interview

Krystian Zimerman: 'Het Concertgebouw is voor mij een van de belangrijkste plekken op aarde'

Krystian Zimerman brengt een uniek recital in de Grote Zaal. Daarvoor zet hij alle moderne conventies opzij. ‘Het belangrijkste is dat het publiek zich aan de muziek kan overgeven zonder na te denken over wie de componist is.’

Geïnspireerd door Das wohltemperierte Klavier van Johann Sebastian Bach kiest Krystian Zimerman op de avond zelf 24 werken van verschillende componisten, één in elke . Hoe kwam de pianist op dit idee?

‘Mijn langjarige vriendschappen met grote pianisten als Svjatoslav Richter, Emil Gilels, Claudio Arrau, Arthur Rubinstein en vele anderen hebben een belangrijk inzicht gebracht: de manier waarop we concertprogramma’s samenstellen is onherkenbaar veranderd in de afgelopen tweehonderd jaar. Aan het begin van de negentiende eeuw werd er bijvoorbeeld een prelude gespeeld, gevolgd door iemand die twee eren zong en dan speelde het orkest een deel uit een symfonie. Vanaf het moment dat muziek op de plaat gezet kon worden werd echter muziek in pakketjes samengebracht die verkocht konden worden. En met de opkomst van de elpee werden die pakketjes vastomlijnde cycli. En zo begonnen we in de concertzaal combinaties te spelen van werken die eigenlijk nooit bedoeld waren als cyclus, zoals bijvoorbeeld de vier Ballades van Chopin. Je wilt niet weten hoe vaak ik dat zelf ook heb gedaan. En waarom? Op een dag lunchte ik met Richter. Ik vroeg hem waarom hij de avond ervoor maar drie ballades had gespeeld, terwijl er vier zijn. Ik wist dat hij er vier op zijn repertoire had, want hij had ze opgenomen. Hij antwoordde: ‘Waarom zou ik? Deze stukken spraken me aan en ik wilde het publiek laten horen hoe mooi die muziek is. Waarom zou ik ze dan alle vier moeten spelen? Ze zijn nooit bedoeld als een onverbrekelijke eenheid.’’

‘De toonsoorten die bij elkaar horen speel ik per paar, maar ik volg niet de strikte volgorde van de kwintencirkel’

‘Toen ik twee of drie jaar geleden begon met voorbereidingen voor mijn zeventigste verjaardag en een overzicht maakte van alle muziek die ik ooit tijdens concerten gespeeld had, kwam ik tot een lijst van meer dan 580 werken. Afgezien van bijvoorbeeld ­s, ­kamermuziek en pianoconcerten waren er 160 kortere stukken. Zonder uitzondering prachtige stukken, die ik mezelf eigen had gemaakt omdat ik de schoonheid ervan wilde delen met het publiek. Maar ik speel ze bijna nooit, want ze passen niet in een , je kunt er hoogstens twee spelen als toegift. In plaats daarvan spelen we meestal bijvoorbeeld alle preludes van ­Chopin, Skrjabin, Rachmaninoff of Debussy. Maar wat doe je als er maar één of twee preludes zijn? Het is echt heel moeilijk om daarmee een ­serieus programma samen te stellen voor een serieuze concertzaal, zoals Het Concertgebouw – voor mij een van de belangrijkste plaatsen op aarde. En terwijl ik door de lijst ging, viel me op dat bijna alle toonsoorten vertegenwoordigd waren. Er ontbraken er maar twee. Toen kon ik de verleiding niet weerstaan om in het voetspoor van Bach een ‘cyclus’ (de aanhalingstekens zijn hier cruciaal) samen te stellen. Ik noemde het concept Der wohltemperierte Flügel, met een knipoog naar Bach, maar ook verwijzend naar het prettig gestemde karakter van de piano, zoals ook een goed gestemd persoon gevoel voor humor heeft, aardig is tegen anderen en vrolijk is. Zo stel ik me dit concert ook voor. Daarnaast verwijst de titel ook naar mijn eigen vleugel, die voor elk concert met mij meereist. Ik onderhoud en prepareer het instrument zelf. Sinds 1994 heeft geen pianotechnicus de vleugel aangeraakt.’

‘Ik heb een lijst samengesteld van bijna twintig componisten, en zo’n 90% van de te spelen werken zijn preludes. Daarom bedacht ik als ondertitel Prelude & co. Bij het groeperen van de stukken liep ik tegen het volgende fenomeen aan. In het begin dacht ik: dit zijn allemaal heel mooie stukken, dat moet goed komen. Maar mijn vrouw zei na het eerste concert: ‘Het verhaal klopt niet. Eerst vijf langzame stukken, dan drie snelle, het is niet logisch. En ik schrok er ook van hoe anders een bepaald stuk kan klinken als het na een ander stuk gespeeld wordt.’ Dat was een groot probleem, want ik kies elke keer andere stukken. Onze zintuigen passen zich aan. Als je uit het felle licht in een donkere kamer komt, zie je de eerste tien seconden niets, maar als je ogen zich aangepast hebben kun je weer zien. Wijnproevers drinken ook water om de smaak van het vorige glas te neutraliseren. Zo is ook de muzikale esthetiek een zintuig dat zich aanpast. En dat is een gevaar in dit concept, want als drie stukken je in een bepaalde richting geduwd hebben, klinkt het vierde werk heel anders dan wanneer je het als openingsstuk gehoord zou hebben. Daarom heb ik mezelf wat vrijheid gepermitteerd. De toonsoorten die bij elkaar horen speel ik per paar, maar ik volg niet de strikte volgorde van de zoals Bach dat deed. In het begin was ik onzeker over dit concept, maar het pakt heel goed uit. Ik ben blij dat mensen het accepteren. Uiteindelijk komen we in de concertzaal samen om ons te laven aan schoonheid. Dat is mijn enige doel.’

Deel of bewaar voor laterDelen

Preludium is een uitgave van Concertvrienden