Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier

Concertgebouworkest speelt Tsjaikovski's Symfonie nr. 4

Concertgebouworkest speelt Tsjaikovski's Symfonie nr. 4

Grote Zaal
10 april 2026
20.15 uur

Print dit programma

Koninklijk Concertgebouworkest
Aurel Dawidiuk dirigent
Leo van Doeselaar Maarschalkerweerdorgel

Dit programma maakt deel uit van de series D, F en Z.

CLAUDE DEBUSSY (1862-1918)

Prélude à l’après-midi d’un faune (1892-94)

FRANCIS POULENC (1899-1963)

Concert voor orgel, strijkorkest en pauken in g kl.t. (1938) 
‘Orgelconcert’
Andante – Allegro giocoso – Subito andante moderato – Tempo 
    allegro. Molto agitato – Très calme: Lent – Tempo de l’allegro initial 
    – Tempo d’introduction: Largo 

pauze ± 20.50 uur

PJOTR TSJAIKOVSKI (1840-1893)

Symfonie nr. 4 in f kl.t., op. 36 (1877-78) 
Andante sostenuto – Moderato con anima
Andantino in modo di canzona 
Scherzo, Pizzicato ostinato: Allegro 
Finale: Allegro con fuoco 

einde ± 22.10 uur

Grote Zaal 10 april 2026 20.15 uur

Koninklijk Concertgebouworkest
Aurel Dawidiuk dirigent
Leo van Doeselaar Maarschalkerweerdorgel

Dit programma maakt deel uit van de series D, F en Z.

CLAUDE DEBUSSY (1862-1918)

Prélude à l’après-midi d’un faune (1892-94)

FRANCIS POULENC (1899-1963)

Concert voor orgel, strijkorkest en pauken in g kl.t. (1938) 
‘Orgelconcert’
Andante – Allegro giocoso – Subito andante moderato – Tempo 
    allegro. Molto agitato – Très calme: Lent – Tempo de l’allegro initial 
    – Tempo d’introduction: Largo 

pauze ± 20.50 uur

PJOTR TSJAIKOVSKI (1840-1893)

Symfonie nr. 4 in f kl.t., op. 36 (1877-78) 
Andante sostenuto – Moderato con anima
Andantino in modo di canzona 
Scherzo, Pizzicato ostinato: Allegro 
Finale: Allegro con fuoco 

einde ± 22.10 uur

Toelichting

Claude Debussy (1862-1918)

Prélude à l’après-midi d’un faune

door Michiel Cleij

  • Claude Debussy

    Claude Debussy (aan de piano) in de salon van Ernest Chausson in Luzancy, 1893.

    Claude Debussy

    Claude Debussy (aan de piano) in de salon van Ernest Chausson in Luzancy, 1893.

  • Claude Debussy

    Claude Debussy (aan de piano) in de salon van Ernest Chausson in Luzancy, 1893.

    Claude Debussy

    Claude Debussy (aan de piano) in de salon van Ernest Chausson in Luzancy, 1893.

In 1894 werd Claude Debussy’s ­orkestwerk Prélude à l’après-midi d’un faune voor het eerst uitgevoerd. Het was een openbaring. Muziek over de natuur en mythische wezens bestond al eeuwen, maar het beeld van een faun die op een luie zomermiddag over bosnimfen fantaseert is karakteristiek voor het fin de siècle. Wetenschap en technologie waren in opmars, ten koste van natuur, spiritualiteit en fantasie. In zo’n klimaat ga je dromen van andere tijden en verre werelden. Het leverde schilderijen en poëzie op vol wonderlijke visioenen, quasireligieuze symboliek en erotisch geladen natuurtaferelen. Bij Debussy resulteerde het in muziek vol grillige wendingen en nieuwe klank­effecten. 

Vanaf de eerste fluitsolo klinkt de ­Prélude als een spontane improvisatie, met een droomachtige sfeer die in lijn is met Debussy’s inspiratiebron, ­Stéphane Mallarmé’s gedicht L’Après-midi d’un faune. Debussy zelf schreef een toelichting bij het werk die ook het gedicht kort samenvat: ‘Na de vergeefse achtervolging van angstige nimfen geeft de faun zich in de middaghitte over aan een diepe slaap waarin zijn dromen eindelijk waar worden.’

Hoe vernieuwend de Prélude was, blijkt uit het commentaar van de oerconservatieve componist en iets oudere tijdgenoot Camille Saint-­­Saëns: ‘Mooie klanken, maar net zomin een compositie als het palet van een schilder een schilderij is.’ Onbedoeld was dat een compliment, want Debussy wilde enkel een sfeer suggereren; het was aan de luisteraar om zich daar een voorstelling bij te vormen.

In 1894 werd Claude Debussy’s ­orkestwerk Prélude à l’après-midi d’un faune voor het eerst uitgevoerd. Het was een openbaring. Muziek over de natuur en mythische wezens bestond al eeuwen, maar het beeld van een faun die op een luie zomermiddag over bosnimfen fantaseert is karakteristiek voor het fin de siècle. Wetenschap en technologie waren in opmars, ten koste van natuur, spiritualiteit en fantasie. In zo’n klimaat ga je dromen van andere tijden en verre werelden. Het leverde schilderijen en poëzie op vol wonderlijke visioenen, quasireligieuze symboliek en erotisch geladen natuurtaferelen. Bij Debussy resulteerde het in muziek vol grillige wendingen en nieuwe klank­effecten. 

Vanaf de eerste fluitsolo klinkt de ­Prélude als een spontane improvisatie, met een droomachtige sfeer die in lijn is met Debussy’s inspiratiebron, ­Stéphane Mallarmé’s gedicht L’Après-midi d’un faune. Debussy zelf schreef een toelichting bij het werk die ook het gedicht kort samenvat: ‘Na de vergeefse achtervolging van angstige nimfen geeft de faun zich in de middaghitte over aan een diepe slaap waarin zijn dromen eindelijk waar worden.’

Hoe vernieuwend de Prélude was, blijkt uit het commentaar van de oerconservatieve componist en iets oudere tijdgenoot Camille Saint-­­Saëns: ‘Mooie klanken, maar net zomin een compositie als het palet van een schilder een schilderij is.’ Onbedoeld was dat een compliment, want Debussy wilde enkel een sfeer suggereren; het was aan de luisteraar om zich daar een voorstelling bij te vormen.

door Michiel Cleij

Francis Poulenc (1899-1963)

‘Orgelconcert’

  • Francis Poulenc, jaartal onbekend

    Francis Poulenc, jaartal onbekend

  • Francis Poulenc, jaartal onbekend

    Francis Poulenc, jaartal onbekend

Met zijn Concert voor orgel, strijkorkest en pauken sloeg Francis Poulenc een imposante brug tussen kerk en concertzaal. Én de kroeg, zou je bijna zeggen, want in zijn muziek duiken altijd weer riedels op die rechtstreeks uit een Parijs café lijken te komen. Poulenc was een van de jonge componisten die na de Eerste Wereldoorlog de bezem door de Franse muziek haalden. Alles wat riekte naar gewichtig gedoe en romantisch gezwijmel moest eruit; daarvoor in de plaats kwam frisse, compacte muziek die het herboren Parijs moesten weergeven. Poulenc liet zich vooral inspireren door de sierlijke, melodieuze muziek uit de zeventiende en achttiende eeuw, van Franse klavecimbelstukken tot Mozart. Maar altijd kruidde hij het quasi klassieke klankbeeld met ‘foute noten’ die de destijds onvermijdelijke invloed van Igor Stravinsky verraden.

Met het ‘Orgelconcert’ doorbrak Poulenc zijn tot dan toe nogal oppervlakkige imago. Hij was halverwege de dertig en de plotselinge dood van een vriend, ongemak over zijn homoseksualiteit en zijn hernieuwde katholicisme verrijkten zijn muzikale expressie aanzienlijk. Toch was de aanleiding niet van religieuze aard: de opdracht kwam van Winnaretta Singer, een belangrijke maecenas van het Franse muziekleven en aanjager van diverse muzikale meesterwerken. Ze wilde de solopartij zelf kunnen spelen; die stelt het dan ook zonder virtuoze hoogstandjes. 

Poulenc, niet vertrouwd met orgelmuziek, bereidde zich grondig voor door werken van Johann Sebastian Bach en Dietrich Buxtehude te bestuderen; in hun navolging koos hij voor een ééndelige fantasie-achtige opzet met sterke sfeercontrasten. Vier jaar sleutelen leverde uiteindelijk een uniek resultaat op.

Het concert balanceert tussen klassieke welluidendheid en moderne samenklanken, tussen zalvende en wrange noten, tussen levensernst en frivoliteit. Het strijkorkest, soms ondersteund door een ‘hartslag’ van pauken, is subtiel met de orgelklank verweven. Vaker nog wisselen ze elkaar af in innige dialogen, met het melodieuze Andante als hoogtepunt. Vlak voor het slot klinkt een cancan-achtig dansje – een terugblik op de jolige bric-à-brac die Poulenc als twintiger schreef – waarna de fluisterzachte, spiritueel geladen slotmaten een bijna verpletterend effect hebben. De voortdurende stemmingswisselingen ontstijgen het niveau van een potpourri. Dit concert is een zelfportret: afwisselend amusant en serieus, bij vlagen ontroerend en o zo melancholiek.

Met zijn Concert voor orgel, strijkorkest en pauken sloeg Francis Poulenc een imposante brug tussen kerk en concertzaal. Én de kroeg, zou je bijna zeggen, want in zijn muziek duiken altijd weer riedels op die rechtstreeks uit een Parijs café lijken te komen. Poulenc was een van de jonge componisten die na de Eerste Wereldoorlog de bezem door de Franse muziek haalden. Alles wat riekte naar gewichtig gedoe en romantisch gezwijmel moest eruit; daarvoor in de plaats kwam frisse, compacte muziek die het herboren Parijs moesten weergeven. Poulenc liet zich vooral inspireren door de sierlijke, melodieuze muziek uit de zeventiende en achttiende eeuw, van Franse klavecimbelstukken tot Mozart. Maar altijd kruidde hij het quasi klassieke klankbeeld met ‘foute noten’ die de destijds onvermijdelijke invloed van Igor Stravinsky verraden.

Met het ‘Orgelconcert’ doorbrak Poulenc zijn tot dan toe nogal oppervlakkige imago. Hij was halverwege de dertig en de plotselinge dood van een vriend, ongemak over zijn homoseksualiteit en zijn hernieuwde katholicisme verrijkten zijn muzikale expressie aanzienlijk. Toch was de aanleiding niet van religieuze aard: de opdracht kwam van Winnaretta Singer, een belangrijke maecenas van het Franse muziekleven en aanjager van diverse muzikale meesterwerken. Ze wilde de solopartij zelf kunnen spelen; die stelt het dan ook zonder virtuoze hoogstandjes. 

Poulenc, niet vertrouwd met orgelmuziek, bereidde zich grondig voor door werken van Johann Sebastian Bach en Dietrich Buxtehude te bestuderen; in hun navolging koos hij voor een ééndelige fantasie-achtige opzet met sterke sfeercontrasten. Vier jaar sleutelen leverde uiteindelijk een uniek resultaat op.

Het concert balanceert tussen klassieke welluidendheid en moderne samenklanken, tussen zalvende en wrange noten, tussen levensernst en frivoliteit. Het strijkorkest, soms ondersteund door een ‘hartslag’ van pauken, is subtiel met de orgelklank verweven. Vaker nog wisselen ze elkaar af in innige dialogen, met het melodieuze Andante als hoogtepunt. Vlak voor het slot klinkt een cancan-achtig dansje – een terugblik op de jolige bric-à-brac die Poulenc als twintiger schreef – waarna de fluisterzachte, spiritueel geladen slotmaten een bijna verpletterend effect hebben. De voortdurende stemmingswisselingen ontstijgen het niveau van een potpourri. Dit concert is een zelfportret: afwisselend amusant en serieus, bij vlagen ontroerend en o zo melancholiek.

Pjotr Tsjaikovski (1840-1893)

Vierde symfonie

  • Pjotr Tsjaikovski

    Pjotr Tsjaikovski

  • Pjotr Tsjaikovski

    Pjotr Tsjaikovski

Pjotr Tsjaikovski’s Vierde symfonie is een hoogtepunt van het romantische orkestrepertoire. Het is ook een doorkijkje in zijn relatie met Nadezjda von Meck. Zij was de weduwe van een Duits-Baltische spoorwegmagnaat en beschouwde het ondersteunen van musici als haar belangrijkste levenstaak; ze liet ook de achttienjarige Claude Debussy muziekles aan haar kinderen geven. Tsjaikovski was haar absolute favoriet. Jarenlang schonk ze hem een maandelijkse toelage, zodat hij zich uitsluitend aan het componeren kon wijden. De voorwaarde: ze dienden elkaar nooit te ontmoeten en enkel per post te communiceren. Van een echte ontmoeting kwam het inderdaad nooit. Wél ontstond er een correspondentie van ruim twaalfhonderd brieven waarin beiden hun hart uitstortten. Geliefden waren ze niet; wel innige zielsverwanten die elkaar bevestigden, troostten, uitdaagden en inspireerden.

‘Onze symfonie’, zo noemde Tsjaikovski de Vierde symfonie consequent in zijn brieven aan Nadezjda von Meck

In 1877 is hun partnerschap een jaar oud, en meldt Tsjaikovski dat hij zijn nieuwe symfonie aan Von Meck wil opdragen. Die symfonie voltooide hij pas in de winter, na een ernstige crisis. In weerwil van zijn homoseksualiteit – een publiek geheim – was hij in juli 1877 getrouwd met een leerlinge. Twee maanden later ontvluchtte hij overspannen het huis, waarop hij maandenlang door Europa rondzwierf. Intussen ontpopte Von Meck zich steeds meer als zijn steun en toeverlaat. 

De Vierde symfonie werd een heuse staalkaart van Tsjaikovski’s gevoels­leven, ook al ontstond het werk grotendeels al vóór zijn huwelijksdebacle. Aan Von Meck schreef hij: ‘Het begin­motief is de sleutel, de essentie, het ­basisidee van de hele symfonie. Het is het Noodlot, de onontkoombare macht die vrede en rust verhindert, de brenger van een eeuwig bewolkte hemel. Het tweede deel vertolkt een ander soort treurnis: de melancholie wanneer je ’s avonds alleen zit en de werkdag overdenkt… Het Scherzo geeft de vluchtige indrukken en de vage schaduwen weer die voor je geestesoog verschijnen als je gedronken hebt. De Finale is een feestje: plezier, en het geluk van anderen, maken je toch weer dankbaar dat je nog leeft.’

Met deze opzet ging Tsjaikovski een fikse uitdaging aan. Hij wilde zijn persoonlijke dramatiek combineren met de klassieke symfonievorm – en dat botst, want een symfonie had een vaste structuur waar Tsjaikovski’s grillige, impulsieve geest zich niet zomaar in liet proppen. Hij vond een uitweg door lange, verhalende melodielijnen met elkaar te verweven.

Het zwaartepunt ligt in het eerste deel, dat bijna net zo lang is als de overige drie delen samen. Alles draait om het fanfare-achtige ‘noodlotsthema’ dat aan het begin klinkt; steeds weer onderbreekt het de walsachtige melodieën van de strijkers. In het melancholieke tweede deel is de hobo het dragende melodie-­instrument. Deel drie dankt zijn hallucinante kwaliteit aan het voortdurende pizzicatospel van de ­strijkersgroep. Alle levensernst wordt in het slotdeel gerelativeerd door een citaat uit een Russisch volksliedje.

‘Onze symfonie’, zo noemde ­Tsjaikovski de Vierde consequent in zijn brieven aan Nadezjda von Meck. Een fraai compliment aan het adres van iemand die het beste uit een groot componist wist te halen.  

Pjotr Tsjaikovski’s Vierde symfonie is een hoogtepunt van het romantische orkestrepertoire. Het is ook een doorkijkje in zijn relatie met Nadezjda von Meck. Zij was de weduwe van een Duits-Baltische spoorwegmagnaat en beschouwde het ondersteunen van musici als haar belangrijkste levenstaak; ze liet ook de achttienjarige Claude Debussy muziekles aan haar kinderen geven. Tsjaikovski was haar absolute favoriet. Jarenlang schonk ze hem een maandelijkse toelage, zodat hij zich uitsluitend aan het componeren kon wijden. De voorwaarde: ze dienden elkaar nooit te ontmoeten en enkel per post te communiceren. Van een echte ontmoeting kwam het inderdaad nooit. Wél ontstond er een correspondentie van ruim twaalfhonderd brieven waarin beiden hun hart uitstortten. Geliefden waren ze niet; wel innige zielsverwanten die elkaar bevestigden, troostten, uitdaagden en inspireerden.

‘Onze symfonie’, zo noemde Tsjaikovski de Vierde symfonie consequent in zijn brieven aan Nadezjda von Meck

In 1877 is hun partnerschap een jaar oud, en meldt Tsjaikovski dat hij zijn nieuwe symfonie aan Von Meck wil opdragen. Die symfonie voltooide hij pas in de winter, na een ernstige crisis. In weerwil van zijn homoseksualiteit – een publiek geheim – was hij in juli 1877 getrouwd met een leerlinge. Twee maanden later ontvluchtte hij overspannen het huis, waarop hij maandenlang door Europa rondzwierf. Intussen ontpopte Von Meck zich steeds meer als zijn steun en toeverlaat. 

De Vierde symfonie werd een heuse staalkaart van Tsjaikovski’s gevoels­leven, ook al ontstond het werk grotendeels al vóór zijn huwelijksdebacle. Aan Von Meck schreef hij: ‘Het begin­motief is de sleutel, de essentie, het ­basisidee van de hele symfonie. Het is het Noodlot, de onontkoombare macht die vrede en rust verhindert, de brenger van een eeuwig bewolkte hemel. Het tweede deel vertolkt een ander soort treurnis: de melancholie wanneer je ’s avonds alleen zit en de werkdag overdenkt… Het Scherzo geeft de vluchtige indrukken en de vage schaduwen weer die voor je geestesoog verschijnen als je gedronken hebt. De Finale is een feestje: plezier, en het geluk van anderen, maken je toch weer dankbaar dat je nog leeft.’

Met deze opzet ging Tsjaikovski een fikse uitdaging aan. Hij wilde zijn persoonlijke dramatiek combineren met de klassieke symfonievorm – en dat botst, want een symfonie had een vaste structuur waar Tsjaikovski’s grillige, impulsieve geest zich niet zomaar in liet proppen. Hij vond een uitweg door lange, verhalende melodielijnen met elkaar te verweven.

Het zwaartepunt ligt in het eerste deel, dat bijna net zo lang is als de overige drie delen samen. Alles draait om het fanfare-achtige ‘noodlotsthema’ dat aan het begin klinkt; steeds weer onderbreekt het de walsachtige melodieën van de strijkers. In het melancholieke tweede deel is de hobo het dragende melodie-­instrument. Deel drie dankt zijn hallucinante kwaliteit aan het voortdurende pizzicatospel van de ­strijkersgroep. Alle levensernst wordt in het slotdeel gerelativeerd door een citaat uit een Russisch volksliedje.

‘Onze symfonie’, zo noemde ­Tsjaikovski de Vierde consequent in zijn brieven aan Nadezjda von Meck. Een fraai compliment aan het adres van iemand die het beste uit een groot componist wist te halen.  

Claude Debussy (1862-1918)

Prélude à l’après-midi d’un faune

door Michiel Cleij

  • Claude Debussy

    Claude Debussy (aan de piano) in de salon van Ernest Chausson in Luzancy, 1893.

    Claude Debussy

    Claude Debussy (aan de piano) in de salon van Ernest Chausson in Luzancy, 1893.

  • Claude Debussy

    Claude Debussy (aan de piano) in de salon van Ernest Chausson in Luzancy, 1893.

    Claude Debussy

    Claude Debussy (aan de piano) in de salon van Ernest Chausson in Luzancy, 1893.

In 1894 werd Claude Debussy’s ­orkestwerk Prélude à l’après-midi d’un faune voor het eerst uitgevoerd. Het was een openbaring. Muziek over de natuur en mythische wezens bestond al eeuwen, maar het beeld van een faun die op een luie zomermiddag over bosnimfen fantaseert is karakteristiek voor het fin de siècle. Wetenschap en technologie waren in opmars, ten koste van natuur, spiritualiteit en fantasie. In zo’n klimaat ga je dromen van andere tijden en verre werelden. Het leverde schilderijen en poëzie op vol wonderlijke visioenen, quasireligieuze symboliek en erotisch geladen natuurtaferelen. Bij Debussy resulteerde het in muziek vol grillige wendingen en nieuwe klank­effecten. 

Vanaf de eerste fluitsolo klinkt de ­Prélude als een spontane improvisatie, met een droomachtige sfeer die in lijn is met Debussy’s inspiratiebron, ­Stéphane Mallarmé’s gedicht L’Après-midi d’un faune. Debussy zelf schreef een toelichting bij het werk die ook het gedicht kort samenvat: ‘Na de vergeefse achtervolging van angstige nimfen geeft de faun zich in de middaghitte over aan een diepe slaap waarin zijn dromen eindelijk waar worden.’

Hoe vernieuwend de Prélude was, blijkt uit het commentaar van de oerconservatieve componist en iets oudere tijdgenoot Camille Saint-­­Saëns: ‘Mooie klanken, maar net zomin een compositie als het palet van een schilder een schilderij is.’ Onbedoeld was dat een compliment, want Debussy wilde enkel een sfeer suggereren; het was aan de luisteraar om zich daar een voorstelling bij te vormen.

In 1894 werd Claude Debussy’s ­orkestwerk Prélude à l’après-midi d’un faune voor het eerst uitgevoerd. Het was een openbaring. Muziek over de natuur en mythische wezens bestond al eeuwen, maar het beeld van een faun die op een luie zomermiddag over bosnimfen fantaseert is karakteristiek voor het fin de siècle. Wetenschap en technologie waren in opmars, ten koste van natuur, spiritualiteit en fantasie. In zo’n klimaat ga je dromen van andere tijden en verre werelden. Het leverde schilderijen en poëzie op vol wonderlijke visioenen, quasireligieuze symboliek en erotisch geladen natuurtaferelen. Bij Debussy resulteerde het in muziek vol grillige wendingen en nieuwe klank­effecten. 

Vanaf de eerste fluitsolo klinkt de ­Prélude als een spontane improvisatie, met een droomachtige sfeer die in lijn is met Debussy’s inspiratiebron, ­Stéphane Mallarmé’s gedicht L’Après-midi d’un faune. Debussy zelf schreef een toelichting bij het werk die ook het gedicht kort samenvat: ‘Na de vergeefse achtervolging van angstige nimfen geeft de faun zich in de middaghitte over aan een diepe slaap waarin zijn dromen eindelijk waar worden.’

Hoe vernieuwend de Prélude was, blijkt uit het commentaar van de oerconservatieve componist en iets oudere tijdgenoot Camille Saint-­­Saëns: ‘Mooie klanken, maar net zomin een compositie als het palet van een schilder een schilderij is.’ Onbedoeld was dat een compliment, want Debussy wilde enkel een sfeer suggereren; het was aan de luisteraar om zich daar een voorstelling bij te vormen.

door Michiel Cleij

Francis Poulenc (1899-1963)

‘Orgelconcert’

  • Francis Poulenc, jaartal onbekend

    Francis Poulenc, jaartal onbekend

  • Francis Poulenc, jaartal onbekend

    Francis Poulenc, jaartal onbekend

Met zijn Concert voor orgel, strijkorkest en pauken sloeg Francis Poulenc een imposante brug tussen kerk en concertzaal. Én de kroeg, zou je bijna zeggen, want in zijn muziek duiken altijd weer riedels op die rechtstreeks uit een Parijs café lijken te komen. Poulenc was een van de jonge componisten die na de Eerste Wereldoorlog de bezem door de Franse muziek haalden. Alles wat riekte naar gewichtig gedoe en romantisch gezwijmel moest eruit; daarvoor in de plaats kwam frisse, compacte muziek die het herboren Parijs moesten weergeven. Poulenc liet zich vooral inspireren door de sierlijke, melodieuze muziek uit de zeventiende en achttiende eeuw, van Franse klavecimbelstukken tot Mozart. Maar altijd kruidde hij het quasi klassieke klankbeeld met ‘foute noten’ die de destijds onvermijdelijke invloed van Igor Stravinsky verraden.

Met het ‘Orgelconcert’ doorbrak Poulenc zijn tot dan toe nogal oppervlakkige imago. Hij was halverwege de dertig en de plotselinge dood van een vriend, ongemak over zijn homoseksualiteit en zijn hernieuwde katholicisme verrijkten zijn muzikale expressie aanzienlijk. Toch was de aanleiding niet van religieuze aard: de opdracht kwam van Winnaretta Singer, een belangrijke maecenas van het Franse muziekleven en aanjager van diverse muzikale meesterwerken. Ze wilde de solopartij zelf kunnen spelen; die stelt het dan ook zonder virtuoze hoogstandjes. 

Poulenc, niet vertrouwd met orgelmuziek, bereidde zich grondig voor door werken van Johann Sebastian Bach en Dietrich Buxtehude te bestuderen; in hun navolging koos hij voor een ééndelige fantasie-achtige opzet met sterke sfeercontrasten. Vier jaar sleutelen leverde uiteindelijk een uniek resultaat op.

Het concert balanceert tussen klassieke welluidendheid en moderne samenklanken, tussen zalvende en wrange noten, tussen levensernst en frivoliteit. Het strijkorkest, soms ondersteund door een ‘hartslag’ van pauken, is subtiel met de orgelklank verweven. Vaker nog wisselen ze elkaar af in innige dialogen, met het melodieuze Andante als hoogtepunt. Vlak voor het slot klinkt een cancan-achtig dansje – een terugblik op de jolige bric-à-brac die Poulenc als twintiger schreef – waarna de fluisterzachte, spiritueel geladen slotmaten een bijna verpletterend effect hebben. De voortdurende stemmingswisselingen ontstijgen het niveau van een potpourri. Dit concert is een zelfportret: afwisselend amusant en serieus, bij vlagen ontroerend en o zo melancholiek.

Met zijn Concert voor orgel, strijkorkest en pauken sloeg Francis Poulenc een imposante brug tussen kerk en concertzaal. Én de kroeg, zou je bijna zeggen, want in zijn muziek duiken altijd weer riedels op die rechtstreeks uit een Parijs café lijken te komen. Poulenc was een van de jonge componisten die na de Eerste Wereldoorlog de bezem door de Franse muziek haalden. Alles wat riekte naar gewichtig gedoe en romantisch gezwijmel moest eruit; daarvoor in de plaats kwam frisse, compacte muziek die het herboren Parijs moesten weergeven. Poulenc liet zich vooral inspireren door de sierlijke, melodieuze muziek uit de zeventiende en achttiende eeuw, van Franse klavecimbelstukken tot Mozart. Maar altijd kruidde hij het quasi klassieke klankbeeld met ‘foute noten’ die de destijds onvermijdelijke invloed van Igor Stravinsky verraden.

Met het ‘Orgelconcert’ doorbrak Poulenc zijn tot dan toe nogal oppervlakkige imago. Hij was halverwege de dertig en de plotselinge dood van een vriend, ongemak over zijn homoseksualiteit en zijn hernieuwde katholicisme verrijkten zijn muzikale expressie aanzienlijk. Toch was de aanleiding niet van religieuze aard: de opdracht kwam van Winnaretta Singer, een belangrijke maecenas van het Franse muziekleven en aanjager van diverse muzikale meesterwerken. Ze wilde de solopartij zelf kunnen spelen; die stelt het dan ook zonder virtuoze hoogstandjes. 

Poulenc, niet vertrouwd met orgelmuziek, bereidde zich grondig voor door werken van Johann Sebastian Bach en Dietrich Buxtehude te bestuderen; in hun navolging koos hij voor een ééndelige fantasie-achtige opzet met sterke sfeercontrasten. Vier jaar sleutelen leverde uiteindelijk een uniek resultaat op.

Het concert balanceert tussen klassieke welluidendheid en moderne samenklanken, tussen zalvende en wrange noten, tussen levensernst en frivoliteit. Het strijkorkest, soms ondersteund door een ‘hartslag’ van pauken, is subtiel met de orgelklank verweven. Vaker nog wisselen ze elkaar af in innige dialogen, met het melodieuze Andante als hoogtepunt. Vlak voor het slot klinkt een cancan-achtig dansje – een terugblik op de jolige bric-à-brac die Poulenc als twintiger schreef – waarna de fluisterzachte, spiritueel geladen slotmaten een bijna verpletterend effect hebben. De voortdurende stemmingswisselingen ontstijgen het niveau van een potpourri. Dit concert is een zelfportret: afwisselend amusant en serieus, bij vlagen ontroerend en o zo melancholiek.

Pjotr Tsjaikovski (1840-1893)

Vierde symfonie

  • Pjotr Tsjaikovski

    Pjotr Tsjaikovski

  • Pjotr Tsjaikovski

    Pjotr Tsjaikovski

Pjotr Tsjaikovski’s Vierde symfonie is een hoogtepunt van het romantische orkestrepertoire. Het is ook een doorkijkje in zijn relatie met Nadezjda von Meck. Zij was de weduwe van een Duits-Baltische spoorwegmagnaat en beschouwde het ondersteunen van musici als haar belangrijkste levenstaak; ze liet ook de achttienjarige Claude Debussy muziekles aan haar kinderen geven. Tsjaikovski was haar absolute favoriet. Jarenlang schonk ze hem een maandelijkse toelage, zodat hij zich uitsluitend aan het componeren kon wijden. De voorwaarde: ze dienden elkaar nooit te ontmoeten en enkel per post te communiceren. Van een echte ontmoeting kwam het inderdaad nooit. Wél ontstond er een correspondentie van ruim twaalfhonderd brieven waarin beiden hun hart uitstortten. Geliefden waren ze niet; wel innige zielsverwanten die elkaar bevestigden, troostten, uitdaagden en inspireerden.

‘Onze symfonie’, zo noemde Tsjaikovski de Vierde symfonie consequent in zijn brieven aan Nadezjda von Meck

In 1877 is hun partnerschap een jaar oud, en meldt Tsjaikovski dat hij zijn nieuwe symfonie aan Von Meck wil opdragen. Die symfonie voltooide hij pas in de winter, na een ernstige crisis. In weerwil van zijn homoseksualiteit – een publiek geheim – was hij in juli 1877 getrouwd met een leerlinge. Twee maanden later ontvluchtte hij overspannen het huis, waarop hij maandenlang door Europa rondzwierf. Intussen ontpopte Von Meck zich steeds meer als zijn steun en toeverlaat. 

De Vierde symfonie werd een heuse staalkaart van Tsjaikovski’s gevoels­leven, ook al ontstond het werk grotendeels al vóór zijn huwelijksdebacle. Aan Von Meck schreef hij: ‘Het begin­motief is de sleutel, de essentie, het ­basisidee van de hele symfonie. Het is het Noodlot, de onontkoombare macht die vrede en rust verhindert, de brenger van een eeuwig bewolkte hemel. Het tweede deel vertolkt een ander soort treurnis: de melancholie wanneer je ’s avonds alleen zit en de werkdag overdenkt… Het Scherzo geeft de vluchtige indrukken en de vage schaduwen weer die voor je geestesoog verschijnen als je gedronken hebt. De Finale is een feestje: plezier, en het geluk van anderen, maken je toch weer dankbaar dat je nog leeft.’

Met deze opzet ging Tsjaikovski een fikse uitdaging aan. Hij wilde zijn persoonlijke dramatiek combineren met de klassieke symfonievorm – en dat botst, want een symfonie had een vaste structuur waar Tsjaikovski’s grillige, impulsieve geest zich niet zomaar in liet proppen. Hij vond een uitweg door lange, verhalende melodielijnen met elkaar te verweven.

Het zwaartepunt ligt in het eerste deel, dat bijna net zo lang is als de overige drie delen samen. Alles draait om het fanfare-achtige ‘noodlotsthema’ dat aan het begin klinkt; steeds weer onderbreekt het de walsachtige melodieën van de strijkers. In het melancholieke tweede deel is de hobo het dragende melodie-­instrument. Deel drie dankt zijn hallucinante kwaliteit aan het voortdurende pizzicatospel van de ­strijkersgroep. Alle levensernst wordt in het slotdeel gerelativeerd door een citaat uit een Russisch volksliedje.

‘Onze symfonie’, zo noemde ­Tsjaikovski de Vierde consequent in zijn brieven aan Nadezjda von Meck. Een fraai compliment aan het adres van iemand die het beste uit een groot componist wist te halen.  

Pjotr Tsjaikovski’s Vierde symfonie is een hoogtepunt van het romantische orkestrepertoire. Het is ook een doorkijkje in zijn relatie met Nadezjda von Meck. Zij was de weduwe van een Duits-Baltische spoorwegmagnaat en beschouwde het ondersteunen van musici als haar belangrijkste levenstaak; ze liet ook de achttienjarige Claude Debussy muziekles aan haar kinderen geven. Tsjaikovski was haar absolute favoriet. Jarenlang schonk ze hem een maandelijkse toelage, zodat hij zich uitsluitend aan het componeren kon wijden. De voorwaarde: ze dienden elkaar nooit te ontmoeten en enkel per post te communiceren. Van een echte ontmoeting kwam het inderdaad nooit. Wél ontstond er een correspondentie van ruim twaalfhonderd brieven waarin beiden hun hart uitstortten. Geliefden waren ze niet; wel innige zielsverwanten die elkaar bevestigden, troostten, uitdaagden en inspireerden.

‘Onze symfonie’, zo noemde Tsjaikovski de Vierde symfonie consequent in zijn brieven aan Nadezjda von Meck

In 1877 is hun partnerschap een jaar oud, en meldt Tsjaikovski dat hij zijn nieuwe symfonie aan Von Meck wil opdragen. Die symfonie voltooide hij pas in de winter, na een ernstige crisis. In weerwil van zijn homoseksualiteit – een publiek geheim – was hij in juli 1877 getrouwd met een leerlinge. Twee maanden later ontvluchtte hij overspannen het huis, waarop hij maandenlang door Europa rondzwierf. Intussen ontpopte Von Meck zich steeds meer als zijn steun en toeverlaat. 

De Vierde symfonie werd een heuse staalkaart van Tsjaikovski’s gevoels­leven, ook al ontstond het werk grotendeels al vóór zijn huwelijksdebacle. Aan Von Meck schreef hij: ‘Het begin­motief is de sleutel, de essentie, het ­basisidee van de hele symfonie. Het is het Noodlot, de onontkoombare macht die vrede en rust verhindert, de brenger van een eeuwig bewolkte hemel. Het tweede deel vertolkt een ander soort treurnis: de melancholie wanneer je ’s avonds alleen zit en de werkdag overdenkt… Het Scherzo geeft de vluchtige indrukken en de vage schaduwen weer die voor je geestesoog verschijnen als je gedronken hebt. De Finale is een feestje: plezier, en het geluk van anderen, maken je toch weer dankbaar dat je nog leeft.’

Met deze opzet ging Tsjaikovski een fikse uitdaging aan. Hij wilde zijn persoonlijke dramatiek combineren met de klassieke symfonievorm – en dat botst, want een symfonie had een vaste structuur waar Tsjaikovski’s grillige, impulsieve geest zich niet zomaar in liet proppen. Hij vond een uitweg door lange, verhalende melodielijnen met elkaar te verweven.

Het zwaartepunt ligt in het eerste deel, dat bijna net zo lang is als de overige drie delen samen. Alles draait om het fanfare-achtige ‘noodlotsthema’ dat aan het begin klinkt; steeds weer onderbreekt het de walsachtige melodieën van de strijkers. In het melancholieke tweede deel is de hobo het dragende melodie-­instrument. Deel drie dankt zijn hallucinante kwaliteit aan het voortdurende pizzicatospel van de ­strijkersgroep. Alle levensernst wordt in het slotdeel gerelativeerd door een citaat uit een Russisch volksliedje.

‘Onze symfonie’, zo noemde ­Tsjaikovski de Vierde consequent in zijn brieven aan Nadezjda von Meck. Een fraai compliment aan het adres van iemand die het beste uit een groot componist wist te halen.  

Biografie

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande dirigenten en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende dirigenten zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest

Aurel Dawidiuk, dirigent

Aurel Dawidiuk is de eerste asso­ciate conductor in de geschiedenis van het Concertgebouworkest. Sinds september 2024 assisteert hij gedurende twee seizoenen Klaus Mäkelä en andere dirigenten en werkt hij samen met orkestleden in ensembleformatie. Deze maand bekroont hij zijn associate conductorship met twee abonnementsconcerten.

In oktober werd hij door de Bochumer Symphoniker benoemd tot muziekdirecteur met ingang van komend seizoen. Aurel Dawidiuk is afkomstig uit Hannover en maakte in snel tempo carrière als dirigent, pianist en organist. Op zes­jarige leeftijd begon hij piano en viool te spelen. Sinds 2014 studeerde hij piano in Hannover en orgel in Detmold. In 2020 begon hij aan de Zürcher Hochschule der Künste zijn directiestudie bij ­Johannes ­Schlaefli en Christoph-Mathias Müller en zijn ­pianostudie bij Till Fellner, terwijl hij aan de Musikakademie Basel zijn orgelstudie bij Martin Sander voortzette. Directiemasterclasses kreeg hij van Paavo Järvi, Joana ­Mallwitz, Pierre-­André Valade en Jaap van Zweden.

Behalve het Concertgebouw­orkest leidde Aurel Dawidiuk onder meer Die ­Deutsche Kammerphilharmonie Bremen, het Kammerorchester Basel, het Orchestre de Chambre de Lausanne, het Berner Symphonie­orchester en de ­Nürnberger Symphoniker. In 2021 werd Aurel ­Dawidiuk toegelaten tot het Dirigentenforum van de Duitse Muziekraad. In 2023 ontving hij de Neeme Järvi-prijs op het Gstaad Menuhin Festival en vier prijzen op het Hans von Bülow Meiningen Concours, waaronder de eerste prijs in de categorie ‘dirigeren vanaf de piano’ en de publieksprijs.

Het Bernard Haitink Associate ­Conductorship wordt mogelijk gemaakt dankzij een genereuze donatie van de familie Haitink.

Leo van Doeselaar, orgel

Leo van Doeselaar is organist, pianist en fortepianist. Binnen zijn veelzijdige muziekpraktijk houdt hij zich bezig met enkele eeuwen aan muzikaal repertoire. Als titulair organist van Het Concertgebouw heeft hij sinds 1985 in de Grote Zaal opgetreden als solist met vele bekende ensembles en orkesten onder leiding van dirigenten als Mariss Jansons, Charles Dutoit, Ingo Metzmacher en Riccardo Chailly.

Met laatstgenoemde dirigent en het Concertgebouworkest nam hij bijvoorbeeld Hindemiths Kammermusik Nr. 7 op; de cd werd bekroond met een Grammy Award. Voor een opname van alle klavierwerken van Jan Pieterszoon Sweelinck kreeg Leo van Doeselaar zowel een Preis der deutschen Schallplattenkritik als een Edison. Zijn cd met orgelwerken van Heinrich Scheidemann werd in 2013 bekroond met de Preis der deutschen Schallplattenkritik en een Echo Klassik.

Op het Maarschalkerweerdorgel van de Grote Zaal heeft Leo van Doeselaar vele solo­recitals gegeven, vaak als onderdeel van de zomer­programmering van Het Concertgebouw. Hij verzorgde op het instrument ook wereldpremières van werken voor orgel en orkest van Tristan Keuris, Wolfgang Rihm en Detlev Glanert. Naast zijn solocarrière vormt Leo van Doeselaar al decennia een klavierduo met Wyneke Jordans. Het tweetal speelt op zowel historisch als modern instrumentarium en nam muziek op van onder anderen Schubert, Ravel en Stravinsky.

Van 1995 tot 2019 gaf Leo van Doeselaar les aan de Universität der Künste Berlin. Met het Concertgebouworkest trad de organist vele malen op; de laatste samenwerking dateert van november 2016 en betrof Glanerts Requiem voor Jheronimus Bosch onder leiding van Markus Stenz in zowel de Grote Zaal als de Sint-Jans­kathedraal in ’s-Hertogenbosch.