Lucas en Arthur Jussen spelen Bach en Mozart
Grote Zaal 06 mei 2026 20.15 uur
Lucas & Arthur Jussen piano
Academy of St Martin in the Fields
Tomo Keller leiding/viool
Dit concert maakt deel uit van de series Grote Solisten en Spotlight.
Sergej Prokofjev (1891-1953)
Visions fugitives, op. 22 (1915-17)
oorspronkelijk voor piano solo, strijkersbewerking Rudolf Barshai (1962)
Lentamente
Andante
Allegretto
Animato
Molto giocoso
Con eleganza
Comodo
Allegretto tranquillo
Ridicolosamente
Con vivacità
Assai moderato
Allegretto
Feroce
Inquieto
Dolento
Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)
Concert voor drie piano’s en orkest in F gr.t., KV 242 (1776, versie voor twee piano’s 1780)
‘Lodron’
Allegro
Adagio
Rondeau: Tempo di menuetto
pauze ± 21.00 uur
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Concert in c kl.t., BWV 1060 (1736)
voor twee piano’s (oorspronkelijk klavecimbels) en strijkorkest
Allegro
Adagio
Allegro
Joseph Haydn (1732-1809)
Symfonie nr. 45 in fis kl.t.,
Hob. I: 45 (1772)
‘Abschied’
Allegro assai
Adagio
Menuet: Allegretto
Finale
einde ± 22.15 uur
Lucas & Arthur Jussen piano
Academy of St Martin in the Fields
Tomo Keller leiding/viool
Dit concert maakt deel uit van de series Grote Solisten en Spotlight.
Sergej Prokofjev (1891-1953)
Visions fugitives, op. 22 (1915-17)
oorspronkelijk voor piano solo, strijkersbewerking Rudolf Barshai (1962)
Lentamente
Andante
Allegretto
Animato
Molto giocoso
Con eleganza
Comodo
Allegretto tranquillo
Ridicolosamente
Con vivacità
Assai moderato
Allegretto
Feroce
Inquieto
Dolento
Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)
Concert voor drie piano’s en orkest in F gr.t., KV 242 (1776, versie voor twee piano’s 1780)
‘Lodron’
Allegro
Adagio
Rondeau: Tempo di menuetto
pauze ± 21.00 uur
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Concert in c kl.t., BWV 1060 (1736)
voor twee piano’s (oorspronkelijk klavecimbels) en strijkorkest
Allegro
Adagio
Allegro
Joseph Haydn (1732-1809)
Symfonie nr. 45 in fis kl.t.,
Hob. I: 45 (1772)
‘Abschied’
Allegro assai
Adagio
Menuet: Allegretto
Finale
einde ± 22.15 uur
Toelichting
Toelichting
Johann Sebastian Bach, Wolfgang Amadeus Mozart en Joseph Haydn laten zich in dit programma van een ongewone kant zien. Doorgaans bejubeld om hun grootste meesterwerken, wordt soms vergeten dat ze regelmatig hun eigen composities op het podium brachten en muziek bedreven uit praktische overwegingen, om een boodschap uit te sturen of om hun kinderen en leerlingen aan te moedigen. Sergej Prokofjev, veelal omschreven als ‘enfant terrible’ van de piano, verrast op zijn beurt met impressionistische schetsen, ongrijpbare droombeelden om te ontsnappen aan de onrust van de dreigende revolutie.
Johann Sebastian Bach, Wolfgang Amadeus Mozart en Joseph Haydn laten zich in dit programma van een ongewone kant zien. Doorgaans bejubeld om hun grootste meesterwerken, wordt soms vergeten dat ze regelmatig hun eigen composities op het podium brachten en muziek bedreven uit praktische overwegingen, om een boodschap uit te sturen of om hun kinderen en leerlingen aan te moedigen. Sergej Prokofjev, veelal omschreven als ‘enfant terrible’ van de piano, verrast op zijn beurt met impressionistische schetsen, ongrijpbare droombeelden om te ontsnappen aan de onrust van de dreigende revolutie.
Sergej Prokofjev (1891-1953)
Visions fugitives
Al tijdens zijn studietijd aan het conservatorium van Sint-Petersburg viel Prokofjev op door een eigenzinnige benadering van de piano. Na zijn studie begon hij aan de klavierminiaturen die tegen 1917 als Visions fugitives (te vertalen als ‘vluchtige visioenen’) gebundeld werden. Een jaar later ontvluchtte hij zijn land. De twintig korte Visions fugitives ontstonden fragmentarisch in clusters en vormen geen sluitend geheel, laat staan een overkoepelend programma. Zelden integraal uitgevoerd, belichamen ze elk afzonderlijk een specifieke stemming in een beknopte taal.
Ze weerspiegelen de revolutionaire houding van de jonge Prokofjev tegenover het componeren, en demonstreren zijn vermogen om een breed scala aan emoties op te roepen binnen een compact muzikaal kader. Het lijkt alsof de grens tussen componist en klavier vervaagt in een soort innerlijke wereld vol poëtische verbeelding, van jongensachtig uitdagend, naïef kinderlijk, percussief en turbulent tot dromerig, innig lyrisch of speels en humoristisch. Uit de dagboeken van de componist weten we dat enkele onderdelen onder meer zijn geïnspireerd door mensen uit zijn entourage. Prokofjev bracht zijn Visions fugitives op 15 april 1918 zelf in première in Petrograd. Later vertolkte hij regelmatig losse nummers als toegift op zijn concerten.
Een selectie van vijftien onderdelen werd in 1962 bewerkt voor kamerorkest (zonder piano) door Rudolf Barshai (1924-2010). Deze altviolist, dirigent en oprichter van het Borodin Quartet schreef ze voor zijn Moskouse kamerorkest. Zijn bewerking bezorgt Prokofjevs noten een halve eeuw na dato niet alleen een tweede leven, maar maakt ze zo mogelijk nog kleurrijker, alsof een oude zwart-witfilm plots in kleur wordt vertoond.
Al tijdens zijn studietijd aan het conservatorium van Sint-Petersburg viel Prokofjev op door een eigenzinnige benadering van de piano. Na zijn studie begon hij aan de klavierminiaturen die tegen 1917 als Visions fugitives (te vertalen als ‘vluchtige visioenen’) gebundeld werden. Een jaar later ontvluchtte hij zijn land. De twintig korte Visions fugitives ontstonden fragmentarisch in clusters en vormen geen sluitend geheel, laat staan een overkoepelend programma. Zelden integraal uitgevoerd, belichamen ze elk afzonderlijk een specifieke stemming in een beknopte taal.
Ze weerspiegelen de revolutionaire houding van de jonge Prokofjev tegenover het componeren, en demonstreren zijn vermogen om een breed scala aan emoties op te roepen binnen een compact muzikaal kader. Het lijkt alsof de grens tussen componist en klavier vervaagt in een soort innerlijke wereld vol poëtische verbeelding, van jongensachtig uitdagend, naïef kinderlijk, percussief en turbulent tot dromerig, innig lyrisch of speels en humoristisch. Uit de dagboeken van de componist weten we dat enkele onderdelen onder meer zijn geïnspireerd door mensen uit zijn entourage. Prokofjev bracht zijn Visions fugitives op 15 april 1918 zelf in première in Petrograd. Later vertolkte hij regelmatig losse nummers als toegift op zijn concerten.
Een selectie van vijftien onderdelen werd in 1962 bewerkt voor kamerorkest (zonder piano) door Rudolf Barshai (1924-2010). Deze altviolist, dirigent en oprichter van het Borodin Quartet schreef ze voor zijn Moskouse kamerorkest. Zijn bewerking bezorgt Prokofjevs noten een halve eeuw na dato niet alleen een tweede leven, maar maakt ze zo mogelijk nog kleurrijker, alsof een oude zwart-witfilm plots in kleur wordt vertoond.
Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)
Concert voor drie (of twee) piano’s
Mozart voltooide KV 241, bijgenaamd ‘Lodron’, in februari 1776. De zeldzame bezetting voor drie piano’s en orkest was een opdracht voor gravin Maria Antonia Lodron en haar twee dochters, leerlingen van de componist en getalenteerde amateurspelers. Het werk is op maat van het drietal, met een opvallend minder veeleisende partij voor de jongste dochter Giuseppa.
Toen Mozart enkele jaren later dit concert wilde uitvoeren tijdens een van zijn laatste publieke optredens in Salzburg, herwerkte hij het geheel tot een versie voor twee piano’s, voor zichzelf en een andere pianist. Daarbij is overwegend het thematisch materiaal van de derde partij verdeeld over twee klavieren, zodat het oorspronkelijke karakter bewaard bleef. Het is deze versie uit 1780 die tegenwoordig het meest wordt gespeeld. De stijl is rechttoe rechtaan. Na een orkestinleiding krijgen beide pianisten een podium voor een sprankelende conversatie.
In de buitendelen ligt de nadruk op levendige contrasten. Momenten waarin de solisten elkaar spiegelen of motieven uitwisselen variëren met momenten waarin ze een eenheid vormen met het orkest om gezamenlijk hun schouders te zetten onder de verwerking van de thema’s. In het langzame middendeel wordt de dialoog delicaat. Het orkest speelt ingehouden, zodat de pianopartners hun instrument van de meest lyrische en expressieve kant kunnen laten horen.
Mozart voltooide KV 241, bijgenaamd ‘Lodron’, in februari 1776. De zeldzame bezetting voor drie piano’s en orkest was een opdracht voor gravin Maria Antonia Lodron en haar twee dochters, leerlingen van de componist en getalenteerde amateurspelers. Het werk is op maat van het drietal, met een opvallend minder veeleisende partij voor de jongste dochter Giuseppa.
Toen Mozart enkele jaren later dit concert wilde uitvoeren tijdens een van zijn laatste publieke optredens in Salzburg, herwerkte hij het geheel tot een versie voor twee piano’s, voor zichzelf en een andere pianist. Daarbij is overwegend het thematisch materiaal van de derde partij verdeeld over twee klavieren, zodat het oorspronkelijke karakter bewaard bleef. Het is deze versie uit 1780 die tegenwoordig het meest wordt gespeeld. De stijl is rechttoe rechtaan. Na een orkestinleiding krijgen beide pianisten een podium voor een sprankelende conversatie.
In de buitendelen ligt de nadruk op levendige contrasten. Momenten waarin de solisten elkaar spiegelen of motieven uitwisselen variëren met momenten waarin ze een eenheid vormen met het orkest om gezamenlijk hun schouders te zetten onder de verwerking van de thema’s. In het langzame middendeel wordt de dialoog delicaat. Het orkest speelt ingehouden, zodat de pianopartners hun instrument van de meest lyrische en expressieve kant kunnen laten horen.
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Concert voor twee klavecimbels
Wie aandachtig luistert, merkt dat het Concert voor twee klavecimbels, BWV 1060 spontaan en onbevangen in het oor ligt, maar wezenlijk niet als echte klaviermuziek is opgevat.
Johann Sebastian Bach maakte tijdens zijn drukke baan als Thomascantor in Leipzig regelmatig gebruik van het in de Barok gangbare recycling-principe. Naast talrijke verplichtingen had hij ook de leiding over het Collegium Musicum, een ensemble van studenten, burgers en professionals dat wekelijks concerteerde in Zimmermans koffiehuis. Het was een ideale gelegenheid voor Bachs zonen Wilhelm en Emmanuel om, samen met hun medestudenten, hun vorderingen aan het klavier te demonstreren. Onder de vele concerten voor meerdere klavecimbels die toen – vaak naar ‘Vivaldiaans’ model – ontstonden, zijn er zestien bewaard.
Het Concert in c klein, BWV 1060 springt daarbij in het oog als een uitstekende illustratie van hoe een kringloopproces in verschillende richtingen kan werken. Het wordt tegenwoordig algemeen aangenomen dat dit concert een klaviertranscriptie is van een verloren geraakt dubbelconcert voor hobo en viool uit Bachs periode als hofkapelmeester in Köthen. Een en ander heeft te maken met fysicus en amateur-Bachvorser Woldemar Voigt die in 1886 een reconstructie voor viool en hobo suggereerde, volgens hem de authentieke, verdwenen bron van dit concert. Daarentegen had Wilhelm Rust, een van de stichters van het Leipziger Bach-Gesellschaft, al in 1874 geopperd dat het originele manuscript voor twee violen was bedoeld. Hoe dan ook wordt dezelfde muziek vandaag de dag in verschillende bezettingen uitgevoerd. Wat de ware eerste versie ook geweest mag zijn, elk solo-instrument voegt een eigen kleur en karakter toe aan het raadsel van Bachs verloren manuscript, zowel in de energieke tweespraak in beide Allegro’s als in de verstrengelde, wiegende lyriek van het middendeel.
Wie aandachtig luistert, merkt dat het Concert voor twee klavecimbels, BWV 1060 spontaan en onbevangen in het oor ligt, maar wezenlijk niet als echte klaviermuziek is opgevat.
Johann Sebastian Bach maakte tijdens zijn drukke baan als Thomascantor in Leipzig regelmatig gebruik van het in de Barok gangbare recycling-principe. Naast talrijke verplichtingen had hij ook de leiding over het Collegium Musicum, een ensemble van studenten, burgers en professionals dat wekelijks concerteerde in Zimmermans koffiehuis. Het was een ideale gelegenheid voor Bachs zonen Wilhelm en Emmanuel om, samen met hun medestudenten, hun vorderingen aan het klavier te demonstreren. Onder de vele concerten voor meerdere klavecimbels die toen – vaak naar ‘Vivaldiaans’ model – ontstonden, zijn er zestien bewaard.
Het Concert in c klein, BWV 1060 springt daarbij in het oog als een uitstekende illustratie van hoe een kringloopproces in verschillende richtingen kan werken. Het wordt tegenwoordig algemeen aangenomen dat dit concert een klaviertranscriptie is van een verloren geraakt dubbelconcert voor hobo en viool uit Bachs periode als hofkapelmeester in Köthen. Een en ander heeft te maken met fysicus en amateur-Bachvorser Woldemar Voigt die in 1886 een reconstructie voor viool en hobo suggereerde, volgens hem de authentieke, verdwenen bron van dit concert. Daarentegen had Wilhelm Rust, een van de stichters van het Leipziger Bach-Gesellschaft, al in 1874 geopperd dat het originele manuscript voor twee violen was bedoeld. Hoe dan ook wordt dezelfde muziek vandaag de dag in verschillende bezettingen uitgevoerd. Wat de ware eerste versie ook geweest mag zijn, elk solo-instrument voegt een eigen kleur en karakter toe aan het raadsel van Bachs verloren manuscript, zowel in de energieke tweespraak in beide Allegro’s als in de verstrengelde, wiegende lyriek van het middendeel.
Joseph Haydn (1732-1809)
‘Abschiedssymphonie’
Toen de 29-jarige Haydn in 1761 een contract ondertekende met de Hongaarse adellijke familie Esterházy, vermoedde hij niet dat deze verbintenis zowat dertig jaar lang zou standhouden. Naast andere taken kreeg Haydn de leiding over ongeveer twintig musici. De muziekminnende prins Nikolaus Esterházy breidde het orkest verder uit. Zijn hofcomponist kon daardoor volop experimenteren met het nieuwe genre dat in de tweede helft van de achttiende eeuw Europa veroverde: de symfonie. Haydns symfonisch oeuvre beslaat ruim honderd symfonieën en betekent een mijlpaal in de ontwikkeling van het genre. Vanaf circa 1768 werd Haydn jaarlijks vanuit Wenen overgeplaatst naar de zomerresidentie van zijn werkgever, kasteel Esterház aan de Neusiedler See nabij de Hongaarse grens.
De prins moest toekijken hoe de orkestleden één voor één ophielden, de kaars bij hun pupiter doofden en het podium verlieten
De prins en zijn entourage verbleven er van de lente tot de herfst. Voor de musici – in die tijd allemaal mannen – had deze afzondering een gunstig effect op het werk, maar het betekende ook dat zij lange maanden verstoken waren van hun gezin. In 1772 stelde Nikolaus de terugkeer ongewoon lang uit. Haydn schoot zijn muzikanten te hulp en bracht een niet mis te verstane boodschap met zijn nieuwste symfonie, later ‘Afscheidssymfonie’ genoemd. Het eerste deel zet de toon met een smekend karakter, gevolgd door een ernstig Adagio. In het Menuet is evenmin vrolijkheid te bespeuren. De meest originele ingreep komt net voor het einde. De ogenschijnlijke levendigheid van de Finale wordt onderbroken door een weemoedig adagio-thema. De prins moest toekijken hoe de orkestleden één voor één ophielden, de kaars bij hun pupiter doofden en het podium verlieten tot enkel twee strijkers overbleven. Nikolaus begreep de wenk. De volgende morgen verleende hij de musici hun lang verwachtte verlof.
Toen de 29-jarige Haydn in 1761 een contract ondertekende met de Hongaarse adellijke familie Esterházy, vermoedde hij niet dat deze verbintenis zowat dertig jaar lang zou standhouden. Naast andere taken kreeg Haydn de leiding over ongeveer twintig musici. De muziekminnende prins Nikolaus Esterházy breidde het orkest verder uit. Zijn hofcomponist kon daardoor volop experimenteren met het nieuwe genre dat in de tweede helft van de achttiende eeuw Europa veroverde: de symfonie. Haydns symfonisch oeuvre beslaat ruim honderd symfonieën en betekent een mijlpaal in de ontwikkeling van het genre. Vanaf circa 1768 werd Haydn jaarlijks vanuit Wenen overgeplaatst naar de zomerresidentie van zijn werkgever, kasteel Esterház aan de Neusiedler See nabij de Hongaarse grens.
De prins moest toekijken hoe de orkestleden één voor één ophielden, de kaars bij hun pupiter doofden en het podium verlieten
De prins en zijn entourage verbleven er van de lente tot de herfst. Voor de musici – in die tijd allemaal mannen – had deze afzondering een gunstig effect op het werk, maar het betekende ook dat zij lange maanden verstoken waren van hun gezin. In 1772 stelde Nikolaus de terugkeer ongewoon lang uit. Haydn schoot zijn muzikanten te hulp en bracht een niet mis te verstane boodschap met zijn nieuwste symfonie, later ‘Afscheidssymfonie’ genoemd. Het eerste deel zet de toon met een smekend karakter, gevolgd door een ernstig Adagio. In het Menuet is evenmin vrolijkheid te bespeuren. De meest originele ingreep komt net voor het einde. De ogenschijnlijke levendigheid van de Finale wordt onderbroken door een weemoedig adagio-thema. De prins moest toekijken hoe de orkestleden één voor één ophielden, de kaars bij hun pupiter doofden en het podium verlieten tot enkel twee strijkers overbleven. Nikolaus begreep de wenk. De volgende morgen verleende hij de musici hun lang verwachtte verlof.
Toelichting
Johann Sebastian Bach, Wolfgang Amadeus Mozart en Joseph Haydn laten zich in dit programma van een ongewone kant zien. Doorgaans bejubeld om hun grootste meesterwerken, wordt soms vergeten dat ze regelmatig hun eigen composities op het podium brachten en muziek bedreven uit praktische overwegingen, om een boodschap uit te sturen of om hun kinderen en leerlingen aan te moedigen. Sergej Prokofjev, veelal omschreven als ‘enfant terrible’ van de piano, verrast op zijn beurt met impressionistische schetsen, ongrijpbare droombeelden om te ontsnappen aan de onrust van de dreigende revolutie.
Johann Sebastian Bach, Wolfgang Amadeus Mozart en Joseph Haydn laten zich in dit programma van een ongewone kant zien. Doorgaans bejubeld om hun grootste meesterwerken, wordt soms vergeten dat ze regelmatig hun eigen composities op het podium brachten en muziek bedreven uit praktische overwegingen, om een boodschap uit te sturen of om hun kinderen en leerlingen aan te moedigen. Sergej Prokofjev, veelal omschreven als ‘enfant terrible’ van de piano, verrast op zijn beurt met impressionistische schetsen, ongrijpbare droombeelden om te ontsnappen aan de onrust van de dreigende revolutie.
Sergej Prokofjev (1891-1953)
Visions fugitives
Al tijdens zijn studietijd aan het conservatorium van Sint-Petersburg viel Prokofjev op door een eigenzinnige benadering van de piano. Na zijn studie begon hij aan de klavierminiaturen die tegen 1917 als Visions fugitives (te vertalen als ‘vluchtige visioenen’) gebundeld werden. Een jaar later ontvluchtte hij zijn land. De twintig korte Visions fugitives ontstonden fragmentarisch in clusters en vormen geen sluitend geheel, laat staan een overkoepelend programma. Zelden integraal uitgevoerd, belichamen ze elk afzonderlijk een specifieke stemming in een beknopte taal.
Ze weerspiegelen de revolutionaire houding van de jonge Prokofjev tegenover het componeren, en demonstreren zijn vermogen om een breed scala aan emoties op te roepen binnen een compact muzikaal kader. Het lijkt alsof de grens tussen componist en klavier vervaagt in een soort innerlijke wereld vol poëtische verbeelding, van jongensachtig uitdagend, naïef kinderlijk, percussief en turbulent tot dromerig, innig lyrisch of speels en humoristisch. Uit de dagboeken van de componist weten we dat enkele onderdelen onder meer zijn geïnspireerd door mensen uit zijn entourage. Prokofjev bracht zijn Visions fugitives op 15 april 1918 zelf in première in Petrograd. Later vertolkte hij regelmatig losse nummers als toegift op zijn concerten.
Een selectie van vijftien onderdelen werd in 1962 bewerkt voor kamerorkest (zonder piano) door Rudolf Barshai (1924-2010). Deze altviolist, dirigent en oprichter van het Borodin Quartet schreef ze voor zijn Moskouse kamerorkest. Zijn bewerking bezorgt Prokofjevs noten een halve eeuw na dato niet alleen een tweede leven, maar maakt ze zo mogelijk nog kleurrijker, alsof een oude zwart-witfilm plots in kleur wordt vertoond.
Al tijdens zijn studietijd aan het conservatorium van Sint-Petersburg viel Prokofjev op door een eigenzinnige benadering van de piano. Na zijn studie begon hij aan de klavierminiaturen die tegen 1917 als Visions fugitives (te vertalen als ‘vluchtige visioenen’) gebundeld werden. Een jaar later ontvluchtte hij zijn land. De twintig korte Visions fugitives ontstonden fragmentarisch in clusters en vormen geen sluitend geheel, laat staan een overkoepelend programma. Zelden integraal uitgevoerd, belichamen ze elk afzonderlijk een specifieke stemming in een beknopte taal.
Ze weerspiegelen de revolutionaire houding van de jonge Prokofjev tegenover het componeren, en demonstreren zijn vermogen om een breed scala aan emoties op te roepen binnen een compact muzikaal kader. Het lijkt alsof de grens tussen componist en klavier vervaagt in een soort innerlijke wereld vol poëtische verbeelding, van jongensachtig uitdagend, naïef kinderlijk, percussief en turbulent tot dromerig, innig lyrisch of speels en humoristisch. Uit de dagboeken van de componist weten we dat enkele onderdelen onder meer zijn geïnspireerd door mensen uit zijn entourage. Prokofjev bracht zijn Visions fugitives op 15 april 1918 zelf in première in Petrograd. Later vertolkte hij regelmatig losse nummers als toegift op zijn concerten.
Een selectie van vijftien onderdelen werd in 1962 bewerkt voor kamerorkest (zonder piano) door Rudolf Barshai (1924-2010). Deze altviolist, dirigent en oprichter van het Borodin Quartet schreef ze voor zijn Moskouse kamerorkest. Zijn bewerking bezorgt Prokofjevs noten een halve eeuw na dato niet alleen een tweede leven, maar maakt ze zo mogelijk nog kleurrijker, alsof een oude zwart-witfilm plots in kleur wordt vertoond.
Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)
Concert voor drie (of twee) piano’s
Mozart voltooide KV 241, bijgenaamd ‘Lodron’, in februari 1776. De zeldzame bezetting voor drie piano’s en orkest was een opdracht voor gravin Maria Antonia Lodron en haar twee dochters, leerlingen van de componist en getalenteerde amateurspelers. Het werk is op maat van het drietal, met een opvallend minder veeleisende partij voor de jongste dochter Giuseppa.
Toen Mozart enkele jaren later dit concert wilde uitvoeren tijdens een van zijn laatste publieke optredens in Salzburg, herwerkte hij het geheel tot een versie voor twee piano’s, voor zichzelf en een andere pianist. Daarbij is overwegend het thematisch materiaal van de derde partij verdeeld over twee klavieren, zodat het oorspronkelijke karakter bewaard bleef. Het is deze versie uit 1780 die tegenwoordig het meest wordt gespeeld. De stijl is rechttoe rechtaan. Na een orkestinleiding krijgen beide pianisten een podium voor een sprankelende conversatie.
In de buitendelen ligt de nadruk op levendige contrasten. Momenten waarin de solisten elkaar spiegelen of motieven uitwisselen variëren met momenten waarin ze een eenheid vormen met het orkest om gezamenlijk hun schouders te zetten onder de verwerking van de thema’s. In het langzame middendeel wordt de dialoog delicaat. Het orkest speelt ingehouden, zodat de pianopartners hun instrument van de meest lyrische en expressieve kant kunnen laten horen.
Mozart voltooide KV 241, bijgenaamd ‘Lodron’, in februari 1776. De zeldzame bezetting voor drie piano’s en orkest was een opdracht voor gravin Maria Antonia Lodron en haar twee dochters, leerlingen van de componist en getalenteerde amateurspelers. Het werk is op maat van het drietal, met een opvallend minder veeleisende partij voor de jongste dochter Giuseppa.
Toen Mozart enkele jaren later dit concert wilde uitvoeren tijdens een van zijn laatste publieke optredens in Salzburg, herwerkte hij het geheel tot een versie voor twee piano’s, voor zichzelf en een andere pianist. Daarbij is overwegend het thematisch materiaal van de derde partij verdeeld over twee klavieren, zodat het oorspronkelijke karakter bewaard bleef. Het is deze versie uit 1780 die tegenwoordig het meest wordt gespeeld. De stijl is rechttoe rechtaan. Na een orkestinleiding krijgen beide pianisten een podium voor een sprankelende conversatie.
In de buitendelen ligt de nadruk op levendige contrasten. Momenten waarin de solisten elkaar spiegelen of motieven uitwisselen variëren met momenten waarin ze een eenheid vormen met het orkest om gezamenlijk hun schouders te zetten onder de verwerking van de thema’s. In het langzame middendeel wordt de dialoog delicaat. Het orkest speelt ingehouden, zodat de pianopartners hun instrument van de meest lyrische en expressieve kant kunnen laten horen.
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Concert voor twee klavecimbels
Wie aandachtig luistert, merkt dat het Concert voor twee klavecimbels, BWV 1060 spontaan en onbevangen in het oor ligt, maar wezenlijk niet als echte klaviermuziek is opgevat.
Johann Sebastian Bach maakte tijdens zijn drukke baan als Thomascantor in Leipzig regelmatig gebruik van het in de Barok gangbare recycling-principe. Naast talrijke verplichtingen had hij ook de leiding over het Collegium Musicum, een ensemble van studenten, burgers en professionals dat wekelijks concerteerde in Zimmermans koffiehuis. Het was een ideale gelegenheid voor Bachs zonen Wilhelm en Emmanuel om, samen met hun medestudenten, hun vorderingen aan het klavier te demonstreren. Onder de vele concerten voor meerdere klavecimbels die toen – vaak naar ‘Vivaldiaans’ model – ontstonden, zijn er zestien bewaard.
Het Concert in c klein, BWV 1060 springt daarbij in het oog als een uitstekende illustratie van hoe een kringloopproces in verschillende richtingen kan werken. Het wordt tegenwoordig algemeen aangenomen dat dit concert een klaviertranscriptie is van een verloren geraakt dubbelconcert voor hobo en viool uit Bachs periode als hofkapelmeester in Köthen. Een en ander heeft te maken met fysicus en amateur-Bachvorser Woldemar Voigt die in 1886 een reconstructie voor viool en hobo suggereerde, volgens hem de authentieke, verdwenen bron van dit concert. Daarentegen had Wilhelm Rust, een van de stichters van het Leipziger Bach-Gesellschaft, al in 1874 geopperd dat het originele manuscript voor twee violen was bedoeld. Hoe dan ook wordt dezelfde muziek vandaag de dag in verschillende bezettingen uitgevoerd. Wat de ware eerste versie ook geweest mag zijn, elk solo-instrument voegt een eigen kleur en karakter toe aan het raadsel van Bachs verloren manuscript, zowel in de energieke tweespraak in beide Allegro’s als in de verstrengelde, wiegende lyriek van het middendeel.
Wie aandachtig luistert, merkt dat het Concert voor twee klavecimbels, BWV 1060 spontaan en onbevangen in het oor ligt, maar wezenlijk niet als echte klaviermuziek is opgevat.
Johann Sebastian Bach maakte tijdens zijn drukke baan als Thomascantor in Leipzig regelmatig gebruik van het in de Barok gangbare recycling-principe. Naast talrijke verplichtingen had hij ook de leiding over het Collegium Musicum, een ensemble van studenten, burgers en professionals dat wekelijks concerteerde in Zimmermans koffiehuis. Het was een ideale gelegenheid voor Bachs zonen Wilhelm en Emmanuel om, samen met hun medestudenten, hun vorderingen aan het klavier te demonstreren. Onder de vele concerten voor meerdere klavecimbels die toen – vaak naar ‘Vivaldiaans’ model – ontstonden, zijn er zestien bewaard.
Het Concert in c klein, BWV 1060 springt daarbij in het oog als een uitstekende illustratie van hoe een kringloopproces in verschillende richtingen kan werken. Het wordt tegenwoordig algemeen aangenomen dat dit concert een klaviertranscriptie is van een verloren geraakt dubbelconcert voor hobo en viool uit Bachs periode als hofkapelmeester in Köthen. Een en ander heeft te maken met fysicus en amateur-Bachvorser Woldemar Voigt die in 1886 een reconstructie voor viool en hobo suggereerde, volgens hem de authentieke, verdwenen bron van dit concert. Daarentegen had Wilhelm Rust, een van de stichters van het Leipziger Bach-Gesellschaft, al in 1874 geopperd dat het originele manuscript voor twee violen was bedoeld. Hoe dan ook wordt dezelfde muziek vandaag de dag in verschillende bezettingen uitgevoerd. Wat de ware eerste versie ook geweest mag zijn, elk solo-instrument voegt een eigen kleur en karakter toe aan het raadsel van Bachs verloren manuscript, zowel in de energieke tweespraak in beide Allegro’s als in de verstrengelde, wiegende lyriek van het middendeel.
Joseph Haydn (1732-1809)
‘Abschiedssymphonie’
Toen de 29-jarige Haydn in 1761 een contract ondertekende met de Hongaarse adellijke familie Esterházy, vermoedde hij niet dat deze verbintenis zowat dertig jaar lang zou standhouden. Naast andere taken kreeg Haydn de leiding over ongeveer twintig musici. De muziekminnende prins Nikolaus Esterházy breidde het orkest verder uit. Zijn hofcomponist kon daardoor volop experimenteren met het nieuwe genre dat in de tweede helft van de achttiende eeuw Europa veroverde: de symfonie. Haydns symfonisch oeuvre beslaat ruim honderd symfonieën en betekent een mijlpaal in de ontwikkeling van het genre. Vanaf circa 1768 werd Haydn jaarlijks vanuit Wenen overgeplaatst naar de zomerresidentie van zijn werkgever, kasteel Esterház aan de Neusiedler See nabij de Hongaarse grens.
De prins moest toekijken hoe de orkestleden één voor één ophielden, de kaars bij hun pupiter doofden en het podium verlieten
De prins en zijn entourage verbleven er van de lente tot de herfst. Voor de musici – in die tijd allemaal mannen – had deze afzondering een gunstig effect op het werk, maar het betekende ook dat zij lange maanden verstoken waren van hun gezin. In 1772 stelde Nikolaus de terugkeer ongewoon lang uit. Haydn schoot zijn muzikanten te hulp en bracht een niet mis te verstane boodschap met zijn nieuwste symfonie, later ‘Afscheidssymfonie’ genoemd. Het eerste deel zet de toon met een smekend karakter, gevolgd door een ernstig Adagio. In het Menuet is evenmin vrolijkheid te bespeuren. De meest originele ingreep komt net voor het einde. De ogenschijnlijke levendigheid van de Finale wordt onderbroken door een weemoedig adagio-thema. De prins moest toekijken hoe de orkestleden één voor één ophielden, de kaars bij hun pupiter doofden en het podium verlieten tot enkel twee strijkers overbleven. Nikolaus begreep de wenk. De volgende morgen verleende hij de musici hun lang verwachtte verlof.
Toen de 29-jarige Haydn in 1761 een contract ondertekende met de Hongaarse adellijke familie Esterházy, vermoedde hij niet dat deze verbintenis zowat dertig jaar lang zou standhouden. Naast andere taken kreeg Haydn de leiding over ongeveer twintig musici. De muziekminnende prins Nikolaus Esterházy breidde het orkest verder uit. Zijn hofcomponist kon daardoor volop experimenteren met het nieuwe genre dat in de tweede helft van de achttiende eeuw Europa veroverde: de symfonie. Haydns symfonisch oeuvre beslaat ruim honderd symfonieën en betekent een mijlpaal in de ontwikkeling van het genre. Vanaf circa 1768 werd Haydn jaarlijks vanuit Wenen overgeplaatst naar de zomerresidentie van zijn werkgever, kasteel Esterház aan de Neusiedler See nabij de Hongaarse grens.
De prins moest toekijken hoe de orkestleden één voor één ophielden, de kaars bij hun pupiter doofden en het podium verlieten
De prins en zijn entourage verbleven er van de lente tot de herfst. Voor de musici – in die tijd allemaal mannen – had deze afzondering een gunstig effect op het werk, maar het betekende ook dat zij lange maanden verstoken waren van hun gezin. In 1772 stelde Nikolaus de terugkeer ongewoon lang uit. Haydn schoot zijn muzikanten te hulp en bracht een niet mis te verstane boodschap met zijn nieuwste symfonie, later ‘Afscheidssymfonie’ genoemd. Het eerste deel zet de toon met een smekend karakter, gevolgd door een ernstig Adagio. In het Menuet is evenmin vrolijkheid te bespeuren. De meest originele ingreep komt net voor het einde. De ogenschijnlijke levendigheid van de Finale wordt onderbroken door een weemoedig adagio-thema. De prins moest toekijken hoe de orkestleden één voor één ophielden, de kaars bij hun pupiter doofden en het podium verlieten tot enkel twee strijkers overbleven. Nikolaus begreep de wenk. De volgende morgen verleende hij de musici hun lang verwachtte verlof.
Biografie
Lucas en Arthur Jussen, piano
De broers Jussen kregen hun eerste pianolessen in hun geboorteplaats Hilversum van Leny Bettman. Na gezamenlijke lessen van Maria João Pires, Jan Wijn en Ton Hartsuiker studeerde Lucas Jussen bij Menahem Pressler in Bloomington en Dmitri Bashkirov in Madrid, en Arthur Jussen aan het Conservatorium van Amsterdam bij Jan Wijn.
Hun debuutalbum (Beethoven) kreeg in 2010 de Edison Klassiek Publieksprijs, en in 2011 kregen ze de allereerste Concertgebouw Young Talent Award.
Recitaltournees brachten het pianoduo naar de grote Europese podia en festivals, maar ook naar Japan, China, Zuid-Korea, Singapore, Rusland, Mexico en de Verenigde Staten. Lucas en Arthur Jussen traden op met nagenoeg alle Nederlandse orkesten en soleerden bijvoorbeeld ook bij het Dallas Symphony Orchestra onder Jaap van Zweden, het Boston Symphony Orchestra onder Andris Nelsons, de Academy of St. Martin in the Fields onder Neville Marriner (inclusief cd-opnames), het Budapest Festival Orchestra, het Gewandhausorchester Leipzig, de Wiener Symphoniker, het Mozarteumorchester Salzburg, Philharmonia en de Taiwan Philharmonic.
Recent debuteerden de pianisten bij de orkesten van Chicago, Baltimore, Stockholm, Göteborg en Lahti, en ze waren in het seizoen 2024/2025 in residence bij het Orchestre Philharmonique de Monte-Carlo. Onder de componisten die voor hen schreven zijn Fazıl Say en Joey Roukens. Dit seizoen hebben Arthur en Lucas Jussen een Spotlight in de Eigen Programmering van Het Concertgebouw, met vorige optredens op 26 november 2025 met de Münchner Philharmoniker en op 10 maart 2026 met het slagwerkduo Gerassimez & Kuyumcuyan.
Academy of St Martin in the Fields
De Academy of St Martin in the Fields gaf in november 1959 zijn eerste concert in de Londense kerk waaraan het gezelschap zijn naam ontleent. Oprichter Neville Marriner was tot 2011 artistiek leider, waarna violist Joshua Bell deze positie van hem overnam. Nauw verbonden aan de formatie zijn ook concertmeester Tomo Keller en ‘principal guest artist’ Murray Perahia.
De Academy of St Martin in the Fields voert wereldwijd zowel symfonisch repertoire als grootschalige kamermuziek uit, doorgaans onder leiding van een ‘meespelend leider’. Hoogtepunten van seizoen 2025/2026 zijn onder andere een optreden in Carnegie Hall in New York met Brahms’ Vioolconcert, ter viering van Joshua Bells vijftienjarige jubileum als leider van het orkest, en een concert bij de zeventigste verjaardag van componist Sally Beamish.
Bestsellers uit de ruim vijfhonderd werken tellende discografie zijn Vivaldi’s De vier jaargetijden uit 1969 en de soundtrack van de Oscar-winnende film Amadeus uit 1984. De Academy of St Martin in the Fields besteedt veel aandacht aan educatie en participatie en organiseert verschillende workshops voor scholieren en volwassenen. De musici verzorgen masterclasses en concertinleidingen, en vaste samenwerkingen bestaan met Southbank Sinfonia, de Guildhall School of Music and Drama in Londen en het Royal Northern College of Music in Manchester.
Het vorige optreden van de Academy of St Martin in the Fields in Het Concertgebouw was op 29 januari 2020 met pianist/componist Fazıl Say.
Tomo Keller, viool
Tomo Keller werd geboren in Stuttgart, speelt viool vanaf zijn zesde en studeerde aan de Universität für Musik und darstellende Kunst in Wenen en de Juilliard School of Music in New York. Prijzen won hij onder meer op de Fritz Kreisler Competition en de Johannes Brahms Competition.
Sindsdien werd hij uitgenodigd door zalen overal in Europa en speelde hij kamermuziek op de festivals van Schleswig-Holstein en Mecklenburg-Vorpommern en het Festival de Música Manuel de Falla.
Tomo Keller soleerde bij onder meer het Beethoven Orchester Bonn, de SintPetersburg Camerata, het Swedish Radio Symphony Orchestra, de Wiener Symphoniker en het London Symphony Orchestra – het orkest waar hij van 2009 tot 2015 assistent-concertmeester was.
In 2014 werd hij eerste concertmeester van het Swedish Radio Symphony Orchestra en als gastconcertmeester reisde hij naar meer dan twintig gezelschappen in Europa, de Verenigde Staten en Azië. In 2016 werd de violist aangesteld als concertmeester van de Academy of St Martin in the Fields en sinds 2022 geeft hij les aan de Haute École de Musique de Lausanne. Tomo Keller bespeelt de ‘ex-Braga’-Stradivarius.