Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier
portret

De geboorte van het concerto grosso

door Lonneke Tausch
01 mei 2026 01 mei 2026

Met zijn tweespraak tussen intieme versus vollere passages is het concerto grosso een contrastrijke concertvorm. De blijvende erfenis van het Italiaanse barokgenre zit ‘m in het dramatische potentieel.

  • Anoniem schilderij van een concert, 1771

    Anoniem schilderij van een concert, 1771

  • Anoniem schilderij van een concert, 1771

    Anoniem schilderij van een concert, 1771

Zoals zo vele muziektermen komt ook deze uit het Latijn: ‘concertare’ betekent ‘wedijveren’. In een concerto grosso draait het namelijk om het spanningsveld tussen een klein groepje musici (‘concertino’ of ‘principale’) dat een groter ensemble (‘ripieno’, ‘tutti’ of ‘concerto grosso’) tegemoet treedt. De sologroep en de volle bezetting zijn beurtelings aan het woord en reageren op elkaar, de dialoogvorm verschaft het concerto grosso zijn karakteristieke energie. Ideeën en melodieën worden heen en weer gekaatst, en deze wisselwerking lokt een boeiende dynamiek uit tussen solistische passages en ensemblespel. Motieven van het concertino worden door het ripieno herhaald, gevierd en verder ontwikkeld. In korte tijd kan zich in zo’n tweevoudige structuur een grote verhalende kracht ontpoppen.

Dit concerterende principe grijpt terug op de ‘cori spezzati’ (‘gebroken koren’) van de Venetianen Andrea Gabrieli (1532/33-1585), diens neef Giovanni Gabrieli (1554/57-1612) en ­Claudio Monteverdi (1567-1643). Hun werkplek was de San Marco-basiliek, waarvoor ze meerkorige muziek schreven. Daar ter plaatse stonden die koren (instrumentaal en/of vocaal) ruimtelijk opgesteld in de verschillende apsissen die het gebouw rijk is, wat het effect van actie en reactie nog vergrootte.

Het concerto grosso ontstond in de tweede helft van de zeventiende eeuw in Italië, toen in steden als Venetië, Bologna en Rome de musici van kerken en operatheaters ook zelfstandig gingen optreden. Vioolvirtuozen als Arcangelo Corelli (1653-1713) en zijn studenten Francesco Geminiani (1687-1762) en Pietro Locatelli (1695-1764) werden de idolen van die tijd. Ze voerden orkestuitvoeringen aan en componeerden hun eigen muziek waarin ze konden schitteren: naast sonates – voor viool solo of met begeleiding van basso continuo of klavecimbel – schreven ze ook concertante werken voor grotere strijkersbezettingen.

De concerti grossi van Vivaldi dienden als inspiratie voor Bach'Brandenburgse concerten

Waarschijnlijk was Alessandro ­Stradella (1643-1682) de eerste die muziek schreef voor twee in omvang verschillende strijkersgroepen, en Giovanni Lorenzo Gregori (1663-1745) de eerste die – in een publicatie uit Lucca uit 1698 – voor een dergelijke structuur de term concerto grosso introduceerde. Archetype van de nieuwe concertvorm werden de twaalf exemplaren van Corelli. Hij zette de standaard voor de samenstelling van het concertino, dat aanvankelijk bestond uit twee violen plus cello. Variaties daarop kwamen met de tijd; zo breidde Locatelli het met een altviool erbij uit tot een kwartet.

Johann Sebastian Bach (1685-1750) zette nooit één voet in Italië. Wel had hij partituren van zijn Italiaanse vak­genoten in zijn bibliotheek – hun muziek raakte dankzij de bloeiende muziekdrukkunst wijd en zijd verspreid. Zo konden de concerti grossi van Antonio Vivaldi (1678-1741) Bach als inspiratie dienen voor zijn zes Brandenburgse concerten, BWV 1046-1051 (1721). Maar dan wel met meer variatie in de instrumentatie van het concertino: Bach ruimde ook belangrijke rollen in voor hobo, hoorn, trompet en (blok-)fluit.

De Twelve Grand Concertos, HWV 319-330 van Georg Friedrich Händel (1685-1759) waren niet bedoeld als onafhankelijke concerti grossi, maar als intermezzo’s in oratoria en masques (een met name Brits genre dat het midden houdt tussen toneelstuk en muziektheater) in het winterseizoen 1739/40. De Duitse componist had zich in 1712 in Londen gevestigd, en zijn uitgever daar John Walsh – die in 1715 Corelli’s opus 6 had uitgebracht voor de Engelse markt – liet deze stukken van Händel terechtkomen onder datzelfde opusnummer 6. Of dat toeval is of een eerbetoon – Händel had immers in zijn jonge jaren door Italië gereisd en zich laten inspireren door de Italiaanse school – weten we niet, maar het laatste laat zich vermoeden.

Amsterdam: Corelli
De beroemde Amsterdamse muziekdrukker Estienne Roger verzorgde de eerste editie van de concerti grossi die Corelli sinds circa 1690 bij elkaar gecomponeerd had. Het contract werd gesloten op 21 april 1712, ­Corelli’s vergoeding zou bestaan uit 150 exemplaren om in Italië te kunnen verkopen. Roger gaf de twaalf stukken gezamenlijk uit als opus 6, inclusief het beroemde nummer 8 ‘Fatto per la Notte di Natale’, maar Corelli overleed voordat de bundel in 1714 daadwerkelijk verscheen.

Amsterdam: Locatelli
Als tiener had Locatelli vioolles van Corelli. Als dertiger, in 1729, vestigde hij zich als componist/violist annex bladmuziek- en snarenhandelaar met commercieel inzicht in Amsterdam. Hij liet zich portretteren door Cornelis Troost (de prent bevindt zich in het Rijksmuseum), stierf in zijn woonhuis op Prinsengracht 506 (een plaquette in de gevel herinnert daaraan) en werd begraven in de Engelse Kerk op het Begijnhof (zijn buste staat buiten). Zijn twaalf concerti grossi opus 1 naar model van Corelli werden in 1721 gedrukt door Roger, en in 1731 kreeg Locatelli een vergunning om voortaan zelf te drukken.

Grosso?
Het concerto grosso uit de Barok, met zijn samenspraak tussen orkest en solistengroep, is een belangrijke voorloper van het soloconcert zoals dat zich verder zou ontwikkelen in de Klassieke Periode en de Romantiek. Het soloconcert, door Italianen en Vlamingen aangeduid als concerto, is grootschaliger dan het concerto grosso: er staat weliswaar slechts één enkele virtuoos tegenover het orkest, maar de orkestbegeleiding is doorgaans uitgebreider en de tijdsduur langer.

 

di 12 mei | Grote Z­aal 
Camera­ta Salzburg
Gre­gory Ahss leiding/viool
Jan­ine Jansen viool
Bestel hier kaarten
Bekijk het concertprogramma

Zoals zo vele muziektermen komt ook deze uit het Latijn: ‘concertare’ betekent ‘wedijveren’. In een concerto grosso draait het namelijk om het spanningsveld tussen een klein groepje musici (‘concertino’ of ‘principale’) dat een groter ensemble (‘ripieno’, ‘tutti’ of ‘concerto grosso’) tegemoet treedt. De sologroep en de volle bezetting zijn beurtelings aan het woord en reageren op elkaar, de dialoogvorm verschaft het concerto grosso zijn karakteristieke energie. Ideeën en melodieën worden heen en weer gekaatst, en deze wisselwerking lokt een boeiende dynamiek uit tussen solistische passages en ensemblespel. Motieven van het concertino worden door het ripieno herhaald, gevierd en verder ontwikkeld. In korte tijd kan zich in zo’n tweevoudige structuur een grote verhalende kracht ontpoppen.

Dit concerterende principe grijpt terug op de ‘cori spezzati’ (‘gebroken koren’) van de Venetianen Andrea Gabrieli (1532/33-1585), diens neef Giovanni Gabrieli (1554/57-1612) en ­Claudio Monteverdi (1567-1643). Hun werkplek was de San Marco-basiliek, waarvoor ze meerkorige muziek schreven. Daar ter plaatse stonden die koren (instrumentaal en/of vocaal) ruimtelijk opgesteld in de verschillende apsissen die het gebouw rijk is, wat het effect van actie en reactie nog vergrootte.

Het concerto grosso ontstond in de tweede helft van de zeventiende eeuw in Italië, toen in steden als Venetië, Bologna en Rome de musici van kerken en operatheaters ook zelfstandig gingen optreden. Vioolvirtuozen als Arcangelo Corelli (1653-1713) en zijn studenten Francesco Geminiani (1687-1762) en Pietro Locatelli (1695-1764) werden de idolen van die tijd. Ze voerden orkestuitvoeringen aan en componeerden hun eigen muziek waarin ze konden schitteren: naast sonates – voor viool solo of met begeleiding van basso continuo of klavecimbel – schreven ze ook concertante werken voor grotere strijkersbezettingen.

De concerti grossi van Vivaldi dienden als inspiratie voor Bach'Brandenburgse concerten

Waarschijnlijk was Alessandro ­Stradella (1643-1682) de eerste die muziek schreef voor twee in omvang verschillende strijkersgroepen, en Giovanni Lorenzo Gregori (1663-1745) de eerste die – in een publicatie uit Lucca uit 1698 – voor een dergelijke structuur de term concerto grosso introduceerde. Archetype van de nieuwe concertvorm werden de twaalf exemplaren van Corelli. Hij zette de standaard voor de samenstelling van het concertino, dat aanvankelijk bestond uit twee violen plus cello. Variaties daarop kwamen met de tijd; zo breidde Locatelli het met een altviool erbij uit tot een kwartet.

Johann Sebastian Bach (1685-1750) zette nooit één voet in Italië. Wel had hij partituren van zijn Italiaanse vak­genoten in zijn bibliotheek – hun muziek raakte dankzij de bloeiende muziekdrukkunst wijd en zijd verspreid. Zo konden de concerti grossi van Antonio Vivaldi (1678-1741) Bach als inspiratie dienen voor zijn zes Brandenburgse concerten, BWV 1046-1051 (1721). Maar dan wel met meer variatie in de instrumentatie van het concertino: Bach ruimde ook belangrijke rollen in voor hobo, hoorn, trompet en (blok-)fluit.

De Twelve Grand Concertos, HWV 319-330 van Georg Friedrich Händel (1685-1759) waren niet bedoeld als onafhankelijke concerti grossi, maar als intermezzo’s in oratoria en masques (een met name Brits genre dat het midden houdt tussen toneelstuk en muziektheater) in het winterseizoen 1739/40. De Duitse componist had zich in 1712 in Londen gevestigd, en zijn uitgever daar John Walsh – die in 1715 Corelli’s opus 6 had uitgebracht voor de Engelse markt – liet deze stukken van Händel terechtkomen onder datzelfde opusnummer 6. Of dat toeval is of een eerbetoon – Händel had immers in zijn jonge jaren door Italië gereisd en zich laten inspireren door de Italiaanse school – weten we niet, maar het laatste laat zich vermoeden.

Amsterdam: Corelli
De beroemde Amsterdamse muziekdrukker Estienne Roger verzorgde de eerste editie van de concerti grossi die Corelli sinds circa 1690 bij elkaar gecomponeerd had. Het contract werd gesloten op 21 april 1712, ­Corelli’s vergoeding zou bestaan uit 150 exemplaren om in Italië te kunnen verkopen. Roger gaf de twaalf stukken gezamenlijk uit als opus 6, inclusief het beroemde nummer 8 ‘Fatto per la Notte di Natale’, maar Corelli overleed voordat de bundel in 1714 daadwerkelijk verscheen.

Amsterdam: Locatelli
Als tiener had Locatelli vioolles van Corelli. Als dertiger, in 1729, vestigde hij zich als componist/violist annex bladmuziek- en snarenhandelaar met commercieel inzicht in Amsterdam. Hij liet zich portretteren door Cornelis Troost (de prent bevindt zich in het Rijksmuseum), stierf in zijn woonhuis op Prinsengracht 506 (een plaquette in de gevel herinnert daaraan) en werd begraven in de Engelse Kerk op het Begijnhof (zijn buste staat buiten). Zijn twaalf concerti grossi opus 1 naar model van Corelli werden in 1721 gedrukt door Roger, en in 1731 kreeg Locatelli een vergunning om voortaan zelf te drukken.

Grosso?
Het concerto grosso uit de Barok, met zijn samenspraak tussen orkest en solistengroep, is een belangrijke voorloper van het soloconcert zoals dat zich verder zou ontwikkelen in de Klassieke Periode en de Romantiek. Het soloconcert, door Italianen en Vlamingen aangeduid als concerto, is grootschaliger dan het concerto grosso: er staat weliswaar slechts één enkele virtuoos tegenover het orkest, maar de orkestbegeleiding is doorgaans uitgebreider en de tijdsduur langer.

 

di 12 mei | Grote Z­aal 
Camera­ta Salzburg
Gre­gory Ahss leiding/viool
Jan­ine Jansen viool
Bestel hier kaarten
Bekijk het concertprogramma

Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Probeer nu twee maanden gratis!