Festival Mind the Gap! Coleridge-Taylor en Price door Chineke! Orchestra
Grote Zaal 16 juni 2026 20.15 uur
Chineke! Orchestra
Joseph Young dirigent
Njioma Chinyere Grevious viool
Dit concert maakt deel uit van het festival Mind the Gap!
Ook interessant:
- Vergeten pioniers: de herontdekking van zwarte componisten
- Het Chineke! Orchestra: een missie van inclusie
Carlos Simon (1986)
Four Black American Dances (2023)
voor orkest
Ring Shout
Waltz
Tap!
Holy Dance
Samuel Coleridge-Taylor (1875-1912)
Vioolconcert in g kl.t., op. 80 (1911)
Allegro maestoso – Vivace – Allegro molto
Andante semplice – Andantino
Allegro molto – Moderato
pauze ± 21.10 uur
Florence Price (1887-1953)
Symfonie nr. 1 in e kl.t. (1931)
Allegro ma non troppo
Largo, maestoso
Juba Dance
Finale
einde ± 22.15 uur
Chineke! Orchestra
Joseph Young dirigent
Njioma Chinyere Grevious viool
Dit concert maakt deel uit van het festival Mind the Gap!
Ook interessant:
- Vergeten pioniers: de herontdekking van zwarte componisten
- Het Chineke! Orchestra: een missie van inclusie
Carlos Simon (1986)
Four Black American Dances (2023)
voor orkest
Ring Shout
Waltz
Tap!
Holy Dance
Samuel Coleridge-Taylor (1875-1912)
Vioolconcert in g kl.t., op. 80 (1911)
Allegro maestoso – Vivace – Allegro molto
Andante semplice – Andantino
Allegro molto – Moderato
pauze ± 21.10 uur
Florence Price (1887-1953)
Symfonie nr. 1 in e kl.t. (1931)
Allegro ma non troppo
Largo, maestoso
Juba Dance
Finale
einde ± 22.15 uur
Toelichting
Carlos Simon (1986)
Four Black American Dances
Carlos Simon, in het komende concertseizoen composer in residence bij Het Concertgebouw, stamt uit een lange lijn van Afro-Amerikaanse predikanten en groeide op met gospelmuziek. Zijn vader had graag gezien dat hij die traditie voortzette, maar Simon koos het podium als kansel, zijn boodschap zit in zijn muziek. In 2024 componeerde hij met Gospel Mass een nieuw multimediaperspectief op de aloude liturgie van de heilige mis, als hommage aan de veerkracht van de zwarte gemeenschap. In de opwindende Four Black American Dances vertelt Simon het verhaal van de rijke traditie van dans als Afro-Amerikaans sociaal fenomeen. De feestelijke Ring Shout werd gedanst door tot slaaf gemaakte Afrikanen, waarbij ze in een kring zijwaarts bewogen en stampten en klapten. Waltz herinnert aan het debutantenbal, ook bij zwarte Amerikanen populair in de jaren 1930, ten tijde van de Harlem en Chicago Renaissance. Oorspronkelijk presenteerden alleen rijke witte families hun dochters op zo’n bal om een goede huwelijkspartner te vinden. Voor zwarte Amerikanen waren deze bijeenkomsten niet toegankelijk. Tapdans is in Amerika ontstaan uit een combinatie van Afrikaanse en Ierse dansen. Simons derde dans, Tap!, imiteert het tappen met de voeten door met stokken op de metalen rand van de snaredrum te slaan. Holy Dance verwijst ten slotte naar de uitbundige lofprijzing in veel Afro-Amerikaanse protestantse kerkdiensten. Bij de uithaal van de trombones zie je in gedachten de handen van de ‘worshippers’ de lucht in gaan.
Carlos Simon, in het komende concertseizoen composer in residence bij Het Concertgebouw, stamt uit een lange lijn van Afro-Amerikaanse predikanten en groeide op met gospelmuziek. Zijn vader had graag gezien dat hij die traditie voortzette, maar Simon koos het podium als kansel, zijn boodschap zit in zijn muziek. In 2024 componeerde hij met Gospel Mass een nieuw multimediaperspectief op de aloude liturgie van de heilige mis, als hommage aan de veerkracht van de zwarte gemeenschap. In de opwindende Four Black American Dances vertelt Simon het verhaal van de rijke traditie van dans als Afro-Amerikaans sociaal fenomeen. De feestelijke Ring Shout werd gedanst door tot slaaf gemaakte Afrikanen, waarbij ze in een kring zijwaarts bewogen en stampten en klapten. Waltz herinnert aan het debutantenbal, ook bij zwarte Amerikanen populair in de jaren 1930, ten tijde van de Harlem en Chicago Renaissance. Oorspronkelijk presenteerden alleen rijke witte families hun dochters op zo’n bal om een goede huwelijkspartner te vinden. Voor zwarte Amerikanen waren deze bijeenkomsten niet toegankelijk. Tapdans is in Amerika ontstaan uit een combinatie van Afrikaanse en Ierse dansen. Simons derde dans, Tap!, imiteert het tappen met de voeten door met stokken op de metalen rand van de snaredrum te slaan. Holy Dance verwijst ten slotte naar de uitbundige lofprijzing in veel Afro-Amerikaanse protestantse kerkdiensten. Bij de uithaal van de trombones zie je in gedachten de handen van de ‘worshippers’ de lucht in gaan.
Samuel Coleridge-Taylor (1875-1912)
Vioolconcert
Tijdens het historische concert op de Wereldtentoonstelling in Chicago in 1933, waarbij onder meer de Eerste symfonie van Florence Price de aandacht trok, zong de Afro-Amerikaanse tenor Roland Hayes twee liederen van Samuel Coleridge-Taylor. Deze Britse componist met een (afwezige) vader uit Sierra Leone groeide op in Croydon nabij Londen en kreeg op jonge leeftijd vioollessen van de dirigent van het plaatselijk amateurorkest. Op vijftienjarige leeftijd werd hij aangenomen op het Royal College of Music, waar hij vervolgens overstapte van hoofdvak viool naar compositie en leerling werd van Charles Villiers Stanford. Om zijn studie te kunnen bekostigen, gaf Coleridge-Taylor vioolles en dirigeerde hij een strijkorkest. Ook componeerde hij in allerlei genres en verkocht hij zijn muziek aan uitgeverij Novello. Er bleef maar weinig tijd over om werk voor de concertzaal te componeren, maar zijn talent bleef niet onopgemerkt. Edward Elgar sloeg in 1898 een compositieopdracht van het Three Choirs Festival in Gloucester af en schreef een warme aanbevelingsbrief om Coleridge-Taylor in zijn plaats de opdracht te geven. Coleridge-Taylors Ballade voor orkest voor het Three Choirs Festival werd een groot succes, maar kon niet tippen aan de populariteit van zijn cantate Hiawatha’s Feast, een jaar later in première gebracht door koor en orkest van het Royal College of Music gedirigeerd door Stanford. Via uitgeverij Novello raakte de muziek ook bekend in de Verenigde Staten, waar Coleridge-Taylor een held werd van Afro-Amerikaanse musici.
Bij een van zijn bezoeken aan Amerika werd de componist uitgenodigd door de steenrijke Duitse migrantenzoon Carl Stoeckel om een vioolconcert te componeren. Tijdens zijn verblijf bij de Stoeckels in 1910 hoorde Coleridge-Taylor de vrouw des huizes de spiritual Keep Me from Sinking Down op de piano spelen en zijn mecenas stelde voor deze melodie te gebruiken als thema voor het vioolconcert. Coleridge-Taylor waagde een poging, hij wilde graag in navolging van Antonín Dvořák Afro-Amerikaanse muziek een plek geven in de klassieke muziek. Niet tevreden met het resultaat besloot hij uiteindelijk toch eigen melodieën te gebruiken. Het op en top romantische Vioolconcert ging in de vroege zomer van 1912 in première tijdens het Norfolk Festival, Connecticut, met de Amerikaanse Maud Powell als solist. De componist kon niet bij de première aanwezig zijn, maar zijn portret hing levensgroot boven het podium. Vervolgens dirigeerde Henry Wood het vioolconcert later dat jaar tijdens een van de Proms in Londen. Coleridge-Taylor was er opnieuw niet bij. Enkele weken voor het concert stierf hij op 37-jarige leeftijd aan een longontsteking.
Tijdens het historische concert op de Wereldtentoonstelling in Chicago in 1933, waarbij onder meer de Eerste symfonie van Florence Price de aandacht trok, zong de Afro-Amerikaanse tenor Roland Hayes twee liederen van Samuel Coleridge-Taylor. Deze Britse componist met een (afwezige) vader uit Sierra Leone groeide op in Croydon nabij Londen en kreeg op jonge leeftijd vioollessen van de dirigent van het plaatselijk amateurorkest. Op vijftienjarige leeftijd werd hij aangenomen op het Royal College of Music, waar hij vervolgens overstapte van hoofdvak viool naar compositie en leerling werd van Charles Villiers Stanford. Om zijn studie te kunnen bekostigen, gaf Coleridge-Taylor vioolles en dirigeerde hij een strijkorkest. Ook componeerde hij in allerlei genres en verkocht hij zijn muziek aan uitgeverij Novello. Er bleef maar weinig tijd over om werk voor de concertzaal te componeren, maar zijn talent bleef niet onopgemerkt. Edward Elgar sloeg in 1898 een compositieopdracht van het Three Choirs Festival in Gloucester af en schreef een warme aanbevelingsbrief om Coleridge-Taylor in zijn plaats de opdracht te geven. Coleridge-Taylors Ballade voor orkest voor het Three Choirs Festival werd een groot succes, maar kon niet tippen aan de populariteit van zijn cantate Hiawatha’s Feast, een jaar later in première gebracht door koor en orkest van het Royal College of Music gedirigeerd door Stanford. Via uitgeverij Novello raakte de muziek ook bekend in de Verenigde Staten, waar Coleridge-Taylor een held werd van Afro-Amerikaanse musici.
Bij een van zijn bezoeken aan Amerika werd de componist uitgenodigd door de steenrijke Duitse migrantenzoon Carl Stoeckel om een vioolconcert te componeren. Tijdens zijn verblijf bij de Stoeckels in 1910 hoorde Coleridge-Taylor de vrouw des huizes de spiritual Keep Me from Sinking Down op de piano spelen en zijn mecenas stelde voor deze melodie te gebruiken als thema voor het vioolconcert. Coleridge-Taylor waagde een poging, hij wilde graag in navolging van Antonín Dvořák Afro-Amerikaanse muziek een plek geven in de klassieke muziek. Niet tevreden met het resultaat besloot hij uiteindelijk toch eigen melodieën te gebruiken. Het op en top romantische Vioolconcert ging in de vroege zomer van 1912 in première tijdens het Norfolk Festival, Connecticut, met de Amerikaanse Maud Powell als solist. De componist kon niet bij de première aanwezig zijn, maar zijn portret hing levensgroot boven het podium. Vervolgens dirigeerde Henry Wood het vioolconcert later dat jaar tijdens een van de Proms in Londen. Coleridge-Taylor was er opnieuw niet bij. Enkele weken voor het concert stierf hij op 37-jarige leeftijd aan een longontsteking.
Florence Price (1887-1953)
Eerste symfonie
Het is niet vreemd als u bij de eerste klanken van Florence Price’ Eerste symfonie aan Antonín Dvořák denkt. De Tsjechische componist had met zijn Negende symfonie ‘Uit de Nieuwe Wereld’ in 1893 de weg gewezen naar een integratie van Afro-Amerikaanse muziek en de westerse klassieke traditie. Price begon tien jaar later haar muziekstudie aan het New England Conservatory in Boston en bestudeerde Dvořáks werk grondig. In Chicago vervolgde ze haar studie terwijl ze in allerlei genres componeerde om haar gezin te onderhouden. Tegelijk probeerde ze naam te maken in muziek voor de concertzaal en begon ze in 1931 aan haar Eerste symfonie. Tussen de bedrijven door werkte ze er twee jaar aan. Toen ze een advertentie zag voor de Rodman Wanamaker-prijs voor zwarte componisten besloot ze haar symfonie in te zenden, samen met nog drie andere werken in andere categorieën. Het werd een doorslaand succes voor Price: zowel haar symfonie als haar pianosonate wonnen de eerste prijs, waarmee ze driekwart van het prijzengeld binnensleepte. De prijs trok bovendien de aandacht van de muzikaal adviseur van de Wereldtentoonstelling in Chicago, die haar symfonie tijdens een historisch concert met de titel ‘Eeuw van de vooruitgang’ in première bracht. De enorme zaal was tot de nok gevuld met liefhebbers – ook George Gershwin werd gespot – en alle kranten schreven juichende recensies. Afro-Amerikaanse recensenten jubelden vooral over de doorbraak: een programma met muziek van zwarte componisten, uitgevoerd door zwarte solisten en een volledig wit orkest en dito dirigent. De witte pers, voor wie de achterstelling van zwarte musici geen punt van aandacht was, vond de muziek weliswaar niet heel vernieuwend, maar zeer de moeite waard, met een overvloed aan kleur en sfeer.
Net als Dvořák schreef Price haar symfonie in e klein. Het tweede deel is een hymne waarbij net als in een kerkdienst de samenzang (koperblazers) afgewisseld wordt met de voorzanger (houtblazers). Het derde deel, Juba Dance, is net als Simons Tap! schatplichtig aan de Afrikaanse juba-dans, waarbij op syncopische ritmes in ingewikkelde patronen geklapt, getapt en op de dijen geslagen wordt. Price was de eerste componist die de juba in een orkestwerk gebruikte. Daarvoor voegde ze aan de traditionele romantische orkestbezetting enkele opvallende instrumenten toe: Afrikaanse trommels en een schuiffluit. Voor Price was muziek die naar haar wortels verwees ondenkbaar zonder spiritualiteit en het ritme van de juba.
Het is niet vreemd als u bij de eerste klanken van Florence Price’ Eerste symfonie aan Antonín Dvořák denkt. De Tsjechische componist had met zijn Negende symfonie ‘Uit de Nieuwe Wereld’ in 1893 de weg gewezen naar een integratie van Afro-Amerikaanse muziek en de westerse klassieke traditie. Price begon tien jaar later haar muziekstudie aan het New England Conservatory in Boston en bestudeerde Dvořáks werk grondig. In Chicago vervolgde ze haar studie terwijl ze in allerlei genres componeerde om haar gezin te onderhouden. Tegelijk probeerde ze naam te maken in muziek voor de concertzaal en begon ze in 1931 aan haar Eerste symfonie. Tussen de bedrijven door werkte ze er twee jaar aan. Toen ze een advertentie zag voor de Rodman Wanamaker-prijs voor zwarte componisten besloot ze haar symfonie in te zenden, samen met nog drie andere werken in andere categorieën. Het werd een doorslaand succes voor Price: zowel haar symfonie als haar pianosonate wonnen de eerste prijs, waarmee ze driekwart van het prijzengeld binnensleepte. De prijs trok bovendien de aandacht van de muzikaal adviseur van de Wereldtentoonstelling in Chicago, die haar symfonie tijdens een historisch concert met de titel ‘Eeuw van de vooruitgang’ in première bracht. De enorme zaal was tot de nok gevuld met liefhebbers – ook George Gershwin werd gespot – en alle kranten schreven juichende recensies. Afro-Amerikaanse recensenten jubelden vooral over de doorbraak: een programma met muziek van zwarte componisten, uitgevoerd door zwarte solisten en een volledig wit orkest en dito dirigent. De witte pers, voor wie de achterstelling van zwarte musici geen punt van aandacht was, vond de muziek weliswaar niet heel vernieuwend, maar zeer de moeite waard, met een overvloed aan kleur en sfeer.
Net als Dvořák schreef Price haar symfonie in e klein. Het tweede deel is een hymne waarbij net als in een kerkdienst de samenzang (koperblazers) afgewisseld wordt met de voorzanger (houtblazers). Het derde deel, Juba Dance, is net als Simons Tap! schatplichtig aan de Afrikaanse juba-dans, waarbij op syncopische ritmes in ingewikkelde patronen geklapt, getapt en op de dijen geslagen wordt. Price was de eerste componist die de juba in een orkestwerk gebruikte. Daarvoor voegde ze aan de traditionele romantische orkestbezetting enkele opvallende instrumenten toe: Afrikaanse trommels en een schuiffluit. Voor Price was muziek die naar haar wortels verwees ondenkbaar zonder spiritualiteit en het ritme van de juba.
Carlos Simon (1986)
Four Black American Dances
Carlos Simon, in het komende concertseizoen composer in residence bij Het Concertgebouw, stamt uit een lange lijn van Afro-Amerikaanse predikanten en groeide op met gospelmuziek. Zijn vader had graag gezien dat hij die traditie voortzette, maar Simon koos het podium als kansel, zijn boodschap zit in zijn muziek. In 2024 componeerde hij met Gospel Mass een nieuw multimediaperspectief op de aloude liturgie van de heilige mis, als hommage aan de veerkracht van de zwarte gemeenschap. In de opwindende Four Black American Dances vertelt Simon het verhaal van de rijke traditie van dans als Afro-Amerikaans sociaal fenomeen. De feestelijke Ring Shout werd gedanst door tot slaaf gemaakte Afrikanen, waarbij ze in een kring zijwaarts bewogen en stampten en klapten. Waltz herinnert aan het debutantenbal, ook bij zwarte Amerikanen populair in de jaren 1930, ten tijde van de Harlem en Chicago Renaissance. Oorspronkelijk presenteerden alleen rijke witte families hun dochters op zo’n bal om een goede huwelijkspartner te vinden. Voor zwarte Amerikanen waren deze bijeenkomsten niet toegankelijk. Tapdans is in Amerika ontstaan uit een combinatie van Afrikaanse en Ierse dansen. Simons derde dans, Tap!, imiteert het tappen met de voeten door met stokken op de metalen rand van de snaredrum te slaan. Holy Dance verwijst ten slotte naar de uitbundige lofprijzing in veel Afro-Amerikaanse protestantse kerkdiensten. Bij de uithaal van de trombones zie je in gedachten de handen van de ‘worshippers’ de lucht in gaan.
Carlos Simon, in het komende concertseizoen composer in residence bij Het Concertgebouw, stamt uit een lange lijn van Afro-Amerikaanse predikanten en groeide op met gospelmuziek. Zijn vader had graag gezien dat hij die traditie voortzette, maar Simon koos het podium als kansel, zijn boodschap zit in zijn muziek. In 2024 componeerde hij met Gospel Mass een nieuw multimediaperspectief op de aloude liturgie van de heilige mis, als hommage aan de veerkracht van de zwarte gemeenschap. In de opwindende Four Black American Dances vertelt Simon het verhaal van de rijke traditie van dans als Afro-Amerikaans sociaal fenomeen. De feestelijke Ring Shout werd gedanst door tot slaaf gemaakte Afrikanen, waarbij ze in een kring zijwaarts bewogen en stampten en klapten. Waltz herinnert aan het debutantenbal, ook bij zwarte Amerikanen populair in de jaren 1930, ten tijde van de Harlem en Chicago Renaissance. Oorspronkelijk presenteerden alleen rijke witte families hun dochters op zo’n bal om een goede huwelijkspartner te vinden. Voor zwarte Amerikanen waren deze bijeenkomsten niet toegankelijk. Tapdans is in Amerika ontstaan uit een combinatie van Afrikaanse en Ierse dansen. Simons derde dans, Tap!, imiteert het tappen met de voeten door met stokken op de metalen rand van de snaredrum te slaan. Holy Dance verwijst ten slotte naar de uitbundige lofprijzing in veel Afro-Amerikaanse protestantse kerkdiensten. Bij de uithaal van de trombones zie je in gedachten de handen van de ‘worshippers’ de lucht in gaan.
Samuel Coleridge-Taylor (1875-1912)
Vioolconcert
Tijdens het historische concert op de Wereldtentoonstelling in Chicago in 1933, waarbij onder meer de Eerste symfonie van Florence Price de aandacht trok, zong de Afro-Amerikaanse tenor Roland Hayes twee liederen van Samuel Coleridge-Taylor. Deze Britse componist met een (afwezige) vader uit Sierra Leone groeide op in Croydon nabij Londen en kreeg op jonge leeftijd vioollessen van de dirigent van het plaatselijk amateurorkest. Op vijftienjarige leeftijd werd hij aangenomen op het Royal College of Music, waar hij vervolgens overstapte van hoofdvak viool naar compositie en leerling werd van Charles Villiers Stanford. Om zijn studie te kunnen bekostigen, gaf Coleridge-Taylor vioolles en dirigeerde hij een strijkorkest. Ook componeerde hij in allerlei genres en verkocht hij zijn muziek aan uitgeverij Novello. Er bleef maar weinig tijd over om werk voor de concertzaal te componeren, maar zijn talent bleef niet onopgemerkt. Edward Elgar sloeg in 1898 een compositieopdracht van het Three Choirs Festival in Gloucester af en schreef een warme aanbevelingsbrief om Coleridge-Taylor in zijn plaats de opdracht te geven. Coleridge-Taylors Ballade voor orkest voor het Three Choirs Festival werd een groot succes, maar kon niet tippen aan de populariteit van zijn cantate Hiawatha’s Feast, een jaar later in première gebracht door koor en orkest van het Royal College of Music gedirigeerd door Stanford. Via uitgeverij Novello raakte de muziek ook bekend in de Verenigde Staten, waar Coleridge-Taylor een held werd van Afro-Amerikaanse musici.
Bij een van zijn bezoeken aan Amerika werd de componist uitgenodigd door de steenrijke Duitse migrantenzoon Carl Stoeckel om een vioolconcert te componeren. Tijdens zijn verblijf bij de Stoeckels in 1910 hoorde Coleridge-Taylor de vrouw des huizes de spiritual Keep Me from Sinking Down op de piano spelen en zijn mecenas stelde voor deze melodie te gebruiken als thema voor het vioolconcert. Coleridge-Taylor waagde een poging, hij wilde graag in navolging van Antonín Dvořák Afro-Amerikaanse muziek een plek geven in de klassieke muziek. Niet tevreden met het resultaat besloot hij uiteindelijk toch eigen melodieën te gebruiken. Het op en top romantische Vioolconcert ging in de vroege zomer van 1912 in première tijdens het Norfolk Festival, Connecticut, met de Amerikaanse Maud Powell als solist. De componist kon niet bij de première aanwezig zijn, maar zijn portret hing levensgroot boven het podium. Vervolgens dirigeerde Henry Wood het vioolconcert later dat jaar tijdens een van de Proms in Londen. Coleridge-Taylor was er opnieuw niet bij. Enkele weken voor het concert stierf hij op 37-jarige leeftijd aan een longontsteking.
Tijdens het historische concert op de Wereldtentoonstelling in Chicago in 1933, waarbij onder meer de Eerste symfonie van Florence Price de aandacht trok, zong de Afro-Amerikaanse tenor Roland Hayes twee liederen van Samuel Coleridge-Taylor. Deze Britse componist met een (afwezige) vader uit Sierra Leone groeide op in Croydon nabij Londen en kreeg op jonge leeftijd vioollessen van de dirigent van het plaatselijk amateurorkest. Op vijftienjarige leeftijd werd hij aangenomen op het Royal College of Music, waar hij vervolgens overstapte van hoofdvak viool naar compositie en leerling werd van Charles Villiers Stanford. Om zijn studie te kunnen bekostigen, gaf Coleridge-Taylor vioolles en dirigeerde hij een strijkorkest. Ook componeerde hij in allerlei genres en verkocht hij zijn muziek aan uitgeverij Novello. Er bleef maar weinig tijd over om werk voor de concertzaal te componeren, maar zijn talent bleef niet onopgemerkt. Edward Elgar sloeg in 1898 een compositieopdracht van het Three Choirs Festival in Gloucester af en schreef een warme aanbevelingsbrief om Coleridge-Taylor in zijn plaats de opdracht te geven. Coleridge-Taylors Ballade voor orkest voor het Three Choirs Festival werd een groot succes, maar kon niet tippen aan de populariteit van zijn cantate Hiawatha’s Feast, een jaar later in première gebracht door koor en orkest van het Royal College of Music gedirigeerd door Stanford. Via uitgeverij Novello raakte de muziek ook bekend in de Verenigde Staten, waar Coleridge-Taylor een held werd van Afro-Amerikaanse musici.
Bij een van zijn bezoeken aan Amerika werd de componist uitgenodigd door de steenrijke Duitse migrantenzoon Carl Stoeckel om een vioolconcert te componeren. Tijdens zijn verblijf bij de Stoeckels in 1910 hoorde Coleridge-Taylor de vrouw des huizes de spiritual Keep Me from Sinking Down op de piano spelen en zijn mecenas stelde voor deze melodie te gebruiken als thema voor het vioolconcert. Coleridge-Taylor waagde een poging, hij wilde graag in navolging van Antonín Dvořák Afro-Amerikaanse muziek een plek geven in de klassieke muziek. Niet tevreden met het resultaat besloot hij uiteindelijk toch eigen melodieën te gebruiken. Het op en top romantische Vioolconcert ging in de vroege zomer van 1912 in première tijdens het Norfolk Festival, Connecticut, met de Amerikaanse Maud Powell als solist. De componist kon niet bij de première aanwezig zijn, maar zijn portret hing levensgroot boven het podium. Vervolgens dirigeerde Henry Wood het vioolconcert later dat jaar tijdens een van de Proms in Londen. Coleridge-Taylor was er opnieuw niet bij. Enkele weken voor het concert stierf hij op 37-jarige leeftijd aan een longontsteking.
Florence Price (1887-1953)
Eerste symfonie
Het is niet vreemd als u bij de eerste klanken van Florence Price’ Eerste symfonie aan Antonín Dvořák denkt. De Tsjechische componist had met zijn Negende symfonie ‘Uit de Nieuwe Wereld’ in 1893 de weg gewezen naar een integratie van Afro-Amerikaanse muziek en de westerse klassieke traditie. Price begon tien jaar later haar muziekstudie aan het New England Conservatory in Boston en bestudeerde Dvořáks werk grondig. In Chicago vervolgde ze haar studie terwijl ze in allerlei genres componeerde om haar gezin te onderhouden. Tegelijk probeerde ze naam te maken in muziek voor de concertzaal en begon ze in 1931 aan haar Eerste symfonie. Tussen de bedrijven door werkte ze er twee jaar aan. Toen ze een advertentie zag voor de Rodman Wanamaker-prijs voor zwarte componisten besloot ze haar symfonie in te zenden, samen met nog drie andere werken in andere categorieën. Het werd een doorslaand succes voor Price: zowel haar symfonie als haar pianosonate wonnen de eerste prijs, waarmee ze driekwart van het prijzengeld binnensleepte. De prijs trok bovendien de aandacht van de muzikaal adviseur van de Wereldtentoonstelling in Chicago, die haar symfonie tijdens een historisch concert met de titel ‘Eeuw van de vooruitgang’ in première bracht. De enorme zaal was tot de nok gevuld met liefhebbers – ook George Gershwin werd gespot – en alle kranten schreven juichende recensies. Afro-Amerikaanse recensenten jubelden vooral over de doorbraak: een programma met muziek van zwarte componisten, uitgevoerd door zwarte solisten en een volledig wit orkest en dito dirigent. De witte pers, voor wie de achterstelling van zwarte musici geen punt van aandacht was, vond de muziek weliswaar niet heel vernieuwend, maar zeer de moeite waard, met een overvloed aan kleur en sfeer.
Net als Dvořák schreef Price haar symfonie in e klein. Het tweede deel is een hymne waarbij net als in een kerkdienst de samenzang (koperblazers) afgewisseld wordt met de voorzanger (houtblazers). Het derde deel, Juba Dance, is net als Simons Tap! schatplichtig aan de Afrikaanse juba-dans, waarbij op syncopische ritmes in ingewikkelde patronen geklapt, getapt en op de dijen geslagen wordt. Price was de eerste componist die de juba in een orkestwerk gebruikte. Daarvoor voegde ze aan de traditionele romantische orkestbezetting enkele opvallende instrumenten toe: Afrikaanse trommels en een schuiffluit. Voor Price was muziek die naar haar wortels verwees ondenkbaar zonder spiritualiteit en het ritme van de juba.
Het is niet vreemd als u bij de eerste klanken van Florence Price’ Eerste symfonie aan Antonín Dvořák denkt. De Tsjechische componist had met zijn Negende symfonie ‘Uit de Nieuwe Wereld’ in 1893 de weg gewezen naar een integratie van Afro-Amerikaanse muziek en de westerse klassieke traditie. Price begon tien jaar later haar muziekstudie aan het New England Conservatory in Boston en bestudeerde Dvořáks werk grondig. In Chicago vervolgde ze haar studie terwijl ze in allerlei genres componeerde om haar gezin te onderhouden. Tegelijk probeerde ze naam te maken in muziek voor de concertzaal en begon ze in 1931 aan haar Eerste symfonie. Tussen de bedrijven door werkte ze er twee jaar aan. Toen ze een advertentie zag voor de Rodman Wanamaker-prijs voor zwarte componisten besloot ze haar symfonie in te zenden, samen met nog drie andere werken in andere categorieën. Het werd een doorslaand succes voor Price: zowel haar symfonie als haar pianosonate wonnen de eerste prijs, waarmee ze driekwart van het prijzengeld binnensleepte. De prijs trok bovendien de aandacht van de muzikaal adviseur van de Wereldtentoonstelling in Chicago, die haar symfonie tijdens een historisch concert met de titel ‘Eeuw van de vooruitgang’ in première bracht. De enorme zaal was tot de nok gevuld met liefhebbers – ook George Gershwin werd gespot – en alle kranten schreven juichende recensies. Afro-Amerikaanse recensenten jubelden vooral over de doorbraak: een programma met muziek van zwarte componisten, uitgevoerd door zwarte solisten en een volledig wit orkest en dito dirigent. De witte pers, voor wie de achterstelling van zwarte musici geen punt van aandacht was, vond de muziek weliswaar niet heel vernieuwend, maar zeer de moeite waard, met een overvloed aan kleur en sfeer.
Net als Dvořák schreef Price haar symfonie in e klein. Het tweede deel is een hymne waarbij net als in een kerkdienst de samenzang (koperblazers) afgewisseld wordt met de voorzanger (houtblazers). Het derde deel, Juba Dance, is net als Simons Tap! schatplichtig aan de Afrikaanse juba-dans, waarbij op syncopische ritmes in ingewikkelde patronen geklapt, getapt en op de dijen geslagen wordt. Price was de eerste componist die de juba in een orkestwerk gebruikte. Daarvoor voegde ze aan de traditionele romantische orkestbezetting enkele opvallende instrumenten toe: Afrikaanse trommels en een schuiffluit. Voor Price was muziek die naar haar wortels verwees ondenkbaar zonder spiritualiteit en het ritme van de juba.
Biografie
Chineke! Orchestra, orkest
Het Chineke! Orchestra werd in het leven geroepen door contrabassiste Chi-chi Nwanoku en maakt deel uit van de Chineke! Foundation. Deze stichting creëert carrièrekansen voor musici van verschillende etnische achtergronden – ‘black and ethnically diverse musicians’, zoals ze het zelf formuleren – in Groot-Brittannië en Europa. Het Chineke! Orchestra debuteerde, met werken van Britse componisten van kleur, in september 2015 in de Queen Elizabeth Hall in Londen.
De afgelopen tien jaar heeft het orkest een vaste plek verworven in de Britse muziekscene met ongeveer veertig concerten per jaar, waaronder optredens tijdens de BBC Proms, in concertreeksen in Basingstoke en Birmingham en op festivals in onder andere Aldeburgh, Brighton en Cheltenham.
Het orkest is verbonden aan het Southbank Centre in Londen, met regelmatige optredens in de Queen Elizabeth Hall en de Royal Festival Hall. Het gezelschap heeft inmiddels drie grote tournees door Europa gemaakt, nam diverse cd’s op en maakte in maart 2023 zijn debuut in het Lincoln Center in New York tijdens een tournee door Noord-Amerika. Het Concertgebouw-debuut vond plaats in november 2019 (onder leiding van Kevin John Edusei) en het orkest keerde terug in november 2022 (met dirigent Leslie Suganandarajah en pianiste Jeneba Kanneh-Mason).
Het Chineke! Junior Orchestra debuteerde bovendien in de Grote Zaal tijdens de VriendenLoterij ZomerConcerten 2022. De orkestnaam is ontleend aan het Igbo (een van de drie officiële talen van Nigeria) en betekent zoveel als ‘grote schepper van alle goede dingen’.
Joseph Young, dirigent
Joseph Young maakte de afgelopen jaren furore bij tal van Amerikaanse orkesten in bijvoorbeeld San Francisco, Seattle en Detroit, en in Europa bij onder andere het London Symphony Orchestra en het Royal Liverpool Philharmonic Orchestra. Daarnaast leidde hij producties bij operahuizen als de Lyric Opera of Chicago en de Washington National Opera.
Van 2019 tot 2025 was hij music director van het Berkeley Symphony Orchestra, waar hij zich sterk maakte voor nieuwe muziek en het publieksbereik flink wist te vergroten. Van 2017 tot 2023 vervulde de Amerikaan een leidinggevende rol binnen het Weill Music Institute van Carnegie Hall in New York en bij de National Youth Orchestra-programma’s, wat culmineerde in zijn Carnegie Hall-debuut. Ook was hij assistent-dirigent van Robert Spano bij het Atlanta Symphony Orchestra.
Zijn carrière kreeg een beslissende impuls toen dirigent Marin Alsop zijn talent ontdekte en speciaal voor hem het Boston Symphony Orchestra-Peabody Conducting Fellowship oprichtte. Joseph Young studeerde aan de University of South Carolina en aan het Peabody Conservatory in Baltimore en is drievoudig winnaar van de Career Assistance Award van de Georg Solti Foundation. Naast zijn podiumcarrière is hij ‘Artistic Director of Ensembles’ aan het Peabody Conservatory. Op de bok bij het Chineke! Orchestra maakt Joseph Young zijn debuut in Het Concertgebouw.
Njioma Chinyere Grevious, viool
Njioma Chinyere Grevious is een veelzijdig musicus: naast haar optredens als solist speelt ze ook veel kamermuziek en is ze lid van het Orpheus Chamber Orchestra in New York. De Amerikaanse violiste won talloze prijzen, waaronder de prestigieuze Avery Fisher Career Grant 2024 en zowel de eerste prijs als de publieksprijs van de Sphinx Competition 2023 in Detroit.
Ze werd geëngageerd door onder andere het Chicago Philharmonic Orchestra, het National Symphony Orchestra in Washington D.C. en het Newark Symphony Orchestra.
In seizoen 2024/2025 maakte ze haar debuut in Carnegie Hall in New York met de Sphinx Virtuosi, en in Wigmore Hall in Londen in een programma van de Young Classical Artist Trust. Als kamermusicus wordt Njioma Chinyere Grevious regelmatig uitgenodigd op internationale festivals en daarnaast treedt ze op met haar eigen strijkkwartet, het prijswinnende Abeo Quartet.
In de Verenigde Staten is de violiste inmiddels uitgegroeid tot een boegbeeld van de Afro-Amerikaanse klassieke musici, en ook in Europa krijgt ze steeds meer bekendheid. Njioma Chinyere Grevious studeerde aan de Juilliard School of Music in New York. Ze bespeelt een viool van Pietro Giovanni Guarneri uit Mantua (ca. 1679). Haar Concertgebouw-debuut was op 15 juli 2025, toen ze tijdens de VriendenLoterij Zomerconcerten bij de Brussels Philharmonic soleerde in het Vioolconcert van Samuel Coleridge-Taylor.