Festival Mind the Gap! Nabors, Marsalis en Dawson door het Concertgebouworkest
Grote Zaal 18 juni 2026 20.15 uur
Koninklijk Concertgebouworkest
Antony Hermus dirigent
Miro Petkov trompet
Davóne Tines bas-bariton
Bekijk hier de zangteksten.
Dit concert maakt deel uit van het festival Mind the Gap! en van de Serie D van het Concertgebouworkest.
Ook interessant:
- Solotrompettist Miro Petkov: ‘Een ping van Wynton Marsalis!’
- De eerste zwarte solisten bij het Concertgebouworkest
- Vergeten pioniers: de herontdekking van zwarte componisten
- Waar komen de series van het Concertgebouworkest vandaan?
BRIAN RAPHAEL NABORS (1991)
Pulse (2019)
Nederlandse première
WYNTON MARSALIS (1961)
Trompetconcert (2022-23)
Freely
Ballad in 2
Mexican Són
Blues
French Pastoral
Harlequin 2-Step
Nederlandse première
pauze ± 21.10 uur
Traditioneel
I’m Troubled in Mind (orkestratie Thomas Beijer)
wereldpremière van deze versie
JEROME KERN (1885-1945)
Old Man River (1925, orkestratie Thomas Beijer)
wereldpremière van deze versie
WILLIAM L. DAWSON (1899-1990)
Negro Folk Symphony (1934, revisie 1952)
The Bond of Africa (Adagio, Allegro con brio)
Hope in the Night (Andante, Allegretto)
O Le’ Me Shine, Shine Like a Morning Star! (Allegro con brio)
eerste uitvoering door het Concertgebouworkest
einde ± 22.25 uur

Koninklijk Concertgebouworkest
Antony Hermus dirigent
Miro Petkov trompet
Davóne Tines bas-bariton
Bekijk hier de zangteksten.
Dit concert maakt deel uit van het festival Mind the Gap! en van de Serie D van het Concertgebouworkest.
Ook interessant:
- Solotrompettist Miro Petkov: ‘Een ping van Wynton Marsalis!’
- De eerste zwarte solisten bij het Concertgebouworkest
- Vergeten pioniers: de herontdekking van zwarte componisten
- Waar komen de series van het Concertgebouworkest vandaan?
BRIAN RAPHAEL NABORS (1991)
Pulse (2019)
Nederlandse première
WYNTON MARSALIS (1961)
Trompetconcert (2022-23)
Freely
Ballad in 2
Mexican Són
Blues
French Pastoral
Harlequin 2-Step
Nederlandse première
pauze ± 21.10 uur
Traditioneel
I’m Troubled in Mind (orkestratie Thomas Beijer)
wereldpremière van deze versie
JEROME KERN (1885-1945)
Old Man River (1925, orkestratie Thomas Beijer)
wereldpremière van deze versie
WILLIAM L. DAWSON (1899-1990)
Negro Folk Symphony (1934, revisie 1952)
The Bond of Africa (Adagio, Allegro con brio)
Hope in the Night (Andante, Allegretto)
O Le’ Me Shine, Shine Like a Morning Star! (Allegro con brio)
eerste uitvoering door het Concertgebouworkest
einde ± 22.25 uur

Toelichting
Toelichting
Binnen festival Mind the Gap! presenteert het Concertgebouworkest drie werken van zwarte componisten die opgroeiden in de Zuidelijke Staten van de VS. Daarnaast blikt het orkest samen met zanger Davóne Tines terug op een bijzonder gastoptreden van de zwarte bariton Jules Bledsoe onder leiding van Willem Mengelberg in 1937.
Binnen festival Mind the Gap! presenteert het Concertgebouworkest drie werken van zwarte componisten die opgroeiden in de Zuidelijke Staten van de VS. Daarnaast blikt het orkest samen met zanger Davóne Tines terug op een bijzonder gastoptreden van de zwarte bariton Jules Bledsoe onder leiding van Willem Mengelberg in 1937.
Brian Raphael Nabors (1991)
Pulse
Brian Raphael Nabors groeide op in Birmingham, Alabama. Zijn muziek is diep geworteld in de zwarte cultuur van de Zuidelijke Staten, maar Nabors verbindt die met compositietechnieken uit de hedendaagse muziek, waarbij hij het gebaar en de drive van filmmuziek niet schuwt. In Pulse onderzoekt hij natuurlijke ritmes die alle vormen van leven dicteren, waarbij hij gebruik maakt van repeterende motieven en technieken. Na enkele contrasterende ritmische episodes met een prominente rol voor het slagwerk, komt de muziek uiteindelijk tot rust in serene strijkersklanken; de mens hervindt het ritme van de wereld om hem heen.
Brian Raphael Nabors groeide op in Birmingham, Alabama. Zijn muziek is diep geworteld in de zwarte cultuur van de Zuidelijke Staten, maar Nabors verbindt die met compositietechnieken uit de hedendaagse muziek, waarbij hij het gebaar en de drive van filmmuziek niet schuwt. In Pulse onderzoekt hij natuurlijke ritmes die alle vormen van leven dicteren, waarbij hij gebruik maakt van repeterende motieven en technieken. Na enkele contrasterende ritmische episodes met een prominente rol voor het slagwerk, komt de muziek uiteindelijk tot rust in serene strijkersklanken; de mens hervindt het ritme van de wereld om hem heen.
Wynton Marsalis (1961)
Trompetconcert
Trompettist en componist Wynton Marsalis [in oktober 2021 ontvanger van de Concertgebouw Prijs, red.] is een van de meest veelzijdige en invloedrijke musici van onze tijd. Afkomstig uit New Orleans koestert hij de tradities uit de ontstaanstijd van de jazz, maar hij voerde met evenveel gemak het volledige klassieke trompetrepertoire uit. In zijn gecomponeerde muziek komen vele stijlen en genres samen. Dat geldt bij uitstek ook voor zijn Trompetconcert. Het stuk biedt een klinkende geschiedenis van het instrument, waarbij niet alleen verschillende stijlen, maar ook legendarische trompettisten uit het verleden de revue passeren.
Marsalis zet in zijn Trompetconcert meteen de toon door de solist een tetterende olifant te laten nabootsen. Daarmee benadrukt hij de ontregelende jokerrol van de trompet binnen het ensemble; een terugkerend thema in het werk. Vervolgens klinken overwegend gebroken akkoorden en fanfareritmes, waarmee de muziek naar het oorspronkelijke gebruik van de trompet als signaalinstrument lijkt te verwijzen. Na de pulserende fanfareklanken volgt een lyrische melodie van de solotrompet, die in het tweede deel verder wordt uitgewerkt tot een ballad in de stijl van Louis Armstrong. Het derde deel herneemt het hoofdthema van het eerste deel, vertaald naar de klankwereld van spaanstalig Amerika, vol bruisende dansritmes. In het vierde deel bereiken we de blues. Verderop in dit deel volgen koraalachtige klanken in het koper, die door de speelse bijdragen van de solist ontregeld worden, als een trompettist die tijdens de kerkdienst zijn eigen plan trekt. Het vijfde deel is een lyrische wals waarin de Franse twintigste-eeuwse trompettraditie – met virtuozen als Maurice André en Pierre Thibaud en componisten als Henri Tomasi en André Jolivet – gevierd wordt. In het zesde en laatste deel staat opnieuw de jokerrol van de trompet centraal. De trompet danst over het pulserende slagwerk, motieven uit eerdere delen keren terug, en een klezmer-rondedans zorgt voor een jiddische sfeer. In de slotmaten klinkt opnieuw de tetterende olifant van het begin, dit keer verklankt door het hele orkest, als een op hol geslagen kudde. De ontregelende solist heeft iedereen in zijn ban gekregen.
Trompettist en componist Wynton Marsalis [in oktober 2021 ontvanger van de Concertgebouw Prijs, red.] is een van de meest veelzijdige en invloedrijke musici van onze tijd. Afkomstig uit New Orleans koestert hij de tradities uit de ontstaanstijd van de jazz, maar hij voerde met evenveel gemak het volledige klassieke trompetrepertoire uit. In zijn gecomponeerde muziek komen vele stijlen en genres samen. Dat geldt bij uitstek ook voor zijn Trompetconcert. Het stuk biedt een klinkende geschiedenis van het instrument, waarbij niet alleen verschillende stijlen, maar ook legendarische trompettisten uit het verleden de revue passeren.
Marsalis zet in zijn Trompetconcert meteen de toon door de solist een tetterende olifant te laten nabootsen. Daarmee benadrukt hij de ontregelende jokerrol van de trompet binnen het ensemble; een terugkerend thema in het werk. Vervolgens klinken overwegend gebroken akkoorden en fanfareritmes, waarmee de muziek naar het oorspronkelijke gebruik van de trompet als signaalinstrument lijkt te verwijzen. Na de pulserende fanfareklanken volgt een lyrische melodie van de solotrompet, die in het tweede deel verder wordt uitgewerkt tot een ballad in de stijl van Louis Armstrong. Het derde deel herneemt het hoofdthema van het eerste deel, vertaald naar de klankwereld van spaanstalig Amerika, vol bruisende dansritmes. In het vierde deel bereiken we de blues. Verderop in dit deel volgen koraalachtige klanken in het koper, die door de speelse bijdragen van de solist ontregeld worden, als een trompettist die tijdens de kerkdienst zijn eigen plan trekt. Het vijfde deel is een lyrische wals waarin de Franse twintigste-eeuwse trompettraditie – met virtuozen als Maurice André en Pierre Thibaud en componisten als Henri Tomasi en André Jolivet – gevierd wordt. In het zesde en laatste deel staat opnieuw de jokerrol van de trompet centraal. De trompet danst over het pulserende slagwerk, motieven uit eerdere delen keren terug, en een klezmer-rondedans zorgt voor een jiddische sfeer. In de slotmaten klinkt opnieuw de tetterende olifant van het begin, dit keer verklankt door het hele orkest, als een op hol geslagen kudde. De ontregelende solist heeft iedereen in zijn ban gekregen.
I’m Troubled in Mind & Old Man River
In samenspraak met bas-bariton Davóne Tines maakte Thomas Beijer voor dit programma twee arrangementen. De spiritual I’m Troubled in Mind werd in 1937 door de zwarte bariton Jules Bledsoe gezongen bij het Concertgebouworkest onder Willem Mengelberg. In het melancholische lied wordt de Heer om steun gevraagd. Vervolgens klinkt de beroemde song Old Man River uit de musical Show Boat, waarvan Bledsoe in 1927 de wereldpremière zong. Show Boat was enerzijds een aanklacht tegen zwart onrecht, maar bevat ook racistische termen en stereotypen. Beijers arrangement bevat alternatieve regels, geïntroduceerd door de legendarische zwarte bas-bariton Paul Robeson, waardoor de nadruk verschuift van verslagenheid naar zwarte trots en onverzettelijkheid. De harmonische taal van het arrangement is geavanceerder dan het origineel. Daarmee wordt de duistere onderstroom van het stuk blootgelegd, en meer recht gedaan aan de problematische context waarin de musical ontstond.
In samenspraak met bas-bariton Davóne Tines maakte Thomas Beijer voor dit programma twee arrangementen. De spiritual I’m Troubled in Mind werd in 1937 door de zwarte bariton Jules Bledsoe gezongen bij het Concertgebouworkest onder Willem Mengelberg. In het melancholische lied wordt de Heer om steun gevraagd. Vervolgens klinkt de beroemde song Old Man River uit de musical Show Boat, waarvan Bledsoe in 1927 de wereldpremière zong. Show Boat was enerzijds een aanklacht tegen zwart onrecht, maar bevat ook racistische termen en stereotypen. Beijers arrangement bevat alternatieve regels, geïntroduceerd door de legendarische zwarte bas-bariton Paul Robeson, waardoor de nadruk verschuift van verslagenheid naar zwarte trots en onverzettelijkheid. De harmonische taal van het arrangement is geavanceerder dan het origineel. Daarmee wordt de duistere onderstroom van het stuk blootgelegd, en meer recht gedaan aan de problematische context waarin de musical ontstond.
William L. Dawson (1899-1990)
Negro Folk Symphony
William Levi Dawson groeide op in Anniston, Alabama, waar hij getuige was van de segregatie en achterstelling van de zwarte bevolking. Zelf had hij het geluk dat hij als getalenteerde tiener werd toegelaten tot het Tuskegee Institute, een prestigieuze school voor zwarte studenten, waaraan hij het merendeel van zijn leven als docent verbonden zou blijven. Voordat hij rond zijn dertigste op het oude nest zou terugkeren, voltooide hij een masteropleiding compositie aan het prestigieuze American Conservatory of Music in Chicago. Hier ontstond zijn ambitie om een symfonie te schrijven. Als koordirigent leerde hij Leopold Stokowski kennen, die Dawsons symfonie in 1934 met The Philadelphia Orchestra in première bracht. Daarmee was Dawson de derde zwarte componist van wie een symfonie door een prominent Amerikaans orkest werd uitgevoerd, na William Grant Still (1931, Rochester Philharmonic) en Florence Price (1933, Chicago Symphony Orchestra). Deze uitvoeringen leken het pad te effenen voor een inclusievere programmering, maar die belofte werd nooit ingelost, en Dawsons symfonie werd nooit een repertoirestuk. Recent is het originele, meeslepende werk aan een opmars begonnen.
Voor een hedendaags publiek klinkt de titel Negro Folk Symphony problematisch, maar Dawson zelf associeerde het woord ‘negro’ met raciale trots en emancipatie. Hoorbaar geïnspireerd door Antonín Dvořák, die ‘negro melodies’ als fundament voor Amerikaanse klassieke muziek bestempelde, integreert Dawson spirituals in zijn symfonische taal. In zijn symfonie overdenkt hij bovendien op verschillende manieren het lot van de zwarte bevolking en de cultuur waarin hij zelf opgroeide. Gedurende zijn hele leven bleef hij aan zijn enige symfonie schaven. Daarbij was vooral een reis door West-Afrika in 1952/53 van grote invloed. Op basis van zijn indrukken aldaar maakte hij de lengte van muzikale frases flexibeler en voegde hij veel slagwerk toe, om de link met zijn Afrikaanse roots te versterken.
Die link speelt sowieso een grote rol in de symfonie. Het openingsmotief in de hoorns symboliseert voor Dawson de link met Afrika, die door de slavernij en gedwongen migratie naar Amerika werd afgebroken. In het verloop van de symfonie probeert Dawson die breuk te herstellen. Het eerste deel, ‘The Bond of Africa’, verklankt het verlangen naar het moedercontinent, terwijl het middendeel ‘Hope in the Night’ zowel het moeizame bestaan in Amerika als de hoop op betere tijden vertegenwoordigt. In het energieke slotdeel ‘O, Le’ Me Shine, Shine Like a Morning Star!’ wordt die belofte ingelost.
William Levi Dawson groeide op in Anniston, Alabama, waar hij getuige was van de segregatie en achterstelling van de zwarte bevolking. Zelf had hij het geluk dat hij als getalenteerde tiener werd toegelaten tot het Tuskegee Institute, een prestigieuze school voor zwarte studenten, waaraan hij het merendeel van zijn leven als docent verbonden zou blijven. Voordat hij rond zijn dertigste op het oude nest zou terugkeren, voltooide hij een masteropleiding compositie aan het prestigieuze American Conservatory of Music in Chicago. Hier ontstond zijn ambitie om een symfonie te schrijven. Als koordirigent leerde hij Leopold Stokowski kennen, die Dawsons symfonie in 1934 met The Philadelphia Orchestra in première bracht. Daarmee was Dawson de derde zwarte componist van wie een symfonie door een prominent Amerikaans orkest werd uitgevoerd, na William Grant Still (1931, Rochester Philharmonic) en Florence Price (1933, Chicago Symphony Orchestra). Deze uitvoeringen leken het pad te effenen voor een inclusievere programmering, maar die belofte werd nooit ingelost, en Dawsons symfonie werd nooit een repertoirestuk. Recent is het originele, meeslepende werk aan een opmars begonnen.
Voor een hedendaags publiek klinkt de titel Negro Folk Symphony problematisch, maar Dawson zelf associeerde het woord ‘negro’ met raciale trots en emancipatie. Hoorbaar geïnspireerd door Antonín Dvořák, die ‘negro melodies’ als fundament voor Amerikaanse klassieke muziek bestempelde, integreert Dawson spirituals in zijn symfonische taal. In zijn symfonie overdenkt hij bovendien op verschillende manieren het lot van de zwarte bevolking en de cultuur waarin hij zelf opgroeide. Gedurende zijn hele leven bleef hij aan zijn enige symfonie schaven. Daarbij was vooral een reis door West-Afrika in 1952/53 van grote invloed. Op basis van zijn indrukken aldaar maakte hij de lengte van muzikale frases flexibeler en voegde hij veel slagwerk toe, om de link met zijn Afrikaanse roots te versterken.
Die link speelt sowieso een grote rol in de symfonie. Het openingsmotief in de hoorns symboliseert voor Dawson de link met Afrika, die door de slavernij en gedwongen migratie naar Amerika werd afgebroken. In het verloop van de symfonie probeert Dawson die breuk te herstellen. Het eerste deel, ‘The Bond of Africa’, verklankt het verlangen naar het moedercontinent, terwijl het middendeel ‘Hope in the Night’ zowel het moeizame bestaan in Amerika als de hoop op betere tijden vertegenwoordigt. In het energieke slotdeel ‘O, Le’ Me Shine, Shine Like a Morning Star!’ wordt die belofte ingelost.
Toelichting
Binnen festival Mind the Gap! presenteert het Concertgebouworkest drie werken van zwarte componisten die opgroeiden in de Zuidelijke Staten van de VS. Daarnaast blikt het orkest samen met zanger Davóne Tines terug op een bijzonder gastoptreden van de zwarte bariton Jules Bledsoe onder leiding van Willem Mengelberg in 1937.
Binnen festival Mind the Gap! presenteert het Concertgebouworkest drie werken van zwarte componisten die opgroeiden in de Zuidelijke Staten van de VS. Daarnaast blikt het orkest samen met zanger Davóne Tines terug op een bijzonder gastoptreden van de zwarte bariton Jules Bledsoe onder leiding van Willem Mengelberg in 1937.
Brian Raphael Nabors (1991)
Pulse
Brian Raphael Nabors groeide op in Birmingham, Alabama. Zijn muziek is diep geworteld in de zwarte cultuur van de Zuidelijke Staten, maar Nabors verbindt die met compositietechnieken uit de hedendaagse muziek, waarbij hij het gebaar en de drive van filmmuziek niet schuwt. In Pulse onderzoekt hij natuurlijke ritmes die alle vormen van leven dicteren, waarbij hij gebruik maakt van repeterende motieven en technieken. Na enkele contrasterende ritmische episodes met een prominente rol voor het slagwerk, komt de muziek uiteindelijk tot rust in serene strijkersklanken; de mens hervindt het ritme van de wereld om hem heen.
Brian Raphael Nabors groeide op in Birmingham, Alabama. Zijn muziek is diep geworteld in de zwarte cultuur van de Zuidelijke Staten, maar Nabors verbindt die met compositietechnieken uit de hedendaagse muziek, waarbij hij het gebaar en de drive van filmmuziek niet schuwt. In Pulse onderzoekt hij natuurlijke ritmes die alle vormen van leven dicteren, waarbij hij gebruik maakt van repeterende motieven en technieken. Na enkele contrasterende ritmische episodes met een prominente rol voor het slagwerk, komt de muziek uiteindelijk tot rust in serene strijkersklanken; de mens hervindt het ritme van de wereld om hem heen.
Wynton Marsalis (1961)
Trompetconcert
Trompettist en componist Wynton Marsalis [in oktober 2021 ontvanger van de Concertgebouw Prijs, red.] is een van de meest veelzijdige en invloedrijke musici van onze tijd. Afkomstig uit New Orleans koestert hij de tradities uit de ontstaanstijd van de jazz, maar hij voerde met evenveel gemak het volledige klassieke trompetrepertoire uit. In zijn gecomponeerde muziek komen vele stijlen en genres samen. Dat geldt bij uitstek ook voor zijn Trompetconcert. Het stuk biedt een klinkende geschiedenis van het instrument, waarbij niet alleen verschillende stijlen, maar ook legendarische trompettisten uit het verleden de revue passeren.
Marsalis zet in zijn Trompetconcert meteen de toon door de solist een tetterende olifant te laten nabootsen. Daarmee benadrukt hij de ontregelende jokerrol van de trompet binnen het ensemble; een terugkerend thema in het werk. Vervolgens klinken overwegend gebroken akkoorden en fanfareritmes, waarmee de muziek naar het oorspronkelijke gebruik van de trompet als signaalinstrument lijkt te verwijzen. Na de pulserende fanfareklanken volgt een lyrische melodie van de solotrompet, die in het tweede deel verder wordt uitgewerkt tot een ballad in de stijl van Louis Armstrong. Het derde deel herneemt het hoofdthema van het eerste deel, vertaald naar de klankwereld van spaanstalig Amerika, vol bruisende dansritmes. In het vierde deel bereiken we de blues. Verderop in dit deel volgen koraalachtige klanken in het koper, die door de speelse bijdragen van de solist ontregeld worden, als een trompettist die tijdens de kerkdienst zijn eigen plan trekt. Het vijfde deel is een lyrische wals waarin de Franse twintigste-eeuwse trompettraditie – met virtuozen als Maurice André en Pierre Thibaud en componisten als Henri Tomasi en André Jolivet – gevierd wordt. In het zesde en laatste deel staat opnieuw de jokerrol van de trompet centraal. De trompet danst over het pulserende slagwerk, motieven uit eerdere delen keren terug, en een klezmer-rondedans zorgt voor een jiddische sfeer. In de slotmaten klinkt opnieuw de tetterende olifant van het begin, dit keer verklankt door het hele orkest, als een op hol geslagen kudde. De ontregelende solist heeft iedereen in zijn ban gekregen.
Trompettist en componist Wynton Marsalis [in oktober 2021 ontvanger van de Concertgebouw Prijs, red.] is een van de meest veelzijdige en invloedrijke musici van onze tijd. Afkomstig uit New Orleans koestert hij de tradities uit de ontstaanstijd van de jazz, maar hij voerde met evenveel gemak het volledige klassieke trompetrepertoire uit. In zijn gecomponeerde muziek komen vele stijlen en genres samen. Dat geldt bij uitstek ook voor zijn Trompetconcert. Het stuk biedt een klinkende geschiedenis van het instrument, waarbij niet alleen verschillende stijlen, maar ook legendarische trompettisten uit het verleden de revue passeren.
Marsalis zet in zijn Trompetconcert meteen de toon door de solist een tetterende olifant te laten nabootsen. Daarmee benadrukt hij de ontregelende jokerrol van de trompet binnen het ensemble; een terugkerend thema in het werk. Vervolgens klinken overwegend gebroken akkoorden en fanfareritmes, waarmee de muziek naar het oorspronkelijke gebruik van de trompet als signaalinstrument lijkt te verwijzen. Na de pulserende fanfareklanken volgt een lyrische melodie van de solotrompet, die in het tweede deel verder wordt uitgewerkt tot een ballad in de stijl van Louis Armstrong. Het derde deel herneemt het hoofdthema van het eerste deel, vertaald naar de klankwereld van spaanstalig Amerika, vol bruisende dansritmes. In het vierde deel bereiken we de blues. Verderop in dit deel volgen koraalachtige klanken in het koper, die door de speelse bijdragen van de solist ontregeld worden, als een trompettist die tijdens de kerkdienst zijn eigen plan trekt. Het vijfde deel is een lyrische wals waarin de Franse twintigste-eeuwse trompettraditie – met virtuozen als Maurice André en Pierre Thibaud en componisten als Henri Tomasi en André Jolivet – gevierd wordt. In het zesde en laatste deel staat opnieuw de jokerrol van de trompet centraal. De trompet danst over het pulserende slagwerk, motieven uit eerdere delen keren terug, en een klezmer-rondedans zorgt voor een jiddische sfeer. In de slotmaten klinkt opnieuw de tetterende olifant van het begin, dit keer verklankt door het hele orkest, als een op hol geslagen kudde. De ontregelende solist heeft iedereen in zijn ban gekregen.
I’m Troubled in Mind & Old Man River
In samenspraak met bas-bariton Davóne Tines maakte Thomas Beijer voor dit programma twee arrangementen. De spiritual I’m Troubled in Mind werd in 1937 door de zwarte bariton Jules Bledsoe gezongen bij het Concertgebouworkest onder Willem Mengelberg. In het melancholische lied wordt de Heer om steun gevraagd. Vervolgens klinkt de beroemde song Old Man River uit de musical Show Boat, waarvan Bledsoe in 1927 de wereldpremière zong. Show Boat was enerzijds een aanklacht tegen zwart onrecht, maar bevat ook racistische termen en stereotypen. Beijers arrangement bevat alternatieve regels, geïntroduceerd door de legendarische zwarte bas-bariton Paul Robeson, waardoor de nadruk verschuift van verslagenheid naar zwarte trots en onverzettelijkheid. De harmonische taal van het arrangement is geavanceerder dan het origineel. Daarmee wordt de duistere onderstroom van het stuk blootgelegd, en meer recht gedaan aan de problematische context waarin de musical ontstond.
In samenspraak met bas-bariton Davóne Tines maakte Thomas Beijer voor dit programma twee arrangementen. De spiritual I’m Troubled in Mind werd in 1937 door de zwarte bariton Jules Bledsoe gezongen bij het Concertgebouworkest onder Willem Mengelberg. In het melancholische lied wordt de Heer om steun gevraagd. Vervolgens klinkt de beroemde song Old Man River uit de musical Show Boat, waarvan Bledsoe in 1927 de wereldpremière zong. Show Boat was enerzijds een aanklacht tegen zwart onrecht, maar bevat ook racistische termen en stereotypen. Beijers arrangement bevat alternatieve regels, geïntroduceerd door de legendarische zwarte bas-bariton Paul Robeson, waardoor de nadruk verschuift van verslagenheid naar zwarte trots en onverzettelijkheid. De harmonische taal van het arrangement is geavanceerder dan het origineel. Daarmee wordt de duistere onderstroom van het stuk blootgelegd, en meer recht gedaan aan de problematische context waarin de musical ontstond.
William L. Dawson (1899-1990)
Negro Folk Symphony
William Levi Dawson groeide op in Anniston, Alabama, waar hij getuige was van de segregatie en achterstelling van de zwarte bevolking. Zelf had hij het geluk dat hij als getalenteerde tiener werd toegelaten tot het Tuskegee Institute, een prestigieuze school voor zwarte studenten, waaraan hij het merendeel van zijn leven als docent verbonden zou blijven. Voordat hij rond zijn dertigste op het oude nest zou terugkeren, voltooide hij een masteropleiding compositie aan het prestigieuze American Conservatory of Music in Chicago. Hier ontstond zijn ambitie om een symfonie te schrijven. Als koordirigent leerde hij Leopold Stokowski kennen, die Dawsons symfonie in 1934 met The Philadelphia Orchestra in première bracht. Daarmee was Dawson de derde zwarte componist van wie een symfonie door een prominent Amerikaans orkest werd uitgevoerd, na William Grant Still (1931, Rochester Philharmonic) en Florence Price (1933, Chicago Symphony Orchestra). Deze uitvoeringen leken het pad te effenen voor een inclusievere programmering, maar die belofte werd nooit ingelost, en Dawsons symfonie werd nooit een repertoirestuk. Recent is het originele, meeslepende werk aan een opmars begonnen.
Voor een hedendaags publiek klinkt de titel Negro Folk Symphony problematisch, maar Dawson zelf associeerde het woord ‘negro’ met raciale trots en emancipatie. Hoorbaar geïnspireerd door Antonín Dvořák, die ‘negro melodies’ als fundament voor Amerikaanse klassieke muziek bestempelde, integreert Dawson spirituals in zijn symfonische taal. In zijn symfonie overdenkt hij bovendien op verschillende manieren het lot van de zwarte bevolking en de cultuur waarin hij zelf opgroeide. Gedurende zijn hele leven bleef hij aan zijn enige symfonie schaven. Daarbij was vooral een reis door West-Afrika in 1952/53 van grote invloed. Op basis van zijn indrukken aldaar maakte hij de lengte van muzikale frases flexibeler en voegde hij veel slagwerk toe, om de link met zijn Afrikaanse roots te versterken.
Die link speelt sowieso een grote rol in de symfonie. Het openingsmotief in de hoorns symboliseert voor Dawson de link met Afrika, die door de slavernij en gedwongen migratie naar Amerika werd afgebroken. In het verloop van de symfonie probeert Dawson die breuk te herstellen. Het eerste deel, ‘The Bond of Africa’, verklankt het verlangen naar het moedercontinent, terwijl het middendeel ‘Hope in the Night’ zowel het moeizame bestaan in Amerika als de hoop op betere tijden vertegenwoordigt. In het energieke slotdeel ‘O, Le’ Me Shine, Shine Like a Morning Star!’ wordt die belofte ingelost.
William Levi Dawson groeide op in Anniston, Alabama, waar hij getuige was van de segregatie en achterstelling van de zwarte bevolking. Zelf had hij het geluk dat hij als getalenteerde tiener werd toegelaten tot het Tuskegee Institute, een prestigieuze school voor zwarte studenten, waaraan hij het merendeel van zijn leven als docent verbonden zou blijven. Voordat hij rond zijn dertigste op het oude nest zou terugkeren, voltooide hij een masteropleiding compositie aan het prestigieuze American Conservatory of Music in Chicago. Hier ontstond zijn ambitie om een symfonie te schrijven. Als koordirigent leerde hij Leopold Stokowski kennen, die Dawsons symfonie in 1934 met The Philadelphia Orchestra in première bracht. Daarmee was Dawson de derde zwarte componist van wie een symfonie door een prominent Amerikaans orkest werd uitgevoerd, na William Grant Still (1931, Rochester Philharmonic) en Florence Price (1933, Chicago Symphony Orchestra). Deze uitvoeringen leken het pad te effenen voor een inclusievere programmering, maar die belofte werd nooit ingelost, en Dawsons symfonie werd nooit een repertoirestuk. Recent is het originele, meeslepende werk aan een opmars begonnen.
Voor een hedendaags publiek klinkt de titel Negro Folk Symphony problematisch, maar Dawson zelf associeerde het woord ‘negro’ met raciale trots en emancipatie. Hoorbaar geïnspireerd door Antonín Dvořák, die ‘negro melodies’ als fundament voor Amerikaanse klassieke muziek bestempelde, integreert Dawson spirituals in zijn symfonische taal. In zijn symfonie overdenkt hij bovendien op verschillende manieren het lot van de zwarte bevolking en de cultuur waarin hij zelf opgroeide. Gedurende zijn hele leven bleef hij aan zijn enige symfonie schaven. Daarbij was vooral een reis door West-Afrika in 1952/53 van grote invloed. Op basis van zijn indrukken aldaar maakte hij de lengte van muzikale frases flexibeler en voegde hij veel slagwerk toe, om de link met zijn Afrikaanse roots te versterken.
Die link speelt sowieso een grote rol in de symfonie. Het openingsmotief in de hoorns symboliseert voor Dawson de link met Afrika, die door de slavernij en gedwongen migratie naar Amerika werd afgebroken. In het verloop van de symfonie probeert Dawson die breuk te herstellen. Het eerste deel, ‘The Bond of Africa’, verklankt het verlangen naar het moedercontinent, terwijl het middendeel ‘Hope in the Night’ zowel het moeizame bestaan in Amerika als de hoop op betere tijden vertegenwoordigt. In het energieke slotdeel ‘O, Le’ Me Shine, Shine Like a Morning Star!’ wordt die belofte ingelost.
Biografie
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande dirigenten en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende dirigenten zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest
Antony Hermus, dirigent
Antony Hermus is sinds 2022 chef-dirigent van het Belgisch Nationaal Orkest. Na zijn studie piano en orkestdirectie aan het Fontys-conservatorium in Tilburg werd Antony Hermus benoemd tot leider van de opera en het symfonieorkest van de Duitse stad Hagen. In 2009 werd hij Generalmusikdirektor van het Anhaltisches Theater in Dessau, waar hij bij zijn afscheid in 2015 Wagners operacyclus Der Ring des Nibelungen leidde.
Het Noord Nederlands Orkest, waarvan hij van 2015 tot maart 2024 vaste gastdirigent was, benoemde hem bij zijn afscheid tot eredirigent. Antony Hermus is sinds 2015 bovendien artistiek adviseur van het Nationaal Jeugd Orkest. Operaproducties leidde hij veelvuldig bij het Engelse Opera North, waar hij sinds 2018 vaste gastdirigent is, maar ook bij de Opéra national de Paris, de Nederlandse Reisopera, de Komische Oper Berlin en de operahuizen van Stuttgart en Göteborg.
Zijn brede repertoire bevat veel hedendaagse werken. Zo voerde hij het Pianoconcert van Unsuk Chin uit met het Filharmonisch Orkest van Helsinki en met het Swedish Radio Symphony Orchestra. Als gastdirigent stond Antony Hermus ook voor het BBC Philharmonic Orchestra, het Royal Philharmonic Orchestra, het Melbourne Symphony Orchestra, het Seoul Philharmonic Orchestra en de Bamberger Symphoniker.
Bij het Concertgebouworkest leidde hij in 2014 muziek van Prokofjev in het Kinderconcert Assepoester, en in december 2020 het Horizon-programma ‘Speel Nederlands met me’, met wereldpremières van Celia Swart en Bram Kortekaas naast werken van Louis Andriessen en Tristan Keuris.
Miro Petkov, trompet
Miro (Miroslav) Petkov is solotrompettist bij het Concertgebouworkest sinds 2016. Tijdens zijn jeugd in de Bulgaarse stad Varna kreeg hij belangstelling voor volksmuziek. De combinatie daarvan met verschillende genres, zoals jazz en hedendaagse muziek, geeft hem de vrijheid te spelen met uiteenlopende musici op podia over de hele wereld.
Miro Petkov begon op elfjarige leeftijd met trompetspelen en werd nauwelijks een maand later aangenomen bij de Nationale Kunstacademie Dobri Hristov. Aan de Hochschule für Musik in Detmold zette hij zijn studie voort bij Max Sommerhalder. Hij won prijzen op internationale concoursen als de ARD-Musikwettbewerb en de Yamaha International Trumpet Contest in Duitsland, de Jeju International Brass competition in Zuid-Korea en het concours Citta di Porcia in Italië.
Voordat Miro Petkov toetrad tot het Concertgebouworkest was hij solotrompettist bij het Nationaltheater Mannheim en speelde hij bij verschillende ensembles en orkesten, zoals het Ensemble Modern, het Gewandhausorchester Leipzig, de Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome en het NDR Elbphilharmonie Orchester in Hamburg. Bij het Concertgebouworkest soleerde hij in september 2020 zesmaal naast pianist Kirill Gerstein in het Concert voor piano, trompet en strijkorkest (‘Eerste pianoconcert’) van Sjostakovitsj onder leiding van Semyon Bychkov.
Davóne Tines, bas-bariton
De Amerikaan Davóne Tines brak internationaal door toen hij in 2016 bij De Nationale Opera zong in de wereldpremière van Kaija Saariaho’s Only the Sound Remains in de regie van Peter Sellars. Als zanger, maker en curator beweegt hij zich tussen opera, klassiek en modern liedrepertoire, spirituals, gospel en protestliederen.
Zo tourde de bas-bariton met zijn Recital No. 1: MASS, een onderzoek naar een gedeelde wereldliturgie met werken van Johann Sebastian Bach, Margaret Bonds, Moses Hogan, Julius Eastman, Caroline Shaw, Tyshawn Sorey en eigen werk. Davóne Tines bracht opera’s in première van John Adams, Terence Blanchard en Matthew Aucoin, maar soleerde ook in Beethovens Negende symfonie met de San Francisco Symphony en Saariaho’s True Fire met het Orchestre national de France.
Hij was als schrijver en hoofdrolspeler betrokken bij het muziektheaterproject The Black Clown, dat in het Lincoln Center in New York in première ging. Artist in residence was hij bij onder meer de Brooklyn Academy of the Arts en de Detroit Opera, waar hij in 2022 de titelrol vertolkte van Anthony Davis’ X: The Life and Times of Malcolm X.
Op zijn eerste studio-album ROBESON (2024) onderzoekt Davóne Tines zijn connectie met zijn legendarische voorganger Paul Robeson (1898-1976). Hij studeerde sociologie aan Harvard University en zang aan de Juilliard School in New York.