Nog geen account of wachtwoord vergeten? Ga dan naar concertgebouw.nl
column

Speurwerk (5)

door Vrouwkje Tuinman
22 apr. 2021 22 april 2021

Schrijfster en dichteres Vrouwkje Tuinman reflecteert in Preludium maandelijks op haar muziekleven. Deze maand: een nieuw vervolg op de brief van Paganini.

Goed. Pas toen ik deel 4 schreef van dit Paganini-vervolgverhaal, op zoek naar de echtheid van een in Nederland opgedoken brief, werd me het grootste verschil duidelijk met de Italiaanse versie, die volgens Italië de echte is. De achterkant van die brief is ook beschreven. En drukt genoeg door om te kunnen lezen.

Sterker nog: hij is (deels) al door archivarissen beschreven. Het betreft een schrijfsel van Paganini, op dezelfde dag als dat van de voorkant geconcipieerd. Zijn verjaardag. Op beide zijden bedankt hij voor de felicitaties en liegt hij dat het heus niet zo slecht met hem gaat als de geruchten beweren.

Echter, waar hij op wat ik de voorzijde noem met complimenten strooit aan een leuke jonge zangeres, is de achterkant gericht aan ene Sina. Dat zal de gelijknamige vioolvirtuoos geweest zijn. Geen bevallige dame, maar een keurige heer die doceert in Parijs. Paganini hoopt weer eens met hem samen te spelen. ‘Een of andere sonatine,’ met hemzelf op gitaar. Graag ergens met goed weer, ‘misschien op het strand’.

De Italiaanse Paganini-deskundige die mijn mails niet meer beantwoordt heeft dit natuurlijk ook gelezen. Nadat hij mijn ‘kopie’, uit de Nederlandse collectie componistenbrieven, bekeek. Waar ook iets op de achterkant staat, maar geen brief aan heel iemand anders. Integendeel: een adressering aan de bevallige dame, die zich in Boulogne-sur-Mer bevindt (misschien op het strand?).

Nu ben ik natuurlijk geen deskundige. En omdat de universiteit waar mijn Italiaanse vriend werkt sinds corona onbereikbaar is, kan ik mijn mening ook niet aan deskundigheid toetsen. Daarom geef ik hem maar aan u. Ik denk dat het zomaar zou kunnen dat beide brieven echt zijn. Met dezelfde inkt geschreven, de een wat netter dan de ander. Met dezelfde tekst ook, die bij één versie ook is ondertekend. De versie die niet voor het persoonlijk archief was, maar daadwerkelijk werd verstuurd. En die later via allerlei wegen in Winterswijk, want dat zal ik dan maar onthullen, belandde en daar aan een muur hangt. Eén kladje, één voor het echie. Het kan. Na corona ga ik eens snel naar Genua.

Wordt hopelijk vervolgd.

Goed. Pas toen ik deel 4 schreef van dit Paganini-vervolgverhaal, op zoek naar de echtheid van een in Nederland opgedoken brief, werd me het grootste verschil duidelijk met de Italiaanse versie, die volgens Italië de echte is. De achterkant van die brief is ook beschreven. En drukt genoeg door om te kunnen lezen.

Sterker nog: hij is (deels) al door archivarissen beschreven. Het betreft een schrijfsel van Paganini, op dezelfde dag als dat van de voorkant geconcipieerd. Zijn verjaardag. Op beide zijden bedankt hij voor de felicitaties en liegt hij dat het heus niet zo slecht met hem gaat als de geruchten beweren.

Echter, waar hij op wat ik de voorzijde noem met complimenten strooit aan een leuke jonge zangeres, is de achterkant gericht aan ene Sina. Dat zal de gelijknamige vioolvirtuoos geweest zijn. Geen bevallige dame, maar een keurige heer die doceert in Parijs. Paganini hoopt weer eens met hem samen te spelen. ‘Een of andere sonatine,’ met hemzelf op gitaar. Graag ergens met goed weer, ‘misschien op het strand’.

De Italiaanse Paganini-deskundige die mijn mails niet meer beantwoordt heeft dit natuurlijk ook gelezen. Nadat hij mijn ‘kopie’, uit de Nederlandse collectie componistenbrieven, bekeek. Waar ook iets op de achterkant staat, maar geen brief aan heel iemand anders. Integendeel: een adressering aan de bevallige dame, die zich in Boulogne-sur-Mer bevindt (misschien op het strand?).

Nu ben ik natuurlijk geen deskundige. En omdat de universiteit waar mijn Italiaanse vriend werkt sinds corona onbereikbaar is, kan ik mijn mening ook niet aan deskundigheid toetsen. Daarom geef ik hem maar aan u. Ik denk dat het zomaar zou kunnen dat beide brieven echt zijn. Met dezelfde inkt geschreven, de een wat netter dan de ander. Met dezelfde tekst ook, die bij één versie ook is ondertekend. De versie die niet voor het persoonlijk archief was, maar daadwerkelijk werd verstuurd. En die later via allerlei wegen in Winterswijk, want dat zal ik dan maar onthullen, belandde en daar aan een muur hangt. Eén kladje, één voor het echie. Het kan. Na corona ga ik eens snel naar Genua.

Wordt hopelijk vervolgd.

Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Abonneer dan nu.