Sjostakovitsj 120: Kamermuziek met de Familie Ferschtman (deel 2)
Kleine Zaal 12 februari 2026 20.15 uur
Liza Ferschtman viool
Mara Mostert viool
Jennifer Stumm altviool
Dmitri Ferschtman cello
Mila Baslawskaja piano
Enrico Pace piano
Dit concert is het tweede van de serie Kamermuziek met de familie Ferschtman. Het derde en laatste concert is op 26 maart.
Ook interessant:
- De koffer van Dmitri Ferschtman
Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)
Sonate nr. 2 in b kl.t., op. 61 (1943)
voor piano
Allegretto
Largo
Moderato – Allegretto con moto – Adagio – Moderato
Pianotrio nr. 2 in e kl.t., op. 67 (1944)
Andante – Moderato – Poco piu mosso
Allegro con brio
Largo
Allegretto – Adagio
pauze ± 21.10 uur
Pianokwintet in g kl.t., op. 57 (1940)
Prelude: Lento
Fuga: Adagio
Scherzo: Allegretto
Intermezzo: Lento
Finale: Allegretto
einde ± 22.10 uur
Liza Ferschtman viool
Mara Mostert viool
Jennifer Stumm altviool
Dmitri Ferschtman cello
Mila Baslawskaja piano
Enrico Pace piano
Dit concert is het tweede van de serie Kamermuziek met de familie Ferschtman. Het derde en laatste concert is op 26 maart.
Ook interessant:
- De koffer van Dmitri Ferschtman
Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)
Sonate nr. 2 in b kl.t., op. 61 (1943)
voor piano
Allegretto
Largo
Moderato – Allegretto con moto – Adagio – Moderato
Pianotrio nr. 2 in e kl.t., op. 67 (1944)
Andante – Moderato – Poco piu mosso
Allegro con brio
Largo
Allegretto – Adagio
pauze ± 21.10 uur
Pianokwintet in g kl.t., op. 57 (1940)
Prelude: Lento
Fuga: Adagio
Scherzo: Allegretto
Intermezzo: Lento
Finale: Allegretto
einde ± 22.10 uur
Toelichting
Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)
Toelichting
Rond de ‘Grote Vaderlandse Oorlog’
Dmitri Sjostakovitsj schreef zijn Pianokwintet in Leningrad in 1939-40, kort vóór de oorlog. De Tweede pianosonate (ter nagedachtenis aan zijn vroegere pianoleraar Leonid Nikolajev) ontstond in 1942-43 in Koejbysjev, waarheen hij was geëvacueerd vanuit het belegerde Leningrad. Het Tweede pianotrio verscheen in Novosibirsk en Ivanovo in 1944 op papier en is opgedragen aan zijn overleden vriend, de musicoloog, polyglot en Mahlerkenner Ivan Sollertinski.
Tweede sonate
Ondanks een niet-aanvalsverdrag overrompelden Hitlers horden op 22 juni 1941 de USSR. De verdediging was ondermaats: Stalins zuiveringen in de Russische legerleiding vergden hun tol. Belangrijke steden als Leningrad en Charkiv vielen, en de slag om Stalingrad (1942-43) was ongekend zwaar. Natuurlijk werd Stalin na de bloedige overwinning op het schild gehesen, maar, zoals de veteraan Joeri Belasj (1920-1988) later dichtte:
Eerlijk gezegd:
in de loopgraven dachten we echt
niet aan Stalin.
Wel aan God. (…)
Waren er geen kranten geweest,
waarachtig, dan zouden we ‘die vreemde naam’
– niet eens Russisch –
gewoon zijn vergeten. *
Samen met veel collega-wetenschappers en -kunstenaars werd Sjostakovitsj op transport gezet: weg van de frontlinie. Hij belandde uiteindelijk in Koejbysjev (het huidige Samara), een kleine 1500 kilometer ten zuidoosten van Leningrad. De facto was dit de oorlogshoofdstad, aangezien ook de regering en belangrijke industrieën daarheen verhuisden. Daar hoorde Sjostakovitsj van het overlijden van Leonid Nikolajev in het nog verder gelegen Tasjkent. Nikolajev, aan wie hij de Tweede sonate opdroeg, was ook de pianodocent van bijvoorbeeld Vladimir Sofronitski en Maria Joedina.
Rond de ‘Grote Vaderlandse Oorlog’
Dmitri Sjostakovitsj schreef zijn Pianokwintet in Leningrad in 1939-40, kort vóór de oorlog. De Tweede pianosonate (ter nagedachtenis aan zijn vroegere pianoleraar Leonid Nikolajev) ontstond in 1942-43 in Koejbysjev, waarheen hij was geëvacueerd vanuit het belegerde Leningrad. Het Tweede pianotrio verscheen in Novosibirsk en Ivanovo in 1944 op papier en is opgedragen aan zijn overleden vriend, de musicoloog, polyglot en Mahlerkenner Ivan Sollertinski.
Tweede sonate
Ondanks een niet-aanvalsverdrag overrompelden Hitlers horden op 22 juni 1941 de USSR. De verdediging was ondermaats: Stalins zuiveringen in de Russische legerleiding vergden hun tol. Belangrijke steden als Leningrad en Charkiv vielen, en de slag om Stalingrad (1942-43) was ongekend zwaar. Natuurlijk werd Stalin na de bloedige overwinning op het schild gehesen, maar, zoals de veteraan Joeri Belasj (1920-1988) later dichtte:
Eerlijk gezegd:
in de loopgraven dachten we echt
niet aan Stalin.
Wel aan God. (…)
Waren er geen kranten geweest,
waarachtig, dan zouden we ‘die vreemde naam’
– niet eens Russisch –
gewoon zijn vergeten. *
Samen met veel collega-wetenschappers en -kunstenaars werd Sjostakovitsj op transport gezet: weg van de frontlinie. Hij belandde uiteindelijk in Koejbysjev (het huidige Samara), een kleine 1500 kilometer ten zuidoosten van Leningrad. De facto was dit de oorlogshoofdstad, aangezien ook de regering en belangrijke industrieën daarheen verhuisden. Daar hoorde Sjostakovitsj van het overlijden van Leonid Nikolajev in het nog verder gelegen Tasjkent. Nikolajev, aan wie hij de Tweede sonate opdroeg, was ook de pianodocent van bijvoorbeeld Vladimir Sofronitski en Maria Joedina.
De speels-motorische Eerste sonate (1926) had Nikolajev nog gekscherend betiteld als een ‘sonate voor metronoom met pianobegeleiding’. Nu revancheerde Sjostakovitsj zich met een heuse ‘Sonata dlja rojala’: een werk voor concertvleugel (hij gebruikte doelbewust niet het gebruikelijke woord ‘fortepiano’). Met verwijzingen naar zijn eigen Eerste symfonie (1924-25) en diverse werken van Nikolajev, fugatische elementen, een mars als in zijn recente Zevende symfonie ‘Leningrad’, canons en de variatievorm van het derde deel doet Sjostakovitsj een gooi naar de ‘grande’ sonate à la Ludwig van Beethoven. Mede doordat hij zijn muzikale materiaal onophoudelijk verder ontwikkelt ontstaat een serieus betoog. De componist bleef onzeker over het resultaat – schaarde het nu eens tot zijn beste werken, maar beschouwde het dan weer als een futiliteit. Een bijna ‘symfonische’ sonate, die helaas relatief weinig gespeeld wordt.
* Joeri Belasj, Okopnye stichi, vert. Marius Broekmeyer & Murk A.J. Popma in O, wat schreewden de vogels. Russische gedichten van het front, Amsterdam, 2001.
Tweede pianotrio
Het Tweede pianotrio is meer dan alleen een in memoriam voor de musicoloog Ivan Sollertinski met wie Sjostakovitsj zeventien jaar lang innig bevriend geweest was. In 1944 bevrijdden de Russen Belzec, Sobibor, Majdanek en Treblinka en de nieuwsberichten over de gruwelijkheden in Hitlers vernietigingskampen overvleugelden Sjostakovitsj’ persoonlijke verdriet. De cellist huilt in de openingsmaten dan ook niet alleen om het verlies van een boezemvriend, maar ook om de waanzin van totalitaire regimes.
Het bos voerde ons naar beneden.
De voeten probeerden het water.
Soms ga je naar het communisme,
maar beland je in een moeras.’ **
De muziek is vrij eenvoudig, ook in de macabere dans waarmee het stuk eindigt. Maar de aanklacht is misschien daardoor des te indrukwekkender. SS-bewakers lieten de gevangenen dansen naast hun eigen graf, zo vertelden de Russen die van het front terugkwamen, en dat is precies wat Sjostakovitsj in het laatste deel lijkt te hebben geschilderd. Er klinkt een joods danswijsje, maar de dans gaat steeds moeizamer, steeds weer hapert de melodie, totdat de uitputting definitief toeslaat. De pianist rammelt nog iets dat lijkt op het liedje, maar de cellist kan al niet meer dan steeds dezelfde toon herhalen. Nog een paar keer leeft de muziek even op. De pianist jakkert als een bezetene langs een berg van noten, een nog gruwelijker geluid producerend dan de wind die in Sergej Prokofjevs Vioolsonate over het kerkhof waait. Maar de melodieën klinken al onwerkelijk, als een herinnering aan betere tijden. Waarna het slot-Adagio teruggrijpt op de furieuze akkoorden waarmee het Largo begon.
Is dit een persiflage op de van staatswege verordonneerde vrolijke muziek die de meeste van Sjostakovitsj’ collega’s neerpenden?
**Nikolaj Glazkov [’s Nachts is het gras koud], naar de vertaling in Willem G. Weststeijn Het Pegasusboek van de Russische poëzie, Amsterdam, 2021; Glazkov bedacht overigens de term ‘samsebjaizdat’ (voorzichzelfuitgeverij), die later tot ‘samizdat’ zou uitgroeien: de niet-officiële uitgaven in de Sovjettijd.
Pianokwintet
Wat eigenlijk Sjostakovitsj’ tweede strijkkwartet had moeten worden, werd om praktische redenen een pianokwintet: ‘Zo gaf ik mijzelf tenminste een kans te kunnen meereizen naar andere steden en plaatsen. Het Glazoenov- en het Beethovenkwartet komen overal en nergens en zullen me nu moeten meenemen, zodat ik misschien ook een glimp van de wereld kan opvangen!’, vertelde Sjostakovitsj zijn vriend Isaak Glikman. Meende hij dat serieus? Uit zijn gelaatsuitdrukking kon Glikman het niet afleiden.
Na de grandioze Prelude en de akelig ingetogen Fuga speelt het vijfkoppige ensemble pas in het Scherzo voor het eerst langere tijd als een geheel, en niet hoofdzakelijk alternerend tussen piano en strijkers of in kleinere samenstellingen. En juist dat Scherzo heeft met zijn boertige joligheid – met een hoop melodieën à la Boer daar ligt een kip in ’t water en een waanzinnig lang slot – een tongue-in-cheek-gehalte zoals we zelfs bij Sjostakovitsj zelden horen. Is dit een persiflage op de van staatswege verordonneerde vrolijke muziek die de meeste van Sjostakovitsj’ collega’s neerpenden?
Gaat men inderdaad uit van een onderliggende ‘bedoeling’ van deze noten, dan klinkt het joods aandoende triogedeelte van het Scherzo extra wrang, zeker gezien Stalins onmiskenbare antisemitisme. Met de angstaanjagende kaalheid van zowel de Fuga als het ongewoon lange Intermezzo roept Sjostakovitsj bovendien de sfeer op van de droevige slotscène van zijn in 1936 ter dood veroordeelde opera Lady Macbeth van het district Mtsensk.
Het premièrepubliek van het Pianokwintet in g klein, op 23 november 1940 in het Moskouse conservatorium, was laaiend enthousiast. Zelfs partijblad Pravda sprak van een ‘helder lyrisch, menselijk en eenvoudig’ werk. Een half jaar later ontving Sjostakovitsj er zelfs de Stalinprijs ‘eerste klasse’ voor. De bijbehorende 100.000 roebel verdeelde hij onder zijn armlastige vrienden en studenten. Wel behield hij de gouden medaille (met het portret van Jozef Stalin). Die moest hij ten tijde van Nikita Chroesjtsjov overigens inruilen voor een nieuwe, slechts vergulde.
De speels-motorische Eerste sonate (1926) had Nikolajev nog gekscherend betiteld als een ‘sonate voor metronoom met pianobegeleiding’. Nu revancheerde Sjostakovitsj zich met een heuse ‘Sonata dlja rojala’: een werk voor concertvleugel (hij gebruikte doelbewust niet het gebruikelijke woord ‘fortepiano’). Met verwijzingen naar zijn eigen Eerste symfonie (1924-25) en diverse werken van Nikolajev, fugatische elementen, een mars als in zijn recente Zevende symfonie ‘Leningrad’, canons en de variatievorm van het derde deel doet Sjostakovitsj een gooi naar de ‘grande’ sonate à la Ludwig van Beethoven. Mede doordat hij zijn muzikale materiaal onophoudelijk verder ontwikkelt ontstaat een serieus betoog. De componist bleef onzeker over het resultaat – schaarde het nu eens tot zijn beste werken, maar beschouwde het dan weer als een futiliteit. Een bijna ‘symfonische’ sonate, die helaas relatief weinig gespeeld wordt.
* Joeri Belasj, Okopnye stichi, vert. Marius Broekmeyer & Murk A.J. Popma in O, wat schreewden de vogels. Russische gedichten van het front, Amsterdam, 2001.
Tweede pianotrio
Het Tweede pianotrio is meer dan alleen een in memoriam voor de musicoloog Ivan Sollertinski met wie Sjostakovitsj zeventien jaar lang innig bevriend geweest was. In 1944 bevrijdden de Russen Belzec, Sobibor, Majdanek en Treblinka en de nieuwsberichten over de gruwelijkheden in Hitlers vernietigingskampen overvleugelden Sjostakovitsj’ persoonlijke verdriet. De cellist huilt in de openingsmaten dan ook niet alleen om het verlies van een boezemvriend, maar ook om de waanzin van totalitaire regimes.
Het bos voerde ons naar beneden.
De voeten probeerden het water.
Soms ga je naar het communisme,
maar beland je in een moeras.’ **
De muziek is vrij eenvoudig, ook in de macabere dans waarmee het stuk eindigt. Maar de aanklacht is misschien daardoor des te indrukwekkender. SS-bewakers lieten de gevangenen dansen naast hun eigen graf, zo vertelden de Russen die van het front terugkwamen, en dat is precies wat Sjostakovitsj in het laatste deel lijkt te hebben geschilderd. Er klinkt een joods danswijsje, maar de dans gaat steeds moeizamer, steeds weer hapert de melodie, totdat de uitputting definitief toeslaat. De pianist rammelt nog iets dat lijkt op het liedje, maar de cellist kan al niet meer dan steeds dezelfde toon herhalen. Nog een paar keer leeft de muziek even op. De pianist jakkert als een bezetene langs een berg van noten, een nog gruwelijker geluid producerend dan de wind die in Sergej Prokofjevs Vioolsonate over het kerkhof waait. Maar de melodieën klinken al onwerkelijk, als een herinnering aan betere tijden. Waarna het slot-Adagio teruggrijpt op de furieuze akkoorden waarmee het Largo begon.
Is dit een persiflage op de van staatswege verordonneerde vrolijke muziek die de meeste van Sjostakovitsj’ collega’s neerpenden?
**Nikolaj Glazkov [’s Nachts is het gras koud], naar de vertaling in Willem G. Weststeijn Het Pegasusboek van de Russische poëzie, Amsterdam, 2021; Glazkov bedacht overigens de term ‘samsebjaizdat’ (voorzichzelfuitgeverij), die later tot ‘samizdat’ zou uitgroeien: de niet-officiële uitgaven in de Sovjettijd.
Pianokwintet
Wat eigenlijk Sjostakovitsj’ tweede strijkkwartet had moeten worden, werd om praktische redenen een pianokwintet: ‘Zo gaf ik mijzelf tenminste een kans te kunnen meereizen naar andere steden en plaatsen. Het Glazoenov- en het Beethovenkwartet komen overal en nergens en zullen me nu moeten meenemen, zodat ik misschien ook een glimp van de wereld kan opvangen!’, vertelde Sjostakovitsj zijn vriend Isaak Glikman. Meende hij dat serieus? Uit zijn gelaatsuitdrukking kon Glikman het niet afleiden.
Na de grandioze Prelude en de akelig ingetogen Fuga speelt het vijfkoppige ensemble pas in het Scherzo voor het eerst langere tijd als een geheel, en niet hoofdzakelijk alternerend tussen piano en strijkers of in kleinere samenstellingen. En juist dat Scherzo heeft met zijn boertige joligheid – met een hoop melodieën à la Boer daar ligt een kip in ’t water en een waanzinnig lang slot – een tongue-in-cheek-gehalte zoals we zelfs bij Sjostakovitsj zelden horen. Is dit een persiflage op de van staatswege verordonneerde vrolijke muziek die de meeste van Sjostakovitsj’ collega’s neerpenden?
Gaat men inderdaad uit van een onderliggende ‘bedoeling’ van deze noten, dan klinkt het joods aandoende triogedeelte van het Scherzo extra wrang, zeker gezien Stalins onmiskenbare antisemitisme. Met de angstaanjagende kaalheid van zowel de Fuga als het ongewoon lange Intermezzo roept Sjostakovitsj bovendien de sfeer op van de droevige slotscène van zijn in 1936 ter dood veroordeelde opera Lady Macbeth van het district Mtsensk.
Het premièrepubliek van het Pianokwintet in g klein, op 23 november 1940 in het Moskouse conservatorium, was laaiend enthousiast. Zelfs partijblad Pravda sprak van een ‘helder lyrisch, menselijk en eenvoudig’ werk. Een half jaar later ontving Sjostakovitsj er zelfs de Stalinprijs ‘eerste klasse’ voor. De bijbehorende 100.000 roebel verdeelde hij onder zijn armlastige vrienden en studenten. Wel behield hij de gouden medaille (met het portret van Jozef Stalin). Die moest hij ten tijde van Nikita Chroesjtsjov overigens inruilen voor een nieuwe, slechts vergulde.
Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)
Toelichting
Rond de ‘Grote Vaderlandse Oorlog’
Dmitri Sjostakovitsj schreef zijn Pianokwintet in Leningrad in 1939-40, kort vóór de oorlog. De Tweede pianosonate (ter nagedachtenis aan zijn vroegere pianoleraar Leonid Nikolajev) ontstond in 1942-43 in Koejbysjev, waarheen hij was geëvacueerd vanuit het belegerde Leningrad. Het Tweede pianotrio verscheen in Novosibirsk en Ivanovo in 1944 op papier en is opgedragen aan zijn overleden vriend, de musicoloog, polyglot en Mahlerkenner Ivan Sollertinski.
Tweede sonate
Ondanks een niet-aanvalsverdrag overrompelden Hitlers horden op 22 juni 1941 de USSR. De verdediging was ondermaats: Stalins zuiveringen in de Russische legerleiding vergden hun tol. Belangrijke steden als Leningrad en Charkiv vielen, en de slag om Stalingrad (1942-43) was ongekend zwaar. Natuurlijk werd Stalin na de bloedige overwinning op het schild gehesen, maar, zoals de veteraan Joeri Belasj (1920-1988) later dichtte:
Eerlijk gezegd:
in de loopgraven dachten we echt
niet aan Stalin.
Wel aan God. (…)
Waren er geen kranten geweest,
waarachtig, dan zouden we ‘die vreemde naam’
– niet eens Russisch –
gewoon zijn vergeten. *
Samen met veel collega-wetenschappers en -kunstenaars werd Sjostakovitsj op transport gezet: weg van de frontlinie. Hij belandde uiteindelijk in Koejbysjev (het huidige Samara), een kleine 1500 kilometer ten zuidoosten van Leningrad. De facto was dit de oorlogshoofdstad, aangezien ook de regering en belangrijke industrieën daarheen verhuisden. Daar hoorde Sjostakovitsj van het overlijden van Leonid Nikolajev in het nog verder gelegen Tasjkent. Nikolajev, aan wie hij de Tweede sonate opdroeg, was ook de pianodocent van bijvoorbeeld Vladimir Sofronitski en Maria Joedina.
Rond de ‘Grote Vaderlandse Oorlog’
Dmitri Sjostakovitsj schreef zijn Pianokwintet in Leningrad in 1939-40, kort vóór de oorlog. De Tweede pianosonate (ter nagedachtenis aan zijn vroegere pianoleraar Leonid Nikolajev) ontstond in 1942-43 in Koejbysjev, waarheen hij was geëvacueerd vanuit het belegerde Leningrad. Het Tweede pianotrio verscheen in Novosibirsk en Ivanovo in 1944 op papier en is opgedragen aan zijn overleden vriend, de musicoloog, polyglot en Mahlerkenner Ivan Sollertinski.
Tweede sonate
Ondanks een niet-aanvalsverdrag overrompelden Hitlers horden op 22 juni 1941 de USSR. De verdediging was ondermaats: Stalins zuiveringen in de Russische legerleiding vergden hun tol. Belangrijke steden als Leningrad en Charkiv vielen, en de slag om Stalingrad (1942-43) was ongekend zwaar. Natuurlijk werd Stalin na de bloedige overwinning op het schild gehesen, maar, zoals de veteraan Joeri Belasj (1920-1988) later dichtte:
Eerlijk gezegd:
in de loopgraven dachten we echt
niet aan Stalin.
Wel aan God. (…)
Waren er geen kranten geweest,
waarachtig, dan zouden we ‘die vreemde naam’
– niet eens Russisch –
gewoon zijn vergeten. *
Samen met veel collega-wetenschappers en -kunstenaars werd Sjostakovitsj op transport gezet: weg van de frontlinie. Hij belandde uiteindelijk in Koejbysjev (het huidige Samara), een kleine 1500 kilometer ten zuidoosten van Leningrad. De facto was dit de oorlogshoofdstad, aangezien ook de regering en belangrijke industrieën daarheen verhuisden. Daar hoorde Sjostakovitsj van het overlijden van Leonid Nikolajev in het nog verder gelegen Tasjkent. Nikolajev, aan wie hij de Tweede sonate opdroeg, was ook de pianodocent van bijvoorbeeld Vladimir Sofronitski en Maria Joedina.
De speels-motorische Eerste sonate (1926) had Nikolajev nog gekscherend betiteld als een ‘sonate voor metronoom met pianobegeleiding’. Nu revancheerde Sjostakovitsj zich met een heuse ‘Sonata dlja rojala’: een werk voor concertvleugel (hij gebruikte doelbewust niet het gebruikelijke woord ‘fortepiano’). Met verwijzingen naar zijn eigen Eerste symfonie (1924-25) en diverse werken van Nikolajev, fugatische elementen, een mars als in zijn recente Zevende symfonie ‘Leningrad’, canons en de variatievorm van het derde deel doet Sjostakovitsj een gooi naar de ‘grande’ sonate à la Ludwig van Beethoven. Mede doordat hij zijn muzikale materiaal onophoudelijk verder ontwikkelt ontstaat een serieus betoog. De componist bleef onzeker over het resultaat – schaarde het nu eens tot zijn beste werken, maar beschouwde het dan weer als een futiliteit. Een bijna ‘symfonische’ sonate, die helaas relatief weinig gespeeld wordt.
* Joeri Belasj, Okopnye stichi, vert. Marius Broekmeyer & Murk A.J. Popma in O, wat schreewden de vogels. Russische gedichten van het front, Amsterdam, 2001.
Tweede pianotrio
Het Tweede pianotrio is meer dan alleen een in memoriam voor de musicoloog Ivan Sollertinski met wie Sjostakovitsj zeventien jaar lang innig bevriend geweest was. In 1944 bevrijdden de Russen Belzec, Sobibor, Majdanek en Treblinka en de nieuwsberichten over de gruwelijkheden in Hitlers vernietigingskampen overvleugelden Sjostakovitsj’ persoonlijke verdriet. De cellist huilt in de openingsmaten dan ook niet alleen om het verlies van een boezemvriend, maar ook om de waanzin van totalitaire regimes.
Het bos voerde ons naar beneden.
De voeten probeerden het water.
Soms ga je naar het communisme,
maar beland je in een moeras.’ **
De muziek is vrij eenvoudig, ook in de macabere dans waarmee het stuk eindigt. Maar de aanklacht is misschien daardoor des te indrukwekkender. SS-bewakers lieten de gevangenen dansen naast hun eigen graf, zo vertelden de Russen die van het front terugkwamen, en dat is precies wat Sjostakovitsj in het laatste deel lijkt te hebben geschilderd. Er klinkt een joods danswijsje, maar de dans gaat steeds moeizamer, steeds weer hapert de melodie, totdat de uitputting definitief toeslaat. De pianist rammelt nog iets dat lijkt op het liedje, maar de cellist kan al niet meer dan steeds dezelfde toon herhalen. Nog een paar keer leeft de muziek even op. De pianist jakkert als een bezetene langs een berg van noten, een nog gruwelijker geluid producerend dan de wind die in Sergej Prokofjevs Vioolsonate over het kerkhof waait. Maar de melodieën klinken al onwerkelijk, als een herinnering aan betere tijden. Waarna het slot-Adagio teruggrijpt op de furieuze akkoorden waarmee het Largo begon.
Is dit een persiflage op de van staatswege verordonneerde vrolijke muziek die de meeste van Sjostakovitsj’ collega’s neerpenden?
**Nikolaj Glazkov [’s Nachts is het gras koud], naar de vertaling in Willem G. Weststeijn Het Pegasusboek van de Russische poëzie, Amsterdam, 2021; Glazkov bedacht overigens de term ‘samsebjaizdat’ (voorzichzelfuitgeverij), die later tot ‘samizdat’ zou uitgroeien: de niet-officiële uitgaven in de Sovjettijd.
Pianokwintet
Wat eigenlijk Sjostakovitsj’ tweede strijkkwartet had moeten worden, werd om praktische redenen een pianokwintet: ‘Zo gaf ik mijzelf tenminste een kans te kunnen meereizen naar andere steden en plaatsen. Het Glazoenov- en het Beethovenkwartet komen overal en nergens en zullen me nu moeten meenemen, zodat ik misschien ook een glimp van de wereld kan opvangen!’, vertelde Sjostakovitsj zijn vriend Isaak Glikman. Meende hij dat serieus? Uit zijn gelaatsuitdrukking kon Glikman het niet afleiden.
Na de grandioze Prelude en de akelig ingetogen Fuga speelt het vijfkoppige ensemble pas in het Scherzo voor het eerst langere tijd als een geheel, en niet hoofdzakelijk alternerend tussen piano en strijkers of in kleinere samenstellingen. En juist dat Scherzo heeft met zijn boertige joligheid – met een hoop melodieën à la Boer daar ligt een kip in ’t water en een waanzinnig lang slot – een tongue-in-cheek-gehalte zoals we zelfs bij Sjostakovitsj zelden horen. Is dit een persiflage op de van staatswege verordonneerde vrolijke muziek die de meeste van Sjostakovitsj’ collega’s neerpenden?
Gaat men inderdaad uit van een onderliggende ‘bedoeling’ van deze noten, dan klinkt het joods aandoende triogedeelte van het Scherzo extra wrang, zeker gezien Stalins onmiskenbare antisemitisme. Met de angstaanjagende kaalheid van zowel de Fuga als het ongewoon lange Intermezzo roept Sjostakovitsj bovendien de sfeer op van de droevige slotscène van zijn in 1936 ter dood veroordeelde opera Lady Macbeth van het district Mtsensk.
Het premièrepubliek van het Pianokwintet in g klein, op 23 november 1940 in het Moskouse conservatorium, was laaiend enthousiast. Zelfs partijblad Pravda sprak van een ‘helder lyrisch, menselijk en eenvoudig’ werk. Een half jaar later ontving Sjostakovitsj er zelfs de Stalinprijs ‘eerste klasse’ voor. De bijbehorende 100.000 roebel verdeelde hij onder zijn armlastige vrienden en studenten. Wel behield hij de gouden medaille (met het portret van Jozef Stalin). Die moest hij ten tijde van Nikita Chroesjtsjov overigens inruilen voor een nieuwe, slechts vergulde.
De speels-motorische Eerste sonate (1926) had Nikolajev nog gekscherend betiteld als een ‘sonate voor metronoom met pianobegeleiding’. Nu revancheerde Sjostakovitsj zich met een heuse ‘Sonata dlja rojala’: een werk voor concertvleugel (hij gebruikte doelbewust niet het gebruikelijke woord ‘fortepiano’). Met verwijzingen naar zijn eigen Eerste symfonie (1924-25) en diverse werken van Nikolajev, fugatische elementen, een mars als in zijn recente Zevende symfonie ‘Leningrad’, canons en de variatievorm van het derde deel doet Sjostakovitsj een gooi naar de ‘grande’ sonate à la Ludwig van Beethoven. Mede doordat hij zijn muzikale materiaal onophoudelijk verder ontwikkelt ontstaat een serieus betoog. De componist bleef onzeker over het resultaat – schaarde het nu eens tot zijn beste werken, maar beschouwde het dan weer als een futiliteit. Een bijna ‘symfonische’ sonate, die helaas relatief weinig gespeeld wordt.
* Joeri Belasj, Okopnye stichi, vert. Marius Broekmeyer & Murk A.J. Popma in O, wat schreewden de vogels. Russische gedichten van het front, Amsterdam, 2001.
Tweede pianotrio
Het Tweede pianotrio is meer dan alleen een in memoriam voor de musicoloog Ivan Sollertinski met wie Sjostakovitsj zeventien jaar lang innig bevriend geweest was. In 1944 bevrijdden de Russen Belzec, Sobibor, Majdanek en Treblinka en de nieuwsberichten over de gruwelijkheden in Hitlers vernietigingskampen overvleugelden Sjostakovitsj’ persoonlijke verdriet. De cellist huilt in de openingsmaten dan ook niet alleen om het verlies van een boezemvriend, maar ook om de waanzin van totalitaire regimes.
Het bos voerde ons naar beneden.
De voeten probeerden het water.
Soms ga je naar het communisme,
maar beland je in een moeras.’ **
De muziek is vrij eenvoudig, ook in de macabere dans waarmee het stuk eindigt. Maar de aanklacht is misschien daardoor des te indrukwekkender. SS-bewakers lieten de gevangenen dansen naast hun eigen graf, zo vertelden de Russen die van het front terugkwamen, en dat is precies wat Sjostakovitsj in het laatste deel lijkt te hebben geschilderd. Er klinkt een joods danswijsje, maar de dans gaat steeds moeizamer, steeds weer hapert de melodie, totdat de uitputting definitief toeslaat. De pianist rammelt nog iets dat lijkt op het liedje, maar de cellist kan al niet meer dan steeds dezelfde toon herhalen. Nog een paar keer leeft de muziek even op. De pianist jakkert als een bezetene langs een berg van noten, een nog gruwelijker geluid producerend dan de wind die in Sergej Prokofjevs Vioolsonate over het kerkhof waait. Maar de melodieën klinken al onwerkelijk, als een herinnering aan betere tijden. Waarna het slot-Adagio teruggrijpt op de furieuze akkoorden waarmee het Largo begon.
Is dit een persiflage op de van staatswege verordonneerde vrolijke muziek die de meeste van Sjostakovitsj’ collega’s neerpenden?
**Nikolaj Glazkov [’s Nachts is het gras koud], naar de vertaling in Willem G. Weststeijn Het Pegasusboek van de Russische poëzie, Amsterdam, 2021; Glazkov bedacht overigens de term ‘samsebjaizdat’ (voorzichzelfuitgeverij), die later tot ‘samizdat’ zou uitgroeien: de niet-officiële uitgaven in de Sovjettijd.
Pianokwintet
Wat eigenlijk Sjostakovitsj’ tweede strijkkwartet had moeten worden, werd om praktische redenen een pianokwintet: ‘Zo gaf ik mijzelf tenminste een kans te kunnen meereizen naar andere steden en plaatsen. Het Glazoenov- en het Beethovenkwartet komen overal en nergens en zullen me nu moeten meenemen, zodat ik misschien ook een glimp van de wereld kan opvangen!’, vertelde Sjostakovitsj zijn vriend Isaak Glikman. Meende hij dat serieus? Uit zijn gelaatsuitdrukking kon Glikman het niet afleiden.
Na de grandioze Prelude en de akelig ingetogen Fuga speelt het vijfkoppige ensemble pas in het Scherzo voor het eerst langere tijd als een geheel, en niet hoofdzakelijk alternerend tussen piano en strijkers of in kleinere samenstellingen. En juist dat Scherzo heeft met zijn boertige joligheid – met een hoop melodieën à la Boer daar ligt een kip in ’t water en een waanzinnig lang slot – een tongue-in-cheek-gehalte zoals we zelfs bij Sjostakovitsj zelden horen. Is dit een persiflage op de van staatswege verordonneerde vrolijke muziek die de meeste van Sjostakovitsj’ collega’s neerpenden?
Gaat men inderdaad uit van een onderliggende ‘bedoeling’ van deze noten, dan klinkt het joods aandoende triogedeelte van het Scherzo extra wrang, zeker gezien Stalins onmiskenbare antisemitisme. Met de angstaanjagende kaalheid van zowel de Fuga als het ongewoon lange Intermezzo roept Sjostakovitsj bovendien de sfeer op van de droevige slotscène van zijn in 1936 ter dood veroordeelde opera Lady Macbeth van het district Mtsensk.
Het premièrepubliek van het Pianokwintet in g klein, op 23 november 1940 in het Moskouse conservatorium, was laaiend enthousiast. Zelfs partijblad Pravda sprak van een ‘helder lyrisch, menselijk en eenvoudig’ werk. Een half jaar later ontving Sjostakovitsj er zelfs de Stalinprijs ‘eerste klasse’ voor. De bijbehorende 100.000 roebel verdeelde hij onder zijn armlastige vrienden en studenten. Wel behield hij de gouden medaille (met het portret van Jozef Stalin). Die moest hij ten tijde van Nikita Chroesjtsjov overigens inruilen voor een nieuwe, slechts vergulde.
Biografie
Liza Ferschtman, viool
Liza Ferschtman, dochter van Dmitri Ferschtman en Mila Baslawskaja, had vanaf haar vijfde les van Philipp Hirshhorn, studeerde in Amsterdam bij Herman Krebbers, in Philadelphia bij Ida Kavafian en in Londen bij David Takeno. In 1997 won ze het Nationaal Vioolconcours ‘Oskar Back’ en in 2006 ontving ze de Nederlandse Muziekprijs.
Haar Concertgebouwdebuut was in Het Zondagochtend Concert van 6 oktober 1996 met het Radio Kamerorkest, en in zomer 1998 volgde haar Kleine Zaal-debuut. De violiste werkte met vrijwel alle Nederlandse orkesten, en bijvoorbeeld ook met de BBC Philharmonic, de orkesten van Dallas, San Francisco, Boston, Montréal en Hongkong en het Budapest Festival Orchestra. Afgelopen november stond ze nog met de Brussels Philharmonic in de Grote Zaal met het Vioolconcert van Sibelius.
Gezelschappen als Amsterdam Sinfonietta en de Kammerakademie Potsdam leidde Liza Ferschtman als solist. Kamermuziek speelt ze met Enrico Pace, Elisabeth Leonskaja, Jonathan Biss, Christian Poltéra en vele anderen, en van 2007 tot 2022 was ze artistiek leider van het Delft Chamber Music Festival. Solorecitals zijn een belangrijk onderdeel van haar agenda en met solo-opnames van Bach, Ysaÿe, Biber, Bartók en Berio ook van haar discografie. Liza Ferschtman bespeelt de Guarnerius del Gesù ‘Benno Rabinof’ uit 1742.
Mara Mostert, viool
Mara Mostert, kleindochter van Dmitri Ferschtman en Mila Baslawskaja, begon met vioolspelen toen ze vijf jaar oud was. In 2015 begon ze te studeren bij Maria Milstein aan de Sweelinck Academie voor Jong Talent van het Conservatorium van Amsterdam. Ook volgde ze lessen bij Matthieu van Bellen, Alla Kim en haar tante Liza Ferschtman.
In 2018 won Mara Mostert de eerste prijs in de Nationale Finale van het Prinses Christina Concours, waarna ze te gast was in Podium Witteman. In 2020 won ze de tweede prijs van het Davina van Wely Concours. Masterclasses volgde ze bij Pierre Amoyal tijdens de Holland Music Sessions en bij Gerhard Schulz tijdens de Meisterkurse in Kronberg.
Met violist Caspar Bellamy, altvioliste Elin Haver en cellist Isaac Lottman vormt Mara Mostert het Fontana Kwartet, dat in 2024 tourde in Portugal en momenteel studeert aan de Nederlandse Strijkkwartet Academie.
Jennifer Stumm, altviool
Jennifer Stumm speelde in een schoolorkest in haar geboortestad Atlanta voordat ze ging studeren bij Karen Tuttle in Philadelphia en New York, bij Nobuko Imai in Amsterdam en bij Steven Isserlis aan IMS Prussia Cove.
Tijdens de VriendenLoterij ZomerConcerten 2024 debuteerde ze in de Grote Zaal met Ilumina, haar in São Paulo gevestigde muziekcollectief – sinds 2015 – dat uitgroeide tot een voorbeeld van innovatieve programmering en bevordering van divers talent.
Haar Kleine Zaal-debuut was al in 2016, op uitnodiging van Liza Ferschtman. De altvioliste was laureaat van de William Primrose, Geneva en Concert Artist Guild Competitions, was BBC New Generation Artist en werd ondersteund door de Borletti Buitoni Trust.
Ze was te gast in Carnegie Hall in New York, het Kennedy Center in Washington en de Berliner Philharmonie, en op de festivals van Verbier, Marlboro, Stavanger, Spoleto, Aldeburgh en Delft. Een strijktrio vormt ze met cellist Jens-Peter Maintz en violist Kolja Blacher, en ze doceert aan de Universität fur Musik und darstellende Kunst Wien en het Royal College of Music in Londen.
Jennifer Stumm is bovendien een veelgevraagd spreker: ze stond op de Cross Industry Innovation Summit van NASA, is lid van Ecosystems 2030 en haar TEDx Talk The Imperfect Instrument ging viraal. Ze heeft een Gasparo da Salò-altviool uit 1589 in bruikleen.
Dmitri Ferschtman, cello
Dmitri Ferschtman studeerde aan het conservatorium in zijn geboorteplaats Moskou bij Galina Kozulupova en Natalia Gutman (leerlinge van Mstislav Rostropovitsj). In zijn tweede studiejaar, 1966, richtte hij met onder anderen altist Misha Geller het Glinka Kwartet op, waarmee hij honderden concerten gaf in de Sovjet-Unie maar ook daarbuiten.
Bij de vorige keer dat de familie Ferschtman een Sjostakovitsj-serie cureerde, in seizoen 2016/2017, vertelde de cellist Preludium over zijn herinneringen aan die componist, aan wie hij in de periode 1969-1975 geregeld diens nieuwe werken voorspeelde. Daarnaast trad hij op als solist en werd hij docent aan het conservatorium waar hij zelf had gestudeerd.
In 1978 emigreerde Dmitri Ferschtman naar Nederland, waar hij soleerde onder leiding van bekende dirigenten als Frans Brüggen, Kenneth Montgomery en Edo de Waart. Met pianist Ronald Brautigam nam hij werken van Prokofjev op en met zijn vrouw, pianiste Mila Baslawskaja, vormt de cellist een succesvol duo. Dmitri Ferschtman trad veelvuldig op in Het Concertgebouw.
Mila Baslawskaja, piano
Mila Baslawskaja werd geboren in Moskou en studeerde daar aan de Centrale Muziekschool en het Conservatorium van Moskou. Al op jonge leeftijd gaf ze veel solorecitals in Rusland, en deelde ze het podium met musici als Natalia Gutman, Oleg Kagan, Gidon Kremer en Yuri Bashmet.
In 1978 verliet ze samen met haar echtgenoot, cellist Dmitri Ferschtman, de toenmalige Sovjet-Unie en vestigde ze zich in Nederland. Het duo trad veelvuldig op en nam werken op van Nikolaj Mjaskovski, Alfred Schnittke, Dmitri Sjostakovitsj, Claude Debussy, César Franck en Robert Schumann.
Mila Baslawskaja was hoofdvakdocent piano en kamermuziek aan het Rotterdams Conservatorium en het Conservatorium van Amsterdam en geeft momenteel nog les aan de Jong Talent-afdeling van het Conservatorium van Amsterdam.
Enrico Pace, piano
Enrico Pace studeerde piano bij Franco Scala, eerst aan het Rossini Conservatorium in Pesaro (waar hij afstudeerde in orkestdirectie en compositie) en later aan de Accademia Pianistica Incontri col Maestro in Imola. Jacques De Tiège was een gewaardeerd mentor.
Het winnen van het Internationale Franz Liszt Pianoconcours in Utrecht was in 1989 het startpunt van een internationale carrière.
Naast zijn vele solorecitals – ook meermaals in de Grote Zaal van Het Concertgebouw – werd de Italiaan geëngageerd door orkesten als het London Symphony Orchestra, het BBC Philharmonic Orchestra, de Bamberger Symphoniker, de Münchner Philharmoniker, het Konzerthausorchester Berlin, het orkest van de Maggio Musicale Fiorentino en de orkesten van Göteborg, Stavanger, Sydney en Melbourne.
In Nederland soleerde Enrico Pace bij onder meer het Rotterdams Philharmonisch Orkest, het Nederlands Philharmonisch, Amsterdam Sinfonietta, het Radio Filharmonisch Orkest en het Concertgebouworkest. Op de bekende kamermuziekfestivals en -podia wereldwijd speelt hij samen met – onder vele anderen – de cellisten Sung-Won Yang en Daniel Müller-Schott en de violisten Frank Peter Zimmermann, Akiko Suwanai en Leonidas Kavakos.
De laatste optredens van Enrico Pace in de Kleine Zaal waren in mei 2022 zowel een programma rondom klarinettiste Sharon Kam als een duo-avond met Liza Ferschtman, en in mei 2023 het Scherpdenkers-programma De klank van de heilstaat met Liza Ferschtman en schrijver/spreker Michel Krielaars.