Faurés Requiem door het Nederlands Kamerkoor en Amsterdam Sinfonietta
Grote Zaal 17 februari 2026 20.15 uur
Nederlands Kamerkoor
Amsterdam Sinfonietta
Candida Thompson leiding/viool
Béni Csillag instudering koor
solisten uit het Nederlands Kamerkoor:
Mónica Monteiro sopraan
Kees Jan de Koning bariton
Dit concert maakt deel uit van de serie Onsterfelijke Noten, en wordt voorzien van boventiteling.
Ook interessant:
- Hoe ontstond koormuziek?
- De werkdag van een koorlid
- Hoe klinkt de hemel?
REQUIEM
Knut Nystedt (1915-2014)
Immortal Bach, op. 153 (1988)
voor koor a cappella
o.l.v. Kees Jan de Koning
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Chaconne
uit ‘Partita nr. 2 in d kl.t.’,
BWV 1004 (1720)
oorspronkelijk voor viool solo; bewerking voor viool en acht zangers door Helga Thoene/Renske Vrolijk
Arvo Pärt (1935)
Da pacem Domine (2004)
voor koor a cappella
Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)
Kammersinfonie, op. 110a
bewerking voor strijkorkest van het ‘Achtste strijkkwartet in c kl.t., op. 110’ (1960) door Rudolf Barshai (1974)
Largo
Allegro molto
Allegretto
Largo
Largo
pauze ± 21.10 uur
Gabriel Fauré (1845-1924)
Requiem, op. 48 (1887-88/1893/1900)
oorspronkelijk voor twee solisten, koor, orgel en orkest; bewerking Wijnand van Klaveren (2017)
Introït et Kyrie
Offertoire
Sanctus
Pie Jesu
Agnus Dei
Libera me
In paradisum
einde ± 22.15 uur
Nederlands Kamerkoor
Amsterdam Sinfonietta
Candida Thompson leiding/viool
Béni Csillag instudering koor
solisten uit het Nederlands Kamerkoor:
Mónica Monteiro sopraan
Kees Jan de Koning bariton
Dit concert maakt deel uit van de serie Onsterfelijke Noten, en wordt voorzien van boventiteling.
Ook interessant:
- Hoe ontstond koormuziek?
- De werkdag van een koorlid
- Hoe klinkt de hemel?
REQUIEM
Knut Nystedt (1915-2014)
Immortal Bach, op. 153 (1988)
voor koor a cappella
o.l.v. Kees Jan de Koning
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Chaconne
uit ‘Partita nr. 2 in d kl.t.’,
BWV 1004 (1720)
oorspronkelijk voor viool solo; bewerking voor viool en acht zangers door Helga Thoene/Renske Vrolijk
Arvo Pärt (1935)
Da pacem Domine (2004)
voor koor a cappella
Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)
Kammersinfonie, op. 110a
bewerking voor strijkorkest van het ‘Achtste strijkkwartet in c kl.t., op. 110’ (1960) door Rudolf Barshai (1974)
Largo
Allegro molto
Allegretto
Largo
Largo
pauze ± 21.10 uur
Gabriel Fauré (1845-1924)
Requiem, op. 48 (1887-88/1893/1900)
oorspronkelijk voor twee solisten, koor, orgel en orkest; bewerking Wijnand van Klaveren (2017)
Introït et Kyrie
Offertoire
Sanctus
Pie Jesu
Agnus Dei
Libera me
In paradisum
einde ± 22.15 uur
Toelichting
Toelichting
Amsterdam Sinfonietta en het Nederlands Kamerkoor onderhouden een nauwe band. De vorige keer dat ze samen op tournee gingen was in februari 2024 met Rossini’s Petite messe solennelle. Deze maand krijgt de samenwerking een vervolg met een veelzijdig requiem-programma.
Amsterdam Sinfonietta en het Nederlands Kamerkoor onderhouden een nauwe band. De vorige keer dat ze samen op tournee gingen was in februari 2024 met Rossini’s Petite messe solennelle. Deze maand krijgt de samenwerking een vervolg met een veelzijdig requiem-programma.
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Chaconne
Johann Sebastian Bachs Chaconne is een ongekend meesterwerk. Het is het laatste deel van de Tweede partita in d klein, BWV 1004, die op haar beurt onderdeel is van Bachs indrukwekkende verzameling van drie sonates en drie partita’s, BWV 1001-1006 voor viool solo. Bach schreef deze solostukken waarschijnlijk rond 1720, toen hij werkzaam was aan het hof van prins Leopold van Köthen. Helaas is de opdrachtgever niet bekend, noch de naam van de violist die dit werk in première heeft gebracht.
Het fundament van de Chaconne bestaat uit een relatief simpel motief van vier dalende noten, in de eerste maten verstopt in de bastonen van de indrukwekkende akkoorden. Dit motief vormt de basis voor maar liefst 64 variaties, waarin Bach alle technische mogelijkheden van de viool benut. Violiste Candida Thompson en acht zangers presenteren een bijzondere versie van de Chaconne, gebaseerd op een onderzoek van Helga Thoene. Deze Duitse musicologe vond in Bach-archieven aanleidingen om aan te nemen dat de componist de Chaconne voor zijn overleden eerste vrouw Maria Barbara had geschreven. Thoene beargumenteert dat Bachs partituur vol zit met getallensymboliek en koraalmelodieën die haar theorie ondersteunen. Zij voegde deze melodieën met tekst en al toe aan de toch al zo complexe vioolpartituur. Het verbluffende arrangement van Thoene klinkt vandaag in een herziene versie van de Nederlandse componiste Renske Vrolijk. Zij heeft opnieuw nagedacht over de stemvoering en maakte van Thoenes driestemmige een vierstemmige zangpartij, waardoor het arrangement nóg rijker en overtuigender klinkt.
Johann Sebastian Bachs Chaconne is een ongekend meesterwerk. Het is het laatste deel van de Tweede partita in d klein, BWV 1004, die op haar beurt onderdeel is van Bachs indrukwekkende verzameling van drie sonates en drie partita’s, BWV 1001-1006 voor viool solo. Bach schreef deze solostukken waarschijnlijk rond 1720, toen hij werkzaam was aan het hof van prins Leopold van Köthen. Helaas is de opdrachtgever niet bekend, noch de naam van de violist die dit werk in première heeft gebracht.
Het fundament van de Chaconne bestaat uit een relatief simpel motief van vier dalende noten, in de eerste maten verstopt in de bastonen van de indrukwekkende akkoorden. Dit motief vormt de basis voor maar liefst 64 variaties, waarin Bach alle technische mogelijkheden van de viool benut. Violiste Candida Thompson en acht zangers presenteren een bijzondere versie van de Chaconne, gebaseerd op een onderzoek van Helga Thoene. Deze Duitse musicologe vond in Bach-archieven aanleidingen om aan te nemen dat de componist de Chaconne voor zijn overleden eerste vrouw Maria Barbara had geschreven. Thoene beargumenteert dat Bachs partituur vol zit met getallensymboliek en koraalmelodieën die haar theorie ondersteunen. Zij voegde deze melodieën met tekst en al toe aan de toch al zo complexe vioolpartituur. Het verbluffende arrangement van Thoene klinkt vandaag in een herziene versie van de Nederlandse componiste Renske Vrolijk. Zij heeft opnieuw nagedacht over de stemvoering en maakte van Thoenes driestemmige een vierstemmige zangpartij, waardoor het arrangement nóg rijker en overtuigender klinkt.
Knut Nystedt (1915-2014) en Arvo Pärt (1935)
Meditaties van Nystedt en Pärt
Bach was een belangrijke inspiratiebron voor de Noorse componist en koordirigent Knut Nystedt. Hij baseerde zijn Immortal Bach op twee openingsregels van Bachs Komm, süsser Tod, BWV 478. De anonieme tekst verwelkomt de dood als een opening naar rust en vrede. Nystedt speelt met de partituur van Bach: hij splitst zijn vierstemmige a cappella-bewerking op in vijf groepen. Ze zingen dezelfde noten en woorden, maar in verschillende tempi. De harmonieën van Bach maken langzaam plaats voor mysterieuze klanken die de luisteraar meevoeren naar een andere wereld.
Het Nederlands Kamerkoor zingt ook nog een kort koorwerk van de Estse componist Arvo Pärt dat goed past bij het requiemthema. Op verzoek van de Spaanse gambist en dirigent Jordi Savall schreef Pärt zijn Da pacem Domine twee dagen na de terroristische aanslagen in Madrid in 2004, ter nagedachtenis aan de slachtoffers. Da pacem Domine roept bovendien de zinsnede ‘dona nobis pacem’ uit het Agnus Dei van de dodenmis in herinnering.
Hoewel het muzikale idioom van Nystedt en Pärt heel verschillend is, hebben de twee koorwerken wel een vergelijkbaar effect op de luisteraar: het zijn betoverende meditaties.
Bach was een belangrijke inspiratiebron voor de Noorse componist en koordirigent Knut Nystedt. Hij baseerde zijn Immortal Bach op twee openingsregels van Bachs Komm, süsser Tod, BWV 478. De anonieme tekst verwelkomt de dood als een opening naar rust en vrede. Nystedt speelt met de partituur van Bach: hij splitst zijn vierstemmige a cappella-bewerking op in vijf groepen. Ze zingen dezelfde noten en woorden, maar in verschillende tempi. De harmonieën van Bach maken langzaam plaats voor mysterieuze klanken die de luisteraar meevoeren naar een andere wereld.
Het Nederlands Kamerkoor zingt ook nog een kort koorwerk van de Estse componist Arvo Pärt dat goed past bij het requiemthema. Op verzoek van de Spaanse gambist en dirigent Jordi Savall schreef Pärt zijn Da pacem Domine twee dagen na de terroristische aanslagen in Madrid in 2004, ter nagedachtenis aan de slachtoffers. Da pacem Domine roept bovendien de zinsnede ‘dona nobis pacem’ uit het Agnus Dei van de dodenmis in herinnering.
Hoewel het muzikale idioom van Nystedt en Pärt heel verschillend is, hebben de twee koorwerken wel een vergelijkbaar effect op de luisteraar: het zijn betoverende meditaties.
Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)
Kammersinfonie
Hoewel het aangrijpende Achtste strijkkwartet van Dmitri Sjostakovitsj officieel werd opgedragen aan ‘de slachtoffers van fascisme en oorlog’, blijkt uit latere getuigenissen dat de Russische componist deze formulering vooral gebruikte om zijn persoonlijke worsteling te verhullen. Tijdens zijn verblijf in de DDR in 1960, om filmmuziek te voltooien in het door oorlog verwoeste Dresden, verkeerde hij in een diepe depressie. De dwang om toe te treden tot de Communistische Partij voelde voor hem als een morele ondergang. Hij dacht zelfs aan zelfdoding en vertelde zijn omgeving dat zijn kwartet ‘ter nagedachtenis aan hemzelf’ was. Muzikale citaten en thema’s uit eerdere werken onderstrepen het sterk autobiografische karakter. De in 2010 overleden dirigent Rudolf Barshaj maakte van het Achtste strijkkwartet een beroemd geworden (en door de componist geautoriseerde) versie voor strijkorkest. Het contrast tussen de gewelddadige tuttipassages en de verontrustende fluisterzachte solo’s klinkt in de Kammersinfonie zo mogelijk nog indringender dan in het origineel.
Hoewel het aangrijpende Achtste strijkkwartet van Dmitri Sjostakovitsj officieel werd opgedragen aan ‘de slachtoffers van fascisme en oorlog’, blijkt uit latere getuigenissen dat de Russische componist deze formulering vooral gebruikte om zijn persoonlijke worsteling te verhullen. Tijdens zijn verblijf in de DDR in 1960, om filmmuziek te voltooien in het door oorlog verwoeste Dresden, verkeerde hij in een diepe depressie. De dwang om toe te treden tot de Communistische Partij voelde voor hem als een morele ondergang. Hij dacht zelfs aan zelfdoding en vertelde zijn omgeving dat zijn kwartet ‘ter nagedachtenis aan hemzelf’ was. Muzikale citaten en thema’s uit eerdere werken onderstrepen het sterk autobiografische karakter. De in 2010 overleden dirigent Rudolf Barshaj maakte van het Achtste strijkkwartet een beroemd geworden (en door de componist geautoriseerde) versie voor strijkorkest. Het contrast tussen de gewelddadige tuttipassages en de verontrustende fluisterzachte solo’s klinkt in de Kammersinfonie zo mogelijk nog indringender dan in het origineel.
Gabriel Fauré (1845-1924)
Requiem
Fauré’s muziek is ingetogen, troostrijk en sereen en vooral ook minder dreigend dan de meeste requiems
Het programma eindigt met het geliefde en ongebruikelijke Requiem van de Franse componist Gabriel Fauré: een dodenmis met teksten uit de katholieke eredienst voor koor, orkest en solisten. Fauré’s muziek is ingetogen, troostrijk en sereen en vooral ook minder dreigend dan de meeste requiems. Dat komt onder andere omdat het Dies irae ontbreekt. Deze tekst over de Dag des Oordeels, die eigenlijk na het Kyrie hoort te klinken, is zeer onheilspellend en krijgt bij de meeste componisten een dramatische toonzetting. Denk bijvoorbeeld aan de requiems van Wolfgang Amadeus Mozart en Giuseppe Verdi. Fauré heeft in zijn Requiem alleen de laatste frase van het Dies irae behouden: het Pie Jesu, met een prachtige sopraansolo waarin maar liefst tien keer het woord ‘requiem’ (‘rust’) klinkt. In de woorden van de componist zelf: ‘Mijn requiem drukt niet zo zeer de angst voor de dood uit, als wel de vreedzaamheid van de eeuwige rust. Want zo zie ik de dood: als een gelukkige overgave, als een streven naar iets beters en niet als een vreugdeloze overgang naar het onheilspellende onbekende.’
De eerste versie van Fauré’s Requiem (1887-88) was voor koor, sopraan en een klein orkest zonder hout- en koperblazers en zonder violen, maar wel met één prachtige vioolsolo in het Sanctus. Deze eerste versie bestond uit vijf delen: Introïtus et Kyrie – Sanctus – Pie Jesu – Agnus Dei – In paradisum. In 1893 voegde de componist negen koperblazers toe aan het orkest en voegde hij twee extra delen met een baritonsolist toe: Offertorium en Libera me. In 1900 verscheen er nog een derde versie voor koor, sopraan, bariton en een volledig symfonieorkest (dus ook met twee grote vioolgroepen en flink wat houtblazers). Tot ver in de twintigste eeuw was deze laatste versie het populairst, terwijl het niet eens duidelijk is of Fauré zelf een bijdrage heeft geleverd aan deze massale orkestbezetting.
In opdracht van Amsterdam Sinfonietta en het Nederlands Kamerkoor maakte Wijnand van Klaveren een nieuwe orkestratie die teruggaat op de eerste twee versies van Fauré’s dodenmis, waarbij ook de violen een rol krijgen. Aan het strijkorkest worden twee hoorns toegevoegd en in plaats van een orgel klinkt een Frans harmonium. Alle zeven delen worden gespeeld, maar in een vrij kleine orkestratie om zo de intieme en vredige sfeer van Fauré’s eerste versie te behouden.
Fauré’s muziek is ingetogen, troostrijk en sereen en vooral ook minder dreigend dan de meeste requiems
Het programma eindigt met het geliefde en ongebruikelijke Requiem van de Franse componist Gabriel Fauré: een dodenmis met teksten uit de katholieke eredienst voor koor, orkest en solisten. Fauré’s muziek is ingetogen, troostrijk en sereen en vooral ook minder dreigend dan de meeste requiems. Dat komt onder andere omdat het Dies irae ontbreekt. Deze tekst over de Dag des Oordeels, die eigenlijk na het Kyrie hoort te klinken, is zeer onheilspellend en krijgt bij de meeste componisten een dramatische toonzetting. Denk bijvoorbeeld aan de requiems van Wolfgang Amadeus Mozart en Giuseppe Verdi. Fauré heeft in zijn Requiem alleen de laatste frase van het Dies irae behouden: het Pie Jesu, met een prachtige sopraansolo waarin maar liefst tien keer het woord ‘requiem’ (‘rust’) klinkt. In de woorden van de componist zelf: ‘Mijn requiem drukt niet zo zeer de angst voor de dood uit, als wel de vreedzaamheid van de eeuwige rust. Want zo zie ik de dood: als een gelukkige overgave, als een streven naar iets beters en niet als een vreugdeloze overgang naar het onheilspellende onbekende.’
De eerste versie van Fauré’s Requiem (1887-88) was voor koor, sopraan en een klein orkest zonder hout- en koperblazers en zonder violen, maar wel met één prachtige vioolsolo in het Sanctus. Deze eerste versie bestond uit vijf delen: Introïtus et Kyrie – Sanctus – Pie Jesu – Agnus Dei – In paradisum. In 1893 voegde de componist negen koperblazers toe aan het orkest en voegde hij twee extra delen met een baritonsolist toe: Offertorium en Libera me. In 1900 verscheen er nog een derde versie voor koor, sopraan, bariton en een volledig symfonieorkest (dus ook met twee grote vioolgroepen en flink wat houtblazers). Tot ver in de twintigste eeuw was deze laatste versie het populairst, terwijl het niet eens duidelijk is of Fauré zelf een bijdrage heeft geleverd aan deze massale orkestbezetting.
In opdracht van Amsterdam Sinfonietta en het Nederlands Kamerkoor maakte Wijnand van Klaveren een nieuwe orkestratie die teruggaat op de eerste twee versies van Fauré’s dodenmis, waarbij ook de violen een rol krijgen. Aan het strijkorkest worden twee hoorns toegevoegd en in plaats van een orgel klinkt een Frans harmonium. Alle zeven delen worden gespeeld, maar in een vrij kleine orkestratie om zo de intieme en vredige sfeer van Fauré’s eerste versie te behouden.
Toelichting
Amsterdam Sinfonietta en het Nederlands Kamerkoor onderhouden een nauwe band. De vorige keer dat ze samen op tournee gingen was in februari 2024 met Rossini’s Petite messe solennelle. Deze maand krijgt de samenwerking een vervolg met een veelzijdig requiem-programma.
Amsterdam Sinfonietta en het Nederlands Kamerkoor onderhouden een nauwe band. De vorige keer dat ze samen op tournee gingen was in februari 2024 met Rossini’s Petite messe solennelle. Deze maand krijgt de samenwerking een vervolg met een veelzijdig requiem-programma.
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Chaconne
Johann Sebastian Bachs Chaconne is een ongekend meesterwerk. Het is het laatste deel van de Tweede partita in d klein, BWV 1004, die op haar beurt onderdeel is van Bachs indrukwekkende verzameling van drie sonates en drie partita’s, BWV 1001-1006 voor viool solo. Bach schreef deze solostukken waarschijnlijk rond 1720, toen hij werkzaam was aan het hof van prins Leopold van Köthen. Helaas is de opdrachtgever niet bekend, noch de naam van de violist die dit werk in première heeft gebracht.
Het fundament van de Chaconne bestaat uit een relatief simpel motief van vier dalende noten, in de eerste maten verstopt in de bastonen van de indrukwekkende akkoorden. Dit motief vormt de basis voor maar liefst 64 variaties, waarin Bach alle technische mogelijkheden van de viool benut. Violiste Candida Thompson en acht zangers presenteren een bijzondere versie van de Chaconne, gebaseerd op een onderzoek van Helga Thoene. Deze Duitse musicologe vond in Bach-archieven aanleidingen om aan te nemen dat de componist de Chaconne voor zijn overleden eerste vrouw Maria Barbara had geschreven. Thoene beargumenteert dat Bachs partituur vol zit met getallensymboliek en koraalmelodieën die haar theorie ondersteunen. Zij voegde deze melodieën met tekst en al toe aan de toch al zo complexe vioolpartituur. Het verbluffende arrangement van Thoene klinkt vandaag in een herziene versie van de Nederlandse componiste Renske Vrolijk. Zij heeft opnieuw nagedacht over de stemvoering en maakte van Thoenes driestemmige een vierstemmige zangpartij, waardoor het arrangement nóg rijker en overtuigender klinkt.
Johann Sebastian Bachs Chaconne is een ongekend meesterwerk. Het is het laatste deel van de Tweede partita in d klein, BWV 1004, die op haar beurt onderdeel is van Bachs indrukwekkende verzameling van drie sonates en drie partita’s, BWV 1001-1006 voor viool solo. Bach schreef deze solostukken waarschijnlijk rond 1720, toen hij werkzaam was aan het hof van prins Leopold van Köthen. Helaas is de opdrachtgever niet bekend, noch de naam van de violist die dit werk in première heeft gebracht.
Het fundament van de Chaconne bestaat uit een relatief simpel motief van vier dalende noten, in de eerste maten verstopt in de bastonen van de indrukwekkende akkoorden. Dit motief vormt de basis voor maar liefst 64 variaties, waarin Bach alle technische mogelijkheden van de viool benut. Violiste Candida Thompson en acht zangers presenteren een bijzondere versie van de Chaconne, gebaseerd op een onderzoek van Helga Thoene. Deze Duitse musicologe vond in Bach-archieven aanleidingen om aan te nemen dat de componist de Chaconne voor zijn overleden eerste vrouw Maria Barbara had geschreven. Thoene beargumenteert dat Bachs partituur vol zit met getallensymboliek en koraalmelodieën die haar theorie ondersteunen. Zij voegde deze melodieën met tekst en al toe aan de toch al zo complexe vioolpartituur. Het verbluffende arrangement van Thoene klinkt vandaag in een herziene versie van de Nederlandse componiste Renske Vrolijk. Zij heeft opnieuw nagedacht over de stemvoering en maakte van Thoenes driestemmige een vierstemmige zangpartij, waardoor het arrangement nóg rijker en overtuigender klinkt.
Knut Nystedt (1915-2014) en Arvo Pärt (1935)
Meditaties van Nystedt en Pärt
Bach was een belangrijke inspiratiebron voor de Noorse componist en koordirigent Knut Nystedt. Hij baseerde zijn Immortal Bach op twee openingsregels van Bachs Komm, süsser Tod, BWV 478. De anonieme tekst verwelkomt de dood als een opening naar rust en vrede. Nystedt speelt met de partituur van Bach: hij splitst zijn vierstemmige a cappella-bewerking op in vijf groepen. Ze zingen dezelfde noten en woorden, maar in verschillende tempi. De harmonieën van Bach maken langzaam plaats voor mysterieuze klanken die de luisteraar meevoeren naar een andere wereld.
Het Nederlands Kamerkoor zingt ook nog een kort koorwerk van de Estse componist Arvo Pärt dat goed past bij het requiemthema. Op verzoek van de Spaanse gambist en dirigent Jordi Savall schreef Pärt zijn Da pacem Domine twee dagen na de terroristische aanslagen in Madrid in 2004, ter nagedachtenis aan de slachtoffers. Da pacem Domine roept bovendien de zinsnede ‘dona nobis pacem’ uit het Agnus Dei van de dodenmis in herinnering.
Hoewel het muzikale idioom van Nystedt en Pärt heel verschillend is, hebben de twee koorwerken wel een vergelijkbaar effect op de luisteraar: het zijn betoverende meditaties.
Bach was een belangrijke inspiratiebron voor de Noorse componist en koordirigent Knut Nystedt. Hij baseerde zijn Immortal Bach op twee openingsregels van Bachs Komm, süsser Tod, BWV 478. De anonieme tekst verwelkomt de dood als een opening naar rust en vrede. Nystedt speelt met de partituur van Bach: hij splitst zijn vierstemmige a cappella-bewerking op in vijf groepen. Ze zingen dezelfde noten en woorden, maar in verschillende tempi. De harmonieën van Bach maken langzaam plaats voor mysterieuze klanken die de luisteraar meevoeren naar een andere wereld.
Het Nederlands Kamerkoor zingt ook nog een kort koorwerk van de Estse componist Arvo Pärt dat goed past bij het requiemthema. Op verzoek van de Spaanse gambist en dirigent Jordi Savall schreef Pärt zijn Da pacem Domine twee dagen na de terroristische aanslagen in Madrid in 2004, ter nagedachtenis aan de slachtoffers. Da pacem Domine roept bovendien de zinsnede ‘dona nobis pacem’ uit het Agnus Dei van de dodenmis in herinnering.
Hoewel het muzikale idioom van Nystedt en Pärt heel verschillend is, hebben de twee koorwerken wel een vergelijkbaar effect op de luisteraar: het zijn betoverende meditaties.
Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)
Kammersinfonie
Hoewel het aangrijpende Achtste strijkkwartet van Dmitri Sjostakovitsj officieel werd opgedragen aan ‘de slachtoffers van fascisme en oorlog’, blijkt uit latere getuigenissen dat de Russische componist deze formulering vooral gebruikte om zijn persoonlijke worsteling te verhullen. Tijdens zijn verblijf in de DDR in 1960, om filmmuziek te voltooien in het door oorlog verwoeste Dresden, verkeerde hij in een diepe depressie. De dwang om toe te treden tot de Communistische Partij voelde voor hem als een morele ondergang. Hij dacht zelfs aan zelfdoding en vertelde zijn omgeving dat zijn kwartet ‘ter nagedachtenis aan hemzelf’ was. Muzikale citaten en thema’s uit eerdere werken onderstrepen het sterk autobiografische karakter. De in 2010 overleden dirigent Rudolf Barshaj maakte van het Achtste strijkkwartet een beroemd geworden (en door de componist geautoriseerde) versie voor strijkorkest. Het contrast tussen de gewelddadige tuttipassages en de verontrustende fluisterzachte solo’s klinkt in de Kammersinfonie zo mogelijk nog indringender dan in het origineel.
Hoewel het aangrijpende Achtste strijkkwartet van Dmitri Sjostakovitsj officieel werd opgedragen aan ‘de slachtoffers van fascisme en oorlog’, blijkt uit latere getuigenissen dat de Russische componist deze formulering vooral gebruikte om zijn persoonlijke worsteling te verhullen. Tijdens zijn verblijf in de DDR in 1960, om filmmuziek te voltooien in het door oorlog verwoeste Dresden, verkeerde hij in een diepe depressie. De dwang om toe te treden tot de Communistische Partij voelde voor hem als een morele ondergang. Hij dacht zelfs aan zelfdoding en vertelde zijn omgeving dat zijn kwartet ‘ter nagedachtenis aan hemzelf’ was. Muzikale citaten en thema’s uit eerdere werken onderstrepen het sterk autobiografische karakter. De in 2010 overleden dirigent Rudolf Barshaj maakte van het Achtste strijkkwartet een beroemd geworden (en door de componist geautoriseerde) versie voor strijkorkest. Het contrast tussen de gewelddadige tuttipassages en de verontrustende fluisterzachte solo’s klinkt in de Kammersinfonie zo mogelijk nog indringender dan in het origineel.
Gabriel Fauré (1845-1924)
Requiem
Fauré’s muziek is ingetogen, troostrijk en sereen en vooral ook minder dreigend dan de meeste requiems
Het programma eindigt met het geliefde en ongebruikelijke Requiem van de Franse componist Gabriel Fauré: een dodenmis met teksten uit de katholieke eredienst voor koor, orkest en solisten. Fauré’s muziek is ingetogen, troostrijk en sereen en vooral ook minder dreigend dan de meeste requiems. Dat komt onder andere omdat het Dies irae ontbreekt. Deze tekst over de Dag des Oordeels, die eigenlijk na het Kyrie hoort te klinken, is zeer onheilspellend en krijgt bij de meeste componisten een dramatische toonzetting. Denk bijvoorbeeld aan de requiems van Wolfgang Amadeus Mozart en Giuseppe Verdi. Fauré heeft in zijn Requiem alleen de laatste frase van het Dies irae behouden: het Pie Jesu, met een prachtige sopraansolo waarin maar liefst tien keer het woord ‘requiem’ (‘rust’) klinkt. In de woorden van de componist zelf: ‘Mijn requiem drukt niet zo zeer de angst voor de dood uit, als wel de vreedzaamheid van de eeuwige rust. Want zo zie ik de dood: als een gelukkige overgave, als een streven naar iets beters en niet als een vreugdeloze overgang naar het onheilspellende onbekende.’
De eerste versie van Fauré’s Requiem (1887-88) was voor koor, sopraan en een klein orkest zonder hout- en koperblazers en zonder violen, maar wel met één prachtige vioolsolo in het Sanctus. Deze eerste versie bestond uit vijf delen: Introïtus et Kyrie – Sanctus – Pie Jesu – Agnus Dei – In paradisum. In 1893 voegde de componist negen koperblazers toe aan het orkest en voegde hij twee extra delen met een baritonsolist toe: Offertorium en Libera me. In 1900 verscheen er nog een derde versie voor koor, sopraan, bariton en een volledig symfonieorkest (dus ook met twee grote vioolgroepen en flink wat houtblazers). Tot ver in de twintigste eeuw was deze laatste versie het populairst, terwijl het niet eens duidelijk is of Fauré zelf een bijdrage heeft geleverd aan deze massale orkestbezetting.
In opdracht van Amsterdam Sinfonietta en het Nederlands Kamerkoor maakte Wijnand van Klaveren een nieuwe orkestratie die teruggaat op de eerste twee versies van Fauré’s dodenmis, waarbij ook de violen een rol krijgen. Aan het strijkorkest worden twee hoorns toegevoegd en in plaats van een orgel klinkt een Frans harmonium. Alle zeven delen worden gespeeld, maar in een vrij kleine orkestratie om zo de intieme en vredige sfeer van Fauré’s eerste versie te behouden.
Fauré’s muziek is ingetogen, troostrijk en sereen en vooral ook minder dreigend dan de meeste requiems
Het programma eindigt met het geliefde en ongebruikelijke Requiem van de Franse componist Gabriel Fauré: een dodenmis met teksten uit de katholieke eredienst voor koor, orkest en solisten. Fauré’s muziek is ingetogen, troostrijk en sereen en vooral ook minder dreigend dan de meeste requiems. Dat komt onder andere omdat het Dies irae ontbreekt. Deze tekst over de Dag des Oordeels, die eigenlijk na het Kyrie hoort te klinken, is zeer onheilspellend en krijgt bij de meeste componisten een dramatische toonzetting. Denk bijvoorbeeld aan de requiems van Wolfgang Amadeus Mozart en Giuseppe Verdi. Fauré heeft in zijn Requiem alleen de laatste frase van het Dies irae behouden: het Pie Jesu, met een prachtige sopraansolo waarin maar liefst tien keer het woord ‘requiem’ (‘rust’) klinkt. In de woorden van de componist zelf: ‘Mijn requiem drukt niet zo zeer de angst voor de dood uit, als wel de vreedzaamheid van de eeuwige rust. Want zo zie ik de dood: als een gelukkige overgave, als een streven naar iets beters en niet als een vreugdeloze overgang naar het onheilspellende onbekende.’
De eerste versie van Fauré’s Requiem (1887-88) was voor koor, sopraan en een klein orkest zonder hout- en koperblazers en zonder violen, maar wel met één prachtige vioolsolo in het Sanctus. Deze eerste versie bestond uit vijf delen: Introïtus et Kyrie – Sanctus – Pie Jesu – Agnus Dei – In paradisum. In 1893 voegde de componist negen koperblazers toe aan het orkest en voegde hij twee extra delen met een baritonsolist toe: Offertorium en Libera me. In 1900 verscheen er nog een derde versie voor koor, sopraan, bariton en een volledig symfonieorkest (dus ook met twee grote vioolgroepen en flink wat houtblazers). Tot ver in de twintigste eeuw was deze laatste versie het populairst, terwijl het niet eens duidelijk is of Fauré zelf een bijdrage heeft geleverd aan deze massale orkestbezetting.
In opdracht van Amsterdam Sinfonietta en het Nederlands Kamerkoor maakte Wijnand van Klaveren een nieuwe orkestratie die teruggaat op de eerste twee versies van Fauré’s dodenmis, waarbij ook de violen een rol krijgen. Aan het strijkorkest worden twee hoorns toegevoegd en in plaats van een orgel klinkt een Frans harmonium. Alle zeven delen worden gespeeld, maar in een vrij kleine orkestratie om zo de intieme en vredige sfeer van Fauré’s eerste versie te behouden.
Biografie
Nederlands Kamerkoor, koor
Het Nederlands Kamerkoor voert repertoire uit van de vroege Middeleeuwen tot de muziek van morgen. Het werkt samen met acteurs, dansers, dj’s en vj’s, componisten, dichters en wetenschappers. Het koor won in 2017 De Ovatie van de VSCD voor het programma Via Crucis onder leiding van Reinbert de Leeuw, en in 2019 won het de Rotterdamse Operadagen Award.
Vanuit zijn thuisbasis in Utrecht zet het Nederlands Kamerkoor zich in voor een bloeiende koorwereld met onder meer het traineeship NKK NXT voor jonge professionals en de Zingdagen voor amateurkoren. Oprichter Felix de Nobel was chef-dirigent van 1937 tot 1972; hij gaf opdrachten aan componisten als Francis Poulenc en Frank Martin.
Opvolgers waren Hans van de Hombergh (1972-1976), Kerry Woodward (1977-1980), Uwe Gronostay (1988-1997), Tõnu Kaljuste (1998-2000), Stephen Layton (2002-2005) en Risto Joost (2011-2015). Sinds 2015 is Peter Dijkstra chef-dirigent. De laatste decennia werden compositieopdrachten verleend aan onder anderen David Lang, Michel van der Aa, Sofia Goebaidoelina, James MacMillan en Caroline Shaw. De vorige samenwerking met het Concertgebouworkest betrof Bachs Matthäus-Passion onder Riccardo Minasi in april 2025.
Amsterdam Sinfonietta, strijkorkest
Amsterdam Sinfonietta, opgericht in 1988, geeft zo’n 65 concerten per jaar in binnen- en buitenland met een uitgebreid strijkersrepertoire, van barokmuziek tot opdrachtcomposities en nieuwe arrangementen. De uitvoeringen staan meestal onder leiding van violiste en artistiek leider Candida Thompson.
Het strijkorkest trekt op met vooraanstaande solisten, onder wie de cellisten Kian Soltani en Sol Gabetta, de pianisten Lucas en Arthur Jussen, Fazıl Say en Beatrice Rana en kemenchevirtuoos Kayhan Kalhor. In het najaar van 2022 won Amsterdam Sinfonietta de VSCD-prijs De Ovatie voor een tournee met Janine Jansen met De vier jaargetijden van Vivaldi, waarin de muziek klonk ‘alsof ze gisteren gecomponeerd was’.
Het orkest gaat graag grensverleggende samenwerkingen aan – recent bijvoorbeeld met Nai Barghouti respectievelijk Maria Mena – en integreert in zijn programma’s film, dans (bijvoorbeeld met ISH Dance Collective) of theater (bijvoorbeeld met Orkater). De discografie omvat titels als The Mahler Album, The Argentinian Album, Lento Religioso en Tides of Life (met Thomas Hampson), maar ook Franse chansons met Thomas Oliemans en producties met De Dijk, Jonathan Jeremiah en Rufus Wainwright.
In samenwerking met Het Concertgebouw zijn er sinds 2005 KleuterSinfonietta-voorstellingen, zoals dit seizoen Speelgoedfabriek Tokkel & Strijk. Het Concertgebouwdebuut van Amsterdam Sinfonietta dateert van 28 maart 1993, en in seizoen 2023/2024 was het orkest Spotlight-artiest van de Eigen Programmering.
Candida Thompson, viool
Candida Thompson studeerde in 1989 met onderscheiding af bij David Takeno aan de Guildhall School of Music and Drama in Londen en bekwaamde zich verder aan het Banff Centre for the Arts in Canada. Ze leidde strijkorkesten in Scandinavië, Nederland, Spanje en Groot-Brittannië.
De Britse violiste is een gepassioneerd kamermusicus, deelde het podium met musici als Isaac Stern, Janine Jansen, Harriet Krijgh, Simone Lamsma, Isabelle Faust en Bruno Giuranna, en werd uitgenodigd op evenementen als het Kuhmo Festival (Finland), het Gubbio Festival (Italië), het Internationaal Kamermuziek Festival Utrecht en La Musica (Verenigde Staten).
Met celliste Xenia Jancovic en pianist Paolo Giacometti vormt ze het Hamlet Pianotrio. Als soliste trad Candida Thompson op met talloze orkesten in Europa, de Verenigde Staten en het Verre Oosten. Bij Amsterdam Sinfonietta werd ze in 1995 concertmeester en in 2003 tevens artistiek leider. Ze bespeelt een viool van Guarneri del Gesù (Cremona, 1698-1744).