Waar komen de series van het Concertgebouworkest vandaan?
door Annelieke Tillema 08 mei 2026 08 mei 2026
Wie niet bekend is met de series van het Concertgebouworkest, zou vreemd op kunnen kijken van de letters waarmee ze worden aangeduid. Waar komen de letters A, B, D, E, Z of zelfs S vandaan? En hoe zit het met de letter C? Een duik in de geschiedenis van het seriealfabet.
‘De suppoosten hebben de deuren gesloten. En terwijl in de zaal de spanning stijgt wanneer de dirigent de hand heft voor de inzet van de Vierde Symfonie van Hendrik Andriessen, kijken de mensen van het bespreekbureau bij de ingang van het gebouw elkaar aan met een ontspannen gemoed; elke abonnee zit op zijn plaats.’ Zo begint een Volkskrant-artikel uit 1955 over de ‘grote vraag naar abonnementen’ van het Concertgebouworkest.
Al sinds de oprichting in 1888 kende het orkest ‘abonnementsconcerten’ op donderdagavond. Voor ƒ 30,- had een abonnee toegang tot alle concerten. Series zoals we die nu kennen waren er nog niet. In seizoen 1901/1902 werd voor het eerst melding gemaakt van de series A en B, die toen nog bestonden uit ‘buitengewone abonnementsconcerten’: concerten die bijzonder waren vanwege de komst van een solist.
In seizoen 1908/1909 was er sprake van een winter- en een zomerseizoen – waarbij de concerten in de zomer deels plaatshadden in de tuin van Het Concertgebouw. Het winterseizoen werd opgedeeld in een serie A van 45 concerten, twee series B op donderdagavond en een serie C op zondagmiddag van elk 10 concerten – de serie D gold als passe-partout voor alle 65 concerten.
De decennia daarop ging de serie-indeling regelmatig op de schop. In seizoen 1922/1923 werd het aantal abonnementsconcerten teruggebracht tot 40. Vijf jaar later maakten de concerten op zondagmiddag voor het eerst deel uit van de serie Z.
Maar in seizoen 1935/1936 kwam aan deze veranderingen een einde. Tot in de jaren 1990 zouden de abonnementsconcerten worden verdeeld over de serie B op donderdagavond en de series C en Z op zondagmiddag. De serie A was er voor de ruimst georiënteerde muziekliefhebber, die zo’n dertig concerten per seizoen bezocht.
‘De plattegrond wordt ijverig met blauwe kruisjes vol gestreept, tot er geen gaatje meer over is’
Op 10 oktober 1945 ging het eerste abonnementsseizoen na de Tweede Wereldoorlog van start. De belangstelling was zo groot dat was besloten om het B-concert op donderdagavond ook op woensdagavond uit te voeren. Het zou het begin zijn van de series B woensdag en B donderdag (toen nog de series B1 en B2, waarbij B1 stond voor de populaire serie op donderdagavond).
Het inschrijfseizoen
Hoe de verkoop in die tijd verliep? Dat wordt duidelijk uit het Volkskrant-artikel uit 1955. Op 15 maart was de jaarlijkse opening van het inschrijfseizoen. Aspirant-abonnees konden zich bij de kassa melden voor een serie, die ze vooruit moesten betalen. Voor de serie A van 29 concerten betaalden ze ƒ 84,-. De series B1 en B2 van elk 16 concerten kostten ƒ 60,-. De serie C van 5 concerten kostte ƒ 16,- en de serie Z van 8 concerten ƒ 22,-.
Als bewijs van betaling kreeg de abonnee een genummerde kwitantie. Een afschrift daarvan, met daarop de wensen van de abonnee, kwam terecht op een wachtlijst. Daarna was het aan de medewerkers van het bespreekbureau om de plaatsen toe te wijzen, waarbij ze rekening hielden met aandeelhouders, bestaande abonnees en nieuwe abonnees. ‘Een moeilijke taak voor het bespreekbureau, dat, met de plattegrond van de grote zaal voor zich, er maar uit moet zien te komen.’
Het aantal beschikbare plaatsen was afhankelijk van de omvang van het orkest – 2.500 bij een klein orkest, 2.350 bij een grotere bezetting. ‘Ook daar moet de administratie dus rekening mee houden en de plattegrond wordt ijverig met blauwe kruisjes vol gestreept, tot er werkelijk geen gaatje meer over is.’ De wachtenden voor wie geen stoel beschikbaar was, kregen hun geld terug. Volgend jaar beter...
‘De suppoosten hebben de deuren gesloten. En terwijl in de zaal de spanning stijgt wanneer de dirigent de hand heft voor de inzet van de Vierde Symfonie van Hendrik Andriessen, kijken de mensen van het bespreekbureau bij de ingang van het gebouw elkaar aan met een ontspannen gemoed; elke abonnee zit op zijn plaats.’ Zo begint een Volkskrant-artikel uit 1955 over de ‘grote vraag naar abonnementen’ van het Concertgebouworkest.
Al sinds de oprichting in 1888 kende het orkest ‘abonnementsconcerten’ op donderdagavond. Voor ƒ 30,- had een abonnee toegang tot alle concerten. Series zoals we die nu kennen waren er nog niet. In seizoen 1901/1902 werd voor het eerst melding gemaakt van de series A en B, die toen nog bestonden uit ‘buitengewone abonnementsconcerten’: concerten die bijzonder waren vanwege de komst van een solist.
In seizoen 1908/1909 was er sprake van een winter- en een zomerseizoen – waarbij de concerten in de zomer deels plaatshadden in de tuin van Het Concertgebouw. Het winterseizoen werd opgedeeld in een serie A van 45 concerten, twee series B op donderdagavond en een serie C op zondagmiddag van elk 10 concerten – de serie D gold als passe-partout voor alle 65 concerten.
De decennia daarop ging de serie-indeling regelmatig op de schop. In seizoen 1922/1923 werd het aantal abonnementsconcerten teruggebracht tot 40. Vijf jaar later maakten de concerten op zondagmiddag voor het eerst deel uit van de serie Z.
Maar in seizoen 1935/1936 kwam aan deze veranderingen een einde. Tot in de jaren 1990 zouden de abonnementsconcerten worden verdeeld over de serie B op donderdagavond en de series C en Z op zondagmiddag. De serie A was er voor de ruimst georiënteerde muziekliefhebber, die zo’n dertig concerten per seizoen bezocht.
‘De plattegrond wordt ijverig met blauwe kruisjes vol gestreept, tot er geen gaatje meer over is’
Op 10 oktober 1945 ging het eerste abonnementsseizoen na de Tweede Wereldoorlog van start. De belangstelling was zo groot dat was besloten om het B-concert op donderdagavond ook op woensdagavond uit te voeren. Het zou het begin zijn van de series B woensdag en B donderdag (toen nog de series B1 en B2, waarbij B1 stond voor de populaire serie op donderdagavond).
Het inschrijfseizoen
Hoe de verkoop in die tijd verliep? Dat wordt duidelijk uit het Volkskrant-artikel uit 1955. Op 15 maart was de jaarlijkse opening van het inschrijfseizoen. Aspirant-abonnees konden zich bij de kassa melden voor een serie, die ze vooruit moesten betalen. Voor de serie A van 29 concerten betaalden ze ƒ 84,-. De series B1 en B2 van elk 16 concerten kostten ƒ 60,-. De serie C van 5 concerten kostte ƒ 16,- en de serie Z van 8 concerten ƒ 22,-.
Als bewijs van betaling kreeg de abonnee een genummerde kwitantie. Een afschrift daarvan, met daarop de wensen van de abonnee, kwam terecht op een wachtlijst. Daarna was het aan de medewerkers van het bespreekbureau om de plaatsen toe te wijzen, waarbij ze rekening hielden met aandeelhouders, bestaande abonnees en nieuwe abonnees. ‘Een moeilijke taak voor het bespreekbureau, dat, met de plattegrond van de grote zaal voor zich, er maar uit moet zien te komen.’
Het aantal beschikbare plaatsen was afhankelijk van de omvang van het orkest – 2.500 bij een klein orkest, 2.350 bij een grotere bezetting. ‘Ook daar moet de administratie dus rekening mee houden en de plattegrond wordt ijverig met blauwe kruisjes vol gestreept, tot er werkelijk geen gaatje meer over is.’ De wachtenden voor wie geen stoel beschikbaar was, kregen hun geld terug. Volgend jaar beter...
‘De Serie C, wat doen we ermee?’
Begin jaren 1960 zocht het Concertgebouworkest naar manieren om het repertoire te verbreden. Zo leidde componist/dirigent Pierre Boulez in 1965 een experimenteel concert met werken van Peter Schat, Jan van Vlijmen en Anton Webern. In de pauze konden bezoekers via een stembiljet aangeven welk werk ze nog eens wilden horen. Die opzet was zo succesvol dat in seizoen 1965/1966 drie vergelijkbare concerten werden geprogrammeerd – in de serie ‘Actuele muziek’.
Tot dan toe was het gebruikelijk dat in concertprogramma’s hedendaagse muziek werd gecombineerd met het zogenoemde standaardrepertoire. Maar in seizoen 1966/1967 werd de serie C voor het eerst volledig gewijd aan twintigste-eeuwse muziek. Bovendien werden twee series toegevoegd: de serie E met ‘Nieuwste muziek voor doorgaans bijzondere bezetting’ en de serie V met ‘Vokale muziek’. Beide series kwamen al snel te vervallen.
Het orkest verruilde ‘de C van chagrijn’ voor ‘de P van plezier’
De serie C bleef bestaan en zou in de decennia erop nog regelmatig van gedaante veranderen – van een serie die barok- en avant-gardemuziek combineerde tot een waarin volgens de ‘Picasso-formule’ een breed palet aan twintigste-eeuwse muziek werd gespeeld. Een tijdlang werd een deel van de concerten in de serie C uitgevoerd door andere, gespecialiseerde ensembles.
Zoals Erik Voermans in 1990 opmerkte in Het Parool: ‘En de duizend gulden-vraag luidt: de Serie C, wat doen we ermee?’ Het orkest tastte daarover volgens hem in het duister. ‘Ontzettend jammer, want in theorie zijn de mogelijkheden van die C-serie namelijk zeer groot. Zo groot als de immer uitdijende berg aan partituren van niet al te oude makelij die zelden of nooit op de lessenaar van een dirigent verschijnen, om precies te zijn.’
In 1994 verdween de serie uit de programmering. Een premièreserie kwam ervoor in de plaats, met in ieder programma een wereldpremière of een eerste uitvoering in Nederland. Het orkest verruilde ‘de C van chagrijn’ voor ‘de P van plezier’, aldus Voermans. Een andere aanvulling was de serie T, van Thema.
Oude bekenden en nieuwe toevoegingen
De serie D, aanvankelijk een passe-partout, werd in seizoen 1986/1987 opnieuw geïntroduceerd. Ditmaal als hoogtepuntenserie, waarin een aantal concerten uit de altijd uitverkochte series B en Z werd herhaald voor een breder publiek. Twee jaar later kwam ook de E terug in het seriealfabet – een serie concerten op vrijdagavond gedirigeerd door de grootste dirigenten van dat moment.
In seizoen 1998/1999 werden de series P en T samengevoegd tot de serie A, opnieuw een oude bekende in het seriealfabet, waarin het orkest nieuwe en twintigste-eeuwse muziek uitvoerde. De serie werd een aantal jaar verdubbeld met de thematische series AAA en later Horizon, waarin het orkest samenwerkte met andere culturele instellingen.
De laatste toevoeging? Dat was de serie Essentials (ook wel: S) in seizoen 2014/2015, een serie van drie tot zes compacte concerten waarin een essentieel meesterwerk centraal staat. Deze avonden, gericht op een publiek dat minder bekend is met symfonische muziek, beginnen met een ‘TOM Talk’ door de Vlaamse presentator Thomas Vanderveken. Na afloop is er een borrel in de Spiegelzaal.
En nu?
125 jaar na de introductie van de eerste series vormen de series A, B, D, E, S en Z de kern van de programmering van het Concertgebouworkest. Hedendaagse muziek klinkt net als vroeger naast het klassieke repertoire in de series B, E en Z. De serie A bevat drie avontuurlijke concerten met altijd een Nederlandse of wereldpremière, de serie D een selectie hoogtepunten uit de symfonische muziek. En Essentials bereikt ieder jaar weer nieuw publiek.
Het bespreekbureau werkt niet langer met blauwe kruisjes op de plattegrond – het gros van de abonnementhouders bestelt zijn series inmiddels online. Maar nog altijd spannen de medewerkers zich in om eenieder te helpen aan de gewenste stoel. En kijken ze in september tevreden toe: elke abonnee zit op zijn plaats.
Lees ook: de lange geschiedenis van de serie B.
‘De Serie C, wat doen we ermee?’
Begin jaren 1960 zocht het Concertgebouworkest naar manieren om het repertoire te verbreden. Zo leidde componist/dirigent Pierre Boulez in 1965 een experimenteel concert met werken van Peter Schat, Jan van Vlijmen en Anton Webern. In de pauze konden bezoekers via een stembiljet aangeven welk werk ze nog eens wilden horen. Die opzet was zo succesvol dat in seizoen 1965/1966 drie vergelijkbare concerten werden geprogrammeerd – in de serie ‘Actuele muziek’.
Tot dan toe was het gebruikelijk dat in concertprogramma’s hedendaagse muziek werd gecombineerd met het zogenoemde standaardrepertoire. Maar in seizoen 1966/1967 werd de serie C voor het eerst volledig gewijd aan twintigste-eeuwse muziek. Bovendien werden twee series toegevoegd: de serie E met ‘Nieuwste muziek voor doorgaans bijzondere bezetting’ en de serie V met ‘Vokale muziek’. Beide series kwamen al snel te vervallen.
Het orkest verruilde ‘de C van chagrijn’ voor ‘de P van plezier’
De serie C bleef bestaan en zou in de decennia erop nog regelmatig van gedaante veranderen – van een serie die barok- en avant-gardemuziek combineerde tot een waarin volgens de ‘Picasso-formule’ een breed palet aan twintigste-eeuwse muziek werd gespeeld. Een tijdlang werd een deel van de concerten in de serie C uitgevoerd door andere, gespecialiseerde ensembles.
Zoals Erik Voermans in 1990 opmerkte in Het Parool: ‘En de duizend gulden-vraag luidt: de Serie C, wat doen we ermee?’ Het orkest tastte daarover volgens hem in het duister. ‘Ontzettend jammer, want in theorie zijn de mogelijkheden van die C-serie namelijk zeer groot. Zo groot als de immer uitdijende berg aan partituren van niet al te oude makelij die zelden of nooit op de lessenaar van een dirigent verschijnen, om precies te zijn.’
In 1994 verdween de serie uit de programmering. Een premièreserie kwam ervoor in de plaats, met in ieder programma een wereldpremière of een eerste uitvoering in Nederland. Het orkest verruilde ‘de C van chagrijn’ voor ‘de P van plezier’, aldus Voermans. Een andere aanvulling was de serie T, van Thema.
Oude bekenden en nieuwe toevoegingen
De serie D, aanvankelijk een passe-partout, werd in seizoen 1986/1987 opnieuw geïntroduceerd. Ditmaal als hoogtepuntenserie, waarin een aantal concerten uit de altijd uitverkochte series B en Z werd herhaald voor een breder publiek. Twee jaar later kwam ook de E terug in het seriealfabet – een serie concerten op vrijdagavond gedirigeerd door de grootste dirigenten van dat moment.
In seizoen 1998/1999 werden de series P en T samengevoegd tot de serie A, opnieuw een oude bekende in het seriealfabet, waarin het orkest nieuwe en twintigste-eeuwse muziek uitvoerde. De serie werd een aantal jaar verdubbeld met de thematische series AAA en later Horizon, waarin het orkest samenwerkte met andere culturele instellingen.
De laatste toevoeging? Dat was de serie Essentials (ook wel: S) in seizoen 2014/2015, een serie van drie tot zes compacte concerten waarin een essentieel meesterwerk centraal staat. Deze avonden, gericht op een publiek dat minder bekend is met symfonische muziek, beginnen met een ‘TOM Talk’ door de Vlaamse presentator Thomas Vanderveken. Na afloop is er een borrel in de Spiegelzaal.
En nu?
125 jaar na de introductie van de eerste series vormen de series A, B, D, E, S en Z de kern van de programmering van het Concertgebouworkest. Hedendaagse muziek klinkt net als vroeger naast het klassieke repertoire in de series B, E en Z. De serie A bevat drie avontuurlijke concerten met altijd een Nederlandse of wereldpremière, de serie D een selectie hoogtepunten uit de symfonische muziek. En Essentials bereikt ieder jaar weer nieuw publiek.
Het bespreekbureau werkt niet langer met blauwe kruisjes op de plattegrond – het gros van de abonnementhouders bestelt zijn series inmiddels online. Maar nog altijd spannen de medewerkers zich in om eenieder te helpen aan de gewenste stoel. En kijken ze in september tevreden toe: elke abonnee zit op zijn plaats.
Lees ook: de lange geschiedenis van de serie B.