Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier

Iván Fischer dirigeert Wagner bij het Budapest Festival Orchestra

Iván Fischer dirigeert Wagner bij het Budapest Festival Orchestra

Grote Zaal
20 mei 2026
20.15 uur

Print dit programma

Budapest Festival Orchestra
Iván Fischer dirigent
Anja Kampe sopraan (Brünnhilde)
Hanno Müller-Brachmann bas-bariton (Wotan)

Dit concert maakt deel uit van de serie Wereldberoemde Symfonieorkesten.

Dit concert wordt voorzien van boventiteling.

Robert Schumann (1810-1856)

Symfonie nr. 3 in Es gr.t., op. 97 (1850)
‘Rheinische’
Lebhaft
Scherzo: Sehr mässig
Nicht schell
Feierlich
Lebhaft (schneller)

pauze ± 20.50 uur

Richard Wagner (1813-1883) 

Slotscène uit ‘Die Walküre’ (1851-56)

einde ± 22.15 uur

Met dank aan het Fonds Wereldberoemde Symfonieorkesten.

Grote Zaal 20 mei 2026 20.15 uur

Budapest Festival Orchestra
Iván Fischer dirigent
Anja Kampe sopraan (Brünnhilde)
Hanno Müller-Brachmann bas-bariton (Wotan)

Dit concert maakt deel uit van de serie Wereldberoemde Symfonieorkesten.

Dit concert wordt voorzien van boventiteling.

Robert Schumann (1810-1856)

Symfonie nr. 3 in Es gr.t., op. 97 (1850)
‘Rheinische’
Lebhaft
Scherzo: Sehr mässig
Nicht schell
Feierlich
Lebhaft (schneller)

pauze ± 20.50 uur

Richard Wagner (1813-1883) 

Slotscène uit ‘Die Walküre’ (1851-56)

einde ± 22.15 uur

Met dank aan het Fonds Wereldberoemde Symfonieorkesten.

Toelichting

Robert Schumann (1810-1856)

‘Rheinische’ symfonie

door Michiel Cleij

  • Robert Schumann

    ca. 1850

    Robert Schumann

    ca. 1850

  • Robert Schumann

    ca. 1850

    Robert Schumann

    ca. 1850

Bij pianostukken en liederen was Robert Schumann in zijn natuurlijke element.

In Schumanns tijd was een goede symfonie een gelaagd bouwsel met een sterke interne samenhang. Aan zulke constructies waagde Schumann zich aanvankelijk niet

Ze klinken zo spontaan en vanzelfsprekend, dat hij noten leek te ademen in plaats van te bedenken en op te schrijven. De vier symfonieën zijn onmiskenbaar van dezelfde maker, maar toch van een andere orde: de weg van inventie naar klinkend resultaat is aanzienlijk langer. In Schumanns tijd was een goede symfonie een gelaagd bouwsel met een sterke interne samenhang. Aan zulke constructies waagde hij zich aanvankelijk niet, tot zijn vrouw Clara hem over de streep trok. Als concertpianiste was zij vertrouwd met zijn pianostukken, en die waren volgens haar ‘volkomen orkestraal gedacht’. Een extra stimulans was zijn ontdekking van Franz Schuberts Symfonie in C groot: klinkend bewijs dat een typische liedcomponist grotere vormen kon veroveren. Schumann, de improvisator, zou zich als ‘architect’ bewijzen.

Na het succes van zijn Eerste ­symfonie volgden er vrij snel na elkaar nog drie, waarvan de Derde de laatste (de nummering correspondeert niet met de ontstaansvolgorde) en in menig opzicht de beste is. De orkestratie is effectiever dan in de eerdere drie, en ondanks de vorminvloeden van de grote Ludwig van Beethoven hoor je vooral een componist met een eigen agenda en een eigen verhaal. Later zou zelfs de altijd kritische Pjotr Tsjaikovski zich lovend over dit werk uitlaten. Dat juist deze symfonie zo overtuigt, heeft alles te maken met de pakkende thema’s: die moesten ‘klinken als volksmuziek’, aldus Schumann. Het duidelijkst hoor je dat in het tweede deel, een volksdans-achtig Scherzo. Maar ook de andere delen zitten vol markante deuntjes die je bijblijven en waarop je meteen een tekst zou kunnen plakken.

Schumann voltooide het werk binnen een paar weken in Düsseldorf, waar hij zojuist een nieuwe baan als dirigent had aangenomen. Het omliggende landschap en een boottocht over de Rijn met Clara werkten inspirerend – al was het niet Schumann zelf die deze symfonie de bijnaam ‘Rheinische’ gaf. Anekdotisch is wel de ‘kathedraal­muziek’ in het vierde deel (Feierlich): het is een impressie van de mis die de Schumanns bijwoonden toen ze tijdens hun Rijntrip de in aanbouw zijnde Dom van Keulen bezochten. In dit wonderlijke deel treden de tot dan toe zwijgende trombones op de voorgrond, met een bijna verblindend effect. Eigenlijk heeft de hele symfonie een spiritueel karakter: na het uitbundige openingsdeel wordt de sfeer geleidelijk ingetogener, de tempo’s worden trager, de expressie geconcentreerder – totdat in de Finale de volksliedjes en -dansjes weer losbarsten. Schumanns streven was om mensen door kunst met het hogere te verbinden; in deze symfonie kwam hij hoog, maar stond hij nog net met beide benen op de grond. Want helaas schreef hij hiermee eigenlijk ook zijn muzikale testament. Na de voltooiing verslechterde zijn geestelijke gezondheid razendsnel en zaten artistieke voltreffers er niet meer in. Zes jaar later overleed de componist in een psychiatrisch ziekenhuis.

Bij pianostukken en liederen was Robert Schumann in zijn natuurlijke element.

In Schumanns tijd was een goede symfonie een gelaagd bouwsel met een sterke interne samenhang. Aan zulke constructies waagde Schumann zich aanvankelijk niet

Ze klinken zo spontaan en vanzelfsprekend, dat hij noten leek te ademen in plaats van te bedenken en op te schrijven. De vier symfonieën zijn onmiskenbaar van dezelfde maker, maar toch van een andere orde: de weg van inventie naar klinkend resultaat is aanzienlijk langer. In Schumanns tijd was een goede symfonie een gelaagd bouwsel met een sterke interne samenhang. Aan zulke constructies waagde hij zich aanvankelijk niet, tot zijn vrouw Clara hem over de streep trok. Als concertpianiste was zij vertrouwd met zijn pianostukken, en die waren volgens haar ‘volkomen orkestraal gedacht’. Een extra stimulans was zijn ontdekking van Franz Schuberts Symfonie in C groot: klinkend bewijs dat een typische liedcomponist grotere vormen kon veroveren. Schumann, de improvisator, zou zich als ‘architect’ bewijzen.

Na het succes van zijn Eerste ­symfonie volgden er vrij snel na elkaar nog drie, waarvan de Derde de laatste (de nummering correspondeert niet met de ontstaansvolgorde) en in menig opzicht de beste is. De orkestratie is effectiever dan in de eerdere drie, en ondanks de vorminvloeden van de grote Ludwig van Beethoven hoor je vooral een componist met een eigen agenda en een eigen verhaal. Later zou zelfs de altijd kritische Pjotr Tsjaikovski zich lovend over dit werk uitlaten. Dat juist deze symfonie zo overtuigt, heeft alles te maken met de pakkende thema’s: die moesten ‘klinken als volksmuziek’, aldus Schumann. Het duidelijkst hoor je dat in het tweede deel, een volksdans-achtig Scherzo. Maar ook de andere delen zitten vol markante deuntjes die je bijblijven en waarop je meteen een tekst zou kunnen plakken.

Schumann voltooide het werk binnen een paar weken in Düsseldorf, waar hij zojuist een nieuwe baan als dirigent had aangenomen. Het omliggende landschap en een boottocht over de Rijn met Clara werkten inspirerend – al was het niet Schumann zelf die deze symfonie de bijnaam ‘Rheinische’ gaf. Anekdotisch is wel de ‘kathedraal­muziek’ in het vierde deel (Feierlich): het is een impressie van de mis die de Schumanns bijwoonden toen ze tijdens hun Rijntrip de in aanbouw zijnde Dom van Keulen bezochten. In dit wonderlijke deel treden de tot dan toe zwijgende trombones op de voorgrond, met een bijna verblindend effect. Eigenlijk heeft de hele symfonie een spiritueel karakter: na het uitbundige openingsdeel wordt de sfeer geleidelijk ingetogener, de tempo’s worden trager, de expressie geconcentreerder – totdat in de Finale de volksliedjes en -dansjes weer losbarsten. Schumanns streven was om mensen door kunst met het hogere te verbinden; in deze symfonie kwam hij hoog, maar stond hij nog net met beide benen op de grond. Want helaas schreef hij hiermee eigenlijk ook zijn muzikale testament. Na de voltooiing verslechterde zijn geestelijke gezondheid razendsnel en zaten artistieke voltreffers er niet meer in. Zes jaar later overleed de componist in een psychiatrisch ziekenhuis.

door Michiel Cleij

Richard Wagner (1813-1883)

Die Walküre

door Floris Don

  • Richard Wagner in 1861

    Foto genomen door Pierre Petit in Parijs, 25 mei 1861

    Richard Wagner in 1861

    Foto genomen door Pierre Petit in Parijs, 25 mei 1861

  • Richard Wagner in 1861

    Foto genomen door Pierre Petit in Parijs, 25 mei 1861

    Richard Wagner in 1861

    Foto genomen door Pierre Petit in Parijs, 25 mei 1861

Michelangelo deed vier jaar over het schilderen van het plafond van de Sixtijnse Kapel. De Taj Mahal werd in 22 jaar gebouwd. Richard Wagner had maar liefst 28 jaar nodig om zijn eigen culturele wereldwonder tot een voltooiing te brengen: de vierdelige cyclus Der Ring des Nibelungen (‘de ring van de neveling’), een onovertroffen opera­monument. Vier avonden zijn nodig om de cyclus uit te voeren, in de praktijk een week om de hoofdrolzangers en het orkest tussendoor op adem te laten komen. 

Wagner had reeds zes opera’s voltooid toen hij in 1848 begon aan het libretto van Siegfrieds Tod, dat zwaar leunde op de Noorse mythologie en het middeleeuwse Nibelungenlied waarin de jonge drakendoder Siegfried een hoofdrol speelt. Al snel besefte Wagner, met zijn feilloze gevoel voor grote spanningsbogen, dat dit een draak van een opera dreigde te worden. Veel te uitleggerig, veel te lange lappen tekst, veel te veel voorgeschiedenis. Dus schreef hij eerst de tekst van een ­‘prequel’, Der junge Siegfried. Maar ook die behoefde een voorgeschiedenis, en zo dijde het geheel uit tot ‘drie dagen en een vooravond’: Das Rheingold, Die Walküre, Siegfried en Götterdämmerung. Waarbij Wagner de muziek vervolgens in chronologische volgorde componeerde. De orkestbezetting dijde dusdanig uit, de thematiek werd zo veelomvattend en de maker was dermate idealistisch en megalomaan dat alleen een speciaal gebouwd theater nog zou mogen volstaan voor de uitvoering. Dat theater kreeg Wagner nog ook, met hulp van Ludwig II, koning van Beieren. In 1876 werd het Festspielhaus van Bayreuth ingewijd met de wereldpremière van Der Ring des Nibelungen (de eerste twee delen waren al los uitgevoerd in München, zeer tegen Wagners zin).

Die première in het normaal slaperige stadje Bayreuth werd een ­cultureel evenement van de hoogste orde, waarbij de verzamelde adel en kunstwereld een zeer ambitieus verhaal kreeg voorgeschoteld. Een wereld waarin oppergod Wotan hoogmoedige keuzes maakt, het Rijngoud wordt gejat door de ­‘Nibelung’ Alberich en tot een vervloekte ring omgesmeed, Wotans kleinzoon Siegfried (verwekt door incest) de draak doodt die het goud bewaakt, maar zelf ten prooi valt aan de vloek, en het aan Wotans favoriete dochter Brünnhilde is om het puin te ruimen. De Rijn treedt buiten zijn oevers en in een apocalyptisch eindspel wordt de corrupte oude wereld ingewisseld voor – zo is de hoop – een betere. 

Wagner knoopt dit tovertapijt aan elkaar met vele tientallen leidmotieven, korte thema’s die personages en emoties representeren. Die leidmotieven vormen een ‘oneindige melodie’ die grotendeels de plaats inneemt van de traditionele recitatieven en aria’s.

De cyclus kent talloze schitterende passages, vaak met een belangrijke becommentariërende rol voor het orkest. Geen wonder dat delen en fragmenten uit de ‘Ring’ vaak los worden opgevoerd, hetzij puur instrumentaal, hetzij met een overzichtelijk aantal vocalisten. De laatste scène van Die Walküre tussen Wotan en zijn opstandige dochter is wellicht, als je tóch moet kiezen, de allermooiste scène van de hele cyclus. Zeg maar Michelangelo’s weergave van De schepping van Adam. En een cruciaal keerpunt in het verhaal boven­dien, waarin het goddelijke moet buigen voor het menselijke.

Michelangelo deed vier jaar over het schilderen van het plafond van de Sixtijnse Kapel. De Taj Mahal werd in 22 jaar gebouwd. Richard Wagner had maar liefst 28 jaar nodig om zijn eigen culturele wereldwonder tot een voltooiing te brengen: de vierdelige cyclus Der Ring des Nibelungen (‘de ring van de neveling’), een onovertroffen opera­monument. Vier avonden zijn nodig om de cyclus uit te voeren, in de praktijk een week om de hoofdrolzangers en het orkest tussendoor op adem te laten komen. 

Wagner had reeds zes opera’s voltooid toen hij in 1848 begon aan het libretto van Siegfrieds Tod, dat zwaar leunde op de Noorse mythologie en het middeleeuwse Nibelungenlied waarin de jonge drakendoder Siegfried een hoofdrol speelt. Al snel besefte Wagner, met zijn feilloze gevoel voor grote spanningsbogen, dat dit een draak van een opera dreigde te worden. Veel te uitleggerig, veel te lange lappen tekst, veel te veel voorgeschiedenis. Dus schreef hij eerst de tekst van een ­‘prequel’, Der junge Siegfried. Maar ook die behoefde een voorgeschiedenis, en zo dijde het geheel uit tot ‘drie dagen en een vooravond’: Das Rheingold, Die Walküre, Siegfried en Götterdämmerung. Waarbij Wagner de muziek vervolgens in chronologische volgorde componeerde. De orkestbezetting dijde dusdanig uit, de thematiek werd zo veelomvattend en de maker was dermate idealistisch en megalomaan dat alleen een speciaal gebouwd theater nog zou mogen volstaan voor de uitvoering. Dat theater kreeg Wagner nog ook, met hulp van Ludwig II, koning van Beieren. In 1876 werd het Festspielhaus van Bayreuth ingewijd met de wereldpremière van Der Ring des Nibelungen (de eerste twee delen waren al los uitgevoerd in München, zeer tegen Wagners zin).

Die première in het normaal slaperige stadje Bayreuth werd een ­cultureel evenement van de hoogste orde, waarbij de verzamelde adel en kunstwereld een zeer ambitieus verhaal kreeg voorgeschoteld. Een wereld waarin oppergod Wotan hoogmoedige keuzes maakt, het Rijngoud wordt gejat door de ­‘Nibelung’ Alberich en tot een vervloekte ring omgesmeed, Wotans kleinzoon Siegfried (verwekt door incest) de draak doodt die het goud bewaakt, maar zelf ten prooi valt aan de vloek, en het aan Wotans favoriete dochter Brünnhilde is om het puin te ruimen. De Rijn treedt buiten zijn oevers en in een apocalyptisch eindspel wordt de corrupte oude wereld ingewisseld voor – zo is de hoop – een betere. 

Wagner knoopt dit tovertapijt aan elkaar met vele tientallen leidmotieven, korte thema’s die personages en emoties representeren. Die leidmotieven vormen een ‘oneindige melodie’ die grotendeels de plaats inneemt van de traditionele recitatieven en aria’s.

De cyclus kent talloze schitterende passages, vaak met een belangrijke becommentariërende rol voor het orkest. Geen wonder dat delen en fragmenten uit de ‘Ring’ vaak los worden opgevoerd, hetzij puur instrumentaal, hetzij met een overzichtelijk aantal vocalisten. De laatste scène van Die Walküre tussen Wotan en zijn opstandige dochter is wellicht, als je tóch moet kiezen, de allermooiste scène van de hele cyclus. Zeg maar Michelangelo’s weergave van De schepping van Adam. En een cruciaal keerpunt in het verhaal boven­dien, waarin het goddelijke moet buigen voor het menselijke.

door Floris Don

Robert Schumann (1810-1856)

‘Rheinische’ symfonie

door Michiel Cleij

  • Robert Schumann

    ca. 1850

    Robert Schumann

    ca. 1850

  • Robert Schumann

    ca. 1850

    Robert Schumann

    ca. 1850

Bij pianostukken en liederen was Robert Schumann in zijn natuurlijke element.

In Schumanns tijd was een goede symfonie een gelaagd bouwsel met een sterke interne samenhang. Aan zulke constructies waagde Schumann zich aanvankelijk niet

Ze klinken zo spontaan en vanzelfsprekend, dat hij noten leek te ademen in plaats van te bedenken en op te schrijven. De vier symfonieën zijn onmiskenbaar van dezelfde maker, maar toch van een andere orde: de weg van inventie naar klinkend resultaat is aanzienlijk langer. In Schumanns tijd was een goede symfonie een gelaagd bouwsel met een sterke interne samenhang. Aan zulke constructies waagde hij zich aanvankelijk niet, tot zijn vrouw Clara hem over de streep trok. Als concertpianiste was zij vertrouwd met zijn pianostukken, en die waren volgens haar ‘volkomen orkestraal gedacht’. Een extra stimulans was zijn ontdekking van Franz Schuberts Symfonie in C groot: klinkend bewijs dat een typische liedcomponist grotere vormen kon veroveren. Schumann, de improvisator, zou zich als ‘architect’ bewijzen.

Na het succes van zijn Eerste ­symfonie volgden er vrij snel na elkaar nog drie, waarvan de Derde de laatste (de nummering correspondeert niet met de ontstaansvolgorde) en in menig opzicht de beste is. De orkestratie is effectiever dan in de eerdere drie, en ondanks de vorminvloeden van de grote Ludwig van Beethoven hoor je vooral een componist met een eigen agenda en een eigen verhaal. Later zou zelfs de altijd kritische Pjotr Tsjaikovski zich lovend over dit werk uitlaten. Dat juist deze symfonie zo overtuigt, heeft alles te maken met de pakkende thema’s: die moesten ‘klinken als volksmuziek’, aldus Schumann. Het duidelijkst hoor je dat in het tweede deel, een volksdans-achtig Scherzo. Maar ook de andere delen zitten vol markante deuntjes die je bijblijven en waarop je meteen een tekst zou kunnen plakken.

Schumann voltooide het werk binnen een paar weken in Düsseldorf, waar hij zojuist een nieuwe baan als dirigent had aangenomen. Het omliggende landschap en een boottocht over de Rijn met Clara werkten inspirerend – al was het niet Schumann zelf die deze symfonie de bijnaam ‘Rheinische’ gaf. Anekdotisch is wel de ‘kathedraal­muziek’ in het vierde deel (Feierlich): het is een impressie van de mis die de Schumanns bijwoonden toen ze tijdens hun Rijntrip de in aanbouw zijnde Dom van Keulen bezochten. In dit wonderlijke deel treden de tot dan toe zwijgende trombones op de voorgrond, met een bijna verblindend effect. Eigenlijk heeft de hele symfonie een spiritueel karakter: na het uitbundige openingsdeel wordt de sfeer geleidelijk ingetogener, de tempo’s worden trager, de expressie geconcentreerder – totdat in de Finale de volksliedjes en -dansjes weer losbarsten. Schumanns streven was om mensen door kunst met het hogere te verbinden; in deze symfonie kwam hij hoog, maar stond hij nog net met beide benen op de grond. Want helaas schreef hij hiermee eigenlijk ook zijn muzikale testament. Na de voltooiing verslechterde zijn geestelijke gezondheid razendsnel en zaten artistieke voltreffers er niet meer in. Zes jaar later overleed de componist in een psychiatrisch ziekenhuis.

Bij pianostukken en liederen was Robert Schumann in zijn natuurlijke element.

In Schumanns tijd was een goede symfonie een gelaagd bouwsel met een sterke interne samenhang. Aan zulke constructies waagde Schumann zich aanvankelijk niet

Ze klinken zo spontaan en vanzelfsprekend, dat hij noten leek te ademen in plaats van te bedenken en op te schrijven. De vier symfonieën zijn onmiskenbaar van dezelfde maker, maar toch van een andere orde: de weg van inventie naar klinkend resultaat is aanzienlijk langer. In Schumanns tijd was een goede symfonie een gelaagd bouwsel met een sterke interne samenhang. Aan zulke constructies waagde hij zich aanvankelijk niet, tot zijn vrouw Clara hem over de streep trok. Als concertpianiste was zij vertrouwd met zijn pianostukken, en die waren volgens haar ‘volkomen orkestraal gedacht’. Een extra stimulans was zijn ontdekking van Franz Schuberts Symfonie in C groot: klinkend bewijs dat een typische liedcomponist grotere vormen kon veroveren. Schumann, de improvisator, zou zich als ‘architect’ bewijzen.

Na het succes van zijn Eerste ­symfonie volgden er vrij snel na elkaar nog drie, waarvan de Derde de laatste (de nummering correspondeert niet met de ontstaansvolgorde) en in menig opzicht de beste is. De orkestratie is effectiever dan in de eerdere drie, en ondanks de vorminvloeden van de grote Ludwig van Beethoven hoor je vooral een componist met een eigen agenda en een eigen verhaal. Later zou zelfs de altijd kritische Pjotr Tsjaikovski zich lovend over dit werk uitlaten. Dat juist deze symfonie zo overtuigt, heeft alles te maken met de pakkende thema’s: die moesten ‘klinken als volksmuziek’, aldus Schumann. Het duidelijkst hoor je dat in het tweede deel, een volksdans-achtig Scherzo. Maar ook de andere delen zitten vol markante deuntjes die je bijblijven en waarop je meteen een tekst zou kunnen plakken.

Schumann voltooide het werk binnen een paar weken in Düsseldorf, waar hij zojuist een nieuwe baan als dirigent had aangenomen. Het omliggende landschap en een boottocht over de Rijn met Clara werkten inspirerend – al was het niet Schumann zelf die deze symfonie de bijnaam ‘Rheinische’ gaf. Anekdotisch is wel de ‘kathedraal­muziek’ in het vierde deel (Feierlich): het is een impressie van de mis die de Schumanns bijwoonden toen ze tijdens hun Rijntrip de in aanbouw zijnde Dom van Keulen bezochten. In dit wonderlijke deel treden de tot dan toe zwijgende trombones op de voorgrond, met een bijna verblindend effect. Eigenlijk heeft de hele symfonie een spiritueel karakter: na het uitbundige openingsdeel wordt de sfeer geleidelijk ingetogener, de tempo’s worden trager, de expressie geconcentreerder – totdat in de Finale de volksliedjes en -dansjes weer losbarsten. Schumanns streven was om mensen door kunst met het hogere te verbinden; in deze symfonie kwam hij hoog, maar stond hij nog net met beide benen op de grond. Want helaas schreef hij hiermee eigenlijk ook zijn muzikale testament. Na de voltooiing verslechterde zijn geestelijke gezondheid razendsnel en zaten artistieke voltreffers er niet meer in. Zes jaar later overleed de componist in een psychiatrisch ziekenhuis.

door Michiel Cleij

Richard Wagner (1813-1883)

Die Walküre

door Floris Don

  • Richard Wagner in 1861

    Foto genomen door Pierre Petit in Parijs, 25 mei 1861

    Richard Wagner in 1861

    Foto genomen door Pierre Petit in Parijs, 25 mei 1861

  • Richard Wagner in 1861

    Foto genomen door Pierre Petit in Parijs, 25 mei 1861

    Richard Wagner in 1861

    Foto genomen door Pierre Petit in Parijs, 25 mei 1861

Michelangelo deed vier jaar over het schilderen van het plafond van de Sixtijnse Kapel. De Taj Mahal werd in 22 jaar gebouwd. Richard Wagner had maar liefst 28 jaar nodig om zijn eigen culturele wereldwonder tot een voltooiing te brengen: de vierdelige cyclus Der Ring des Nibelungen (‘de ring van de neveling’), een onovertroffen opera­monument. Vier avonden zijn nodig om de cyclus uit te voeren, in de praktijk een week om de hoofdrolzangers en het orkest tussendoor op adem te laten komen. 

Wagner had reeds zes opera’s voltooid toen hij in 1848 begon aan het libretto van Siegfrieds Tod, dat zwaar leunde op de Noorse mythologie en het middeleeuwse Nibelungenlied waarin de jonge drakendoder Siegfried een hoofdrol speelt. Al snel besefte Wagner, met zijn feilloze gevoel voor grote spanningsbogen, dat dit een draak van een opera dreigde te worden. Veel te uitleggerig, veel te lange lappen tekst, veel te veel voorgeschiedenis. Dus schreef hij eerst de tekst van een ­‘prequel’, Der junge Siegfried. Maar ook die behoefde een voorgeschiedenis, en zo dijde het geheel uit tot ‘drie dagen en een vooravond’: Das Rheingold, Die Walküre, Siegfried en Götterdämmerung. Waarbij Wagner de muziek vervolgens in chronologische volgorde componeerde. De orkestbezetting dijde dusdanig uit, de thematiek werd zo veelomvattend en de maker was dermate idealistisch en megalomaan dat alleen een speciaal gebouwd theater nog zou mogen volstaan voor de uitvoering. Dat theater kreeg Wagner nog ook, met hulp van Ludwig II, koning van Beieren. In 1876 werd het Festspielhaus van Bayreuth ingewijd met de wereldpremière van Der Ring des Nibelungen (de eerste twee delen waren al los uitgevoerd in München, zeer tegen Wagners zin).

Die première in het normaal slaperige stadje Bayreuth werd een ­cultureel evenement van de hoogste orde, waarbij de verzamelde adel en kunstwereld een zeer ambitieus verhaal kreeg voorgeschoteld. Een wereld waarin oppergod Wotan hoogmoedige keuzes maakt, het Rijngoud wordt gejat door de ­‘Nibelung’ Alberich en tot een vervloekte ring omgesmeed, Wotans kleinzoon Siegfried (verwekt door incest) de draak doodt die het goud bewaakt, maar zelf ten prooi valt aan de vloek, en het aan Wotans favoriete dochter Brünnhilde is om het puin te ruimen. De Rijn treedt buiten zijn oevers en in een apocalyptisch eindspel wordt de corrupte oude wereld ingewisseld voor – zo is de hoop – een betere. 

Wagner knoopt dit tovertapijt aan elkaar met vele tientallen leidmotieven, korte thema’s die personages en emoties representeren. Die leidmotieven vormen een ‘oneindige melodie’ die grotendeels de plaats inneemt van de traditionele recitatieven en aria’s.

De cyclus kent talloze schitterende passages, vaak met een belangrijke becommentariërende rol voor het orkest. Geen wonder dat delen en fragmenten uit de ‘Ring’ vaak los worden opgevoerd, hetzij puur instrumentaal, hetzij met een overzichtelijk aantal vocalisten. De laatste scène van Die Walküre tussen Wotan en zijn opstandige dochter is wellicht, als je tóch moet kiezen, de allermooiste scène van de hele cyclus. Zeg maar Michelangelo’s weergave van De schepping van Adam. En een cruciaal keerpunt in het verhaal boven­dien, waarin het goddelijke moet buigen voor het menselijke.

Michelangelo deed vier jaar over het schilderen van het plafond van de Sixtijnse Kapel. De Taj Mahal werd in 22 jaar gebouwd. Richard Wagner had maar liefst 28 jaar nodig om zijn eigen culturele wereldwonder tot een voltooiing te brengen: de vierdelige cyclus Der Ring des Nibelungen (‘de ring van de neveling’), een onovertroffen opera­monument. Vier avonden zijn nodig om de cyclus uit te voeren, in de praktijk een week om de hoofdrolzangers en het orkest tussendoor op adem te laten komen. 

Wagner had reeds zes opera’s voltooid toen hij in 1848 begon aan het libretto van Siegfrieds Tod, dat zwaar leunde op de Noorse mythologie en het middeleeuwse Nibelungenlied waarin de jonge drakendoder Siegfried een hoofdrol speelt. Al snel besefte Wagner, met zijn feilloze gevoel voor grote spanningsbogen, dat dit een draak van een opera dreigde te worden. Veel te uitleggerig, veel te lange lappen tekst, veel te veel voorgeschiedenis. Dus schreef hij eerst de tekst van een ­‘prequel’, Der junge Siegfried. Maar ook die behoefde een voorgeschiedenis, en zo dijde het geheel uit tot ‘drie dagen en een vooravond’: Das Rheingold, Die Walküre, Siegfried en Götterdämmerung. Waarbij Wagner de muziek vervolgens in chronologische volgorde componeerde. De orkestbezetting dijde dusdanig uit, de thematiek werd zo veelomvattend en de maker was dermate idealistisch en megalomaan dat alleen een speciaal gebouwd theater nog zou mogen volstaan voor de uitvoering. Dat theater kreeg Wagner nog ook, met hulp van Ludwig II, koning van Beieren. In 1876 werd het Festspielhaus van Bayreuth ingewijd met de wereldpremière van Der Ring des Nibelungen (de eerste twee delen waren al los uitgevoerd in München, zeer tegen Wagners zin).

Die première in het normaal slaperige stadje Bayreuth werd een ­cultureel evenement van de hoogste orde, waarbij de verzamelde adel en kunstwereld een zeer ambitieus verhaal kreeg voorgeschoteld. Een wereld waarin oppergod Wotan hoogmoedige keuzes maakt, het Rijngoud wordt gejat door de ­‘Nibelung’ Alberich en tot een vervloekte ring omgesmeed, Wotans kleinzoon Siegfried (verwekt door incest) de draak doodt die het goud bewaakt, maar zelf ten prooi valt aan de vloek, en het aan Wotans favoriete dochter Brünnhilde is om het puin te ruimen. De Rijn treedt buiten zijn oevers en in een apocalyptisch eindspel wordt de corrupte oude wereld ingewisseld voor – zo is de hoop – een betere. 

Wagner knoopt dit tovertapijt aan elkaar met vele tientallen leidmotieven, korte thema’s die personages en emoties representeren. Die leidmotieven vormen een ‘oneindige melodie’ die grotendeels de plaats inneemt van de traditionele recitatieven en aria’s.

De cyclus kent talloze schitterende passages, vaak met een belangrijke becommentariërende rol voor het orkest. Geen wonder dat delen en fragmenten uit de ‘Ring’ vaak los worden opgevoerd, hetzij puur instrumentaal, hetzij met een overzichtelijk aantal vocalisten. De laatste scène van Die Walküre tussen Wotan en zijn opstandige dochter is wellicht, als je tóch moet kiezen, de allermooiste scène van de hele cyclus. Zeg maar Michelangelo’s weergave van De schepping van Adam. En een cruciaal keerpunt in het verhaal boven­dien, waarin het goddelijke moet buigen voor het menselijke.

door Floris Don

Biografie

Budapest Festival Orchestra, orkest

In 1983 maakte Iván Fischer een droom waar toen hij samen met Zoltán Kocsis het Budapest Festival Orchestra oprichtte. Vanaf het allereerste begin was het de ambitie om uitvoeringen van de hoogste kwaliteit te bieden en het publiek op verschillende manieren te bedienen; al snel bracht het gezelschap grote internationale artiesten naar het Hongaarse publiek, zoals Georg Solti (eerste gastdirigent tot aan zijn dood in 1997), Yehudi Menuhin, Gidon Kremer, Radu Lupu, András Schiff en Martha Argerich.

Het orkest staat bekend om zijn innovatieve programma’s, verrassingsconcerten, muzikale marathons en projecten voor jong publiek, en met zijn thuiszaal Müpa werkt het samen voor opera-uitvoeringen en het door het orkest geïnitieerde Bridging Europe Festival. Het Budapest Festival Orchestra reist geregeld naar de belangrijkste concertzalen, waaronder Het Concertgebouw, Carnegie Hall en het Lincoln Center in New York, de Wiener Musikverein en de Royal Albert Hall in Londen, en was te gast op onder meer het Mostly Mozart Festival in New York, de Salzburger Festspiele en het Edinburgh International Festival.

De registratie van de Eerste symfonie van Mahler werd in 2013 genomineerd voor een Grammy Award, en de opname van de Vijfde symfonie won zowel een Diapason d’Or als de Italiaanse cd-prijs ­‘Toblacher ­Komponierhäuschen’. De vorige concerten van het Budapest Festival Orchestra met zijn chef-dirigent Iván Fischer in Het Concertgebouw waren uitvoeringen van Mahlers Tweede en Vijfde symfonie als onderdeel van het Mahler Festival 2025.

Iván Fischer, dirigent

Iván Fischer kreeg in maart de vijftiende Concertgebouw Prijs, bestemd voor musici die gedurende een langere periode hebben bijgedragen aan het artistieke profiel van de Amsterdamse concertzaal. Iván Fischer studeerde piano, viool, cello en compositie in zijn geboortestad Boedapest, en vervolgde zijn opleiding in Wenen met lessen orkestdirectie van Hans Swarowsky. Daarop was hij twee seizoenen lang assistent van Nikolaus Harnoncourt.

In 1983 richtte hij het Budapest Festival Orchestra op, waarvan hij nog steeds chef-dirigent is. Naast de vele en gevarieerde projecten met zijn eigen orkest is Iván Fischer actief als componist en met zijn Iván Fischer Opera Company ook als operaregisseur. Bovendien richtte hij diverse festivals op, waaronder het Vicenza Opera Festival.

In het verleden stond hij aan het roer van Kent Opera, de Opéra National de Lyon, het National Symphony Orchestra in Washington en het Konzerthausorchester in Berlijn, waar hij sindsdien eredirigent is. Bij het Concertgebouworkest is Iván Fischer al sinds 1987 vrijwel jaarlijks te gast en draagt hij met ingang van het seizoen 2021/2022 de titel honorair gastdirigent. Iván Fischer ontving de Kossuth Prijs, de Ovatie Prijs en de Crystal Award van het World Economic Forum voor het steunen van internationale cultuur­uitwisseling, en is Chevalier des Arts et des Lettres en erelid van de Royal Academy of Music in Londen.

Zijn gastdirigentschappen beperkt hij tot slechts enkele orkesten om voldoende tijd en aandacht te kunnen geven aan het componeren, aan zijn eigen orkest en operagezelschap en aan het voortdurend ontwikkelen van creatieve ideeën. Iván Fischer is een voorvechter voor mensenrechten, democratie en tolerantie.

Anja Kampe, sopraan

Anja Kampe studeerde in Dresden en bij Elio Battaglia in Turijn. Ze staat bekend om haar Wagner-vertolkingen, vooral van Sieglinde in Die Walküre (bijvoorbeeld in 2003 en 2007 aan de zijde van Plácido Domingo bij de Washington National Opera), maar ook van Elisabeth in Tannhäuser, Senta in Der fliegende Holländer (waarvoor ze in 2010 de Laurence Olivier Award won), Freia in Das Rheingold, Brünnhilde in Die Walküre en Isolde in Tristan und Isolde.

Op haar repertoire staan voorts onder meer Leonore in Beethovens Fidelio, de titelrol van Richard Strauss’ Ar­iadne auf Naxos en Marie in Bergs Wozzeck. Anja Kampe trad op tijdens de Bayreuther Festspiele en het operafestival van Glyndebourne en op de grote operapodia van Londen, Madrid, München, Parijs en Wenen.

In 2018 werd ze benoemd tot Kammersängerin van de Bayerische Staatsoper in München. Hoogtepunten in seizoen 2025/2026 zijn rollen in verschillende Wagner-opera’s bij de Staatsoper Berlin, Ariadne bij de Wiener Staatsoper en de Hamburger Staatsoper en concertante uitvoeringen van het Wagner-repertoire met het Antwerp Symphony Orchestra en het Budapest Festival Orchestra.

In mei 2013 debuteerde Anja Kampe bij het Concertgebouworkest in een concertante Der fliegende Holländer onder leiding van Andris Nelsons. In 2023 keerde ze bij het orkest terug als Sieglinde in Die Walküre onder Jaap van Zweden.

Hanno Müller-Brachmann, bariton

Hanno Müller-Brachmann studeerde bij Ingeborg Most, Rudolf Piernay en Dietrich Fischer-Dieskau. Hij geeft liedrecitals op de bekende podia (in september 2008 stond hij in de Kleine Zaal), en een van zijn recentste cd’s is een Brahms­album met pianist Malcolm Martineau en alt Sarah Connolly.

De Duitse zanger soleerde bij de orkesten van Parijs, Londen, Rome, Milaan, Zürich, Wenen, München, Dresden en Berlijn, en het Concertgebouworkest en Iván Fischer nodigden hem uit voor Bachs solocantate Ich habe genug (2015).

In de Verenigde Staten musiceerde hij met de orkesten van New York, Boston, Los Angeles, Cleveland en Chicago. Van 1998 tot 2011 was Hanno Müller-Brachmann verbonden aan de Staatsoper Unter den Linden in Berlijn, en hij was te gast bij San Francisco Opera, de Wiener Staatsoper en La Scala in Milaan en op de festivals van Salzburg, Aix-en-Provence, Edinburgh en Peking.

Hij werkte met Kirill Petrenko, Simon Rattle, Franz Welser-Möst, Herbert Blomstedt en Andris Nelsons, en langer geleden ook met Mariss Jansons, Claudio Abbado, Nikolaus Harnoncourt, Pierre Boulez en Bernard Haitink. Hanno Müller-Brachmann geeft sinds 2011 les aan de Musikhochschule Karlsruhe, is een veelgevraagd jurylid op concoursen en zet zich in voor muziek­educatie.

Met het Budapest Festival Orchestra en Iván Fischer trad de bas-bariton al eerder op in de Grote Zaal: in mei 2016 op twee verschillende Mozart-avonden en in maart 2024 in het programma Compassion ron­dom Bachs Matthäus-Passion.