Vergeten pioniers: de herontdekking van zwarte componisten
door Carine Alders 28 mei 2026 28 mei 2026
De eerste helft van de twintigste eeuw kende een bloeitijd voor zwarte musici en componisten. De doorbraak hield echter geen stand en de muziek raakte vergeten. Het festival Mind the Gap! springt over de kloof en brengt vergeten componisten zoals Coleridge-Taylor, Dawson en Price terug in de concertzaal.
In de Verenigde Staten werd Samuel Coleridge-Taylor in 1904 warm onthaald en was hij geen bezienswaardigheid, zoals thuis in Engeland. En toch was hij anders. Zodra witte Amerikanen zijn Britse accent hoorden, veranderde hun houding. De slavernijgeschiedenis lag voor hem verder in het verleden; zijn moeder was Brits en zijn (afwezige) vader een hoogopgeleide Creool, een afstammeling van vrijgemaakte slaven die zich in Freetown, Sierra Leone hadden gevestigd. Coleridge-Taylor groeide op in een wit gezin, studeerde aan het Royal College of Music in Londen en wist zich al vroeg gesteund door componisten van naam als Charles Villiers Stanford en Edward Elgar.
In het conservatoriumorkest dat delen van zijn Eerste symfonie uitvoerde, speelden medestudenten Gustav Holst (trombone) en Ralph Vaughan Williams (slagwerk) mee. Zelfs stemden zijn witte schoonouders uiteindelijk toe in een huwelijk met hun jongste dochter.
An Englishman in New York
In Europa was Coleridge-Taylor een sensatie; vooral zijn cantate Hiawatha’s Wedding Feast werd jubelend ontvangen. Voor zwarte musici in de Verenigde Staten was de componist veel meer: een bron van inspiratie. Harry Burleigh, de Afro-Amerikaanse bariton die in New York Antonín Dvořák met spirituals had laten kennismaken voor zijn Negende symfonie ‘Uit de Nieuwe Wereld’, spande zich in om Coleridge-Taylor naar New York te halen. Er werd zelfs een Samuel Coleridge-Taylor Choral Society opgericht met uitsluitend Afro-Amerikaanse zangers.
Dat haalde de componist over om de reis te maken. Hij had zich goed ingelezen over de positie van de Afro-Amerikanen en besefte dat hij zich als Anglo-Afrikaan in een bevoorrechte positie bevond. ‘Wat jullie al zo lang hebben doorstaan zal ook mij er niet onder krijgen’, schreef hij in een brief. In Amerika werd zijn Hiawatha-cantate uitgevoerd met een volledig Afro-Amerikaans koor en orkest voor een publiek van duizenden enthousiaste mensen.
Coleridge-Taylor bezocht mensenrechtenactivisten en opleidingsinstituten voor zwarte Amerikanen. Hij werd zelfs door president Roosevelt ontvangen op het Witte Huis en keerde overladen met cadeaus weer terug in Londen. Zijn muziek had zijn zwarte collega’s in de VS even uitgetild boven de harde realiteit van rassensegregatie en de mensonterende Jim-Crowwetten, die hen verboden van dezelfde faciliteiten gebruik te maken als witte Amerikanen.
Harlem Renaissance
Coleridge-Taylor kwam nog twee keer naar de VS en gebruikte steeds vaker spirituals in zijn composities, vastbesloten Dvořáks ingeslagen weg verder uit te bouwen. Hij werd compositiedocent aan de gerenommeerde Londense Guildhall School of Music en de jonge Afro-Amerikaanse componist Clarence Cameron White studeerde bij hem.
Eleanor Roosevelt greep in en organiseerde een concert voor 75.000 enthousiaste toehoorders
Zo bleef hij vanuit Europa een rol spelen in de Harlem Renaissance, een bloeiperiode van zwarte kunstenaars in New York. Terwijl in Harlem witte componisten als George Gershwin en Irving Berlin inspiratie kwamen opdoen in de jazzclubs, schoolden Afro-Amerikaanse musici als Burleigh, tenor Roland Hayes en sopraan Marian Anderson zich in de westerse klassieke muziek, die gezien werd als ‘hoge kunst’, in tegenstelling tot jazz en blues.
Hayes studeerde in Europa en trad in New York op in een uitverkochte Carnegie Hall. Ook Anderson studeerde in Europa. Ze werd vanwege haar kleur geweigerd toen ze in Washington in de Constitution Hall wilde optreden. Eleanor Roosevelt greep in en organiseerde bij het Lincolnmonument voor haar een concert voor een publiek van 75.000 enthousiaste toehoorders.
De eerste successen
Zwarte componisten boekten in deze periode successen. In 1931 was de Eerste symfonie van William Grant Still het eerste werk van een Afro-Amerikaanse componist dat uitgevoerd werd door een van de grote orkesten. De symfonie zou uitgroeien tot een van de populairste Amerikaanse orkestwerken in die tijd. Het Chicago Symphony Orchestra bracht in 1933 tijdens de Wereldtentoonstelling de Eerste symfonie van Florence Price in première. In november 1934 dirigeerde Leopold Stokowski zijn Philadelphia Orchestra in Carnegie Hall in William Dawsons Negro Folk Symphony.
Still en Price waren allebei opgegroeid in Little Rock, Arkansas, waar een grote geëmancipeerde Afro-Amerikaanse gemeenschap bloeide en witte en zwarte Amerikanen samengeleefd hadden tot in 1890 de Jim-Crowwetten werden ingevoerd. In het welgestelde gezin van Price kwamen veel mensenrechtenactivisten en Afro-Amerikaanse kunstenaars over de vloer. Geïnspireerd vertrok Price op vijftienjarige leeftijd naar Boston om aan het New England Conservatory te studeren, in die tijd een vanzelfsprekend deel van de opvoeding van meisjes uit beter gesitueerde kringen. Volgens het conservatorium maakte de opleiding een jonge vrouw ‘zelfstandiger, verfijnder, een sieraad voor de maatschappij en een vreugde voor vrienden en familie’.
In de Verenigde Staten werd Samuel Coleridge-Taylor in 1904 warm onthaald en was hij geen bezienswaardigheid, zoals thuis in Engeland. En toch was hij anders. Zodra witte Amerikanen zijn Britse accent hoorden, veranderde hun houding. De slavernijgeschiedenis lag voor hem verder in het verleden; zijn moeder was Brits en zijn (afwezige) vader een hoogopgeleide Creool, een afstammeling van vrijgemaakte slaven die zich in Freetown, Sierra Leone hadden gevestigd. Coleridge-Taylor groeide op in een wit gezin, studeerde aan het Royal College of Music in Londen en wist zich al vroeg gesteund door componisten van naam als Charles Villiers Stanford en Edward Elgar.
In het conservatoriumorkest dat delen van zijn Eerste symfonie uitvoerde, speelden medestudenten Gustav Holst (trombone) en Ralph Vaughan Williams (slagwerk) mee. Zelfs stemden zijn witte schoonouders uiteindelijk toe in een huwelijk met hun jongste dochter.
An Englishman in New York
In Europa was Coleridge-Taylor een sensatie; vooral zijn cantate Hiawatha’s Wedding Feast werd jubelend ontvangen. Voor zwarte musici in de Verenigde Staten was de componist veel meer: een bron van inspiratie. Harry Burleigh, de Afro-Amerikaanse bariton die in New York Antonín Dvořák met spirituals had laten kennismaken voor zijn Negende symfonie ‘Uit de Nieuwe Wereld’, spande zich in om Coleridge-Taylor naar New York te halen. Er werd zelfs een Samuel Coleridge-Taylor Choral Society opgericht met uitsluitend Afro-Amerikaanse zangers.
Dat haalde de componist over om de reis te maken. Hij had zich goed ingelezen over de positie van de Afro-Amerikanen en besefte dat hij zich als Anglo-Afrikaan in een bevoorrechte positie bevond. ‘Wat jullie al zo lang hebben doorstaan zal ook mij er niet onder krijgen’, schreef hij in een brief. In Amerika werd zijn Hiawatha-cantate uitgevoerd met een volledig Afro-Amerikaans koor en orkest voor een publiek van duizenden enthousiaste mensen.
Coleridge-Taylor bezocht mensenrechtenactivisten en opleidingsinstituten voor zwarte Amerikanen. Hij werd zelfs door president Roosevelt ontvangen op het Witte Huis en keerde overladen met cadeaus weer terug in Londen. Zijn muziek had zijn zwarte collega’s in de VS even uitgetild boven de harde realiteit van rassensegregatie en de mensonterende Jim-Crowwetten, die hen verboden van dezelfde faciliteiten gebruik te maken als witte Amerikanen.
Harlem Renaissance
Coleridge-Taylor kwam nog twee keer naar de VS en gebruikte steeds vaker spirituals in zijn composities, vastbesloten Dvořáks ingeslagen weg verder uit te bouwen. Hij werd compositiedocent aan de gerenommeerde Londense Guildhall School of Music en de jonge Afro-Amerikaanse componist Clarence Cameron White studeerde bij hem.
Eleanor Roosevelt greep in en organiseerde een concert voor 75.000 enthousiaste toehoorders
Zo bleef hij vanuit Europa een rol spelen in de Harlem Renaissance, een bloeiperiode van zwarte kunstenaars in New York. Terwijl in Harlem witte componisten als George Gershwin en Irving Berlin inspiratie kwamen opdoen in de jazzclubs, schoolden Afro-Amerikaanse musici als Burleigh, tenor Roland Hayes en sopraan Marian Anderson zich in de westerse klassieke muziek, die gezien werd als ‘hoge kunst’, in tegenstelling tot jazz en blues.
Hayes studeerde in Europa en trad in New York op in een uitverkochte Carnegie Hall. Ook Anderson studeerde in Europa. Ze werd vanwege haar kleur geweigerd toen ze in Washington in de Constitution Hall wilde optreden. Eleanor Roosevelt greep in en organiseerde bij het Lincolnmonument voor haar een concert voor een publiek van 75.000 enthousiaste toehoorders.
De eerste successen
Zwarte componisten boekten in deze periode successen. In 1931 was de Eerste symfonie van William Grant Still het eerste werk van een Afro-Amerikaanse componist dat uitgevoerd werd door een van de grote orkesten. De symfonie zou uitgroeien tot een van de populairste Amerikaanse orkestwerken in die tijd. Het Chicago Symphony Orchestra bracht in 1933 tijdens de Wereldtentoonstelling de Eerste symfonie van Florence Price in première. In november 1934 dirigeerde Leopold Stokowski zijn Philadelphia Orchestra in Carnegie Hall in William Dawsons Negro Folk Symphony.
Still en Price waren allebei opgegroeid in Little Rock, Arkansas, waar een grote geëmancipeerde Afro-Amerikaanse gemeenschap bloeide en witte en zwarte Amerikanen samengeleefd hadden tot in 1890 de Jim-Crowwetten werden ingevoerd. In het welgestelde gezin van Price kwamen veel mensenrechtenactivisten en Afro-Amerikaanse kunstenaars over de vloer. Geïnspireerd vertrok Price op vijftienjarige leeftijd naar Boston om aan het New England Conservatory te studeren, in die tijd een vanzelfsprekend deel van de opvoeding van meisjes uit beter gesitueerde kringen. Volgens het conservatorium maakte de opleiding een jonge vrouw ‘zelfstandiger, verfijnder, een sieraad voor de maatschappij en een vreugde voor vrienden en familie’.
Chicago Renaissance
Voor Price betekende de opleiding meer. Ze verhuisde in 1927 naar Chicago, waar haar opleiding goed van pas kwam om haar gezin te onderhouden, tot frustratie van haar werkloze man. Ze begeleidde zeer behendig stomme films op het orgel terwijl ze ook als componist van klassieke muziek voet aan de grond probeerde te krijgen.
Het Afro-Amerikaanse erfgoed leek nu definitief verankerd in de klassieke muziek. Of toch niet?
Net als Harlem kende ook Chicago zijn eigen Renaissance. Samen met William Dawson, die een jaar eerder in de stad gearriveerd was, studeerde ze verder aan het Chicago College of Music en The American Conservatory of Music. Price werd een vooraanstaand lid van de National Association of Negro Musicians. Een netwerk van bevriende musici voerde haar muziek uit, onder wie Marian Anderson, die zo’n vijftig van haar liederen op haar repertoire had, en pianiste Margaret Bonds, een getalenteerde leerling van Price die als kind begonnen was op de Samuel Coleridge-Taylor School of Music.
Na het succes van Price’ Eerste symfonie jubelde de Afro-Amerikaanse pers over het feit dat in vijftig jaar tijd zwarte componisten zich ontwikkeld hadden van spiritual tot symfonie. Mede dankzij de Europese componisten Dvořák – ook Price had zijn werk grondig bestudeerd – en Coleridge-Taylor leek het Afro-Amerikaanse erfgoed nu definitief verankerd in de klassieke muziek.
De terugval
Of toch niet? Samuel Coleridge-Taylor overleed op 1 september 1912, net zevenendertig geworden, volgens zijn dochter aan zijn harde werken. ‘Als het moet kan ik nog de slagersrekening op muziek zetten’, moet hij ooit gezegd hebben. In de eerste twintig jaar na zijn dood klonk zijn muziek nog regelmatig, maar na de Tweede Wereldoorlog was hij verworden tot een curiositeit, een merkwaardige voetnoot in de muziekgeschiedenis. De ster van Florence Price daarentegen was in de eerste jaren na de oorlog nog rijzende: in 1951 componeerde ze op verzoek van Sir John Barbirolli een ouverture voor zijn Hallé Orchestra in Manchester.
‘Om te beginnen heb ik twee handicaps. Ik ben een vrouw en er stroomt Afro-Amerikaans bloed door mijn aderen.’
In het voorjaar van 1953 zou ze in Parijs een prijs in ontvangst nemen, maar ze overleed aan de vooravond van wat haar eerste reis naar Europa had moeten worden. Price raakte snel vergeten, maar ook haar nog levende collega’s Dawson en Still hadden steeds meer moeite om in de jaren 1950-1970 hun muziek uitgevoerd te krijgen. Price was ooit een brief aan Serge Koussevitzky, dirigent van het Boston Symphony Orchestra, begonnen met de woorden: ‘Om te beginnen heb ik twee handicaps. Ik ben een vrouw en er stroomt Afro-Amerikaans bloed door mijn aderen.’
De witte avant-garde
De eerste generaties zwarte componisten hadden hun uiterste best gedaan om hun eigen volksmuziek een plek te geven in de klassieke-romantische traditie van symfonieën, ouvertures en soloconcerten, zodat ze serieus genomen werden als componist. Voor Coleridge-Taylor, Price, Dawson en Still was bovendien de economische noodzaak groot om muziek te componeren die een breed publiek aansprak. In de jaren 1950 keerde echter het tij.
Onder de provocerende titel ‘Who cares if you listen?’ publiceerde het Amerikaanse tijdschrift High Fidelity in 1958 een artikel van – de witte – componist Milton Babbitt. Hij betoogde dat serieuze moderne muziek te ingewikkeld was voor de gemiddelde luisteraar, die meer geïnteresseerd zou zijn in populaire muziek. Om serieuze muziek verder te ontwikkelen zouden componisten zich binnen de universiteiten moeten richten op een publiek van kenners en specialisten.
Mede dankzij de Koude Oorlog, waarin de Amerikaanse overheid uit propagandaoverwegingen deze ideeën financieel steunde als tegenhanger van kunst voor het volk in de totalitaire Sovjet-Unie, ontstond inderdaad aan de Amerikaanse universiteiten een naoorlogse avant-garde die zich afzette tegen de meer traditionele klassieke muziek. Deze nieuwe generatie componisten kon het zich permitteren zich niets van de luisteraar aan te trekken. Op de traditionelere klassieke muziek van de oudere generatie zwarte componisten werd neergekeken.
Een diepe kloof
Tegelijkertijd golden in die tijd nog altijd wetten die bepaalden dat witte en zwarte Amerikanen bijvoorbeeld niet door elkaar in de bus mochten zitten. De laatste wetten werden pas in 1964 ongrondwettelijk verklaard, maar het visioen van Martin Luther King is tot op de dag van vandaag een droom gebleven. In de jaren 1960-70 was van gelijke kansen geen sprake en de muzikale avant-garde werd gedomineerd door witte mannen; ook de vrouwenemancipatie kreeg na de oorlog een klap te verduren.
Pas in 1996 zou George Walker, leerling van het Oberlin Conservatory of Music (een conservatorium dat al in de negentiende eeuw Afro-Amerikaanse studenten verwelkomde) en van Nadia Boulanger in Parijs, de eerste Afro-Amerikaanse componist zijn die de Pulitzer Prize for Music ontving. Rond die tijd ontstond ook hernieuwde belangstelling voor de muziek van Price, maar de kloof van enkele decennia had zijn sporen nagelaten. Een groot deel van haar bladmuziek was verloren gegaan. Althans, dat dacht men, totdat in 2009 tijdens een verbouwing van een voormalig zomerhuisje van Price stapels manuscripten werden gevonden. Veel muziek was nooit uitgevoerd. Hoog tijd voor een inhaalslag!
Beluister de Spotify-playlist horend bij dit artikel:
FESTIVAL MIND THE GAP!
ma 15 juni | Kleine Zaal
Orville Breeveld presentatie
Sara Corbey sopraan
Thalia Oyewole sopraan
Imara Thomas sopraan
Laetitia Sprij mezzosopraan
Enrique Alvarez del Moral piano
Elizabeth Goh piano
Fernando Alejandre Farauste piano
Apollon Kalamenios piano
Ana de Sousa Pereira piano
Jana Schell piano
Bestel hier kaarten
Bekijk het concertprogramma
di 16 juni | Grote Zaal
Chineke! Orchestra
Joseph Young dirigent
Njioma Chinyere Grevious viool
Bestel hier kaarten
Bekijk het concertprogramma
wo 17 juni | Kleine Zaal
Rebeca Omordia piano
Bestel hier kaarten
Bekijk het concertprogramma
do 18 & vr 19 juni | Grote Zaal
Koninklijk Concertgebouworkest
Antony Hermus dirigent
Miro Petkov trompet
Davóne Tines bas-bariton
Bestel hier kaarten
Bekijk het concertprogramma
zo 21 juni | Kleine Zaal
Reginald Mobley countertenor
Baptiste Trotignon piano
Bestel hier kaarten
Bekijk het concertprogramma
Chicago Renaissance
Voor Price betekende de opleiding meer. Ze verhuisde in 1927 naar Chicago, waar haar opleiding goed van pas kwam om haar gezin te onderhouden, tot frustratie van haar werkloze man. Ze begeleidde zeer behendig stomme films op het orgel terwijl ze ook als componist van klassieke muziek voet aan de grond probeerde te krijgen.
Het Afro-Amerikaanse erfgoed leek nu definitief verankerd in de klassieke muziek. Of toch niet?
Net als Harlem kende ook Chicago zijn eigen Renaissance. Samen met William Dawson, die een jaar eerder in de stad gearriveerd was, studeerde ze verder aan het Chicago College of Music en The American Conservatory of Music. Price werd een vooraanstaand lid van de National Association of Negro Musicians. Een netwerk van bevriende musici voerde haar muziek uit, onder wie Marian Anderson, die zo’n vijftig van haar liederen op haar repertoire had, en pianiste Margaret Bonds, een getalenteerde leerling van Price die als kind begonnen was op de Samuel Coleridge-Taylor School of Music.
Na het succes van Price’ Eerste symfonie jubelde de Afro-Amerikaanse pers over het feit dat in vijftig jaar tijd zwarte componisten zich ontwikkeld hadden van spiritual tot symfonie. Mede dankzij de Europese componisten Dvořák – ook Price had zijn werk grondig bestudeerd – en Coleridge-Taylor leek het Afro-Amerikaanse erfgoed nu definitief verankerd in de klassieke muziek.
De terugval
Of toch niet? Samuel Coleridge-Taylor overleed op 1 september 1912, net zevenendertig geworden, volgens zijn dochter aan zijn harde werken. ‘Als het moet kan ik nog de slagersrekening op muziek zetten’, moet hij ooit gezegd hebben. In de eerste twintig jaar na zijn dood klonk zijn muziek nog regelmatig, maar na de Tweede Wereldoorlog was hij verworden tot een curiositeit, een merkwaardige voetnoot in de muziekgeschiedenis. De ster van Florence Price daarentegen was in de eerste jaren na de oorlog nog rijzende: in 1951 componeerde ze op verzoek van Sir John Barbirolli een ouverture voor zijn Hallé Orchestra in Manchester.
‘Om te beginnen heb ik twee handicaps. Ik ben een vrouw en er stroomt Afro-Amerikaans bloed door mijn aderen.’
In het voorjaar van 1953 zou ze in Parijs een prijs in ontvangst nemen, maar ze overleed aan de vooravond van wat haar eerste reis naar Europa had moeten worden. Price raakte snel vergeten, maar ook haar nog levende collega’s Dawson en Still hadden steeds meer moeite om in de jaren 1950-1970 hun muziek uitgevoerd te krijgen. Price was ooit een brief aan Serge Koussevitzky, dirigent van het Boston Symphony Orchestra, begonnen met de woorden: ‘Om te beginnen heb ik twee handicaps. Ik ben een vrouw en er stroomt Afro-Amerikaans bloed door mijn aderen.’
De witte avant-garde
De eerste generaties zwarte componisten hadden hun uiterste best gedaan om hun eigen volksmuziek een plek te geven in de klassieke-romantische traditie van symfonieën, ouvertures en soloconcerten, zodat ze serieus genomen werden als componist. Voor Coleridge-Taylor, Price, Dawson en Still was bovendien de economische noodzaak groot om muziek te componeren die een breed publiek aansprak. In de jaren 1950 keerde echter het tij.
Onder de provocerende titel ‘Who cares if you listen?’ publiceerde het Amerikaanse tijdschrift High Fidelity in 1958 een artikel van – de witte – componist Milton Babbitt. Hij betoogde dat serieuze moderne muziek te ingewikkeld was voor de gemiddelde luisteraar, die meer geïnteresseerd zou zijn in populaire muziek. Om serieuze muziek verder te ontwikkelen zouden componisten zich binnen de universiteiten moeten richten op een publiek van kenners en specialisten.
Mede dankzij de Koude Oorlog, waarin de Amerikaanse overheid uit propagandaoverwegingen deze ideeën financieel steunde als tegenhanger van kunst voor het volk in de totalitaire Sovjet-Unie, ontstond inderdaad aan de Amerikaanse universiteiten een naoorlogse avant-garde die zich afzette tegen de meer traditionele klassieke muziek. Deze nieuwe generatie componisten kon het zich permitteren zich niets van de luisteraar aan te trekken. Op de traditionelere klassieke muziek van de oudere generatie zwarte componisten werd neergekeken.
Een diepe kloof
Tegelijkertijd golden in die tijd nog altijd wetten die bepaalden dat witte en zwarte Amerikanen bijvoorbeeld niet door elkaar in de bus mochten zitten. De laatste wetten werden pas in 1964 ongrondwettelijk verklaard, maar het visioen van Martin Luther King is tot op de dag van vandaag een droom gebleven. In de jaren 1960-70 was van gelijke kansen geen sprake en de muzikale avant-garde werd gedomineerd door witte mannen; ook de vrouwenemancipatie kreeg na de oorlog een klap te verduren.
Pas in 1996 zou George Walker, leerling van het Oberlin Conservatory of Music (een conservatorium dat al in de negentiende eeuw Afro-Amerikaanse studenten verwelkomde) en van Nadia Boulanger in Parijs, de eerste Afro-Amerikaanse componist zijn die de Pulitzer Prize for Music ontving. Rond die tijd ontstond ook hernieuwde belangstelling voor de muziek van Price, maar de kloof van enkele decennia had zijn sporen nagelaten. Een groot deel van haar bladmuziek was verloren gegaan. Althans, dat dacht men, totdat in 2009 tijdens een verbouwing van een voormalig zomerhuisje van Price stapels manuscripten werden gevonden. Veel muziek was nooit uitgevoerd. Hoog tijd voor een inhaalslag!
Beluister de Spotify-playlist horend bij dit artikel:
FESTIVAL MIND THE GAP!
ma 15 juni | Kleine Zaal
Orville Breeveld presentatie
Sara Corbey sopraan
Thalia Oyewole sopraan
Imara Thomas sopraan
Laetitia Sprij mezzosopraan
Enrique Alvarez del Moral piano
Elizabeth Goh piano
Fernando Alejandre Farauste piano
Apollon Kalamenios piano
Ana de Sousa Pereira piano
Jana Schell piano
Bestel hier kaarten
Bekijk het concertprogramma
di 16 juni | Grote Zaal
Chineke! Orchestra
Joseph Young dirigent
Njioma Chinyere Grevious viool
Bestel hier kaarten
Bekijk het concertprogramma
wo 17 juni | Kleine Zaal
Rebeca Omordia piano
Bestel hier kaarten
Bekijk het concertprogramma
do 18 & vr 19 juni | Grote Zaal
Koninklijk Concertgebouworkest
Antony Hermus dirigent
Miro Petkov trompet
Davóne Tines bas-bariton
Bestel hier kaarten
Bekijk het concertprogramma
zo 21 juni | Kleine Zaal
Reginald Mobley countertenor
Baptiste Trotignon piano
Bestel hier kaarten
Bekijk het concertprogramma