Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier

Sjostakovitsj 120: Kamermuziek met de Familie Ferschtman (deel 3)

Sjostakovitsj 120: Kamermuziek met de Familie Ferschtman (deel 3)

Kleine Zaal
26 maart 2026
20.15 uur

Print dit programma

Liza Ferschtman viool
Ivan Karizna cello
Maria Warenberg mezzosopraan
Mark Braafhart percussie
Slava Poprugin piano

Dit concert is het slot van de serie Kamermuziek met de ­familie Ferschtman.

Dit concert wordt voorzien van boventiteling.

Ook interessant:
- Liza Ferschtman over Sjostakovitsj’ Vijftiende symfonie

Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)

Symfonie nr. 15 in A gr.t., op. 141 (1971; bewerking voor slagwerk en pianotrio door Viktor Derevianko en Mark Pekarski 1972)
Allegro
Adagio – Largo – Adagio – Largo
Allegretto
Adagio – Allegretto – Adagio – Allegretto

pauze ± 21.00 uur

Zeven romances op teksten van Aleksander Blok, op. 127 (1967)
voor sopraan en pianotrio
Het lied van Ophelia
Gamajoen, de profeetvogel
Wij waren samen
De stad slaapt
Storm
Mysterieuze tekens
Muziek

einde ± 22.00 uur

Kleine Zaal 26 maart 2026 20.15 uur

Liza Ferschtman viool
Ivan Karizna cello
Maria Warenberg mezzosopraan
Mark Braafhart percussie
Slava Poprugin piano

Dit concert is het slot van de serie Kamermuziek met de ­familie Ferschtman.

Dit concert wordt voorzien van boventiteling.

Ook interessant:
- Liza Ferschtman over Sjostakovitsj’ Vijftiende symfonie

Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)

Symfonie nr. 15 in A gr.t., op. 141 (1971; bewerking voor slagwerk en pianotrio door Viktor Derevianko en Mark Pekarski 1972)
Allegro
Adagio – Largo – Adagio – Largo
Allegretto
Adagio – Allegretto – Adagio – Allegretto

pauze ± 21.00 uur

Zeven romances op teksten van Aleksander Blok, op. 127 (1967)
voor sopraan en pianotrio
Het lied van Ophelia
Gamajoen, de profeetvogel
Wij waren samen
De stad slaapt
Storm
Mysterieuze tekens
Muziek

einde ± 22.00 uur

Toelichting

Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)

Sjostakovitsj’ eigen verhaal onder Brezjnev

door Onno Schoonderwoerd

In zijn roman in gedichten Familie­archief (1997) stelt de Oekraïner Boris Chersonski (1950) zijn Joods-Russische familie centraal. Het leed van eeuwen deed hen vanuit het zuidwesten van Oekraïne (tegen de Moldavische grens) uitwaaieren over de wereld. Eén nazaat belandde al vóór de Tweede Wereldoorlog in Amerika en keerde eenmalig terug voor een wetenschappelijke conferentie:

Het was hem niet duidelijk / waarom de arme verwanten / geen geld van hem aannamen / waarom de straatvegers de straat niet veegden / en waarom overal spandoeken hingen die begonnen met de woorden ‘Lang leve’.

Hij probeerde een grapje te maken: / ‘Lang leve wie? Waarom? / Voor dit soort dingen krijg je / in de geciviliseerde wereld / in het beste geval een pak slaag.’

En hij was verwonderd dat niemand lachte.*

Vreemder kon voor een buitenstaander de Sovjet-Unie bijna niet zijn. Hoe ­zaken beter niet gezegd werden, verhalen niet verteld. Maar ze waren gekend door de goede verstaander.

In zijn roman in gedichten Familie­archief (1997) stelt de Oekraïner Boris Chersonski (1950) zijn Joods-Russische familie centraal. Het leed van eeuwen deed hen vanuit het zuidwesten van Oekraïne (tegen de Moldavische grens) uitwaaieren over de wereld. Eén nazaat belandde al vóór de Tweede Wereldoorlog in Amerika en keerde eenmalig terug voor een wetenschappelijke conferentie:

Het was hem niet duidelijk / waarom de arme verwanten / geen geld van hem aannamen / waarom de straatvegers de straat niet veegden / en waarom overal spandoeken hingen die begonnen met de woorden ‘Lang leve’.

Hij probeerde een grapje te maken: / ‘Lang leve wie? Waarom? / Voor dit soort dingen krijg je / in de geciviliseerde wereld / in het beste geval een pak slaag.’

En hij was verwonderd dat niemand lachte.*

Vreemder kon voor een buitenstaander de Sovjet-Unie bijna niet zijn. Hoe ­zaken beter niet gezegd werden, verhalen niet verteld. Maar ze waren gekend door de goede verstaander.

door Onno Schoonderwoerd

Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)

Vijftiende symfonie

door Onno Schoonderwoerd

In 1962 had Dmitri Sjostakovitsj openlijk kunnen meewerken aan de demystificatie van ‘Vadertje’ Stalin. Voor zijn Dertiende ­symfonie (‘Babi Jar’) benutte hij de niet mis te verstane teksten van Jevgeni ­Jevtoe­sjenko om zijn mening over de gemeenschappelijke geschiedenis uit te spreken. Eind 1970, toen hij aan zijn Vijftiende en laatste symfonie begon, was de schijnbare dooi onder Nikita Chroesjtsjov – ooit een keiharde stalinist – alweer voorbij. In het Leonid Brezjnev-tijdperk werden samenleving en cultuur opnieuw de duimschroeven aangedraaid. Niet voor niets schreef Sjostakovitsj voor het eerst in jaren weer een ogenschijnlijk ‘absolute’ symfonie, zonder woorden en zonder duidelijk program: zo bleef er ruimte voor een dubbele bodem; immers: hoe interpreteer je een septiemakkoord? 

Iedere plichtmatig-optimistische sovjetbombast is in elk geval weggezuiverd. Er zijn referenties aan Rossini’s Guillaume Tell in deel 1 (een verwijzing naar Sjostakovitsj’ jeugd?). In deel 4: het ‘noodslotsmotief’ uit Wagners Walküre en de ouverture van diens Tristan und Isolde. Soms miniem, maar voor de goede verstaander mogelijk betekenisvol. Door de opgeklopte joligheid in de oneven delen ‘oren’ de tragische noten van de andere extra wrang. En dat slot, met die moeizaam wegtikkende laatste tien minuten – typeert Sjostakovitsj, net als Maurice Ravel een verwoed verzamelaar van mechanische beestjes en opwindpoppetjes, daar de werkelijke vrijheid van de individuele sovjetburger? Was het het geruis van de ziekenhuisapparatuur die de doodzieke componist omgaf, zoals de dirigent Kurt Sanderling (1912-2011, red.) meende?

Voor de waardering voor deze bijna ascetische symfonie, nog ‘uitgekleder’ in de kamermuziekversie die pianist Viktor Derevianko en percussionist Mark Pekarski al meteen in 1972 samenstelden, maakt dat weinig verschil.

In 1962 had Dmitri Sjostakovitsj openlijk kunnen meewerken aan de demystificatie van ‘Vadertje’ Stalin. Voor zijn Dertiende ­symfonie (‘Babi Jar’) benutte hij de niet mis te verstane teksten van Jevgeni ­Jevtoe­sjenko om zijn mening over de gemeenschappelijke geschiedenis uit te spreken. Eind 1970, toen hij aan zijn Vijftiende en laatste symfonie begon, was de schijnbare dooi onder Nikita Chroesjtsjov – ooit een keiharde stalinist – alweer voorbij. In het Leonid Brezjnev-tijdperk werden samenleving en cultuur opnieuw de duimschroeven aangedraaid. Niet voor niets schreef Sjostakovitsj voor het eerst in jaren weer een ogenschijnlijk ‘absolute’ symfonie, zonder woorden en zonder duidelijk program: zo bleef er ruimte voor een dubbele bodem; immers: hoe interpreteer je een septiemakkoord? 

Iedere plichtmatig-optimistische sovjetbombast is in elk geval weggezuiverd. Er zijn referenties aan Rossini’s Guillaume Tell in deel 1 (een verwijzing naar Sjostakovitsj’ jeugd?). In deel 4: het ‘noodslotsmotief’ uit Wagners Walküre en de ouverture van diens Tristan und Isolde. Soms miniem, maar voor de goede verstaander mogelijk betekenisvol. Door de opgeklopte joligheid in de oneven delen ‘oren’ de tragische noten van de andere extra wrang. En dat slot, met die moeizaam wegtikkende laatste tien minuten – typeert Sjostakovitsj, net als Maurice Ravel een verwoed verzamelaar van mechanische beestjes en opwindpoppetjes, daar de werkelijke vrijheid van de individuele sovjetburger? Was het het geruis van de ziekenhuisapparatuur die de doodzieke componist omgaf, zoals de dirigent Kurt Sanderling (1912-2011, red.) meende?

Voor de waardering voor deze bijna ascetische symfonie, nog ‘uitgekleder’ in de kamermuziekversie die pianist Viktor Derevianko en percussionist Mark Pekarski al meteen in 1972 samenstelden, maakt dat weinig verschil.

door Onno Schoonderwoerd

Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)

Zeven romances op teksten van Aleksander Blok

door Onno Schoonderwoerd

De Zeven romances op teksten van Aleksander Blok zijn een paar jaar ouder dan Sjostakovitsj’ laatste symfonie. De componist herstelde van een hartaanval. Hij mocht nooit meer roken en drinken van de dokters, en de Rus was bang niets meer op papier te krijgen. Totdat hij, toen zijn vrouw voor een paar dagen weg was, ergens in een kast een halve fles gedistilleerd ontdekte. ‘Weet je,’ sprak hij tot zijn vriend en collega Veniamin Basner, ‘plotseling werd ik door zo’n behoefte aan drank overvallen, dat ik het niet kon weerstaan. Dus nam ik een glas. En weet je, het smaakte zo uitstekend, dat ik ging zitten. Alles kwam meteen als vanzelf op mij af, en ik had het werk in drie dagen af.’

De Zeven romances op teksten van Aleksander Blok zijn een paar jaar ouder dan Sjostakovitsj’ laatste symfonie. De componist herstelde van een hartaanval. Hij mocht nooit meer roken en drinken van de dokters, en de Rus was bang niets meer op papier te krijgen. Totdat hij, toen zijn vrouw voor een paar dagen weg was, ergens in een kast een halve fles gedistilleerd ontdekte. ‘Weet je,’ sprak hij tot zijn vriend en collega Veniamin Basner, ‘plotseling werd ik door zo’n behoefte aan drank overvallen, dat ik het niet kon weerstaan. Dus nam ik een glas. En weet je, het smaakte zo uitstekend, dat ik ging zitten. Alles kwam meteen als vanzelf op mij af, en ik had het werk in drie dagen af.’

  • Aleksander Blok, geportretteerd door Tatjana Nikolaevna Gippius in 1906

    Aleksander Blok, geportretteerd door Tatjana Nikolaevna Gippius in 1906

  • Aleksander Blok, geportretteerd door Tatjana Nikolaevna Gippius in 1906

    Aleksander Blok, geportretteerd door Tatjana Nikolaevna Gippius in 1906

Sjostakovitsj koos jeugdwerken van Aleksander Blok (1880-1921), een van zijn lievelingsdichters, als vertrekpunt. Het werd een werk voor zijn boezemvrienden Galina Visjnevskaja, David Oistrach en Mstislav Rostropovitsj. Zang, viool, cello. Zelf wilde hij de pianopartij voor zijn rekening nemen, maar een andere goede vriend, componist/pianist Mieczysław Weinberg, moest bij de première invallen. In de eerste liederen speelt steeds slechts één van de instrumenten de begeleiding, in nummer 4 spelen alleen cello en piano, dan klinken viool en piano in ‘Storm’ en viool plus cello in ‘Mysterieuze tekens’. Pas in het slotlied komen alle vier samen.

Zoals altijd verenigde Sjostakovitsj in één werk grote extremen. De profetische, mythische vogel Gamajoen die lachend rampspoed verkondigt (Zij ziet Tataren in het land / Voorspelt de bloeddorst van de rechters.**). En de gierende storm – voor Sjostakovitsj ongetwijfeld een metafoor voor het leed dat men in zijn vaderland heeft aangericht: beide worden met een niet aflatend fortissimo [zeer luid, red.] voorgesteld. Een uitzonderlijk pianissimo [zeer zacht, red.] beheerst de overige liederen. Alleen in het zevende lied, waar ook het persoonlijke en het algemene elkaar raken, komen beide uitersten echt bij elkaar.

Een half litertje wodka brengt soms onderling begrip teweeg. Maar in deze liedcyclus is ook alcoholvrij weinig onverstaanbaar. ‘Wat kan een mensentraan mij deren, / Als ’t licht de einder blozen doet.’

* Boris Chersonski Familiearchief (1997), vert. Gents Collectief van Poëzievertalers, Amsterdam ­(Pegasus), 2014

** Aleksander Blok, gedichten, vert. Gents vertaalcollectief, Tijdschrift voor Slavische cultuur (2003) (www.slavischeliteratuur.nl)

Sjostakovitsj koos jeugdwerken van Aleksander Blok (1880-1921), een van zijn lievelingsdichters, als vertrekpunt. Het werd een werk voor zijn boezemvrienden Galina Visjnevskaja, David Oistrach en Mstislav Rostropovitsj. Zang, viool, cello. Zelf wilde hij de pianopartij voor zijn rekening nemen, maar een andere goede vriend, componist/pianist Mieczysław Weinberg, moest bij de première invallen. In de eerste liederen speelt steeds slechts één van de instrumenten de begeleiding, in nummer 4 spelen alleen cello en piano, dan klinken viool en piano in ‘Storm’ en viool plus cello in ‘Mysterieuze tekens’. Pas in het slotlied komen alle vier samen.

Zoals altijd verenigde Sjostakovitsj in één werk grote extremen. De profetische, mythische vogel Gamajoen die lachend rampspoed verkondigt (Zij ziet Tataren in het land / Voorspelt de bloeddorst van de rechters.**). En de gierende storm – voor Sjostakovitsj ongetwijfeld een metafoor voor het leed dat men in zijn vaderland heeft aangericht: beide worden met een niet aflatend fortissimo [zeer luid, red.] voorgesteld. Een uitzonderlijk pianissimo [zeer zacht, red.] beheerst de overige liederen. Alleen in het zevende lied, waar ook het persoonlijke en het algemene elkaar raken, komen beide uitersten echt bij elkaar.

Een half litertje wodka brengt soms onderling begrip teweeg. Maar in deze liedcyclus is ook alcoholvrij weinig onverstaanbaar. ‘Wat kan een mensentraan mij deren, / Als ’t licht de einder blozen doet.’

* Boris Chersonski Familiearchief (1997), vert. Gents Collectief van Poëzievertalers, Amsterdam ­(Pegasus), 2014

** Aleksander Blok, gedichten, vert. Gents vertaalcollectief, Tijdschrift voor Slavische cultuur (2003) (www.slavischeliteratuur.nl)

door Onno Schoonderwoerd

Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)

Sjostakovitsj’ eigen verhaal onder Brezjnev

door Onno Schoonderwoerd

In zijn roman in gedichten Familie­archief (1997) stelt de Oekraïner Boris Chersonski (1950) zijn Joods-Russische familie centraal. Het leed van eeuwen deed hen vanuit het zuidwesten van Oekraïne (tegen de Moldavische grens) uitwaaieren over de wereld. Eén nazaat belandde al vóór de Tweede Wereldoorlog in Amerika en keerde eenmalig terug voor een wetenschappelijke conferentie:

Het was hem niet duidelijk / waarom de arme verwanten / geen geld van hem aannamen / waarom de straatvegers de straat niet veegden / en waarom overal spandoeken hingen die begonnen met de woorden ‘Lang leve’.

Hij probeerde een grapje te maken: / ‘Lang leve wie? Waarom? / Voor dit soort dingen krijg je / in de geciviliseerde wereld / in het beste geval een pak slaag.’

En hij was verwonderd dat niemand lachte.*

Vreemder kon voor een buitenstaander de Sovjet-Unie bijna niet zijn. Hoe ­zaken beter niet gezegd werden, verhalen niet verteld. Maar ze waren gekend door de goede verstaander.

In zijn roman in gedichten Familie­archief (1997) stelt de Oekraïner Boris Chersonski (1950) zijn Joods-Russische familie centraal. Het leed van eeuwen deed hen vanuit het zuidwesten van Oekraïne (tegen de Moldavische grens) uitwaaieren over de wereld. Eén nazaat belandde al vóór de Tweede Wereldoorlog in Amerika en keerde eenmalig terug voor een wetenschappelijke conferentie:

Het was hem niet duidelijk / waarom de arme verwanten / geen geld van hem aannamen / waarom de straatvegers de straat niet veegden / en waarom overal spandoeken hingen die begonnen met de woorden ‘Lang leve’.

Hij probeerde een grapje te maken: / ‘Lang leve wie? Waarom? / Voor dit soort dingen krijg je / in de geciviliseerde wereld / in het beste geval een pak slaag.’

En hij was verwonderd dat niemand lachte.*

Vreemder kon voor een buitenstaander de Sovjet-Unie bijna niet zijn. Hoe ­zaken beter niet gezegd werden, verhalen niet verteld. Maar ze waren gekend door de goede verstaander.

door Onno Schoonderwoerd

Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)

Vijftiende symfonie

door Onno Schoonderwoerd

In 1962 had Dmitri Sjostakovitsj openlijk kunnen meewerken aan de demystificatie van ‘Vadertje’ Stalin. Voor zijn Dertiende ­symfonie (‘Babi Jar’) benutte hij de niet mis te verstane teksten van Jevgeni ­Jevtoe­sjenko om zijn mening over de gemeenschappelijke geschiedenis uit te spreken. Eind 1970, toen hij aan zijn Vijftiende en laatste symfonie begon, was de schijnbare dooi onder Nikita Chroesjtsjov – ooit een keiharde stalinist – alweer voorbij. In het Leonid Brezjnev-tijdperk werden samenleving en cultuur opnieuw de duimschroeven aangedraaid. Niet voor niets schreef Sjostakovitsj voor het eerst in jaren weer een ogenschijnlijk ‘absolute’ symfonie, zonder woorden en zonder duidelijk program: zo bleef er ruimte voor een dubbele bodem; immers: hoe interpreteer je een septiemakkoord? 

Iedere plichtmatig-optimistische sovjetbombast is in elk geval weggezuiverd. Er zijn referenties aan Rossini’s Guillaume Tell in deel 1 (een verwijzing naar Sjostakovitsj’ jeugd?). In deel 4: het ‘noodslotsmotief’ uit Wagners Walküre en de ouverture van diens Tristan und Isolde. Soms miniem, maar voor de goede verstaander mogelijk betekenisvol. Door de opgeklopte joligheid in de oneven delen ‘oren’ de tragische noten van de andere extra wrang. En dat slot, met die moeizaam wegtikkende laatste tien minuten – typeert Sjostakovitsj, net als Maurice Ravel een verwoed verzamelaar van mechanische beestjes en opwindpoppetjes, daar de werkelijke vrijheid van de individuele sovjetburger? Was het het geruis van de ziekenhuisapparatuur die de doodzieke componist omgaf, zoals de dirigent Kurt Sanderling (1912-2011, red.) meende?

Voor de waardering voor deze bijna ascetische symfonie, nog ‘uitgekleder’ in de kamermuziekversie die pianist Viktor Derevianko en percussionist Mark Pekarski al meteen in 1972 samenstelden, maakt dat weinig verschil.

In 1962 had Dmitri Sjostakovitsj openlijk kunnen meewerken aan de demystificatie van ‘Vadertje’ Stalin. Voor zijn Dertiende ­symfonie (‘Babi Jar’) benutte hij de niet mis te verstane teksten van Jevgeni ­Jevtoe­sjenko om zijn mening over de gemeenschappelijke geschiedenis uit te spreken. Eind 1970, toen hij aan zijn Vijftiende en laatste symfonie begon, was de schijnbare dooi onder Nikita Chroesjtsjov – ooit een keiharde stalinist – alweer voorbij. In het Leonid Brezjnev-tijdperk werden samenleving en cultuur opnieuw de duimschroeven aangedraaid. Niet voor niets schreef Sjostakovitsj voor het eerst in jaren weer een ogenschijnlijk ‘absolute’ symfonie, zonder woorden en zonder duidelijk program: zo bleef er ruimte voor een dubbele bodem; immers: hoe interpreteer je een septiemakkoord? 

Iedere plichtmatig-optimistische sovjetbombast is in elk geval weggezuiverd. Er zijn referenties aan Rossini’s Guillaume Tell in deel 1 (een verwijzing naar Sjostakovitsj’ jeugd?). In deel 4: het ‘noodslotsmotief’ uit Wagners Walküre en de ouverture van diens Tristan und Isolde. Soms miniem, maar voor de goede verstaander mogelijk betekenisvol. Door de opgeklopte joligheid in de oneven delen ‘oren’ de tragische noten van de andere extra wrang. En dat slot, met die moeizaam wegtikkende laatste tien minuten – typeert Sjostakovitsj, net als Maurice Ravel een verwoed verzamelaar van mechanische beestjes en opwindpoppetjes, daar de werkelijke vrijheid van de individuele sovjetburger? Was het het geruis van de ziekenhuisapparatuur die de doodzieke componist omgaf, zoals de dirigent Kurt Sanderling (1912-2011, red.) meende?

Voor de waardering voor deze bijna ascetische symfonie, nog ‘uitgekleder’ in de kamermuziekversie die pianist Viktor Derevianko en percussionist Mark Pekarski al meteen in 1972 samenstelden, maakt dat weinig verschil.

door Onno Schoonderwoerd

Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)

Zeven romances op teksten van Aleksander Blok

door Onno Schoonderwoerd

De Zeven romances op teksten van Aleksander Blok zijn een paar jaar ouder dan Sjostakovitsj’ laatste symfonie. De componist herstelde van een hartaanval. Hij mocht nooit meer roken en drinken van de dokters, en de Rus was bang niets meer op papier te krijgen. Totdat hij, toen zijn vrouw voor een paar dagen weg was, ergens in een kast een halve fles gedistilleerd ontdekte. ‘Weet je,’ sprak hij tot zijn vriend en collega Veniamin Basner, ‘plotseling werd ik door zo’n behoefte aan drank overvallen, dat ik het niet kon weerstaan. Dus nam ik een glas. En weet je, het smaakte zo uitstekend, dat ik ging zitten. Alles kwam meteen als vanzelf op mij af, en ik had het werk in drie dagen af.’

De Zeven romances op teksten van Aleksander Blok zijn een paar jaar ouder dan Sjostakovitsj’ laatste symfonie. De componist herstelde van een hartaanval. Hij mocht nooit meer roken en drinken van de dokters, en de Rus was bang niets meer op papier te krijgen. Totdat hij, toen zijn vrouw voor een paar dagen weg was, ergens in een kast een halve fles gedistilleerd ontdekte. ‘Weet je,’ sprak hij tot zijn vriend en collega Veniamin Basner, ‘plotseling werd ik door zo’n behoefte aan drank overvallen, dat ik het niet kon weerstaan. Dus nam ik een glas. En weet je, het smaakte zo uitstekend, dat ik ging zitten. Alles kwam meteen als vanzelf op mij af, en ik had het werk in drie dagen af.’

  • Aleksander Blok, geportretteerd door Tatjana Nikolaevna Gippius in 1906

    Aleksander Blok, geportretteerd door Tatjana Nikolaevna Gippius in 1906

  • Aleksander Blok, geportretteerd door Tatjana Nikolaevna Gippius in 1906

    Aleksander Blok, geportretteerd door Tatjana Nikolaevna Gippius in 1906

Sjostakovitsj koos jeugdwerken van Aleksander Blok (1880-1921), een van zijn lievelingsdichters, als vertrekpunt. Het werd een werk voor zijn boezemvrienden Galina Visjnevskaja, David Oistrach en Mstislav Rostropovitsj. Zang, viool, cello. Zelf wilde hij de pianopartij voor zijn rekening nemen, maar een andere goede vriend, componist/pianist Mieczysław Weinberg, moest bij de première invallen. In de eerste liederen speelt steeds slechts één van de instrumenten de begeleiding, in nummer 4 spelen alleen cello en piano, dan klinken viool en piano in ‘Storm’ en viool plus cello in ‘Mysterieuze tekens’. Pas in het slotlied komen alle vier samen.

Zoals altijd verenigde Sjostakovitsj in één werk grote extremen. De profetische, mythische vogel Gamajoen die lachend rampspoed verkondigt (Zij ziet Tataren in het land / Voorspelt de bloeddorst van de rechters.**). En de gierende storm – voor Sjostakovitsj ongetwijfeld een metafoor voor het leed dat men in zijn vaderland heeft aangericht: beide worden met een niet aflatend fortissimo [zeer luid, red.] voorgesteld. Een uitzonderlijk pianissimo [zeer zacht, red.] beheerst de overige liederen. Alleen in het zevende lied, waar ook het persoonlijke en het algemene elkaar raken, komen beide uitersten echt bij elkaar.

Een half litertje wodka brengt soms onderling begrip teweeg. Maar in deze liedcyclus is ook alcoholvrij weinig onverstaanbaar. ‘Wat kan een mensentraan mij deren, / Als ’t licht de einder blozen doet.’

* Boris Chersonski Familiearchief (1997), vert. Gents Collectief van Poëzievertalers, Amsterdam ­(Pegasus), 2014

** Aleksander Blok, gedichten, vert. Gents vertaalcollectief, Tijdschrift voor Slavische cultuur (2003) (www.slavischeliteratuur.nl)

Sjostakovitsj koos jeugdwerken van Aleksander Blok (1880-1921), een van zijn lievelingsdichters, als vertrekpunt. Het werd een werk voor zijn boezemvrienden Galina Visjnevskaja, David Oistrach en Mstislav Rostropovitsj. Zang, viool, cello. Zelf wilde hij de pianopartij voor zijn rekening nemen, maar een andere goede vriend, componist/pianist Mieczysław Weinberg, moest bij de première invallen. In de eerste liederen speelt steeds slechts één van de instrumenten de begeleiding, in nummer 4 spelen alleen cello en piano, dan klinken viool en piano in ‘Storm’ en viool plus cello in ‘Mysterieuze tekens’. Pas in het slotlied komen alle vier samen.

Zoals altijd verenigde Sjostakovitsj in één werk grote extremen. De profetische, mythische vogel Gamajoen die lachend rampspoed verkondigt (Zij ziet Tataren in het land / Voorspelt de bloeddorst van de rechters.**). En de gierende storm – voor Sjostakovitsj ongetwijfeld een metafoor voor het leed dat men in zijn vaderland heeft aangericht: beide worden met een niet aflatend fortissimo [zeer luid, red.] voorgesteld. Een uitzonderlijk pianissimo [zeer zacht, red.] beheerst de overige liederen. Alleen in het zevende lied, waar ook het persoonlijke en het algemene elkaar raken, komen beide uitersten echt bij elkaar.

Een half litertje wodka brengt soms onderling begrip teweeg. Maar in deze liedcyclus is ook alcoholvrij weinig onverstaanbaar. ‘Wat kan een mensentraan mij deren, / Als ’t licht de einder blozen doet.’

* Boris Chersonski Familiearchief (1997), vert. Gents Collectief van Poëzievertalers, Amsterdam ­(Pegasus), 2014

** Aleksander Blok, gedichten, vert. Gents vertaalcollectief, Tijdschrift voor Slavische cultuur (2003) (www.slavischeliteratuur.nl)

door Onno Schoonderwoerd

Biografie

Liza Ferschtman, viool

Liza Ferschtman, dochter van Dmitri Ferschtman en Mila ­Baslawskaja, had vanaf haar vijfde les van ­Philipp Hirshhorn, studeerde in Amsterdam bij Herman Krebbers, in ­Philadelphia bij Ida ­Kavafian en in Londen bij David Takeno.

In 1997 won ze het Nationaal Vioolconcours ‘Oskar Back’ en in 2006 ontving ze de Nederlandse Muziekprijs. Haar Concertgebouwdebuut was in Het ­Zondagochtend Concert van 6 oktober 1996 met het Radio Kamer­orkest, en in zomer 1998 volgde haar Kleine Zaal-­debuut.

De violiste werkte met vrijwel alle Nederlandse orkesten, en bijvoorbeeld ook met de BBC Philharmonic, de orkesten van Dallas, San Francisco, Boston, Montréal en Hongkong en het Budapest Festival Orchestra. Afgelopen november stond ze nog met de Brussels Philharmonic in de Grote Zaal met het Vioolconcert van Sibelius.

Gezelschappen als Amsterdam Sinfonietta en de Kammerakademie Potsdam leidde Liza Ferschtman als solist. Kamermuziek speelt ze met Enrico Pace, Elisabeth Leonskaja, Jonathan Biss, Christian Poltéra en vele anderen, en van 2007 tot 2022 was ze artistiek leider van het Delft Chamber Music Festival. Solo­recitals zijn een belangrijk onderdeel van haar agenda en met solo-opnames van Bach, Ysaÿe, Biber, Bartók en Berio ook van haar discografie. Liza Ferschtman bespeelt de Guarnerius del Gesù ‘Benno Rabinof’ uit 1742.

Ivan Karizna, cello

Ivan Karizna werd in Minsk geboren in een familie van musici. Hij kreeg les van de bekende cellopedagoog Valentin Perlin en studeerde vervolgens in Parijs – hij nam de Franse nationaliteit aan – bij Jérôme Pernoo en aan de Kronberg Academy bij Frans Helmerson.

De cellist was laureaat van het Tsjai­kovski Concours en van de Koningin Elisabethwedstrijd 2017 (vijfde prijs en publieksprijs), en was in 2018, 2022 en 2024 te gast op de Amsterdamse Cello Biënnale.

In Het Concertgebouw speelde hij in november 2021 met de Amsterdam Sinfonietta Solisten in de Kleine Zaal, en in de Grote Zaal soleerde hij bij het Nederlands Philharmonisch in Dvořák (januari 2023) en in de Nederlandse première van Thomas Larchers Returning into Darkness (februari 2026).

In Het Zondagochtend Concert debuteerde Ivan Karizna afgelopen september bij het Radio Filharmonisch Orkest met het Eerste cell­oconcert van Saint-Saëns. Ivan Karizna is een fervent kamermusicus en werkte samen met Joseph Swensen en Alan Gilbert (La Jolla Chamber Music Festival), Gidon Kremer, András Schiff, Renaud Capuçon en Christian Tetzlaff.

In de agenda van dit seizoen staan onder meer een terugkeer naar het Jerusalem Chamber Music Festival van Elena Bashkirova en UKARIA in de Adelaide Hills. Ivan Karizna heeft de Tassini-cello uit 1760 in bruikleen die vroeger eigendom was van Paul Tortelier.

Maria Warenberg, mezzosopraan

Maria Warenberg was meervoudig prijswinnaar van het Classic Young Masters Concours en finalist van de Koningin Elisabethwedstrijd 2023 in Brussel. In 2021 behaalde ze haar bachelor aan het Conservatorium van Amsterdam bij Sasja Hunnego.

Bij de Dutch National Opera Academy stond ze in Die Zauberflöte en La finta giardiniera van Mozart, en – met het Orkest van de Achttiende Eeuw onder Kenneth Montgomery – L’isola disabitata van Haydn.

Met dit laatste orkest tourde ze afgelopen najaar als Cherubino in Mozarts Le nozze di Figaro (in Het Concertgebouw op 25 oktober jongstleden). Bij Opera Ballet Vlaanderen – in een productie die op de Wiener Festwochen werd herhaald – en op het Edinburgh International Festival vertolkte ze Annio in Mozarts La clemenza di Tito.

Sinds 2024/2025 maakt Maria Warenberg deel uit van het solistenensemble van de Opéra National de Paris. Ze heeft ook een grote liefde voor het lied, en zo gaf ze in maart 2025 in de Kleine Zaal met pianist Malcolm Martineau een recital in de serie Jonge Nederlanders.

Neem een kijkje in de koffer van Maria Warenberg

Mark Braafhart, percussie

Mark Braafhart studeerde aan het Conservatorium van Amsterdam bij Jan Pustjens, Nick Woud, Gustavo Gimeno, Lorenzo Ferrandiz en Victor Oskam. Tijdens zijn studie remplaceerde hij regelmatig bij het Concertgebouworkest en bij alle andere grote orkesten in Nederland.

Na drie jaar in het Rotterdams Philharmonisch Orkest volgde hij in 2008 zijn voormalige docent Jan Pustjens op als soloslagwerker in het Concertgebouworkest. Mark Braafhart speelt naast zijn orkestbaan zo veel mogelijk kamermuziek. Bovendien is hij een gepassioneerd docent: hij is verbonden aan het Conservatorium van Amsterdam als docent klassiek slagwerk en gaf masterclasses in Brazilië, Zuid-­Korea, Australië, Spanje en Portugal.

Slava Poprugin, piano

Slava Poprugin werd geboren in het Russische ­Khabarovsk en kreeg daar vanaf zijn zesde zijn eerste pianolessen. Later studeerde hij aan het Gnessin Muziekinstituut in Moskou. Zelf ging hij lesgeven aan het Tsjaikovski Staatsconservatorium in Moskou (1999-2015), en sinds 2018 is hij verbonden aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.

De pianist gaf vele concerten en maakte tal van internationale tournees, en deelde ruim vijftien jaar geregeld het podium met celliste Natalia Gutman. Kamermuziek speelde hij ook met Yuri Bashmet, Martin Fröst en Liza Ferschtman, en in muziek voor pianoduo trad hij op met collega’s als Alexei Lubimov en Alexander ­Melnikov.

Slava Poprugin werkt bovendien als ­geluidstechnicus: in 2016 opende hij in de Betuwe de Steppenwolf Studio, waar musici in alle rust kunnen werken aan hun cd-opnames. Het Concertgebouwdebuut van Slava Poprugin was in de zomer van 2019 in een uitvoering van Simeon ten Holts Canto osti­nato met onder anderen Jeroen en Sandra van Veen, en in januari 2020 en januari 2024 keerde de pianist voor datzelfde werk terug in de Grote Zaal. In de Kleine Zaal maakt Slava Poprugin zijn debuut.