Beroemde muziekstukken en hun bijnamen
door Martijn Voorvelt 01 mei 2026 01 mei 2026
Bijnamen waren lange tijd een beproefde methode om composities te identificeren en de verkoop van de bladmuziek aan te jagen. In de negentiende eeuw namen componisten het heft in eigen hand als het gaat om de naamgeving van hun partituren.
‘Heeft u dat ene muziekstuk? Het is iets met violen en gaat zo van tadadaaaa, dadam, dudududuu, blam!’
Elke platenhandelaar kan erover meepraten. Het is vaak verdraaid lastig om erachter te komen welk muziekstuk iemand zoekt, vooral als het geen gezongen tekst heeft. Muziek is niet gemakkelijk te beschrijven en roept bij iedereen weer andere associaties op. Wat de boel compliceert, is dat er talloze symfonieën, sonates en strijkkwartetten bestaan met als aanduiding alleen een nummer of een toonsoort. Ze hebben ‘generieke titels’, zoals Strijkkwartet nr. 3 of Sonate in a klein: behalve het genre geven die weinig informatie.
Kat op de toetsen
Om het klanten gemakkelijker te maken, verzonnen uitgevers en handelaars soms bijnamen voor muziekstukken, vooral als er veel vraag naar was. Meestal was dat pas na de dood van de componist.
‘Heeft u ook dat stuk dat klinkt of er een kat over de toetsen loopt?’
Zo kwamen in het begin van de negentiende eeuw honderden sonates van Domenico Scarlatti (1685-1757) opnieuw op de markt, waaronder die in g kleine terts die wij kennen onder catalogusnummer K 30. Het stapsgewijs stijgende en dalende melodietje waarmee het begint doet denken aan een kat die over het klavier heen en weer loopt. Niet zo gek dat uitgevers gehoor gingen geven aan hun klandizie: ‘Heeft u ook dat stuk dat klinkt of er een kat over de toetsen loopt?’ Onder de naam ‘Kattenfuga’ werd de sonate steeds vaker uitgevoerd. Door amateurs, maar ook door beroemdheden als Muzio Clementi, Carl Czerny en Franz Liszt.
Verkooptruc
Het is een zelfversterkend principe: door de vraag naar een muziekstuk ontstaat behoefte aan een bijnaam, en als die naam blijft hangen, kan de vraag nog verder stijgen.
Joseph Haydn schreef meer dan 100 symfonieën. Die met bijnamen als ‘Mit dem Paushy;kenwirbel’ (‘met de paukenroffel’), ‘De beer’, ‘De kip’, ‘Oxford’ of ‘Abschied’ worden nog altijd vaker uitgevoerd dan pakweg Symfonie nr. 41 of nr. 77. Niet omdat ze per se beter zijn, maar omdat hun bijnaam aanspreekt én omdat we ze daardoor beter kennen. Hetzelfde geldt voor de pianosonates van Ludwig van Beethoven: sommige mensen hoeven de naam ‘Pathétique’ of ‘Hammerklavier’ maar te zien en de muziek tolt al rond in hun hoofd. Er zijn er niet veel die dat hebben met sonates als – zeg maar – nr. 16 in G groot of nr. 27 in e klein.
Mirakel
Niet alle bijnamen zijn even effectief. Door Haydns Symfonie nr. 69 de bijnaam ‘Laudon’ te geven, naar een destijds populaire oorlogsheld, hoopte uitgever Artaria dat de pianobewerking goed zou verkopen, en in de slipstream daarvan de symfonie zelf. Haydn zelf vond het een slimme zet, die ‘meer aan de verkoop zal bijdragen dan tien finales’. Maar zo’n persoonsnaam verliest al gauw zijn glans. Wie kent generaal Laudon nog?
‘Heeft u dat ene muziekstuk? Het is iets met violen en gaat zo van tadadaaaa, dadam, dudududuu, blam!’
Elke platenhandelaar kan erover meepraten. Het is vaak verdraaid lastig om erachter te komen welk muziekstuk iemand zoekt, vooral als het geen gezongen tekst heeft. Muziek is niet gemakkelijk te beschrijven en roept bij iedereen weer andere associaties op. Wat de boel compliceert, is dat er talloze symfonieën, sonates en strijkkwartetten bestaan met als aanduiding alleen een nummer of een toonsoort. Ze hebben ‘generieke titels’, zoals Strijkkwartet nr. 3 of Sonate in a klein: behalve het genre geven die weinig informatie.
Kat op de toetsen
Om het klanten gemakkelijker te maken, verzonnen uitgevers en handelaars soms bijnamen voor muziekstukken, vooral als er veel vraag naar was. Meestal was dat pas na de dood van de componist.
‘Heeft u ook dat stuk dat klinkt of er een kat over de toetsen loopt?’
Zo kwamen in het begin van de negentiende eeuw honderden sonates van Domenico Scarlatti (1685-1757) opnieuw op de markt, waaronder die in g kleine terts die wij kennen onder catalogusnummer K 30. Het stapsgewijs stijgende en dalende melodietje waarmee het begint doet denken aan een kat die over het klavier heen en weer loopt. Niet zo gek dat uitgevers gehoor gingen geven aan hun klandizie: ‘Heeft u ook dat stuk dat klinkt of er een kat over de toetsen loopt?’ Onder de naam ‘Kattenfuga’ werd de sonate steeds vaker uitgevoerd. Door amateurs, maar ook door beroemdheden als Muzio Clementi, Carl Czerny en Franz Liszt.
Verkooptruc
Het is een zelfversterkend principe: door de vraag naar een muziekstuk ontstaat behoefte aan een bijnaam, en als die naam blijft hangen, kan de vraag nog verder stijgen.
Joseph Haydn schreef meer dan 100 symfonieën. Die met bijnamen als ‘Mit dem Paushy;kenwirbel’ (‘met de paukenroffel’), ‘De beer’, ‘De kip’, ‘Oxford’ of ‘Abschied’ worden nog altijd vaker uitgevoerd dan pakweg Symfonie nr. 41 of nr. 77. Niet omdat ze per se beter zijn, maar omdat hun bijnaam aanspreekt én omdat we ze daardoor beter kennen. Hetzelfde geldt voor de pianosonates van Ludwig van Beethoven: sommige mensen hoeven de naam ‘Pathétique’ of ‘Hammerklavier’ maar te zien en de muziek tolt al rond in hun hoofd. Er zijn er niet veel die dat hebben met sonates als – zeg maar – nr. 16 in G groot of nr. 27 in e klein.
Mirakel
Niet alle bijnamen zijn even effectief. Door Haydns Symfonie nr. 69 de bijnaam ‘Laudon’ te geven, naar een destijds populaire oorlogsheld, hoopte uitgever Artaria dat de pianobewerking goed zou verkopen, en in de slipstream daarvan de symfonie zelf. Haydn zelf vond het een slimme zet, die ‘meer aan de verkoop zal bijdragen dan tien finales’. Maar zo’n persoonsnaam verliest al gauw zijn glans. Wie kent generaal Laudon nog?
Meer tot de verbeelding spreken bijnamen die iets vertellen over een opvallend aspect van de muziek zelf (zoals de ‘Kattenfuga’) of die een aan het werk verbonden anekdote in herinnering brengen, zoals Haydns Symfonie nr. 96. Die kreeg per abuis de bijnaam ‘The Miracle’, omdat tijdens een Haydn-concert in Londen een kroonluchter losliet in de zaal, maar niemand geraakt werd aangezien het publiek net op dat moment naar het podium stormde uit puur enthousiasme. Hoewel het eigenlijk gebeurde bij een uitvoering van Symfonie nr. 102, was het nr. 96 die mede dankzij zijn bijnaam heel populair werd.
Reclame
Componisten werden zelden betrokken bij de naamgeving. Marketing was belangrijker dan de intentie van de maker. Een bekend voorbeeld is Beethovens Veertiende sonate in cis klein (1801), die een dichterlijke recensent jaren later deed denken aan de reflectie van maanlicht op het Vierwoudstrekenmeer, en die dus na Beethovens dood op de markt kwam als de ‘Mondscheinsonate’. Het nog altijd populaire werk heeft daardoor romantische associaties gekregen die Beethoven vast hogelijk zouden verbazen. Puur reclame zijn ook al die postuum bedachte bijnamen die een werk aanprijzen als iets groots en verhevens, zoals Beethovens ‘Keizersconcert’, Schuberts Negende symfonie, ‘Grote’, en Mozarts Symfonie nr. 41 die vanaf 1817 als ‘Jupiter’ op de programma’s begon te verschijnen.
Als warme broodjes ging de ‘Pathétique’ over de toonbank
Tegelijkertijd was er iets aan het veranderen. Componisten waren steeds vaker zelfstandige ondernemers, die inspraak eisten in hoe hun werken werden uitgegeven. Beethoven gaf in 1798 zijn zegen aan de door uitgever Joseph Eder bedachte titel ‘Grande sonate pathétique’ voor zijn Achtste sonate in c klein. Als warme broodjes ging de ‘Pathétique’ over de toonbank, wat Beethovens carrière als toondichter een flinke boost gaf. Vervolgens begonnen componisten – Beethoven voorop – zélf hun partituren te voorzien van beschrijvende ondertitels. Met de naam ‘Eroica’ benadrukte Beethoven in 1804 bijvoorbeeld het heroïsche karakter van zijn Derde symfonie (nadat hij de oorspronkelijke ondertitel ‘Bonaparte’ had doorgekrast).
Meer tot de verbeelding spreken bijnamen die iets vertellen over een opvallend aspect van de muziek zelf (zoals de ‘Kattenfuga’) of die een aan het werk verbonden anekdote in herinnering brengen, zoals Haydns Symfonie nr. 96. Die kreeg per abuis de bijnaam ‘The Miracle’, omdat tijdens een Haydn-concert in Londen een kroonluchter losliet in de zaal, maar niemand geraakt werd aangezien het publiek net op dat moment naar het podium stormde uit puur enthousiasme. Hoewel het eigenlijk gebeurde bij een uitvoering van Symfonie nr. 102, was het nr. 96 die mede dankzij zijn bijnaam heel populair werd.
Reclame
Componisten werden zelden betrokken bij de naamgeving. Marketing was belangrijker dan de intentie van de maker. Een bekend voorbeeld is Beethovens Veertiende sonate in cis klein (1801), die een dichterlijke recensent jaren later deed denken aan de reflectie van maanlicht op het Vierwoudstrekenmeer, en die dus na Beethovens dood op de markt kwam als de ‘Mondscheinsonate’. Het nog altijd populaire werk heeft daardoor romantische associaties gekregen die Beethoven vast hogelijk zouden verbazen. Puur reclame zijn ook al die postuum bedachte bijnamen die een werk aanprijzen als iets groots en verhevens, zoals Beethovens ‘Keizersconcert’, Schuberts Negende symfonie, ‘Grote’, en Mozarts Symfonie nr. 41 die vanaf 1817 als ‘Jupiter’ op de programma’s begon te verschijnen.
Als warme broodjes ging de ‘Pathétique’ over de toonbank
Tegelijkertijd was er iets aan het veranderen. Componisten waren steeds vaker zelfstandige ondernemers, die inspraak eisten in hoe hun werken werden uitgegeven. Beethoven gaf in 1798 zijn zegen aan de door uitgever Joseph Eder bedachte titel ‘Grande sonate pathétique’ voor zijn Achtste sonate in c klein. Als warme broodjes ging de ‘Pathétique’ over de toonbank, wat Beethovens carrière als toondichter een flinke boost gaf. Vervolgens begonnen componisten – Beethoven voorop – zélf hun partituren te voorzien van beschrijvende ondertitels. Met de naam ‘Eroica’ benadrukte Beethoven in 1804 bijvoorbeeld het heroïsche karakter van zijn Derde symfonie (nadat hij de oorspronkelijke ondertitel ‘Bonaparte’ had doorgekrast).
Toen hij nog een paar jaar later zijn Zesde symfonie de ‘Pastorale’ noemde, en de delen beschrijvende titels meegaf als ‘Vrolijk samenzijn van de landmensen’ en ‘Scène bij de beek’, liep Beethoven opnieuw voor op een brede ontwikkeling: buitenmuzikale programma’s zouden in de negentiende eeuw steeds vaker expliciet worden benoemd. Beethoven benadrukte weliswaar dat het hem meer om het uitdrukken van gevoelens te doen was dan om letterlijke ‘klankschildering’, maar het klassieke hek was van de romantische dam. Zo doopte Robert Schumann zijn eerste symfonie‘Frühling’ en werd zijn derde al gauw ‘Rheinische’ genoemd. Felix Mendelssohn schreef een ‘Schotse’, een ‘Italiaanse’ en een ‘Reformatie’-symfonie.
Categorieën
Refereerden bijnamen uit de zeventiende en achttiende eeuw meestal aan een stad, een anekdote of een opvallend aspect van de muziek dat bepaalde associaties opwekt (zoals met een kat, een kip, een paard of een tikkende klok), vanaf 1800 gaven componisten hun werken zelf liever meer algemene karakteriseringen – aanvankelijk muzikale (‘Eroica’, ‘Pathétique’), gaandeweg ook meer buitenmuzikale. (Zie ook het lijstje categorieën van bijnamen onderaan dit artikel.)
Geen uitgever meer die het in z’n hoofd haalt op eigen houtje bijnamen te verzinnen
Er is nóg een categorie. Het Pianokwintet en de strijkkwartetten nr. 13 en 14 van Franz Schubert werden na zijn dood bekend als respectievelijk ‘Forelle’, ‘Rosamunde’ en ‘Der Tod und das Mädchen’. Dit soort bijnamen verraden welke eerdere muziek van Schubert erin terugkeerde. Daarmee haken ze aan bij een oude traditie om muziekstukken te noemen naar bestaande melodieën die erin zijn verwerkt. Zo zijn er in de vijftiende eeuw tientallen ‘L’Homme Armé’-missen geschreven, en is Francesco Geminiani’s Concerto grosso ‘La follia’ (gepubliceerd in 1729) gebaseerd op een bekende middeleeuwse melodie.
Programmamuziek
De ondertitel ‘Reformatie’, bedacht door Fanny Mendelssohn, gaf aan dat de Vijfde symfonie (1830) van haar broer Felix bedoeld was ter viering van 300 jaar protestantisme (in 1530 werd de Augsburgse Belijdenis aangeboden aan keizer Karel V). Heel specifiek is ook Gustav Mahlers ‘Titan’, genoemd naar een boek (Mahler trok deze ondertitel voor zijn Eerste symfonie later terug).
Symfonieën met dit soort titels schuren aan tegen het symfonische gedicht: bij Franz Liszt en Richard Strauss werd de ondertitel verheven tot titel en bepaalde het programma de vorm. Deze programmamuziek zette zich in de tweede helft van de negentiende eeuw af tegen de ‘absolute muziek’ met zijn klassieke vormen en generieke titels, zoals die van Johannes Brahms. Ook Anton Bruckner bleef trouw aan de traditionele vormen, maar noemde toch zijn Vierde symfonie de ‘Romantische’ en gaf er een programma bij.
Beide benaderingen bleven naast elkaar bestaan. Tegenwoordig krijgen de meeste composities een beschrijvende naam, maar zijn er ook componisten – van Philip Glass tot Lera Auerbach – die daarnaast ‘ouderwets’ genummerde etudes, pianotrio’s, strijkkwartetten en symfonieën blijven produceren – al of niet voorzien van een ondertitel. Het is geheel aan de componist. Er is geen uitgever meer die het in z’n hoofd haalt op eigen houtje bijnamen te verzinnen.
Welke categorieën van bijnamen bestaan er zoal?
- geciteerde muziek – Guillaume Dufay: Missa ‘L’Homme Armé’; Franz Schubert: Strijkkwartet nr. 14, ‘Der Tod und das Mädchen’; Philip Glass: Symfonie nr. 4, ‘Heroes’
- muzikaal element – Joseph Haydn: Symfonie nr. 94, ‘Surprise’ (‘Mit dem Paukenschlag’); Wolfgang Amadeus Mozart: Strijkkwartet in C groot, ‘Dissonanten’; Camille Saint-Saëns: Symfonie nr. 3, ‘Orgel’
- muzikale associatie – Domenico Scarlatti: Sonate in g klein, ‘Kattenfuga’; Joseph Haydn: Symfonie nr. 101, ‘Die Uhr’; Ludwig van Beethoven: Rondo a capriccio, ‘Die Wut über den verlorenen Groschen, ausgetobt in einer Caprice’, op. 129
- persoonsnaam – Joseph Haydn: Symfonie nr. 69, ‘Laudon’; Wolfgang Amadeus Mozart: Symfonie nr. 35, ‘Haffner’
- plaatsnaam – Joseph Haydn: Symfonie nr. 104, ‘London’; Wolfgang Amadeus Mozart: Symfonie nr. 31, ‘Parijs’; Dmitri Sjostakovitsj: Symfonie nr. 7, ‘Leningrad’
- anekdote – Joseph Haydn: Symfonie nr. 96, ‘The Miracle’; Wolfgang Amadeus Mozart: Pianoconcert nr. 26 in D gr.t., ‘Kroning’
- karakter – Ludwig van Beethoven: Sonate nr. 23, ‘Appassionata’; Pjotr Tsjaikovski: Symfonie nr. 6, ‘Pathétique’
- programma – Robert Schumann: Symfonie nr. 3, ‘Rheinische’, Anton Bruckner: Symfonie nr. 4, ‘Romantische’
Toen hij nog een paar jaar later zijn Zesde symfonie de ‘Pastorale’ noemde, en de delen beschrijvende titels meegaf als ‘Vrolijk samenzijn van de landmensen’ en ‘Scène bij de beek’, liep Beethoven opnieuw voor op een brede ontwikkeling: buitenmuzikale programma’s zouden in de negentiende eeuw steeds vaker expliciet worden benoemd. Beethoven benadrukte weliswaar dat het hem meer om het uitdrukken van gevoelens te doen was dan om letterlijke ‘klankschildering’, maar het klassieke hek was van de romantische dam. Zo doopte Robert Schumann zijn eerste symfonie‘Frühling’ en werd zijn derde al gauw ‘Rheinische’ genoemd. Felix Mendelssohn schreef een ‘Schotse’, een ‘Italiaanse’ en een ‘Reformatie’-symfonie.
Categorieën
Refereerden bijnamen uit de zeventiende en achttiende eeuw meestal aan een stad, een anekdote of een opvallend aspect van de muziek dat bepaalde associaties opwekt (zoals met een kat, een kip, een paard of een tikkende klok), vanaf 1800 gaven componisten hun werken zelf liever meer algemene karakteriseringen – aanvankelijk muzikale (‘Eroica’, ‘Pathétique’), gaandeweg ook meer buitenmuzikale. (Zie ook het lijstje categorieën van bijnamen onderaan dit artikel.)
Geen uitgever meer die het in z’n hoofd haalt op eigen houtje bijnamen te verzinnen
Er is nóg een categorie. Het Pianokwintet en de strijkkwartetten nr. 13 en 14 van Franz Schubert werden na zijn dood bekend als respectievelijk ‘Forelle’, ‘Rosamunde’ en ‘Der Tod und das Mädchen’. Dit soort bijnamen verraden welke eerdere muziek van Schubert erin terugkeerde. Daarmee haken ze aan bij een oude traditie om muziekstukken te noemen naar bestaande melodieën die erin zijn verwerkt. Zo zijn er in de vijftiende eeuw tientallen ‘L’Homme Armé’-missen geschreven, en is Francesco Geminiani’s Concerto grosso ‘La follia’ (gepubliceerd in 1729) gebaseerd op een bekende middeleeuwse melodie.
Programmamuziek
De ondertitel ‘Reformatie’, bedacht door Fanny Mendelssohn, gaf aan dat de Vijfde symfonie (1830) van haar broer Felix bedoeld was ter viering van 300 jaar protestantisme (in 1530 werd de Augsburgse Belijdenis aangeboden aan keizer Karel V). Heel specifiek is ook Gustav Mahlers ‘Titan’, genoemd naar een boek (Mahler trok deze ondertitel voor zijn Eerste symfonie later terug).
Symfonieën met dit soort titels schuren aan tegen het symfonische gedicht: bij Franz Liszt en Richard Strauss werd de ondertitel verheven tot titel en bepaalde het programma de vorm. Deze programmamuziek zette zich in de tweede helft van de negentiende eeuw af tegen de ‘absolute muziek’ met zijn klassieke vormen en generieke titels, zoals die van Johannes Brahms. Ook Anton Bruckner bleef trouw aan de traditionele vormen, maar noemde toch zijn Vierde symfonie de ‘Romantische’ en gaf er een programma bij.
Beide benaderingen bleven naast elkaar bestaan. Tegenwoordig krijgen de meeste composities een beschrijvende naam, maar zijn er ook componisten – van Philip Glass tot Lera Auerbach – die daarnaast ‘ouderwets’ genummerde etudes, pianotrio’s, strijkkwartetten en symfonieën blijven produceren – al of niet voorzien van een ondertitel. Het is geheel aan de componist. Er is geen uitgever meer die het in z’n hoofd haalt op eigen houtje bijnamen te verzinnen.
Welke categorieën van bijnamen bestaan er zoal?
- geciteerde muziek – Guillaume Dufay: Missa ‘L’Homme Armé’; Franz Schubert: Strijkkwartet nr. 14, ‘Der Tod und das Mädchen’; Philip Glass: Symfonie nr. 4, ‘Heroes’
- muzikaal element – Joseph Haydn: Symfonie nr. 94, ‘Surprise’ (‘Mit dem Paukenschlag’); Wolfgang Amadeus Mozart: Strijkkwartet in C groot, ‘Dissonanten’; Camille Saint-Saëns: Symfonie nr. 3, ‘Orgel’
- muzikale associatie – Domenico Scarlatti: Sonate in g klein, ‘Kattenfuga’; Joseph Haydn: Symfonie nr. 101, ‘Die Uhr’; Ludwig van Beethoven: Rondo a capriccio, ‘Die Wut über den verlorenen Groschen, ausgetobt in einer Caprice’, op. 129
- persoonsnaam – Joseph Haydn: Symfonie nr. 69, ‘Laudon’; Wolfgang Amadeus Mozart: Symfonie nr. 35, ‘Haffner’
- plaatsnaam – Joseph Haydn: Symfonie nr. 104, ‘London’; Wolfgang Amadeus Mozart: Symfonie nr. 31, ‘Parijs’; Dmitri Sjostakovitsj: Symfonie nr. 7, ‘Leningrad’
- anekdote – Joseph Haydn: Symfonie nr. 96, ‘The Miracle’; Wolfgang Amadeus Mozart: Pianoconcert nr. 26 in D gr.t., ‘Kroning’
- karakter – Ludwig van Beethoven: Sonate nr. 23, ‘Appassionata’; Pjotr Tsjaikovski: Symfonie nr. 6, ‘Pathétique’
- programma – Robert Schumann: Symfonie nr. 3, ‘Rheinische’, Anton Bruckner: Symfonie nr. 4, ‘Romantische’