Janine Jansen & Camerata Salzburg: Vivaldi's De vier jaargetijden
Grote Zaal 12 mei 2026 20.15 uur
Camerata Salzburg
Gregory Ahss leiding/viool
Janine Jansen viool
Richard Dubugnon (1968)
Piccolo concerto grosso, op. 87 (2020)
voor strijkkwartet, strijkorkest en klavecimbel
Janine Jansen en Gregory Ahss – viool; Firmian Lermer – altviool; Stefano Guarino – cello
Nederlandse première
Francesco Geminiani (1687-1762)
Concerto grosso in d kl.t. (1729)
‘La Follia’
voor twee violen, strijkers en basso continuo
Nino Rota (1911-1979)
Concerto per archi (1964-65, rev. 1977)
Preludio: Allegro ben moderato e cantabile
Scherzo: Allegretto comodo
Aria: Andante quasi Adagio
Finale: Allegrissimo
pauze ± 21.05 uur
Antonio Vivaldi (1678-1741)
De vier jaargetijden, op. 8 (1725)
voor viool en orkest
Concert nr. 1 in E gr.t., RV 269 ‘Lente’: Allegro – Largo – Allegro
Concert nr. 2 in g kl.t., RV 315 ‘Zomer’: Allegro non molto – Adagio,
presto – Presto
Concert nr. 3 in F gr.t., RV 293‘ Herfst’: Allegro – Adagio molto –
Allegro (La caccia)
Concert nr. 4 in f kl.t., RV 297 ’Winter’: Allegro non molto – Largo –
Allegro
einde ± 22.20 uur
Camerata Salzburg
Gregory Ahss leiding/viool
Janine Jansen viool
Richard Dubugnon (1968)
Piccolo concerto grosso, op. 87 (2020)
voor strijkkwartet, strijkorkest en klavecimbel
Janine Jansen en Gregory Ahss – viool; Firmian Lermer – altviool; Stefano Guarino – cello
Nederlandse première
Francesco Geminiani (1687-1762)
Concerto grosso in d kl.t. (1729)
‘La Follia’
voor twee violen, strijkers en basso continuo
Nino Rota (1911-1979)
Concerto per archi (1964-65, rev. 1977)
Preludio: Allegro ben moderato e cantabile
Scherzo: Allegretto comodo
Aria: Andante quasi Adagio
Finale: Allegrissimo
pauze ± 21.05 uur
Antonio Vivaldi (1678-1741)
De vier jaargetijden, op. 8 (1725)
voor viool en orkest
Concert nr. 1 in E gr.t., RV 269 ‘Lente’: Allegro – Largo – Allegro
Concert nr. 2 in g kl.t., RV 315 ‘Zomer’: Allegro non molto – Adagio,
presto – Presto
Concert nr. 3 in F gr.t., RV 293‘ Herfst’: Allegro – Adagio molto –
Allegro (La caccia)
Concert nr. 4 in f kl.t., RV 297 ’Winter’: Allegro non molto – Largo –
Allegro
einde ± 22.20 uur
Toelichting
Toelichting
Het land van citroenen
Johann Wolfgang von Goethe was niet de eerste die warme lof zong van zijn geliefde Italië met de beroemde regels: ‘Kennst du das Land, wo die Zitronen blühn?’ Dat was in zijn vierde roman Wilhelm Meisters Wanderjahre, een autobiografisch reisverslag uit 1795. Er zijn legio voorbeelden van schrijvers, kunstenaars, musici en componisten die in de ban waren van het land dat zinderde van lokale producten als sonate, triosonate, soloconcert, concerto grosso, sinfonia, cantate, aria en recitatief, en natuurlijk oratorium en opera. Dat waren fel begeerde exportproducten. De Duitse fluitvirtuoos en huiscomponist van de Pruisische koning Frederik de Grote, Johann Joachim Quantz (1697-1773), schreef in zijn autobiografie uit 1714: ‘In Pirna kreeg ik in die tijd voor het eerst de vioolconcerten van Vivaldi te zien. Het waren muziekstukken van een heel nieuw soort waarvan ik zeer onder de indruk raakte. Ik liet niet na er een flinke voorraad van te verzamelen. De prachtige ritornellen van Vivaldi zijn mij in de daaropvolgende tijd goede voorbeelden geweest.’
Het programma van vandaag is een eerbetoon aan die rijke Italiaanse erfenis, aan het concerto in zijn inmiddels talloze gedaanten. Want hoe kaal zou het huidige muziekleven niet zijn als aan die Italiaanse stam eind zeventiende eeuw niet de eerste twijgen waren ontsproten? Waar zouden Johann Sebastian Bachs Brandenburgse concerten zijn, de pianoconcerten van Wolfgang Amadeus Mozart en Ludwig van Beethoven, en het machtige romantische repertoire der virtuozen? Al drie eeuwen houdt het genre van het soloconcert een miljoenenpubliek in zijn ban. Door afwisseling en contrast, door tedere cantilenen, vinnige uithalen en adembenemende achtervolgingen. Door de eenzaamheid van één of meer solisten tegenover het orkest. Door dialogen, vraag en antwoord, door wedijver, tegenwerking maar ook samenwerking. Door gevoelige ontboezemingen, droefenis, vreugde en razernij. Daarmee houdt het concerto de luisteraar een spiegel voor van zijn eigen wezen en gedrag, biedt het ontroering, troost en esthetisch luistergenot.
Het land van citroenen
Johann Wolfgang von Goethe was niet de eerste die warme lof zong van zijn geliefde Italië met de beroemde regels: ‘Kennst du das Land, wo die Zitronen blühn?’ Dat was in zijn vierde roman Wilhelm Meisters Wanderjahre, een autobiografisch reisverslag uit 1795. Er zijn legio voorbeelden van schrijvers, kunstenaars, musici en componisten die in de ban waren van het land dat zinderde van lokale producten als sonate, triosonate, soloconcert, concerto grosso, sinfonia, cantate, aria en recitatief, en natuurlijk oratorium en opera. Dat waren fel begeerde exportproducten. De Duitse fluitvirtuoos en huiscomponist van de Pruisische koning Frederik de Grote, Johann Joachim Quantz (1697-1773), schreef in zijn autobiografie uit 1714: ‘In Pirna kreeg ik in die tijd voor het eerst de vioolconcerten van Vivaldi te zien. Het waren muziekstukken van een heel nieuw soort waarvan ik zeer onder de indruk raakte. Ik liet niet na er een flinke voorraad van te verzamelen. De prachtige ritornellen van Vivaldi zijn mij in de daaropvolgende tijd goede voorbeelden geweest.’
Het programma van vandaag is een eerbetoon aan die rijke Italiaanse erfenis, aan het concerto in zijn inmiddels talloze gedaanten. Want hoe kaal zou het huidige muziekleven niet zijn als aan die Italiaanse stam eind zeventiende eeuw niet de eerste twijgen waren ontsproten? Waar zouden Johann Sebastian Bachs Brandenburgse concerten zijn, de pianoconcerten van Wolfgang Amadeus Mozart en Ludwig van Beethoven, en het machtige romantische repertoire der virtuozen? Al drie eeuwen houdt het genre van het soloconcert een miljoenenpubliek in zijn ban. Door afwisseling en contrast, door tedere cantilenen, vinnige uithalen en adembenemende achtervolgingen. Door de eenzaamheid van één of meer solisten tegenover het orkest. Door dialogen, vraag en antwoord, door wedijver, tegenwerking maar ook samenwerking. Door gevoelige ontboezemingen, droefenis, vreugde en razernij. Daarmee houdt het concerto de luisteraar een spiegel voor van zijn eigen wezen en gedrag, biedt het ontroering, troost en esthetisch luistergenot.
Richard Dubugnon (1968)
Piccolo concerto grosso
Zo ook het ‘Kleine grote concert’ uit coronatijd van de Frans-Zwitserse componist Richard Dubugnon, waarmee Janine Jansen en Camerata Salzburg onderweg zijn om wereldwijd de première te verzorgen. Dubugnon, die als contrabassist gewend is vanuit het nu om te kijken over een zee van repertoire, doet dat ook in dit vierdelige concert van ongeveer een kwartier. De bezetting, met een solistisch bezet strijkkwartet tegenover een strijkorkest met anno 2020 nota bene een klavecimbel, is een knipoog naar het concerto grosso uit de Barok. Dat alleen al voorspelt rijkelijk esprit in dit werk. Daarvan getuigt ook het commentaar van de componist zelf: ‘Alles aan deze compositie is paradoxaal. Ten eerste de titel, een woordspeling: ‘piccolo’ (klein) concerto ‘grosso’ (groot). Ten tweede de barokke vorm met een tutti in tegenstelling tot een groep solisten, in dit geval een strijkkwartet – wat een anachronisme is, aangezien de eerste strijkkwartetten pas in het midden van de Klassieke Periode verschenen bij Boccherini en Haydn. Ten slotte is de muziek zelf anachronistisch, vol verwijzingen naar de Barok en de Klassieke Periode, maar ook naar jazz en funk. Humor is aanwezig, zonder dat dit ten koste gaat van virtuositeit of expressiviteit.’
Zo ook het ‘Kleine grote concert’ uit coronatijd van de Frans-Zwitserse componist Richard Dubugnon, waarmee Janine Jansen en Camerata Salzburg onderweg zijn om wereldwijd de première te verzorgen. Dubugnon, die als contrabassist gewend is vanuit het nu om te kijken over een zee van repertoire, doet dat ook in dit vierdelige concert van ongeveer een kwartier. De bezetting, met een solistisch bezet strijkkwartet tegenover een strijkorkest met anno 2020 nota bene een klavecimbel, is een knipoog naar het concerto grosso uit de Barok. Dat alleen al voorspelt rijkelijk esprit in dit werk. Daarvan getuigt ook het commentaar van de componist zelf: ‘Alles aan deze compositie is paradoxaal. Ten eerste de titel, een woordspeling: ‘piccolo’ (klein) concerto ‘grosso’ (groot). Ten tweede de barokke vorm met een tutti in tegenstelling tot een groep solisten, in dit geval een strijkkwartet – wat een anachronisme is, aangezien de eerste strijkkwartetten pas in het midden van de Klassieke Periode verschenen bij Boccherini en Haydn. Ten slotte is de muziek zelf anachronistisch, vol verwijzingen naar de Barok en de Klassieke Periode, maar ook naar jazz en funk. Humor is aanwezig, zonder dat dit ten koste gaat van virtuositeit of expressiviteit.’
Francesco Geminiani (1687-1762)
Concerto grosso
Een drie eeuwen ouder eerbetoon is dat van de Italiaanse vioolvirtuoos Francesco Geminiani, geboren in Lucca en een leerling van de fameuze violist Arcangelo Corelli uit Rome. Geminiani was een van de vele Italianen die werden aangetrokken door het rijke muziekleven van Londen, net als de Saksische reus Georg Friedrich Händel en de Nederlanders Willem de Fesch en Pieter Hellendaal. Vanaf 1726 gaf Geminiani een reeks van twaalf concerti grossi uit, gebaseerd op de geruchtmakende Vioolsonates, opus 5 (gepubliceerd in 1700) van Corelli die Antonio Vivaldi, Georg Philipp Telemann, Händel en Johann Sebastian Bach de weg wezen. Het twaalfde concert is gebouwd op een van de bekendste thema’s uit de muziekgeschiedenis, ‘La Follia’, van oorsprong de Spaanse sarabandeachtige, wilde en uitgelaten dans folía (te vertalen als ‘gekte, razernij’). Het thema inspireerde ook Jean-Baptiste Lully, Marin Marais, Alessandro Scarlatti, Carl Philipp Emanuel Bach, Franz Liszt en Serge Rachmaninoff. Wat bij Corelli een hoogst virtuoos vioolstuk was (met continuobegeleiding), werkte Geminiani uit tot een genadeloze exercitie voor strijkorkest: het Concerto grosso in d klein bestaat uit het ‘Follia’-thema met vijfentwintig variaties.
Een drie eeuwen ouder eerbetoon is dat van de Italiaanse vioolvirtuoos Francesco Geminiani, geboren in Lucca en een leerling van de fameuze violist Arcangelo Corelli uit Rome. Geminiani was een van de vele Italianen die werden aangetrokken door het rijke muziekleven van Londen, net als de Saksische reus Georg Friedrich Händel en de Nederlanders Willem de Fesch en Pieter Hellendaal. Vanaf 1726 gaf Geminiani een reeks van twaalf concerti grossi uit, gebaseerd op de geruchtmakende Vioolsonates, opus 5 (gepubliceerd in 1700) van Corelli die Antonio Vivaldi, Georg Philipp Telemann, Händel en Johann Sebastian Bach de weg wezen. Het twaalfde concert is gebouwd op een van de bekendste thema’s uit de muziekgeschiedenis, ‘La Follia’, van oorsprong de Spaanse sarabandeachtige, wilde en uitgelaten dans folía (te vertalen als ‘gekte, razernij’). Het thema inspireerde ook Jean-Baptiste Lully, Marin Marais, Alessandro Scarlatti, Carl Philipp Emanuel Bach, Franz Liszt en Serge Rachmaninoff. Wat bij Corelli een hoogst virtuoos vioolstuk was (met continuobegeleiding), werkte Geminiani uit tot een genadeloze exercitie voor strijkorkest: het Concerto grosso in d klein bestaat uit het ‘Follia’-thema met vijfentwintig variaties.
Nino Rota (1911-1979)
Concerto per archi
Wie ooit Federico Fellini’s film La Strada (1954) heeft gezien, zal nooit de intens droevige blik van Giulietta Masina vergeten, het dociele clownvriendinnetje van de brute krachtpatser Anthony Quinn. De toegankelijke en sfeervolle muziek bij de film komt uit de pen van Nino Rota, die ook de partituren schreef bij klassiekers als Fellini’s La Dolce Vita, Visconti’s Il Gattopardo en Coppola’s The Godfather. Rota zag kunstmuziek, filmmuziek en populaire muziek als gelijkwaardige genres. Dankzij een groot talent voor stilistische assimilatie creëerde hij een grensoverschrijdende, archaïsche, elegante stijl die hij ook toepaste in zijn meer dan 150 composities aan concertmuziek. Zo ook in zijn Concerto per archi: dit moderne concerto grosso bestaat uit vier beknopte contrasterende delen die melodisch en harmonisch toch verwant zijn. Natuurlijk is Rota’s filmmuziek hier aangenaam nabij, en in het derde deel, Aria, vanzelfsprekend ook Bach.
Wie ooit Federico Fellini’s film La Strada (1954) heeft gezien, zal nooit de intens droevige blik van Giulietta Masina vergeten, het dociele clownvriendinnetje van de brute krachtpatser Anthony Quinn. De toegankelijke en sfeervolle muziek bij de film komt uit de pen van Nino Rota, die ook de partituren schreef bij klassiekers als Fellini’s La Dolce Vita, Visconti’s Il Gattopardo en Coppola’s The Godfather. Rota zag kunstmuziek, filmmuziek en populaire muziek als gelijkwaardige genres. Dankzij een groot talent voor stilistische assimilatie creëerde hij een grensoverschrijdende, archaïsche, elegante stijl die hij ook toepaste in zijn meer dan 150 composities aan concertmuziek. Zo ook in zijn Concerto per archi: dit moderne concerto grosso bestaat uit vier beknopte contrasterende delen die melodisch en harmonisch toch verwant zijn. Natuurlijk is Rota’s filmmuziek hier aangenaam nabij, en in het derde deel, Aria, vanzelfsprekend ook Bach.
Antonio Vivaldi (1678-1741)
De vier jaargetijden
De vier jaargetijden is het bekendste voorbeeld van Antonio Vivaldi’s ongewone manier van componeren, die door zijn heftige stijl in heel Europa voor opschudding zorgde. Volgens tijdgenoten zouden veel vrouwen bij het beluisteren ‘in tranen en snikken zijn uitgebarsten en in extase zijn geraakt.’ Heftigheid en opschudding volop in deze vier vioolconcerten die heel plastisch de seizoenen schilderen. Toch kan men daarbij voor aardige verrassingen komen te staan. Zo staat ‘Zomer’ opvallend genoeg in g klein, maar Vivaldi’s begeleidende dichtregels bieden de verklaring.
Mens en natuur gaan gebukt onder de verzengende hitte. Een herder ontwaakt angstig en huivert bij het opkomende onweer, waar bliksemschichten de hemel doorklieven en stortregens de aarde geselen. Vivaldi tovert het de luisteraar allemaal voor ogen. In ‘Winter’ speelt zich een strijd af tussen de conventie en de compositorische vrijheid. Deze experimentele muziek sloeg destijds in als een bom en klinkt ook nu nog fris en verrassend. In het bijgevoegde sonnet beschreef Vivaldi een mozaïek van winterse beelden en gebeurtenissen die in het concert worden verklankt. Maar in zijn fantasierijke toonschilderingen leefde Vivaldi zich naast heftige winterstormen en zomerse donder en bliksem ook uit in bij de herfst behorende jacht en oogst en lieflijke lentetaferelen van een vredig buitenleven vol weiden met bloemen.
De vier jaargetijden is het bekendste voorbeeld van Antonio Vivaldi’s ongewone manier van componeren, die door zijn heftige stijl in heel Europa voor opschudding zorgde. Volgens tijdgenoten zouden veel vrouwen bij het beluisteren ‘in tranen en snikken zijn uitgebarsten en in extase zijn geraakt.’ Heftigheid en opschudding volop in deze vier vioolconcerten die heel plastisch de seizoenen schilderen. Toch kan men daarbij voor aardige verrassingen komen te staan. Zo staat ‘Zomer’ opvallend genoeg in g klein, maar Vivaldi’s begeleidende dichtregels bieden de verklaring.
Mens en natuur gaan gebukt onder de verzengende hitte. Een herder ontwaakt angstig en huivert bij het opkomende onweer, waar bliksemschichten de hemel doorklieven en stortregens de aarde geselen. Vivaldi tovert het de luisteraar allemaal voor ogen. In ‘Winter’ speelt zich een strijd af tussen de conventie en de compositorische vrijheid. Deze experimentele muziek sloeg destijds in als een bom en klinkt ook nu nog fris en verrassend. In het bijgevoegde sonnet beschreef Vivaldi een mozaïek van winterse beelden en gebeurtenissen die in het concert worden verklankt. Maar in zijn fantasierijke toonschilderingen leefde Vivaldi zich naast heftige winterstormen en zomerse donder en bliksem ook uit in bij de herfst behorende jacht en oogst en lieflijke lentetaferelen van een vredig buitenleven vol weiden met bloemen.
Toelichting
Het land van citroenen
Johann Wolfgang von Goethe was niet de eerste die warme lof zong van zijn geliefde Italië met de beroemde regels: ‘Kennst du das Land, wo die Zitronen blühn?’ Dat was in zijn vierde roman Wilhelm Meisters Wanderjahre, een autobiografisch reisverslag uit 1795. Er zijn legio voorbeelden van schrijvers, kunstenaars, musici en componisten die in de ban waren van het land dat zinderde van lokale producten als sonate, triosonate, soloconcert, concerto grosso, sinfonia, cantate, aria en recitatief, en natuurlijk oratorium en opera. Dat waren fel begeerde exportproducten. De Duitse fluitvirtuoos en huiscomponist van de Pruisische koning Frederik de Grote, Johann Joachim Quantz (1697-1773), schreef in zijn autobiografie uit 1714: ‘In Pirna kreeg ik in die tijd voor het eerst de vioolconcerten van Vivaldi te zien. Het waren muziekstukken van een heel nieuw soort waarvan ik zeer onder de indruk raakte. Ik liet niet na er een flinke voorraad van te verzamelen. De prachtige ritornellen van Vivaldi zijn mij in de daaropvolgende tijd goede voorbeelden geweest.’
Het programma van vandaag is een eerbetoon aan die rijke Italiaanse erfenis, aan het concerto in zijn inmiddels talloze gedaanten. Want hoe kaal zou het huidige muziekleven niet zijn als aan die Italiaanse stam eind zeventiende eeuw niet de eerste twijgen waren ontsproten? Waar zouden Johann Sebastian Bachs Brandenburgse concerten zijn, de pianoconcerten van Wolfgang Amadeus Mozart en Ludwig van Beethoven, en het machtige romantische repertoire der virtuozen? Al drie eeuwen houdt het genre van het soloconcert een miljoenenpubliek in zijn ban. Door afwisseling en contrast, door tedere cantilenen, vinnige uithalen en adembenemende achtervolgingen. Door de eenzaamheid van één of meer solisten tegenover het orkest. Door dialogen, vraag en antwoord, door wedijver, tegenwerking maar ook samenwerking. Door gevoelige ontboezemingen, droefenis, vreugde en razernij. Daarmee houdt het concerto de luisteraar een spiegel voor van zijn eigen wezen en gedrag, biedt het ontroering, troost en esthetisch luistergenot.
Het land van citroenen
Johann Wolfgang von Goethe was niet de eerste die warme lof zong van zijn geliefde Italië met de beroemde regels: ‘Kennst du das Land, wo die Zitronen blühn?’ Dat was in zijn vierde roman Wilhelm Meisters Wanderjahre, een autobiografisch reisverslag uit 1795. Er zijn legio voorbeelden van schrijvers, kunstenaars, musici en componisten die in de ban waren van het land dat zinderde van lokale producten als sonate, triosonate, soloconcert, concerto grosso, sinfonia, cantate, aria en recitatief, en natuurlijk oratorium en opera. Dat waren fel begeerde exportproducten. De Duitse fluitvirtuoos en huiscomponist van de Pruisische koning Frederik de Grote, Johann Joachim Quantz (1697-1773), schreef in zijn autobiografie uit 1714: ‘In Pirna kreeg ik in die tijd voor het eerst de vioolconcerten van Vivaldi te zien. Het waren muziekstukken van een heel nieuw soort waarvan ik zeer onder de indruk raakte. Ik liet niet na er een flinke voorraad van te verzamelen. De prachtige ritornellen van Vivaldi zijn mij in de daaropvolgende tijd goede voorbeelden geweest.’
Het programma van vandaag is een eerbetoon aan die rijke Italiaanse erfenis, aan het concerto in zijn inmiddels talloze gedaanten. Want hoe kaal zou het huidige muziekleven niet zijn als aan die Italiaanse stam eind zeventiende eeuw niet de eerste twijgen waren ontsproten? Waar zouden Johann Sebastian Bachs Brandenburgse concerten zijn, de pianoconcerten van Wolfgang Amadeus Mozart en Ludwig van Beethoven, en het machtige romantische repertoire der virtuozen? Al drie eeuwen houdt het genre van het soloconcert een miljoenenpubliek in zijn ban. Door afwisseling en contrast, door tedere cantilenen, vinnige uithalen en adembenemende achtervolgingen. Door de eenzaamheid van één of meer solisten tegenover het orkest. Door dialogen, vraag en antwoord, door wedijver, tegenwerking maar ook samenwerking. Door gevoelige ontboezemingen, droefenis, vreugde en razernij. Daarmee houdt het concerto de luisteraar een spiegel voor van zijn eigen wezen en gedrag, biedt het ontroering, troost en esthetisch luistergenot.
Richard Dubugnon (1968)
Piccolo concerto grosso
Zo ook het ‘Kleine grote concert’ uit coronatijd van de Frans-Zwitserse componist Richard Dubugnon, waarmee Janine Jansen en Camerata Salzburg onderweg zijn om wereldwijd de première te verzorgen. Dubugnon, die als contrabassist gewend is vanuit het nu om te kijken over een zee van repertoire, doet dat ook in dit vierdelige concert van ongeveer een kwartier. De bezetting, met een solistisch bezet strijkkwartet tegenover een strijkorkest met anno 2020 nota bene een klavecimbel, is een knipoog naar het concerto grosso uit de Barok. Dat alleen al voorspelt rijkelijk esprit in dit werk. Daarvan getuigt ook het commentaar van de componist zelf: ‘Alles aan deze compositie is paradoxaal. Ten eerste de titel, een woordspeling: ‘piccolo’ (klein) concerto ‘grosso’ (groot). Ten tweede de barokke vorm met een tutti in tegenstelling tot een groep solisten, in dit geval een strijkkwartet – wat een anachronisme is, aangezien de eerste strijkkwartetten pas in het midden van de Klassieke Periode verschenen bij Boccherini en Haydn. Ten slotte is de muziek zelf anachronistisch, vol verwijzingen naar de Barok en de Klassieke Periode, maar ook naar jazz en funk. Humor is aanwezig, zonder dat dit ten koste gaat van virtuositeit of expressiviteit.’
Zo ook het ‘Kleine grote concert’ uit coronatijd van de Frans-Zwitserse componist Richard Dubugnon, waarmee Janine Jansen en Camerata Salzburg onderweg zijn om wereldwijd de première te verzorgen. Dubugnon, die als contrabassist gewend is vanuit het nu om te kijken over een zee van repertoire, doet dat ook in dit vierdelige concert van ongeveer een kwartier. De bezetting, met een solistisch bezet strijkkwartet tegenover een strijkorkest met anno 2020 nota bene een klavecimbel, is een knipoog naar het concerto grosso uit de Barok. Dat alleen al voorspelt rijkelijk esprit in dit werk. Daarvan getuigt ook het commentaar van de componist zelf: ‘Alles aan deze compositie is paradoxaal. Ten eerste de titel, een woordspeling: ‘piccolo’ (klein) concerto ‘grosso’ (groot). Ten tweede de barokke vorm met een tutti in tegenstelling tot een groep solisten, in dit geval een strijkkwartet – wat een anachronisme is, aangezien de eerste strijkkwartetten pas in het midden van de Klassieke Periode verschenen bij Boccherini en Haydn. Ten slotte is de muziek zelf anachronistisch, vol verwijzingen naar de Barok en de Klassieke Periode, maar ook naar jazz en funk. Humor is aanwezig, zonder dat dit ten koste gaat van virtuositeit of expressiviteit.’
Francesco Geminiani (1687-1762)
Concerto grosso
Een drie eeuwen ouder eerbetoon is dat van de Italiaanse vioolvirtuoos Francesco Geminiani, geboren in Lucca en een leerling van de fameuze violist Arcangelo Corelli uit Rome. Geminiani was een van de vele Italianen die werden aangetrokken door het rijke muziekleven van Londen, net als de Saksische reus Georg Friedrich Händel en de Nederlanders Willem de Fesch en Pieter Hellendaal. Vanaf 1726 gaf Geminiani een reeks van twaalf concerti grossi uit, gebaseerd op de geruchtmakende Vioolsonates, opus 5 (gepubliceerd in 1700) van Corelli die Antonio Vivaldi, Georg Philipp Telemann, Händel en Johann Sebastian Bach de weg wezen. Het twaalfde concert is gebouwd op een van de bekendste thema’s uit de muziekgeschiedenis, ‘La Follia’, van oorsprong de Spaanse sarabandeachtige, wilde en uitgelaten dans folía (te vertalen als ‘gekte, razernij’). Het thema inspireerde ook Jean-Baptiste Lully, Marin Marais, Alessandro Scarlatti, Carl Philipp Emanuel Bach, Franz Liszt en Serge Rachmaninoff. Wat bij Corelli een hoogst virtuoos vioolstuk was (met continuobegeleiding), werkte Geminiani uit tot een genadeloze exercitie voor strijkorkest: het Concerto grosso in d klein bestaat uit het ‘Follia’-thema met vijfentwintig variaties.
Een drie eeuwen ouder eerbetoon is dat van de Italiaanse vioolvirtuoos Francesco Geminiani, geboren in Lucca en een leerling van de fameuze violist Arcangelo Corelli uit Rome. Geminiani was een van de vele Italianen die werden aangetrokken door het rijke muziekleven van Londen, net als de Saksische reus Georg Friedrich Händel en de Nederlanders Willem de Fesch en Pieter Hellendaal. Vanaf 1726 gaf Geminiani een reeks van twaalf concerti grossi uit, gebaseerd op de geruchtmakende Vioolsonates, opus 5 (gepubliceerd in 1700) van Corelli die Antonio Vivaldi, Georg Philipp Telemann, Händel en Johann Sebastian Bach de weg wezen. Het twaalfde concert is gebouwd op een van de bekendste thema’s uit de muziekgeschiedenis, ‘La Follia’, van oorsprong de Spaanse sarabandeachtige, wilde en uitgelaten dans folía (te vertalen als ‘gekte, razernij’). Het thema inspireerde ook Jean-Baptiste Lully, Marin Marais, Alessandro Scarlatti, Carl Philipp Emanuel Bach, Franz Liszt en Serge Rachmaninoff. Wat bij Corelli een hoogst virtuoos vioolstuk was (met continuobegeleiding), werkte Geminiani uit tot een genadeloze exercitie voor strijkorkest: het Concerto grosso in d klein bestaat uit het ‘Follia’-thema met vijfentwintig variaties.
Nino Rota (1911-1979)
Concerto per archi
Wie ooit Federico Fellini’s film La Strada (1954) heeft gezien, zal nooit de intens droevige blik van Giulietta Masina vergeten, het dociele clownvriendinnetje van de brute krachtpatser Anthony Quinn. De toegankelijke en sfeervolle muziek bij de film komt uit de pen van Nino Rota, die ook de partituren schreef bij klassiekers als Fellini’s La Dolce Vita, Visconti’s Il Gattopardo en Coppola’s The Godfather. Rota zag kunstmuziek, filmmuziek en populaire muziek als gelijkwaardige genres. Dankzij een groot talent voor stilistische assimilatie creëerde hij een grensoverschrijdende, archaïsche, elegante stijl die hij ook toepaste in zijn meer dan 150 composities aan concertmuziek. Zo ook in zijn Concerto per archi: dit moderne concerto grosso bestaat uit vier beknopte contrasterende delen die melodisch en harmonisch toch verwant zijn. Natuurlijk is Rota’s filmmuziek hier aangenaam nabij, en in het derde deel, Aria, vanzelfsprekend ook Bach.
Wie ooit Federico Fellini’s film La Strada (1954) heeft gezien, zal nooit de intens droevige blik van Giulietta Masina vergeten, het dociele clownvriendinnetje van de brute krachtpatser Anthony Quinn. De toegankelijke en sfeervolle muziek bij de film komt uit de pen van Nino Rota, die ook de partituren schreef bij klassiekers als Fellini’s La Dolce Vita, Visconti’s Il Gattopardo en Coppola’s The Godfather. Rota zag kunstmuziek, filmmuziek en populaire muziek als gelijkwaardige genres. Dankzij een groot talent voor stilistische assimilatie creëerde hij een grensoverschrijdende, archaïsche, elegante stijl die hij ook toepaste in zijn meer dan 150 composities aan concertmuziek. Zo ook in zijn Concerto per archi: dit moderne concerto grosso bestaat uit vier beknopte contrasterende delen die melodisch en harmonisch toch verwant zijn. Natuurlijk is Rota’s filmmuziek hier aangenaam nabij, en in het derde deel, Aria, vanzelfsprekend ook Bach.
Antonio Vivaldi (1678-1741)
De vier jaargetijden
De vier jaargetijden is het bekendste voorbeeld van Antonio Vivaldi’s ongewone manier van componeren, die door zijn heftige stijl in heel Europa voor opschudding zorgde. Volgens tijdgenoten zouden veel vrouwen bij het beluisteren ‘in tranen en snikken zijn uitgebarsten en in extase zijn geraakt.’ Heftigheid en opschudding volop in deze vier vioolconcerten die heel plastisch de seizoenen schilderen. Toch kan men daarbij voor aardige verrassingen komen te staan. Zo staat ‘Zomer’ opvallend genoeg in g klein, maar Vivaldi’s begeleidende dichtregels bieden de verklaring.
Mens en natuur gaan gebukt onder de verzengende hitte. Een herder ontwaakt angstig en huivert bij het opkomende onweer, waar bliksemschichten de hemel doorklieven en stortregens de aarde geselen. Vivaldi tovert het de luisteraar allemaal voor ogen. In ‘Winter’ speelt zich een strijd af tussen de conventie en de compositorische vrijheid. Deze experimentele muziek sloeg destijds in als een bom en klinkt ook nu nog fris en verrassend. In het bijgevoegde sonnet beschreef Vivaldi een mozaïek van winterse beelden en gebeurtenissen die in het concert worden verklankt. Maar in zijn fantasierijke toonschilderingen leefde Vivaldi zich naast heftige winterstormen en zomerse donder en bliksem ook uit in bij de herfst behorende jacht en oogst en lieflijke lentetaferelen van een vredig buitenleven vol weiden met bloemen.
De vier jaargetijden is het bekendste voorbeeld van Antonio Vivaldi’s ongewone manier van componeren, die door zijn heftige stijl in heel Europa voor opschudding zorgde. Volgens tijdgenoten zouden veel vrouwen bij het beluisteren ‘in tranen en snikken zijn uitgebarsten en in extase zijn geraakt.’ Heftigheid en opschudding volop in deze vier vioolconcerten die heel plastisch de seizoenen schilderen. Toch kan men daarbij voor aardige verrassingen komen te staan. Zo staat ‘Zomer’ opvallend genoeg in g klein, maar Vivaldi’s begeleidende dichtregels bieden de verklaring.
Mens en natuur gaan gebukt onder de verzengende hitte. Een herder ontwaakt angstig en huivert bij het opkomende onweer, waar bliksemschichten de hemel doorklieven en stortregens de aarde geselen. Vivaldi tovert het de luisteraar allemaal voor ogen. In ‘Winter’ speelt zich een strijd af tussen de conventie en de compositorische vrijheid. Deze experimentele muziek sloeg destijds in als een bom en klinkt ook nu nog fris en verrassend. In het bijgevoegde sonnet beschreef Vivaldi een mozaïek van winterse beelden en gebeurtenissen die in het concert worden verklankt. Maar in zijn fantasierijke toonschilderingen leefde Vivaldi zich naast heftige winterstormen en zomerse donder en bliksem ook uit in bij de herfst behorende jacht en oogst en lieflijke lentetaferelen van een vredig buitenleven vol weiden met bloemen.
Biografie
Janine Jansen, viool
In oktober 1999 stond Janine Jansen in de Kleine Zaal als Rising Star en in mei 2000 in de serie Jonge Nederlanders. In 2003 verscheen haar debuut-cd, richtte ze haar Internationaal Kamermuziek Festival Utrecht op én won ze de Nederlandse Muziekprijs. Het jaar erop maakte ze een dubbel debuut bij het Concertgebouworkest, waar ze meermaals terugkeerde en in 2020/2021 artist in residence was.
Die positie heeft ze in het huidige seizoen bij de Berliner Philharmoniker. Het Swedish Radio Symphony Orchestra presenteert haar dit seizoen bovendien als ‘artist in focus’. Seizoen 2025/2026 behelst ook tournees met het Concertgebouworkest en Klaus Mäkelä, met het London Symphony Orchestra en Antonio Pappano en met het Tonhalle-Orchester Zürich en Paavo Järvi, en met de Camerata Salzburg reisde Janine Jansen naar Azië.
Triorecitals met Martha Argerich en Mischa Maisky zijn er dit seizoen in Wenen, Luzern en Tokio, en duorecitals met Denis Kozhukhin of Sunwook Kim in Azië en Europa. Janine Jansen kreeg onder meer de Concertgebouw Prijs (2013) en de Johannes Vermeer Prijs (2018). Ze groeide op in een muzikaal gezin, studeerde bij Coosje Wijzenbeek, Philipp Hirshhorn en Boris Belkin en geeft sinds november 2023 les aan de Kronberg Academy.
De violiste bespeelt de ‘Shumsky-Rode’-Stradivarius uit 1715. Haar vorige optreden in de Eigen Programmering was op 11 september 2024 De vier jaargetijden van Vivaldi met Amsterdam Sinfonietta, en op 14 augustus 2025 stond ze samen met het Concertgebouworkest en Klaus Mäkelä voor het laatst in de Grote Zaal.
Camerata Salzburg, ensemble
De in 1952 opgerichte Camerata Salzburg is in eigen stad een vaste waarde van de Salzburger Festspiele en de Mozartwoche en verzorgt een abonnementsserie in het Mozarteum. De muziek van ‘genius loci’ Wolfgang Amadeus Mozart staat geregeld centraal, maar met zijn typerende ‘Salzburger Mozartklank’ speelt de groep repertoire dat reikt van de Barok tot nu. Het gezelschap was te gast op de festivals van Aix-en-Provence, Gstaad.
Rheingau en Schleswig-Holstein, en in het Wiener Konzerthaus, de Alte Oper Frankfurt, de Elbphilharmonie Hamburg, het KKL Luzern, het Prinzregententheater in München, de Philharmonie de Paris en de Shanghai Concert Hall. Als langjarige orkestleiders waren dirigent en oprichter Bernhard Paumgartner en violist Sándor Végh (chef-dirigent 1978-1997) bepalend voor de klank.
Mozartopnames met Géza Anda in de jaren 1960 en met András Schiff in de jaren 1980 verankerden de Camerata Salzburg stevig in de internationale muziekmarkt. Na Végh waren Roger Norrington, Leonidas Kavakos en Louis Langrée chef-dirigent, totdat in 2016 de orkestleden zelf de artistieke leiding op zich namen. De Camerata Salzburg wordt afwisselend aangevoerd door de concertmeesters Gregory Ahss en Giovanni Guzzo en werkt bij gelegenheid met gastdirigenten; artistiek partners zijn pianiste Hélène Grimaud en violiste Janine Jansen.
Samenwerkingen in het huidige seizoen zijn er ook met Julia Hagen, Julian Prégardien, Hayato Sumino, Alexander Sitkovetsky, François Leleux, Václav Luks, Elisabeth Leonskaja, Maxim Emelyanychev, Kian Soltani en Fazıl Say. Het vorige optreden van de Camerata Salzburg in Het Concertgebouw was een Brahms-programma met Hélène Grimaud op 16 juni 2025. Met Janine Jansen speelde het op 2 mei 2023 Mozart.
Gregory Ahss, viool
Gregory Ahss is sinds 2012 verbonden aan de Camerata Salzburg en is daarnaast concertmeester van het Luzerner Sinfonieorchester en het Lucerne Festival Orchestra. Gastconcertmeester was hij bij het Concertgebouworkest, het London Symphony Orchestra, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, de Bamberger Symphoniker, het Orchestra dell’ Academia Nazionale di Santa Cecilia in Rome en het Scottish Chamber Orchestra.
De violist kreeg als vijfjarige zijn eerste lessen op de Gnessin Muziekschool in zijn geboortestad Moskou en vervolgde zijn studie in Tel Aviv bij Lena Mazor en Irina Svetlova. Aan het New England Conservatory in Boston studeerde hij af bij Donald Weilerstein.
Nog tijdens zijn studiejaren richtte Gregory Ahss het Tal Piano Trio op, waarmee hij het concours Premio Trio di Trieste won. Zijn debuut als solist maakte hij in 2004 met Claudio Abbado en diens Orchestra Mozart, waarmee hij in 2015 ook een prijswinnende opname maakte van Haydns Sinfonia concertante. Hij soleerde vervolgens onder dirigenten als Yannick Nézet-Séguin, Andrés Orozco-Estrada en Teodor Currentzis en bij gezelschappen als het Mahler Chamber Orchestra en het Swedish Radio Symphony Orchestra.
Het kamermuziekpodium deelde hij met Natalia Gutman, Janine Jansen, Vilde Frang, Emmanuel Pahud, Gautier Capuçon, Nicolas Altstaedt, Alexander Melnikov en Fazıl Say. Ook op 2 mei 2023 was Gregory Ahss concertmeester van de Camerata Salzburg in Het Concertgebouw. De violist bespeelt een instrument van Jean-Baptiste Vuillaume uit 1870.