Rafael Payare leidt het Concertgebouworkest in Sjostakovitsj’ Symfonie nr. 10
Grote Zaal 19 februari 2026 20.15 uur
Koninklijk Concertgebouworkest
Rafael Payare dirigent
Frank Peter Zimmermann viool
Het concert wordt opgenomen door AVROTROS voor radio-uitzending op zondag 22 februari om 14.00 uur via NPO Klassiek.
Ook interessant:
- 'Opeens viel alles op zijn plek' (interview met Rafael Payare)
- Frank Martin en het Concertgebouworkest
SOFIA GOEBAIDOELINA (1931)
Sprookjesgedicht (Märchen-Poem, 1971)
eerste uitvoering door het Concertgebouworkest
FRANK MARTIN (1890-1974)
Vioolconcert (1950-51)
Allegro
Andante molto moderato — Presto
pauze ± 21.00 uur
DMITRI SJOSTAKOVITSJ (1906-1975)
Symfonie nr. 10 in e kl.t., op. 93 (1953)
Moderato
Allegro
Allegretto
Andante, Allegro
einde ± 22.30 uur

Koninklijk Concertgebouworkest
Rafael Payare dirigent
Frank Peter Zimmermann viool
Het concert wordt opgenomen door AVROTROS voor radio-uitzending op zondag 22 februari om 14.00 uur via NPO Klassiek.
Ook interessant:
- 'Opeens viel alles op zijn plek' (interview met Rafael Payare)
- Frank Martin en het Concertgebouworkest
SOFIA GOEBAIDOELINA (1931)
Sprookjesgedicht (Märchen-Poem, 1971)
eerste uitvoering door het Concertgebouworkest
FRANK MARTIN (1890-1974)
Vioolconcert (1950-51)
Allegro
Andante molto moderato — Presto
pauze ± 21.00 uur
DMITRI SJOSTAKOVITSJ (1906-1975)
Symfonie nr. 10 in e kl.t., op. 93 (1953)
Moderato
Allegro
Allegretto
Andante, Allegro
einde ± 22.30 uur

Toelichting
Sofie Goebaidoelina (1931)
Sprookjesgedicht
In 1959 ontmoette de jonge Sofia Goebaidoelina haar beroemde landgenoot Dmitri Sjostakovitsj. Jozef Stalin was al zes jaar dood, maar nog altijd regeerde de staat met harde hand. Dat componisten moesten vrezen voor hun leven als het Kremlin hun muziek afkeurde, had Sjostakovitsj al meermaals ondervonden, voor het eerst in 1936. Inmiddels was ook Goebaidoelina gewaarschuwd: ze zou zich ‘op de verkeerde weg’ bevinden. Sjostakovitsj adviseerde haar niet te zwichten: ‘Mijn wens voor jou is dat je doorgaat op de verkeerde weg.’ Het sterkte haar in haar vastberadenheid. Tegendraads was ze altijd geweest; al vroeg combineerde ze in haar werk religieuze mystiek met de modernste westerse compositietechnieken – beide streng verboden.
In 1959 ontmoette de jonge Sofia Goebaidoelina haar beroemde landgenoot Dmitri Sjostakovitsj. Jozef Stalin was al zes jaar dood, maar nog altijd regeerde de staat met harde hand. Dat componisten moesten vrezen voor hun leven als het Kremlin hun muziek afkeurde, had Sjostakovitsj al meermaals ondervonden, voor het eerst in 1936. Inmiddels was ook Goebaidoelina gewaarschuwd: ze zou zich ‘op de verkeerde weg’ bevinden. Sjostakovitsj adviseerde haar niet te zwichten: ‘Mijn wens voor jou is dat je doorgaat op de verkeerde weg.’ Het sterkte haar in haar vastberadenheid. Tegendraads was ze altijd geweest; al vroeg combineerde ze in haar werk religieuze mystiek met de modernste westerse compositietechnieken – beide streng verboden.
Toen Goebaidoelina na 1980 buiten de Sovjet-Unie bekend werd, bleef het Kremlin beweren dat haar werk schoonheid, toegankelijkheid, optimisme en sociaal engagement ontbeerde – allemaal kenmerken die we terughoren in haar Sprookjesgedicht. Dat ze hierin – zoals zo vaak – de uiterste grenzen van de instrumenten verkent, is vooral om een verrassende klankwereld te creëren die recht doet aan de primaire inspiratiebron: een modern sprookje van de Tsjech Miloš Macourek over een schoolkrijtje dat gedoemd lijkt de rest van zijn leven saaie cijfers en grafieken op een schoolbord te schrijven. Het krijtje wordt afgedankt, waarna een kind het opraapt en in zijn zak steekt. De dood, denkt het krijtje. Totdat het kind het buiten tevoorschijn haalt en ermee op de stoep begint te tekenen: kastelen, prachtige tuinen met paviljoenen, de spiegeling van de zon in de zee… Het dolgelukkige krijtje lost langzaam op in schoonheid – evenals de muziek.
Goebaidoelina groeide uit tot een van de meest gewaardeerde componisten wereldwijd; ook het Concertgebouworkest speelde haar werk graag. Eind maart 2025 nog klonk haar Offertorium voor viool en orkest met Julian Rachlin als solist – twee weken eerder, op 13 maart, overleed ze.
Lees hier het verhaal over Sofia Goebaidoelina en het Concertgebouworkest.
Toen Goebaidoelina na 1980 buiten de Sovjet-Unie bekend werd, bleef het Kremlin beweren dat haar werk schoonheid, toegankelijkheid, optimisme en sociaal engagement ontbeerde – allemaal kenmerken die we terughoren in haar Sprookjesgedicht. Dat ze hierin – zoals zo vaak – de uiterste grenzen van de instrumenten verkent, is vooral om een verrassende klankwereld te creëren die recht doet aan de primaire inspiratiebron: een modern sprookje van de Tsjech Miloš Macourek over een schoolkrijtje dat gedoemd lijkt de rest van zijn leven saaie cijfers en grafieken op een schoolbord te schrijven. Het krijtje wordt afgedankt, waarna een kind het opraapt en in zijn zak steekt. De dood, denkt het krijtje. Totdat het kind het buiten tevoorschijn haalt en ermee op de stoep begint te tekenen: kastelen, prachtige tuinen met paviljoenen, de spiegeling van de zon in de zee… Het dolgelukkige krijtje lost langzaam op in schoonheid – evenals de muziek.
Goebaidoelina groeide uit tot een van de meest gewaardeerde componisten wereldwijd; ook het Concertgebouworkest speelde haar werk graag. Eind maart 2025 nog klonk haar Offertorium voor viool en orkest met Julian Rachlin als solist – twee weken eerder, op 13 maart, overleed ze.
Lees hier het verhaal over Sofia Goebaidoelina en het Concertgebouworkest.
Frank Martin (1890-1974)
Vioolconcert
Composities van Frank Martin hebben sinds 1948 regelmatig bij het Concertgebouworkest op de lessenaar gestaan – het Vioolconcert voor het eerst in 1961. Toen woonde de Zwitser inmiddels al vijf jaar in Nederland, waar hij tot zijn dood zou blijven. Karakteristiek voor Martin zijn de ingenieuze ritmiek en intense melodische lijnen, ondersteund door een zoekende harmonie die soms doet denken aan Sjostakovitsj. Martins vroegere werk kon wat weerbarstig zijn, maar tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen hij zich manifesteerde als leidende figuur in de Zwitserse muziek, ontwikkelde hij een lyrische stijl met een typerende transparantie en lichtheid in werken als Le Vin Herbé (1939) en het oratorium In terra pax (1944).
Composities van Frank Martin hebben sinds 1948 regelmatig bij het Concertgebouworkest op de lessenaar gestaan – het Vioolconcert voor het eerst in 1961. Toen woonde de Zwitser inmiddels al vijf jaar in Nederland, waar hij tot zijn dood zou blijven. Karakteristiek voor Martin zijn de ingenieuze ritmiek en intense melodische lijnen, ondersteund door een zoekende harmonie die soms doet denken aan Sjostakovitsj. Martins vroegere werk kon wat weerbarstig zijn, maar tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen hij zich manifesteerde als leidende figuur in de Zwitserse muziek, ontwikkelde hij een lyrische stijl met een typerende transparantie en lichtheid in werken als Le Vin Herbé (1939) en het oratorium In terra pax (1944).
Dat is ook goed te horen in het Vioolconcert. Binnen een kleurrijke, geheimzinnige klankomgeving krijgt de soloviool – vloeiend, expressief, etherisch – alle ruimte. Nergens dreigt excessieve virtuositeit, alles draait om de vertelkunst van de violist die wordt gestut en ingekleurd door het orkest. Martin begon eraan toen hij net een werk had voltooid naar Shakespeares The Tempest. Daarin regeert de luchtgeest Ariel over het eiland van Prospero. De sprookjesachtige sfeer en het karakter van Ariel – afstandelijk en mysterieus, dan weer levendig en grillig – beheersen het Vioolconcert. Aan het eind van het tweede deel stevent het orkest af op een zwaarmoedig, majestueus koraal, waarna de muziek een tijdje verzinkt in introspectie. Maar in de dansante finale keren we terug naar de kleurige wereld van Ariel. Het was niet zo gepland, vertelt de componist, ‘ik was gewoonweg nog steeds betoverd door de charmes van Prospero’s eiland’.
Na de première in 1952, met dirigent Paul Sacher en violist Hansheinz Schneeberger, werd Martins Vioolconcert opgenomen en uitgebracht door Decca, en vervolgens opgepikt door andere orkesten en violisten. Na die kortstondige populariteit is het werk echter niet vaak meer te horen geweest op de concertpodia.
Dat is ook goed te horen in het Vioolconcert. Binnen een kleurrijke, geheimzinnige klankomgeving krijgt de soloviool – vloeiend, expressief, etherisch – alle ruimte. Nergens dreigt excessieve virtuositeit, alles draait om de vertelkunst van de violist die wordt gestut en ingekleurd door het orkest. Martin begon eraan toen hij net een werk had voltooid naar Shakespeares The Tempest. Daarin regeert de luchtgeest Ariel over het eiland van Prospero. De sprookjesachtige sfeer en het karakter van Ariel – afstandelijk en mysterieus, dan weer levendig en grillig – beheersen het Vioolconcert. Aan het eind van het tweede deel stevent het orkest af op een zwaarmoedig, majestueus koraal, waarna de muziek een tijdje verzinkt in introspectie. Maar in de dansante finale keren we terug naar de kleurige wereld van Ariel. Het was niet zo gepland, vertelt de componist, ‘ik was gewoonweg nog steeds betoverd door de charmes van Prospero’s eiland’.
Na de première in 1952, met dirigent Paul Sacher en violist Hansheinz Schneeberger, werd Martins Vioolconcert opgenomen en uitgebracht door Decca, en vervolgens opgepikt door andere orkesten en violisten. Na die kortstondige populariteit is het werk echter niet vaak meer te horen geweest op de concertpodia.
Dmirtri Sjostakovitsj (1906-1975)
Tiende symfonie
Bij Dmitri Sjostakovitsj zijn sprookjes ver te zoeken. In zijn muziek horen we de rauwe werkelijkheid onherroepelijk inhakken op de psyche. Zijn cynische realisme druiste in tegen de eisen van de staat, maar door altijd met één been in de laatromantiek van Gustav Mahler te blijven, en regelmatig de bittere substantie met humor te verzachten, kon hij ver gaan.
Tegelijkertijd schiep zijn status als stercomponist en mascotte verplichtingen. Het leidde tot riskante botsingen met de sovjetautoriteiten. Dat voortdurend balanceren op hoog niveau zorgt voor een fascinerende spanning in zijn muziek.
In 1948 kreeg de componist er weer ongenadig van langs. Met zijn Negende symfonie had Sjostakovitsj de overwinning van het Rode Leger op de Duitsers zullen vieren, maar een lofzang op zijn kwelgeest Stalin afsteken zat er gewoon niet in. Heroïek en vaderlandsliefde ontbreken in de lichtvoetige symfonie, die dan ook in de ban werd gedaan. Met de publicatie van zijn Tiende, evenmin een vrolijke ode aan de heilstaat, wachtte hij daarom tot na Stalins dood op 5 maart 1953. Omdat de première ruim een half jaar nadien plaatsvond, leek de symfonie een postume afrekening met de dictator. Maar ze was waarschijnlijk al twee jaar eerder voltooid – en van een afrekening is hooguit in het tweede deel sprake.
Sjostakovitsj’ Tiende symfonie wordt alom bewonderd vanwege de beheersing van de grote vorm. Het lange eerste deel is een tragische symfonie an sich. Het begint met een behoedzaam, broeierig zoeken in de strijkers. Na een melancholieke melodie in de klarinet – die meermaals zal terugkeren – groeit het onbehagen. Steeds wanneer de lucht even opklaart, blijkt de verlossing verder weg. Een eenzame fagot poogt uit een diep dal te klimmen, twee klarinetten proberen er samen iets van te maken, het is allemaal tevergeefs. Ieder glimmertje hoop wordt de kop ingedrukt en na achttien minuten zijn we weer terug bij het onzekere dwalen van het begin.
Bij Dmitri Sjostakovitsj zijn sprookjes ver te zoeken. In zijn muziek horen we de rauwe werkelijkheid onherroepelijk inhakken op de psyche. Zijn cynische realisme druiste in tegen de eisen van de staat, maar door altijd met één been in de laatromantiek van Gustav Mahler te blijven, en regelmatig de bittere substantie met humor te verzachten, kon hij ver gaan.
Tegelijkertijd schiep zijn status als stercomponist en mascotte verplichtingen. Het leidde tot riskante botsingen met de sovjetautoriteiten. Dat voortdurend balanceren op hoog niveau zorgt voor een fascinerende spanning in zijn muziek.
In 1948 kreeg de componist er weer ongenadig van langs. Met zijn Negende symfonie had Sjostakovitsj de overwinning van het Rode Leger op de Duitsers zullen vieren, maar een lofzang op zijn kwelgeest Stalin afsteken zat er gewoon niet in. Heroïek en vaderlandsliefde ontbreken in de lichtvoetige symfonie, die dan ook in de ban werd gedaan. Met de publicatie van zijn Tiende, evenmin een vrolijke ode aan de heilstaat, wachtte hij daarom tot na Stalins dood op 5 maart 1953. Omdat de première ruim een half jaar nadien plaatsvond, leek de symfonie een postume afrekening met de dictator. Maar ze was waarschijnlijk al twee jaar eerder voltooid – en van een afrekening is hooguit in het tweede deel sprake.
Sjostakovitsj’ Tiende symfonie wordt alom bewonderd vanwege de beheersing van de grote vorm. Het lange eerste deel is een tragische symfonie an sich. Het begint met een behoedzaam, broeierig zoeken in de strijkers. Na een melancholieke melodie in de klarinet – die meermaals zal terugkeren – groeit het onbehagen. Steeds wanneer de lucht even opklaart, blijkt de verlossing verder weg. Een eenzame fagot poogt uit een diep dal te klimmen, twee klarinetten proberen er samen iets van te maken, het is allemaal tevergeefs. Ieder glimmertje hoop wordt de kop ingedrukt en na achttien minuten zijn we weer terug bij het onzekere dwalen van het begin.
Dan barst het beroemde tweede deel los: een kort, ongenadig doordenderend scherzo, dat doorgaans wordt beschouwd als een karikatuur van Stalin.
Met het verhaal dat in deel drie wordt verteld betreden we het terrein van de persoonlijke ontboezemingen. Eerst sluipt Sjostakovitsj’ handtekening de symfonie binnen, d-es-c-b (naar zijn initialen in Duitse spelling, DSCH). Dan klinkt in de hoorn het motief e-a-e-d-a, (‘e-la-mi-re-la’), waarvan we sinds de jaren 1990 weten dat het verwijst naar zijn compositiestudente Elmira Nazirova (1928-2014), op wie hij smoorverliefd was. Uiteindelijk versmelten de twee motieven, maar niet in een roze liefdeswolk – eerder in de dood, aangekondigd door de tamtam. Nazirova – die uitgroeide tot een centrale figuur in de Azerbeidzjaanse muziek – bleef bevriend met Sjostakovitsj, maar zou zijn liefde nooit beantwoorden.
In het slotdeel wisselen snelle dansjes en bespiegelende episodes elkaar af. Elementen uit de vorige delen keren terug, de DSCH- en Elmira-motieven komen terecht in een opzwepende dans. Is het dan allemaal te doen geweest om de liefde? Wat is de rol van Stalin daarin? Na al het voorafgaande is de slotoverwinning wel érg kort. Er is geen echte verlossing. ‘Ik leef, ik voel liefde, en daar is alles wel mee gezegd’, lijkt Sjostakovitsj te willen uitdrukken.
Dan barst het beroemde tweede deel los: een kort, ongenadig doordenderend scherzo, dat doorgaans wordt beschouwd als een karikatuur van Stalin.
Met het verhaal dat in deel drie wordt verteld betreden we het terrein van de persoonlijke ontboezemingen. Eerst sluipt Sjostakovitsj’ handtekening de symfonie binnen, d-es-c-b (naar zijn initialen in Duitse spelling, DSCH). Dan klinkt in de hoorn het motief e-a-e-d-a, (‘e-la-mi-re-la’), waarvan we sinds de jaren 1990 weten dat het verwijst naar zijn compositiestudente Elmira Nazirova (1928-2014), op wie hij smoorverliefd was. Uiteindelijk versmelten de twee motieven, maar niet in een roze liefdeswolk – eerder in de dood, aangekondigd door de tamtam. Nazirova – die uitgroeide tot een centrale figuur in de Azerbeidzjaanse muziek – bleef bevriend met Sjostakovitsj, maar zou zijn liefde nooit beantwoorden.
In het slotdeel wisselen snelle dansjes en bespiegelende episodes elkaar af. Elementen uit de vorige delen keren terug, de DSCH- en Elmira-motieven komen terecht in een opzwepende dans. Is het dan allemaal te doen geweest om de liefde? Wat is de rol van Stalin daarin? Na al het voorafgaande is de slotoverwinning wel érg kort. Er is geen echte verlossing. ‘Ik leef, ik voel liefde, en daar is alles wel mee gezegd’, lijkt Sjostakovitsj te willen uitdrukken.
Sofie Goebaidoelina (1931)
Sprookjesgedicht
In 1959 ontmoette de jonge Sofia Goebaidoelina haar beroemde landgenoot Dmitri Sjostakovitsj. Jozef Stalin was al zes jaar dood, maar nog altijd regeerde de staat met harde hand. Dat componisten moesten vrezen voor hun leven als het Kremlin hun muziek afkeurde, had Sjostakovitsj al meermaals ondervonden, voor het eerst in 1936. Inmiddels was ook Goebaidoelina gewaarschuwd: ze zou zich ‘op de verkeerde weg’ bevinden. Sjostakovitsj adviseerde haar niet te zwichten: ‘Mijn wens voor jou is dat je doorgaat op de verkeerde weg.’ Het sterkte haar in haar vastberadenheid. Tegendraads was ze altijd geweest; al vroeg combineerde ze in haar werk religieuze mystiek met de modernste westerse compositietechnieken – beide streng verboden.
In 1959 ontmoette de jonge Sofia Goebaidoelina haar beroemde landgenoot Dmitri Sjostakovitsj. Jozef Stalin was al zes jaar dood, maar nog altijd regeerde de staat met harde hand. Dat componisten moesten vrezen voor hun leven als het Kremlin hun muziek afkeurde, had Sjostakovitsj al meermaals ondervonden, voor het eerst in 1936. Inmiddels was ook Goebaidoelina gewaarschuwd: ze zou zich ‘op de verkeerde weg’ bevinden. Sjostakovitsj adviseerde haar niet te zwichten: ‘Mijn wens voor jou is dat je doorgaat op de verkeerde weg.’ Het sterkte haar in haar vastberadenheid. Tegendraads was ze altijd geweest; al vroeg combineerde ze in haar werk religieuze mystiek met de modernste westerse compositietechnieken – beide streng verboden.
Toen Goebaidoelina na 1980 buiten de Sovjet-Unie bekend werd, bleef het Kremlin beweren dat haar werk schoonheid, toegankelijkheid, optimisme en sociaal engagement ontbeerde – allemaal kenmerken die we terughoren in haar Sprookjesgedicht. Dat ze hierin – zoals zo vaak – de uiterste grenzen van de instrumenten verkent, is vooral om een verrassende klankwereld te creëren die recht doet aan de primaire inspiratiebron: een modern sprookje van de Tsjech Miloš Macourek over een schoolkrijtje dat gedoemd lijkt de rest van zijn leven saaie cijfers en grafieken op een schoolbord te schrijven. Het krijtje wordt afgedankt, waarna een kind het opraapt en in zijn zak steekt. De dood, denkt het krijtje. Totdat het kind het buiten tevoorschijn haalt en ermee op de stoep begint te tekenen: kastelen, prachtige tuinen met paviljoenen, de spiegeling van de zon in de zee… Het dolgelukkige krijtje lost langzaam op in schoonheid – evenals de muziek.
Goebaidoelina groeide uit tot een van de meest gewaardeerde componisten wereldwijd; ook het Concertgebouworkest speelde haar werk graag. Eind maart 2025 nog klonk haar Offertorium voor viool en orkest met Julian Rachlin als solist – twee weken eerder, op 13 maart, overleed ze.
Lees hier het verhaal over Sofia Goebaidoelina en het Concertgebouworkest.
Toen Goebaidoelina na 1980 buiten de Sovjet-Unie bekend werd, bleef het Kremlin beweren dat haar werk schoonheid, toegankelijkheid, optimisme en sociaal engagement ontbeerde – allemaal kenmerken die we terughoren in haar Sprookjesgedicht. Dat ze hierin – zoals zo vaak – de uiterste grenzen van de instrumenten verkent, is vooral om een verrassende klankwereld te creëren die recht doet aan de primaire inspiratiebron: een modern sprookje van de Tsjech Miloš Macourek over een schoolkrijtje dat gedoemd lijkt de rest van zijn leven saaie cijfers en grafieken op een schoolbord te schrijven. Het krijtje wordt afgedankt, waarna een kind het opraapt en in zijn zak steekt. De dood, denkt het krijtje. Totdat het kind het buiten tevoorschijn haalt en ermee op de stoep begint te tekenen: kastelen, prachtige tuinen met paviljoenen, de spiegeling van de zon in de zee… Het dolgelukkige krijtje lost langzaam op in schoonheid – evenals de muziek.
Goebaidoelina groeide uit tot een van de meest gewaardeerde componisten wereldwijd; ook het Concertgebouworkest speelde haar werk graag. Eind maart 2025 nog klonk haar Offertorium voor viool en orkest met Julian Rachlin als solist – twee weken eerder, op 13 maart, overleed ze.
Lees hier het verhaal over Sofia Goebaidoelina en het Concertgebouworkest.
Frank Martin (1890-1974)
Vioolconcert
Composities van Frank Martin hebben sinds 1948 regelmatig bij het Concertgebouworkest op de lessenaar gestaan – het Vioolconcert voor het eerst in 1961. Toen woonde de Zwitser inmiddels al vijf jaar in Nederland, waar hij tot zijn dood zou blijven. Karakteristiek voor Martin zijn de ingenieuze ritmiek en intense melodische lijnen, ondersteund door een zoekende harmonie die soms doet denken aan Sjostakovitsj. Martins vroegere werk kon wat weerbarstig zijn, maar tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen hij zich manifesteerde als leidende figuur in de Zwitserse muziek, ontwikkelde hij een lyrische stijl met een typerende transparantie en lichtheid in werken als Le Vin Herbé (1939) en het oratorium In terra pax (1944).
Composities van Frank Martin hebben sinds 1948 regelmatig bij het Concertgebouworkest op de lessenaar gestaan – het Vioolconcert voor het eerst in 1961. Toen woonde de Zwitser inmiddels al vijf jaar in Nederland, waar hij tot zijn dood zou blijven. Karakteristiek voor Martin zijn de ingenieuze ritmiek en intense melodische lijnen, ondersteund door een zoekende harmonie die soms doet denken aan Sjostakovitsj. Martins vroegere werk kon wat weerbarstig zijn, maar tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen hij zich manifesteerde als leidende figuur in de Zwitserse muziek, ontwikkelde hij een lyrische stijl met een typerende transparantie en lichtheid in werken als Le Vin Herbé (1939) en het oratorium In terra pax (1944).
Dat is ook goed te horen in het Vioolconcert. Binnen een kleurrijke, geheimzinnige klankomgeving krijgt de soloviool – vloeiend, expressief, etherisch – alle ruimte. Nergens dreigt excessieve virtuositeit, alles draait om de vertelkunst van de violist die wordt gestut en ingekleurd door het orkest. Martin begon eraan toen hij net een werk had voltooid naar Shakespeares The Tempest. Daarin regeert de luchtgeest Ariel over het eiland van Prospero. De sprookjesachtige sfeer en het karakter van Ariel – afstandelijk en mysterieus, dan weer levendig en grillig – beheersen het Vioolconcert. Aan het eind van het tweede deel stevent het orkest af op een zwaarmoedig, majestueus koraal, waarna de muziek een tijdje verzinkt in introspectie. Maar in de dansante finale keren we terug naar de kleurige wereld van Ariel. Het was niet zo gepland, vertelt de componist, ‘ik was gewoonweg nog steeds betoverd door de charmes van Prospero’s eiland’.
Na de première in 1952, met dirigent Paul Sacher en violist Hansheinz Schneeberger, werd Martins Vioolconcert opgenomen en uitgebracht door Decca, en vervolgens opgepikt door andere orkesten en violisten. Na die kortstondige populariteit is het werk echter niet vaak meer te horen geweest op de concertpodia.
Dat is ook goed te horen in het Vioolconcert. Binnen een kleurrijke, geheimzinnige klankomgeving krijgt de soloviool – vloeiend, expressief, etherisch – alle ruimte. Nergens dreigt excessieve virtuositeit, alles draait om de vertelkunst van de violist die wordt gestut en ingekleurd door het orkest. Martin begon eraan toen hij net een werk had voltooid naar Shakespeares The Tempest. Daarin regeert de luchtgeest Ariel over het eiland van Prospero. De sprookjesachtige sfeer en het karakter van Ariel – afstandelijk en mysterieus, dan weer levendig en grillig – beheersen het Vioolconcert. Aan het eind van het tweede deel stevent het orkest af op een zwaarmoedig, majestueus koraal, waarna de muziek een tijdje verzinkt in introspectie. Maar in de dansante finale keren we terug naar de kleurige wereld van Ariel. Het was niet zo gepland, vertelt de componist, ‘ik was gewoonweg nog steeds betoverd door de charmes van Prospero’s eiland’.
Na de première in 1952, met dirigent Paul Sacher en violist Hansheinz Schneeberger, werd Martins Vioolconcert opgenomen en uitgebracht door Decca, en vervolgens opgepikt door andere orkesten en violisten. Na die kortstondige populariteit is het werk echter niet vaak meer te horen geweest op de concertpodia.
Dmirtri Sjostakovitsj (1906-1975)
Tiende symfonie
Bij Dmitri Sjostakovitsj zijn sprookjes ver te zoeken. In zijn muziek horen we de rauwe werkelijkheid onherroepelijk inhakken op de psyche. Zijn cynische realisme druiste in tegen de eisen van de staat, maar door altijd met één been in de laatromantiek van Gustav Mahler te blijven, en regelmatig de bittere substantie met humor te verzachten, kon hij ver gaan.
Tegelijkertijd schiep zijn status als stercomponist en mascotte verplichtingen. Het leidde tot riskante botsingen met de sovjetautoriteiten. Dat voortdurend balanceren op hoog niveau zorgt voor een fascinerende spanning in zijn muziek.
In 1948 kreeg de componist er weer ongenadig van langs. Met zijn Negende symfonie had Sjostakovitsj de overwinning van het Rode Leger op de Duitsers zullen vieren, maar een lofzang op zijn kwelgeest Stalin afsteken zat er gewoon niet in. Heroïek en vaderlandsliefde ontbreken in de lichtvoetige symfonie, die dan ook in de ban werd gedaan. Met de publicatie van zijn Tiende, evenmin een vrolijke ode aan de heilstaat, wachtte hij daarom tot na Stalins dood op 5 maart 1953. Omdat de première ruim een half jaar nadien plaatsvond, leek de symfonie een postume afrekening met de dictator. Maar ze was waarschijnlijk al twee jaar eerder voltooid – en van een afrekening is hooguit in het tweede deel sprake.
Sjostakovitsj’ Tiende symfonie wordt alom bewonderd vanwege de beheersing van de grote vorm. Het lange eerste deel is een tragische symfonie an sich. Het begint met een behoedzaam, broeierig zoeken in de strijkers. Na een melancholieke melodie in de klarinet – die meermaals zal terugkeren – groeit het onbehagen. Steeds wanneer de lucht even opklaart, blijkt de verlossing verder weg. Een eenzame fagot poogt uit een diep dal te klimmen, twee klarinetten proberen er samen iets van te maken, het is allemaal tevergeefs. Ieder glimmertje hoop wordt de kop ingedrukt en na achttien minuten zijn we weer terug bij het onzekere dwalen van het begin.
Bij Dmitri Sjostakovitsj zijn sprookjes ver te zoeken. In zijn muziek horen we de rauwe werkelijkheid onherroepelijk inhakken op de psyche. Zijn cynische realisme druiste in tegen de eisen van de staat, maar door altijd met één been in de laatromantiek van Gustav Mahler te blijven, en regelmatig de bittere substantie met humor te verzachten, kon hij ver gaan.
Tegelijkertijd schiep zijn status als stercomponist en mascotte verplichtingen. Het leidde tot riskante botsingen met de sovjetautoriteiten. Dat voortdurend balanceren op hoog niveau zorgt voor een fascinerende spanning in zijn muziek.
In 1948 kreeg de componist er weer ongenadig van langs. Met zijn Negende symfonie had Sjostakovitsj de overwinning van het Rode Leger op de Duitsers zullen vieren, maar een lofzang op zijn kwelgeest Stalin afsteken zat er gewoon niet in. Heroïek en vaderlandsliefde ontbreken in de lichtvoetige symfonie, die dan ook in de ban werd gedaan. Met de publicatie van zijn Tiende, evenmin een vrolijke ode aan de heilstaat, wachtte hij daarom tot na Stalins dood op 5 maart 1953. Omdat de première ruim een half jaar nadien plaatsvond, leek de symfonie een postume afrekening met de dictator. Maar ze was waarschijnlijk al twee jaar eerder voltooid – en van een afrekening is hooguit in het tweede deel sprake.
Sjostakovitsj’ Tiende symfonie wordt alom bewonderd vanwege de beheersing van de grote vorm. Het lange eerste deel is een tragische symfonie an sich. Het begint met een behoedzaam, broeierig zoeken in de strijkers. Na een melancholieke melodie in de klarinet – die meermaals zal terugkeren – groeit het onbehagen. Steeds wanneer de lucht even opklaart, blijkt de verlossing verder weg. Een eenzame fagot poogt uit een diep dal te klimmen, twee klarinetten proberen er samen iets van te maken, het is allemaal tevergeefs. Ieder glimmertje hoop wordt de kop ingedrukt en na achttien minuten zijn we weer terug bij het onzekere dwalen van het begin.
Dan barst het beroemde tweede deel los: een kort, ongenadig doordenderend scherzo, dat doorgaans wordt beschouwd als een karikatuur van Stalin.
Met het verhaal dat in deel drie wordt verteld betreden we het terrein van de persoonlijke ontboezemingen. Eerst sluipt Sjostakovitsj’ handtekening de symfonie binnen, d-es-c-b (naar zijn initialen in Duitse spelling, DSCH). Dan klinkt in de hoorn het motief e-a-e-d-a, (‘e-la-mi-re-la’), waarvan we sinds de jaren 1990 weten dat het verwijst naar zijn compositiestudente Elmira Nazirova (1928-2014), op wie hij smoorverliefd was. Uiteindelijk versmelten de twee motieven, maar niet in een roze liefdeswolk – eerder in de dood, aangekondigd door de tamtam. Nazirova – die uitgroeide tot een centrale figuur in de Azerbeidzjaanse muziek – bleef bevriend met Sjostakovitsj, maar zou zijn liefde nooit beantwoorden.
In het slotdeel wisselen snelle dansjes en bespiegelende episodes elkaar af. Elementen uit de vorige delen keren terug, de DSCH- en Elmira-motieven komen terecht in een opzwepende dans. Is het dan allemaal te doen geweest om de liefde? Wat is de rol van Stalin daarin? Na al het voorafgaande is de slotoverwinning wel érg kort. Er is geen echte verlossing. ‘Ik leef, ik voel liefde, en daar is alles wel mee gezegd’, lijkt Sjostakovitsj te willen uitdrukken.
Dan barst het beroemde tweede deel los: een kort, ongenadig doordenderend scherzo, dat doorgaans wordt beschouwd als een karikatuur van Stalin.
Met het verhaal dat in deel drie wordt verteld betreden we het terrein van de persoonlijke ontboezemingen. Eerst sluipt Sjostakovitsj’ handtekening de symfonie binnen, d-es-c-b (naar zijn initialen in Duitse spelling, DSCH). Dan klinkt in de hoorn het motief e-a-e-d-a, (‘e-la-mi-re-la’), waarvan we sinds de jaren 1990 weten dat het verwijst naar zijn compositiestudente Elmira Nazirova (1928-2014), op wie hij smoorverliefd was. Uiteindelijk versmelten de twee motieven, maar niet in een roze liefdeswolk – eerder in de dood, aangekondigd door de tamtam. Nazirova – die uitgroeide tot een centrale figuur in de Azerbeidzjaanse muziek – bleef bevriend met Sjostakovitsj, maar zou zijn liefde nooit beantwoorden.
In het slotdeel wisselen snelle dansjes en bespiegelende episodes elkaar af. Elementen uit de vorige delen keren terug, de DSCH- en Elmira-motieven komen terecht in een opzwepende dans. Is het dan allemaal te doen geweest om de liefde? Wat is de rol van Stalin daarin? Na al het voorafgaande is de slotoverwinning wel érg kort. Er is geen echte verlossing. ‘Ik leef, ik voel liefde, en daar is alles wel mee gezegd’, lijkt Sjostakovitsj te willen uitdrukken.
Biografie
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande dirigenten en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende dirigenten zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest
Rafael Payare, dirigent
Rafael Payare is music director van het Orchestre symphonique de Montréal sinds 2022 en van de San Diego Symphony sinds 2019. Met beide orkesten stond hij recentelijk in Carnegie Hall in New York, op het nieuwe California Festival en op het Día de los Muertos Festival in Tijuana. In 2024 heropende hij het Jacobs Music Center – de gerenoveerde thuiszaal van de San Diego Symphony.
Hij is ook eredirigent van het Noord-Ierse Ulster Orchestra, waar hij van 2014 tot 2019 de leiding had en waarmee hij meermaals optrad bij de BBC Proms. Rafael Payare is een van de bekendste alumni van El Sistema, het befaamde muziekeducatieprogramma in zijn geboorteland Venezuela. Van 2001 tot 2012 was hij solohoornist van het Simón Bolívar Symfonieorkest, waarmee hij tourde onder leiding van Gustavo Dudamel en andere topdirigenten. Giuseppe Sinopoli inspireerde hem zelf te gaan dirigeren.
Rafael Payare werd opgeleid door El Sistema-oprichter José Antonio Abreu en gecoached door Lorin Maazel en Krzysztof Penderecki, en leidde spoedig alle belangrijke orkesten van Venezuela. Nadat hij in 2012 in Denemarken de Malko International Competition for Young Conductors won, kwam zijn carrière in een stroomversnelling. In recente jaren was de dirigent te gast bij onder meer de grote orkesten van New York, Los Angeles, San Francisco, Chicago, Cleveland, Philadelphia, Zürich, Wenen, Berlijn, München, Hamburg, Rome, Londen en Parijs. Opera leidde hij op het Glyndebourne Festival en in de theaters van Stockholm, Kopenhagen, Berlijn en Londen.
In Het Concertgebouw trad hij in 2017 op met het Radio Filharmonisch Orkest en het Rotterdams Philharmonisch Orkest, in 2018 met het Ulster Orchestra en in 2024 met het Orchestre symphonique de Montréal. Bij het Concertgebouworkest maakt Rafael Payare zijn debuut.
Frank Peter Zimmermann, viool
De in Duisburg geboren Frank Peter Zimmermann kreeg vanaf zijn vijfde muziekles van zijn moeder, gaf zijn eerste openbare concert op zijn tiende en won een jaar later het concours ‘Jugend musiziert’. Later studeerde hij bij Valery Gradov, Saschko Gawriloff en Herman Krebbers.
Een belangrijk moment in zijn vroege carrière was zijn debuut bij de Berliner Philharmoniker in 1981 met Mozarts Derde vioolconcert, KV 216. Sindsdien treedt de violist wereldwijd op.
Ook bij het Concertgebouworkest was hij, sinds zijn debuut in 1990, vele malen te gast, voor het laatst in maart 2024 met het Vioolconcert van Elgar onder leiding van Daniel Harding. Naast werk uit het verleden speelt Frank Peter Zimmermann ook graag nieuwe muziek; zo bracht hij met het London Philharmonic Orchestra en Jaap van Zweden het Tweede vioolconcert van Magnus Lindberg in première en schreven componisten als Brett Dean, Peter Eötvös, Matthias Pintscher en Augusta Read Thomas nieuw werk voor hem.
Recitals gaf Frank Peter Zimmermann met partners als Christian Zacharias, Enrico Pace en Emanuel Ax. Onder zijn recente cd-opnames zijn werken van Stravinsky, Martinů en Bartók met de Bamberger Symphoniker en Jakub Hrůša, de Sonates en partita’s voor viool solo van Bach en de complete Beethovensonates met pianist Martin Helmchen. Frank Peter Zimmermann bespeelt de Stradivarius ‘Lady Inchiquin’ uit 1711.