessanter juist instrumenten in te zetten die je niet zo snel zou associëren met Sweelinck, zoals piano, celesta, harp en slagwerk. Dat vergroot het vervreemdende en surrealistische effect. Sowieso heb ik geprobeerd in de orkestratie te zoeken naar meer ongebruikelijke kleuren en timbres.’

De juiste ingang

In 2017 componeerde Roukens op verzoek van het Concertgebouw­orkest ook al een hommage aan Leonard Bernstein, Boundless. In een interview bekende hij destijds flink wat muziek te hebben moeten weggooien omdat deze te dicht bij de stijl van Bernstein bleef. Stak dat probleem ook dit keer de kop op? ‘Nee, nu hoefde ik aanzienlijk minder te schrappen. Juist omdat Sweelincks muziek qua tijd en stijl veel verder van mij af staat was het makkelijker hem te eren. De moeilijkheid zat hem meer in het vinden van het juiste concept, de juiste ingang. Toen ik daarop het antwoord eenmaal gevonden had ging het componeren relatief vlot. Al blijf ik een langzame schrijver.’

Deze maand klinkt ook Chase, dat Roukens in 2013 schreef voor een concert rondom film en filmmuziek. Zijn er desondanks raakvlakken met ­Vertekende fantasie? ‘Niet echt, Chase laat een totaal andere kant van mij zien, meer gericht op snelheid, ritme en referenties aan populaire muziek. Er is hooguit een raakvlak met het energieke middendeel in Vertekende fantasie.’ Hij verheugt zich erg op beide concerten: ‘Heel fijn dat het Concertgebouworkest deze maand twee werken van mij op het programma heeft, een geweldige luxe!’

Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Abonneer dan nu.