Lucas en Arthur Jussen: van Gershwin tot Reich
Grote Zaal 10 maart 2026 20.15 uur
Lucas & Arthur Jussen piano
Alexej Gerassimez slagwerk
Emil Kuyumcuyan slagwerk
Dit programma maakt deel uit van de serie Spotlight.
Ook interessant:
- Hoeveel pop zit er in klassieke muziek?
- Het interview met Lucas en Arthur Jussen
- De werkdag van Alexej Gerassimez en Emil Kuyumcuyan
Duke Ellington (1899-1974)
Brasilliance (arr. Oran Elder)
uit ‘Latin American Suite’ (1968)
Steve Reich (1936)
Fast
uit ‘Quartet’ (2013)
Paul Lansky (1944)
selectie uit ‘Textures’ (2012-13)
voor twee piano’s en slagwerk
George Gershwin (1898-1937)
Rhapsody in Blue (1924)
oorspronkelijk voor piano en orkest; bewerking voor twee piano’s door Henry Levine
pauze ± 21.00 uur
Alexej Gerassimez (1987)
Beyond Stickability
voor slagwerkduo
John Adams (1947)
Short Ride in a Fast Machine (1986)
oorspronkelijk voor orkest; bewerking voor twee piano’s en slagwerk door Alexej Gerassimez
Leonard Bernstein (1918-1990)
Symphonic Dances uit ‘West Side Story’ (1960)
oorspronkelijk voor orkest; bewerking voor twee piano’s en slagwerk door Peter Sadlo
einde ± 22.15 uur
Lucas & Arthur Jussen piano
Alexej Gerassimez slagwerk
Emil Kuyumcuyan slagwerk
Dit programma maakt deel uit van de serie Spotlight.
Ook interessant:
- Hoeveel pop zit er in klassieke muziek?
- Het interview met Lucas en Arthur Jussen
- De werkdag van Alexej Gerassimez en Emil Kuyumcuyan
Duke Ellington (1899-1974)
Brasilliance (arr. Oran Elder)
uit ‘Latin American Suite’ (1968)
Steve Reich (1936)
Fast
uit ‘Quartet’ (2013)
Paul Lansky (1944)
selectie uit ‘Textures’ (2012-13)
voor twee piano’s en slagwerk
George Gershwin (1898-1937)
Rhapsody in Blue (1924)
oorspronkelijk voor piano en orkest; bewerking voor twee piano’s door Henry Levine
pauze ± 21.00 uur
Alexej Gerassimez (1987)
Beyond Stickability
voor slagwerkduo
John Adams (1947)
Short Ride in a Fast Machine (1986)
oorspronkelijk voor orkest; bewerking voor twee piano’s en slagwerk door Alexej Gerassimez
Leonard Bernstein (1918-1990)
Symphonic Dances uit ‘West Side Story’ (1960)
oorspronkelijk voor orkest; bewerking voor twee piano’s en slagwerk door Peter Sadlo
einde ± 22.15 uur
Toelichting
Toelichting
In een interview zei slagwerker Alexej Gerassimez ooit: ‘De 21ste eeuw behoort toe aan de slagwerkers. Vooral omdat het zo’n groot instrumentarium is en er altijd iets te ontdekken valt.’ En hij heeft geen ongelijk: in de klassieke muziek heeft slagwerk de afgelopen eeuw een metamorfose ondergaan. Waar het in het klassieke orkest als figurant opereerde, ontwikkelde het veelkleurige instrumentarium zich tot protagonist van de hedendaagse muziek.
Het is opvallend hoe deze evolutie hand in hand ging met de rol van de piano. Vroeger een icoon van harmonisch en melodisch denken, behandelen veel componisten het instrument tegenwoordig eerder als lid van de slagwerkfamilie. Het lag dus in het begin van de vorige eeuw voor de hand om piano en slagwerk het podium te laten delen als ensemble van alleskunners. Iconisch startpunt voor de bijzondere kwartetbezetting van twee piano’s en twee slagwerkers was de Sonate voor twee piano’s en slagwerk van Béla Bartók, die daarmee in 1927 de toon zette voor veel componisten na hem.
In een interview zei slagwerker Alexej Gerassimez ooit: ‘De 21ste eeuw behoort toe aan de slagwerkers. Vooral omdat het zo’n groot instrumentarium is en er altijd iets te ontdekken valt.’ En hij heeft geen ongelijk: in de klassieke muziek heeft slagwerk de afgelopen eeuw een metamorfose ondergaan. Waar het in het klassieke orkest als figurant opereerde, ontwikkelde het veelkleurige instrumentarium zich tot protagonist van de hedendaagse muziek.
Het is opvallend hoe deze evolutie hand in hand ging met de rol van de piano. Vroeger een icoon van harmonisch en melodisch denken, behandelen veel componisten het instrument tegenwoordig eerder als lid van de slagwerkfamilie. Het lag dus in het begin van de vorige eeuw voor de hand om piano en slagwerk het podium te laten delen als ensemble van alleskunners. Iconisch startpunt voor de bijzondere kwartetbezetting van twee piano’s en twee slagwerkers was de Sonate voor twee piano’s en slagwerk van Béla Bartók, die daarmee in 1927 de toon zette voor veel componisten na hem.
Steve Reich (1936)
Fast
Wat die nieuwe rollen van piano en slagwerk betreft is ook Quartet van Steve Reich emblematisch te noemen. Reich speelt een centrale rol in de opwaardering van slagwerk in de hedendaagse concertmuziek. Sinds zijn baanbrekende Drumming (1971) introduceerde de New Yorker repetitieve processen, phasingtechnieken en invloeden uit West-Afrikaanse en Oost-Aziatische ritmiek. Reichs vernieuwingen, vooral zijn ritmische drive en formele helderheid, blijven een bron van inspiratie voor componisten en slagwerkers. In Fast, het derde deel van Reichs Quartet, spelen twee piano’s en twee vibrafoons samen in een gelaagde polyritmiek, waarbij de melodie ondergeschikt is aan een jazzy puls die nooit lijkt te stoppen. De vier partijen grijpen voortdurend in elkaar, verschuiven en wisselen materiaal uit – in interacties die vergelijkbaar zijn met die van een strijkkwartet. Technisch draait het werk om samenspel en precisie, om de snelle wisselingen en subtiele ritmische complexiteit strak te vertolken.
Wat die nieuwe rollen van piano en slagwerk betreft is ook Quartet van Steve Reich emblematisch te noemen. Reich speelt een centrale rol in de opwaardering van slagwerk in de hedendaagse concertmuziek. Sinds zijn baanbrekende Drumming (1971) introduceerde de New Yorker repetitieve processen, phasingtechnieken en invloeden uit West-Afrikaanse en Oost-Aziatische ritmiek. Reichs vernieuwingen, vooral zijn ritmische drive en formele helderheid, blijven een bron van inspiratie voor componisten en slagwerkers. In Fast, het derde deel van Reichs Quartet, spelen twee piano’s en twee vibrafoons samen in een gelaagde polyritmiek, waarbij de melodie ondergeschikt is aan een jazzy puls die nooit lijkt te stoppen. De vier partijen grijpen voortdurend in elkaar, verschuiven en wisselen materiaal uit – in interacties die vergelijkbaar zijn met die van een strijkkwartet. Technisch draait het werk om samenspel en precisie, om de snelle wisselingen en subtiele ritmische complexiteit strak te vertolken.
Paul Lansky (1944)
Textures
Paul Lansky gold decennialang als pionier van de elektronische en computermuziek in de Verenigde Staten, met invloedrijke werken die dankzij algoritmes en complexe digitale processen tot stand kwamen. Vanaf de jaren 2000 verschoof Lansky’s focus naar akoestische ensembles, waarbij hij zijn vertrouwde klankonderzoek toepaste op live-instrumenten. Over zijn cyclus Textures zegt hij: ‘Ik houd van het schrijven van slagwerkmuziek. Het lijkt veel op het maken van computermuziek, wat ik meer dan 35 jaar fulltime heb gedaan. Op de computer werk je bijvoorbeeld met spectrale balans, klankverloop en timbreverschillen. In de slagwerkwereld wordt deze bijna oneindige hoeveelheid mogelijkheden geëvenaard door het enorme potentieel van de instrumentfamilies van hout, metaal, hamers en vellen. De ongebruikelijke combinatie van twee pianisten en twee slagwerkers vraagt om muziek die de instrumenten tot het uiterste van hun klankmogelijkheden brengt. Het idee van ‘texturen’ kwam bij me op zodra ik begon met componeren. Ik heb de focus voor ieder deel gevonden zodra de textuur en muzikale ecologie ervan duidelijk werden. Eigenlijk is het stuk een ode aan het unieke klankpotentieel van deze bezetting.’
Paul Lansky gold decennialang als pionier van de elektronische en computermuziek in de Verenigde Staten, met invloedrijke werken die dankzij algoritmes en complexe digitale processen tot stand kwamen. Vanaf de jaren 2000 verschoof Lansky’s focus naar akoestische ensembles, waarbij hij zijn vertrouwde klankonderzoek toepaste op live-instrumenten. Over zijn cyclus Textures zegt hij: ‘Ik houd van het schrijven van slagwerkmuziek. Het lijkt veel op het maken van computermuziek, wat ik meer dan 35 jaar fulltime heb gedaan. Op de computer werk je bijvoorbeeld met spectrale balans, klankverloop en timbreverschillen. In de slagwerkwereld wordt deze bijna oneindige hoeveelheid mogelijkheden geëvenaard door het enorme potentieel van de instrumentfamilies van hout, metaal, hamers en vellen. De ongebruikelijke combinatie van twee pianisten en twee slagwerkers vraagt om muziek die de instrumenten tot het uiterste van hun klankmogelijkheden brengt. Het idee van ‘texturen’ kwam bij me op zodra ik begon met componeren. Ik heb de focus voor ieder deel gevonden zodra de textuur en muzikale ecologie ervan duidelijk werden. Eigenlijk is het stuk een ode aan het unieke klankpotentieel van deze bezetting.’
George Gershwin (1898-1937)
Rhapsody in Blue
In de jaren 1920 raakten veel componisten in de ban van de Amerikaanse jazz. Maar niemand wist de geest van die nieuwe muziek zó overtuigend te vangen als George Gershwin, de componist die de klassieke muziek de Jazz Age binnenleidde. Wat Gershwin voor ogen had, was een verbond tussen klassiek en populair of, zoals hij het zelf noemde, ‘van jazz een eerbare vrouw maken.’ Zijn eerste poging was meteen raak: Rhapsody in Blue. De opdracht kwam van Paul Whiteman, de bigbandleider die jazz naar de concertzaal wilde brengen. Vanaf de eerste glijdende klarinettoon was het publiek verkocht. Gershwin beschreef het werk zelf als ‘een muzikale caleidoscoop van Amerika – van onze smeltkroes, onze ontembare vitaliteit, onze blues, onze grootstedelijke waanzin’. Om die magie te laten klinken is een volledig orkest niet nodig; zoals het arrangement van Henry Levine voor twee pianisten laat horen, volstaan vier handen ruimschoots om Gershwins swing, grandeur en weemoed te raken.
In de jaren 1920 raakten veel componisten in de ban van de Amerikaanse jazz. Maar niemand wist de geest van die nieuwe muziek zó overtuigend te vangen als George Gershwin, de componist die de klassieke muziek de Jazz Age binnenleidde. Wat Gershwin voor ogen had, was een verbond tussen klassiek en populair of, zoals hij het zelf noemde, ‘van jazz een eerbare vrouw maken.’ Zijn eerste poging was meteen raak: Rhapsody in Blue. De opdracht kwam van Paul Whiteman, de bigbandleider die jazz naar de concertzaal wilde brengen. Vanaf de eerste glijdende klarinettoon was het publiek verkocht. Gershwin beschreef het werk zelf als ‘een muzikale caleidoscoop van Amerika – van onze smeltkroes, onze ontembare vitaliteit, onze blues, onze grootstedelijke waanzin’. Om die magie te laten klinken is een volledig orkest niet nodig; zoals het arrangement van Henry Levine voor twee pianisten laat horen, volstaan vier handen ruimschoots om Gershwins swing, grandeur en weemoed te raken.
Alexej Gerassimez (1987)
Beyond Stickability
Behalve een begenadigd slagwerker is Alexej Gerassimez ook componist, met name voor zijn eigen instrumentarium. Zijn werk Beyond Stickability is een feest voor ogen en oren. De titel, een speelse verwijzing naar de technische beheersing van de slagwerkstokken of ‘sticks’, prikkelt je om voorbij de techniek te kijken naar de fysieke en emotionele kracht van ritmische taal. Het werk balanceert tussen virtuositeit en intuïtie, theater en precisie. De slagwerkers worden hier behalve performer ook choreograaf: elke beweging, elke aanraking, elke timing draagt bij aan de theatrale energie van het stuk.
Behalve een begenadigd slagwerker is Alexej Gerassimez ook componist, met name voor zijn eigen instrumentarium. Zijn werk Beyond Stickability is een feest voor ogen en oren. De titel, een speelse verwijzing naar de technische beheersing van de slagwerkstokken of ‘sticks’, prikkelt je om voorbij de techniek te kijken naar de fysieke en emotionele kracht van ritmische taal. Het werk balanceert tussen virtuositeit en intuïtie, theater en precisie. De slagwerkers worden hier behalve performer ook choreograaf: elke beweging, elke aanraking, elke timing draagt bij aan de theatrale energie van het stuk.
Leonard Bernstein (1918-1990)
Symphonic Dances
Hoewel er veel moderne bewerkingen zijn gemaakt van Shakespeares tragedie Romeo en Julia, kan er geen een tippen aan West Side Story van Leonard Bernstein. De Broadway-musical teleporteerde de families Montague en Capulet naar rivaliserende Amerikaanse jeugdbendes: de Jets en de Sharks, met de noodlottige geliefden Tony en Maria in de vuurlinie. Bernsteins orkestsuite Symphonic Dances uit ‘West Side Story’, in het arrangement van Peter Sadlo, is net zoals Gershwins werk eerder op de avond een theatrale reis. Het is een samengaan van jazz, latin en symfonische stijlen waarin piano en slagwerk het noodlottige verhaal vertellen zonder woorden. Sadlo’s bewerking legt nadruk op de ritmische swing, de dynamische contrasten en expressiviteit van Bernsteins origineel.
Hoewel er veel moderne bewerkingen zijn gemaakt van Shakespeares tragedie Romeo en Julia, kan er geen een tippen aan West Side Story van Leonard Bernstein. De Broadway-musical teleporteerde de families Montague en Capulet naar rivaliserende Amerikaanse jeugdbendes: de Jets en de Sharks, met de noodlottige geliefden Tony en Maria in de vuurlinie. Bernsteins orkestsuite Symphonic Dances uit ‘West Side Story’, in het arrangement van Peter Sadlo, is net zoals Gershwins werk eerder op de avond een theatrale reis. Het is een samengaan van jazz, latin en symfonische stijlen waarin piano en slagwerk het noodlottige verhaal vertellen zonder woorden. Sadlo’s bewerking legt nadruk op de ritmische swing, de dynamische contrasten en expressiviteit van Bernsteins origineel.
John Adams (1947)
Short Ride in a Fast Machine
Was Bernstein een directe erfgenaam van Gerswhin, zo kan de vroege John Adams worden gezien als componerende oomzegger van Reich. Adams’ Short Ride in a Fast Machine is een klinkende bolide voor orkest. Of zoals hij zelf zei: ‘Weet je hoe het is als iemand je vraagt om mee te rijden in een geweldige sportwagen en je dan achteraf zou willen dat je dat niet had gedaan?’ Met dit in het achterhoofd schreef hij in 1986 een fanfare voor groot symfonieorkest, een ‘vrolijk, opgewekt muziekstuk dat erg moeilijk te spelen is, maar ook heel leuk.’ Minimal music is de grootste invloed in dit werk, dat niet voor niets vaak een ‘triomf van het minimalisme’ wordt genoemd. Je hoort welluidende harmonieën, motorische ritmes en repetitieve melodische motieven en patronen. Wat bij Adams een symfonie van puls en harmonische drive was, wordt in Gerassimez’ arrangement een samenballing van energie – met de piano’s als chauffeur en het slagwerk als vonkende motor. Het mechanische ritme van het woodblock stuwt de ‘fast machine’ vooruit met een obsessieve precisie. Het kwartet raast over die snelweg in een maalstroom van
energie.
Was Bernstein een directe erfgenaam van Gerswhin, zo kan de vroege John Adams worden gezien als componerende oomzegger van Reich. Adams’ Short Ride in a Fast Machine is een klinkende bolide voor orkest. Of zoals hij zelf zei: ‘Weet je hoe het is als iemand je vraagt om mee te rijden in een geweldige sportwagen en je dan achteraf zou willen dat je dat niet had gedaan?’ Met dit in het achterhoofd schreef hij in 1986 een fanfare voor groot symfonieorkest, een ‘vrolijk, opgewekt muziekstuk dat erg moeilijk te spelen is, maar ook heel leuk.’ Minimal music is de grootste invloed in dit werk, dat niet voor niets vaak een ‘triomf van het minimalisme’ wordt genoemd. Je hoort welluidende harmonieën, motorische ritmes en repetitieve melodische motieven en patronen. Wat bij Adams een symfonie van puls en harmonische drive was, wordt in Gerassimez’ arrangement een samenballing van energie – met de piano’s als chauffeur en het slagwerk als vonkende motor. Het mechanische ritme van het woodblock stuwt de ‘fast machine’ vooruit met een obsessieve precisie. Het kwartet raast over die snelweg in een maalstroom van
energie.
Toelichting
In een interview zei slagwerker Alexej Gerassimez ooit: ‘De 21ste eeuw behoort toe aan de slagwerkers. Vooral omdat het zo’n groot instrumentarium is en er altijd iets te ontdekken valt.’ En hij heeft geen ongelijk: in de klassieke muziek heeft slagwerk de afgelopen eeuw een metamorfose ondergaan. Waar het in het klassieke orkest als figurant opereerde, ontwikkelde het veelkleurige instrumentarium zich tot protagonist van de hedendaagse muziek.
Het is opvallend hoe deze evolutie hand in hand ging met de rol van de piano. Vroeger een icoon van harmonisch en melodisch denken, behandelen veel componisten het instrument tegenwoordig eerder als lid van de slagwerkfamilie. Het lag dus in het begin van de vorige eeuw voor de hand om piano en slagwerk het podium te laten delen als ensemble van alleskunners. Iconisch startpunt voor de bijzondere kwartetbezetting van twee piano’s en twee slagwerkers was de Sonate voor twee piano’s en slagwerk van Béla Bartók, die daarmee in 1927 de toon zette voor veel componisten na hem.
In een interview zei slagwerker Alexej Gerassimez ooit: ‘De 21ste eeuw behoort toe aan de slagwerkers. Vooral omdat het zo’n groot instrumentarium is en er altijd iets te ontdekken valt.’ En hij heeft geen ongelijk: in de klassieke muziek heeft slagwerk de afgelopen eeuw een metamorfose ondergaan. Waar het in het klassieke orkest als figurant opereerde, ontwikkelde het veelkleurige instrumentarium zich tot protagonist van de hedendaagse muziek.
Het is opvallend hoe deze evolutie hand in hand ging met de rol van de piano. Vroeger een icoon van harmonisch en melodisch denken, behandelen veel componisten het instrument tegenwoordig eerder als lid van de slagwerkfamilie. Het lag dus in het begin van de vorige eeuw voor de hand om piano en slagwerk het podium te laten delen als ensemble van alleskunners. Iconisch startpunt voor de bijzondere kwartetbezetting van twee piano’s en twee slagwerkers was de Sonate voor twee piano’s en slagwerk van Béla Bartók, die daarmee in 1927 de toon zette voor veel componisten na hem.
Steve Reich (1936)
Fast
Wat die nieuwe rollen van piano en slagwerk betreft is ook Quartet van Steve Reich emblematisch te noemen. Reich speelt een centrale rol in de opwaardering van slagwerk in de hedendaagse concertmuziek. Sinds zijn baanbrekende Drumming (1971) introduceerde de New Yorker repetitieve processen, phasingtechnieken en invloeden uit West-Afrikaanse en Oost-Aziatische ritmiek. Reichs vernieuwingen, vooral zijn ritmische drive en formele helderheid, blijven een bron van inspiratie voor componisten en slagwerkers. In Fast, het derde deel van Reichs Quartet, spelen twee piano’s en twee vibrafoons samen in een gelaagde polyritmiek, waarbij de melodie ondergeschikt is aan een jazzy puls die nooit lijkt te stoppen. De vier partijen grijpen voortdurend in elkaar, verschuiven en wisselen materiaal uit – in interacties die vergelijkbaar zijn met die van een strijkkwartet. Technisch draait het werk om samenspel en precisie, om de snelle wisselingen en subtiele ritmische complexiteit strak te vertolken.
Wat die nieuwe rollen van piano en slagwerk betreft is ook Quartet van Steve Reich emblematisch te noemen. Reich speelt een centrale rol in de opwaardering van slagwerk in de hedendaagse concertmuziek. Sinds zijn baanbrekende Drumming (1971) introduceerde de New Yorker repetitieve processen, phasingtechnieken en invloeden uit West-Afrikaanse en Oost-Aziatische ritmiek. Reichs vernieuwingen, vooral zijn ritmische drive en formele helderheid, blijven een bron van inspiratie voor componisten en slagwerkers. In Fast, het derde deel van Reichs Quartet, spelen twee piano’s en twee vibrafoons samen in een gelaagde polyritmiek, waarbij de melodie ondergeschikt is aan een jazzy puls die nooit lijkt te stoppen. De vier partijen grijpen voortdurend in elkaar, verschuiven en wisselen materiaal uit – in interacties die vergelijkbaar zijn met die van een strijkkwartet. Technisch draait het werk om samenspel en precisie, om de snelle wisselingen en subtiele ritmische complexiteit strak te vertolken.
Paul Lansky (1944)
Textures
Paul Lansky gold decennialang als pionier van de elektronische en computermuziek in de Verenigde Staten, met invloedrijke werken die dankzij algoritmes en complexe digitale processen tot stand kwamen. Vanaf de jaren 2000 verschoof Lansky’s focus naar akoestische ensembles, waarbij hij zijn vertrouwde klankonderzoek toepaste op live-instrumenten. Over zijn cyclus Textures zegt hij: ‘Ik houd van het schrijven van slagwerkmuziek. Het lijkt veel op het maken van computermuziek, wat ik meer dan 35 jaar fulltime heb gedaan. Op de computer werk je bijvoorbeeld met spectrale balans, klankverloop en timbreverschillen. In de slagwerkwereld wordt deze bijna oneindige hoeveelheid mogelijkheden geëvenaard door het enorme potentieel van de instrumentfamilies van hout, metaal, hamers en vellen. De ongebruikelijke combinatie van twee pianisten en twee slagwerkers vraagt om muziek die de instrumenten tot het uiterste van hun klankmogelijkheden brengt. Het idee van ‘texturen’ kwam bij me op zodra ik begon met componeren. Ik heb de focus voor ieder deel gevonden zodra de textuur en muzikale ecologie ervan duidelijk werden. Eigenlijk is het stuk een ode aan het unieke klankpotentieel van deze bezetting.’
Paul Lansky gold decennialang als pionier van de elektronische en computermuziek in de Verenigde Staten, met invloedrijke werken die dankzij algoritmes en complexe digitale processen tot stand kwamen. Vanaf de jaren 2000 verschoof Lansky’s focus naar akoestische ensembles, waarbij hij zijn vertrouwde klankonderzoek toepaste op live-instrumenten. Over zijn cyclus Textures zegt hij: ‘Ik houd van het schrijven van slagwerkmuziek. Het lijkt veel op het maken van computermuziek, wat ik meer dan 35 jaar fulltime heb gedaan. Op de computer werk je bijvoorbeeld met spectrale balans, klankverloop en timbreverschillen. In de slagwerkwereld wordt deze bijna oneindige hoeveelheid mogelijkheden geëvenaard door het enorme potentieel van de instrumentfamilies van hout, metaal, hamers en vellen. De ongebruikelijke combinatie van twee pianisten en twee slagwerkers vraagt om muziek die de instrumenten tot het uiterste van hun klankmogelijkheden brengt. Het idee van ‘texturen’ kwam bij me op zodra ik begon met componeren. Ik heb de focus voor ieder deel gevonden zodra de textuur en muzikale ecologie ervan duidelijk werden. Eigenlijk is het stuk een ode aan het unieke klankpotentieel van deze bezetting.’
George Gershwin (1898-1937)
Rhapsody in Blue
In de jaren 1920 raakten veel componisten in de ban van de Amerikaanse jazz. Maar niemand wist de geest van die nieuwe muziek zó overtuigend te vangen als George Gershwin, de componist die de klassieke muziek de Jazz Age binnenleidde. Wat Gershwin voor ogen had, was een verbond tussen klassiek en populair of, zoals hij het zelf noemde, ‘van jazz een eerbare vrouw maken.’ Zijn eerste poging was meteen raak: Rhapsody in Blue. De opdracht kwam van Paul Whiteman, de bigbandleider die jazz naar de concertzaal wilde brengen. Vanaf de eerste glijdende klarinettoon was het publiek verkocht. Gershwin beschreef het werk zelf als ‘een muzikale caleidoscoop van Amerika – van onze smeltkroes, onze ontembare vitaliteit, onze blues, onze grootstedelijke waanzin’. Om die magie te laten klinken is een volledig orkest niet nodig; zoals het arrangement van Henry Levine voor twee pianisten laat horen, volstaan vier handen ruimschoots om Gershwins swing, grandeur en weemoed te raken.
In de jaren 1920 raakten veel componisten in de ban van de Amerikaanse jazz. Maar niemand wist de geest van die nieuwe muziek zó overtuigend te vangen als George Gershwin, de componist die de klassieke muziek de Jazz Age binnenleidde. Wat Gershwin voor ogen had, was een verbond tussen klassiek en populair of, zoals hij het zelf noemde, ‘van jazz een eerbare vrouw maken.’ Zijn eerste poging was meteen raak: Rhapsody in Blue. De opdracht kwam van Paul Whiteman, de bigbandleider die jazz naar de concertzaal wilde brengen. Vanaf de eerste glijdende klarinettoon was het publiek verkocht. Gershwin beschreef het werk zelf als ‘een muzikale caleidoscoop van Amerika – van onze smeltkroes, onze ontembare vitaliteit, onze blues, onze grootstedelijke waanzin’. Om die magie te laten klinken is een volledig orkest niet nodig; zoals het arrangement van Henry Levine voor twee pianisten laat horen, volstaan vier handen ruimschoots om Gershwins swing, grandeur en weemoed te raken.
Alexej Gerassimez (1987)
Beyond Stickability
Behalve een begenadigd slagwerker is Alexej Gerassimez ook componist, met name voor zijn eigen instrumentarium. Zijn werk Beyond Stickability is een feest voor ogen en oren. De titel, een speelse verwijzing naar de technische beheersing van de slagwerkstokken of ‘sticks’, prikkelt je om voorbij de techniek te kijken naar de fysieke en emotionele kracht van ritmische taal. Het werk balanceert tussen virtuositeit en intuïtie, theater en precisie. De slagwerkers worden hier behalve performer ook choreograaf: elke beweging, elke aanraking, elke timing draagt bij aan de theatrale energie van het stuk.
Behalve een begenadigd slagwerker is Alexej Gerassimez ook componist, met name voor zijn eigen instrumentarium. Zijn werk Beyond Stickability is een feest voor ogen en oren. De titel, een speelse verwijzing naar de technische beheersing van de slagwerkstokken of ‘sticks’, prikkelt je om voorbij de techniek te kijken naar de fysieke en emotionele kracht van ritmische taal. Het werk balanceert tussen virtuositeit en intuïtie, theater en precisie. De slagwerkers worden hier behalve performer ook choreograaf: elke beweging, elke aanraking, elke timing draagt bij aan de theatrale energie van het stuk.
Leonard Bernstein (1918-1990)
Symphonic Dances
Hoewel er veel moderne bewerkingen zijn gemaakt van Shakespeares tragedie Romeo en Julia, kan er geen een tippen aan West Side Story van Leonard Bernstein. De Broadway-musical teleporteerde de families Montague en Capulet naar rivaliserende Amerikaanse jeugdbendes: de Jets en de Sharks, met de noodlottige geliefden Tony en Maria in de vuurlinie. Bernsteins orkestsuite Symphonic Dances uit ‘West Side Story’, in het arrangement van Peter Sadlo, is net zoals Gershwins werk eerder op de avond een theatrale reis. Het is een samengaan van jazz, latin en symfonische stijlen waarin piano en slagwerk het noodlottige verhaal vertellen zonder woorden. Sadlo’s bewerking legt nadruk op de ritmische swing, de dynamische contrasten en expressiviteit van Bernsteins origineel.
Hoewel er veel moderne bewerkingen zijn gemaakt van Shakespeares tragedie Romeo en Julia, kan er geen een tippen aan West Side Story van Leonard Bernstein. De Broadway-musical teleporteerde de families Montague en Capulet naar rivaliserende Amerikaanse jeugdbendes: de Jets en de Sharks, met de noodlottige geliefden Tony en Maria in de vuurlinie. Bernsteins orkestsuite Symphonic Dances uit ‘West Side Story’, in het arrangement van Peter Sadlo, is net zoals Gershwins werk eerder op de avond een theatrale reis. Het is een samengaan van jazz, latin en symfonische stijlen waarin piano en slagwerk het noodlottige verhaal vertellen zonder woorden. Sadlo’s bewerking legt nadruk op de ritmische swing, de dynamische contrasten en expressiviteit van Bernsteins origineel.
John Adams (1947)
Short Ride in a Fast Machine
Was Bernstein een directe erfgenaam van Gerswhin, zo kan de vroege John Adams worden gezien als componerende oomzegger van Reich. Adams’ Short Ride in a Fast Machine is een klinkende bolide voor orkest. Of zoals hij zelf zei: ‘Weet je hoe het is als iemand je vraagt om mee te rijden in een geweldige sportwagen en je dan achteraf zou willen dat je dat niet had gedaan?’ Met dit in het achterhoofd schreef hij in 1986 een fanfare voor groot symfonieorkest, een ‘vrolijk, opgewekt muziekstuk dat erg moeilijk te spelen is, maar ook heel leuk.’ Minimal music is de grootste invloed in dit werk, dat niet voor niets vaak een ‘triomf van het minimalisme’ wordt genoemd. Je hoort welluidende harmonieën, motorische ritmes en repetitieve melodische motieven en patronen. Wat bij Adams een symfonie van puls en harmonische drive was, wordt in Gerassimez’ arrangement een samenballing van energie – met de piano’s als chauffeur en het slagwerk als vonkende motor. Het mechanische ritme van het woodblock stuwt de ‘fast machine’ vooruit met een obsessieve precisie. Het kwartet raast over die snelweg in een maalstroom van
energie.
Was Bernstein een directe erfgenaam van Gerswhin, zo kan de vroege John Adams worden gezien als componerende oomzegger van Reich. Adams’ Short Ride in a Fast Machine is een klinkende bolide voor orkest. Of zoals hij zelf zei: ‘Weet je hoe het is als iemand je vraagt om mee te rijden in een geweldige sportwagen en je dan achteraf zou willen dat je dat niet had gedaan?’ Met dit in het achterhoofd schreef hij in 1986 een fanfare voor groot symfonieorkest, een ‘vrolijk, opgewekt muziekstuk dat erg moeilijk te spelen is, maar ook heel leuk.’ Minimal music is de grootste invloed in dit werk, dat niet voor niets vaak een ‘triomf van het minimalisme’ wordt genoemd. Je hoort welluidende harmonieën, motorische ritmes en repetitieve melodische motieven en patronen. Wat bij Adams een symfonie van puls en harmonische drive was, wordt in Gerassimez’ arrangement een samenballing van energie – met de piano’s als chauffeur en het slagwerk als vonkende motor. Het mechanische ritme van het woodblock stuwt de ‘fast machine’ vooruit met een obsessieve precisie. Het kwartet raast over die snelweg in een maalstroom van
energie.
Biografie
Lucas en Arthur Jussen, piano
De broers Jussen kregen hun eerste pianolessen in hun geboorteplaats Hilversum van Leny Bettman. Na gezamenlijke lessen van Maria João Pires, Jan Wijn en Ton Hartsuiker studeerde Lucas Jussen bij Menahem Pressler in Bloomington en Dmitri Bashkirov in Madrid, en Arthur Jussen aan het Conservatorium van Amsterdam bij Jan Wijn.
Hun debuutalbum (Beethoven) kreeg in 2010 de Edison Klassiek Publieksprijs, en in 2011 kregen ze de allereerste Concertgebouw Young Talent Award.
Recitaltournees brachten het pianoduo naar de grote Europese podia en festivals, maar ook naar Japan, China, Zuid-Korea, Singapore, Rusland, Mexico en de Verenigde Staten. In Het Concertgebouw gaven ze voor het laatst een duorecital op 10 november 2024.
Lucas en Arthur Jussen traden op met nagenoeg alle Nederlandse orkesten en soleerden bijvoorbeeld ook bij het Dallas Symphony Orchestra onder Jaap van Zweden, het Boston Symphony Orchestra onder Andris Nelsons, de Academy of St. Martin in the Fields onder Neville Marriner (inclusief cd-opnames), het Budapest Festival Orchestra, het Gewandhausorchester Leipzig, de Wiener Symphoniker, het Mozarteumorchester Salzburg, Philharmonia en de Taiwan Philharmonic.
Recent debuteerden de pianisten bij de orkesten van Chicago, Baltimore, Stockholm, Göteborg en Lahti, en ze waren in het seizoen 2024/2025 in residence bij het Orchestre Philharmonique de Monte-Carlo. Onder de componisten die voor hen schreven zijn Fazıl Say en Joey Roukens.
Dit seizoen hebben Arthur en Lucas Jussen een Spotlight in de Eigen Programmering van Het Concertgebouw, met een vorig optreden op 26 november 2025 met de Münchner Philharmoniker.
Alexej Gerassimez, slagwerk
De Duitse slagwerker en componist Alexej Gerassimez studeerde aan de conservatoria van Keulen, Berlijn en München. Al snel maakte hij furore in diverse slagwerkcompetities, met als hoogtepunt het Tromp Concours 2010 in Eindhoven. Inmiddels is hij uitgegroeid tot een van de meest gevraagde slagwerkers van zijn generatie.
Zijn repertoire reikt van klassieke en hedendaagse muziek tot jazz en minimal music, en wordt verder uitgebreid door zijn eigen composities en nieuwe opdrachtwerken. Voorbeelden van nieuwe stukken die speciaal voor hem zijn geschreven zijn Leviathan van John Psathas, in première gebracht met het Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin onder leiding van Markus Poschner in 2021, en het Dubbelconcert voor altviool en slagwerk van Kalevi Aho, voor het eerst uitgevoerd en opgenomen in 2022 met het Lahti Symphony Orchestra onder leiding van Anja Bihlmaier.
Naast optredens met gerenommeerde Europese orkesten gaat Alexej Gerassimez ook regelmatig op tournee met zijn eigen Percussion Group. Daarnaast werkt hij samen met bijvoorbeeld celliste Anastasia Kobekina, jazzpianist Omer Klein en het SIGNUM Saxophone Quartet. Alexej Gerassimez geeft les aan de Hochschule für Musik und Theater in München. In de Grote Zaal trad hij ook met de broers Jussen op in de NTR ZaterdagMatinee van 26 oktober 2019.
Emil Kuyumcuyan, slagwerk
Emil Kuyumcuyan is een Turkse slagwerker en componist met Armeense, Griekse, Afrikaanse en Kroatische wortels. Hij studeerde slagwerk aan de Staatliche Hochschule für Musik und darstellende Kunst Stuttgart bij Marta Klimasara, Klaus Dreher, Jürgen Spitschka en Harald Löhle, en bij Jean Geoffroy aan het conservatorium van Lyon. Hij won onder meer de eerste prijs van de Tromp International Percussion Competition 2016.
Sindsdien treedt hij wereldwijd op als solist en werkt hij samen met gezelschappen als Ensemble Intercontemporain, het Orchestre National de France, Slagwerk Den Haag (tegenwoordig HIIIT), Asko|Schönberg (tegenwoordig Het Muziek), het Chœur de Radio France en het Staatsorchester Stuttgart. Ook maakt Emil Kuyumcuyan internationale tournees met zijn eigen ensemble Les Percussions de Strasbourg.
Voorbeelden van eigen werk zijn de multimediale performance ISTANBUL|the roots (2019), zijn elektronische album It’s Not About Me (2023) en opdrachtcomposities voor de Philharmonie Köln, de Kunststiftung Baden-Württemberg en de World Marimba Competition Stuttgart.
Emil Kuyumcuyan geeft masterclasses aan conservatoria wereldwijd, is gastdocent aan het Royal Northern College of Music in Manchester en is sinds 2023 verbonden aan de Hochschule für Musik und darstellende Kunst Frankfurt. In Het Concertgebouw maakt de slagwerker zijn debuut.