Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier
interview

Dirigent Aurel Dawidiuk: ‘Eigenlijk heb ik 120 mentors’

door Carine Alders
06 mrt 2026 06 maart 2026

Gedurende twee seizoenen assisteerde Aurel Dawidiuk toekomstige chef Klaus Mäkelä, en werkte hij veelvuldig samen met de musici van het Concertgebouworkest. Wat heeft die periode hem gebracht? ‘Bij Klaus is er nu zoveel vertrouwen dat we ook van mening kunnen verschillen.’

  • Aurel Dawidiuk met zijn Preludium-cover, gemaakt door illustrator Joost Hölscher

    foto: Eduardus Lee

    Aurel Dawidiuk met zijn Preludium-cover, gemaakt door illustrator Joost Hölscher

    foto: Eduardus Lee

  • Aurel Dawidiuk met zijn Preludium-cover, gemaakt door illustrator Joost Hölscher

    foto: Eduardus Lee

    Aurel Dawidiuk met zijn Preludium-cover, gemaakt door illustrator Joost Hölscher

    foto: Eduardus Lee

  • De cover van het aprilnummer 2026

    illustratie: Joost Hölscher

    De cover van het aprilnummer 2026

    illustratie: Joost Hölscher

  • Aurel Dawidiuk met zijn Preludium-cover, gemaakt door illustrator Joost Hölscher

    foto: Eduardus Lee

    Aurel Dawidiuk met zijn Preludium-cover, gemaakt door illustrator Joost Hölscher

    foto: Eduardus Lee

  • Aurel Dawidiuk met zijn Preludium-cover, gemaakt door illustrator Joost Hölscher

    foto: Eduardus Lee

    Aurel Dawidiuk met zijn Preludium-cover, gemaakt door illustrator Joost Hölscher

    foto: Eduardus Lee

  • De cover van het aprilnummer 2026

    illustratie: Joost Hölscher

    De cover van het aprilnummer 2026

    illustratie: Joost Hölscher

Aurel Dawidiuk – na zijn oudere broer Marc vonden zijn ouders Aurel een mooie naam, naar de Romeinse keizer Marcus Aurelius – komt niet uit een muzikale familie, maar zijn ouders namen hem wel regelmatig mee naar de concertzaal. ‘Ik herinner me dat ik als zesjarige mee mocht naar Die Zauberflöte van Mozart. We zaten op de eerste rij en ik heb alleen maar naar beneden gekeken, naar wat de dirigent in de orkestbak deed. Ik begreep er weinig van, maar vond het magisch. Met een klein cassetterecordertje nam ik de muziek op om thuis terug te luisteren. Van wat er op het podium gebeurde heb ik weinig meegekregen.

Al jong wist ik dat ik dirigent wilde worden, maar ik moest wel eerst een instrument leren bespelen. Ik begon met viool, maar dat was geen succes. Toen ben ik overgestapt op piano en orgel, maar in mijn achterhoofd wist ik altijd dat het een tussenstap was. In 2020, op mijn negentiende, vertrok ik naar Zürich om orkestdirectie te studeren. Dat bleek een goede keus, want in tegenstelling tot in Duitsland, waar alles stil kwam te liggen door covid, konden we in Zwitserland wel het conservatorium­orkest regelmatig blijven dirigeren.’

Een gouden kans

Nog voordat hij zijn studie in 2025 voltooide, kreeg hij een mail van het Concertgebouworkest. Dankzij een genereuze donatie van de familie Haitink kon het orkest voortaan een jonge dirigent uitnodigen om steeds voor een periode van twee jaar ‘stage te lopen’. De Bernard Haitink associate conductor assisteert toekomstig chef-dirigent Klaus Mäkelä en verschillende gast­dirigenten, en werkt met orkestmusici samen in kleiner bezette concerten.

‘Op de een of andere manier hadden ze mij gevonden. Of ik interesse had in de functie van associate conductor. Voor die functie kun je niet solliciteren, je wordt ervoor gevraagd. De uit orkestmusici bestaande Artistieke Commissie heeft samen met Klaus opnames bekeken van mogelijke kandidaten. Uiteindelijk kwam daar een shortlist uit van vier dirigenten die in Amsterdam auditie mochten komen doen. We kregen veertig minuten om eerst met het orkest te repeteren en vervolgens onder andere Debussy’s Prélude à l’après midi d’un faune te spelen.

‘Het belangrijkste wat ik geleerd heb is wanneer je wel en niet iets moet zeggen tijdens een repetitie’

De avond ervoor was ik heel zenuwachtig. Ik had in masterclasses verschillende orkesten in Europa gedirigeerd, maar het Concertgebouworkest dirigeren is wel meteen de top van wat je in mijn vak kunt bereiken. Ik was zo gefocust op het orkest en de muziek, dat ik me helemaal niets herinner van de zaal, of de rest van het gebouw. Binnen twee dagen zouden we bericht krijgen, maar na twee uur ging mijn telefoon al en hoorde ik dat ze mij hadden gekozen. Door dat enorme vertrouwen vanuit het orkest voelde ik me meteen heel veilig en op mijn gemak.’

Meteen belde Dawidiuk het gastgezin vlak achter Het Concertgebouw waar hij als vijftienjarige had verbleven tijdens een masterclass piano. Het warme contact had hij altijd onderhouden. Of hij misschien weer bij hen mocht logeren als hij in Amsterdam was? ‘Het mocht. Het is heel fijn om niet in een hotel te hoeven logeren en ik neem ze natuurlijk regelmatig mee naar concerten.’

Zwijgen is soms goud

‘De taken van de associate conductor zijn heel veelomvattend, maar uiteindelijk is alles ook een soort voorbereiding gebleken voor de concerten die ik straks dirigeer, en de repetitiedagen die eraan vooraf gaan. Ik mocht verspreid over twee seizoenen 32 weken met het orkest meelopen. Ongeveer de helft van die tijd was ik de assistent van Klaus en voor de andere weken mocht ik kiezen met welke dirigenten ik wilde werken. Iván Fischer, Antonio Pappano, Maxim Emelyanychev, Andrew Manze, Paavo Järvi, Vladimir Jurowski, Riccardo Minasi; ze gingen allemaal ak­koord.’

Weer is de oprechte blijdschap van zijn gezicht te lezen, alsof hij het bijna niet kan geloven. Dawidiuk vergelijkt zijn periode in Amsterdam met het leer­proces van een Japanse sushimeester. ‘Eerst kijk je hoe de meester het doet en dan mag je met de grondbeginselen aan de slag, zoals het koken van de rijst. Uiteindelijk mag je zelfstandig aan het werk. Het belangrijkste wat ik geleerd heb is wanneer je wel en niet iets moet zeggen tijdens een repetitie. Een goede opmerking op het verkeerde moment heeft weinig zin. Maar soms was ik ook niet honderd procent zeker of niet moedig genoeg om iets te zeggen en realiseerde ik me later dat ik het wél had moeten doen.’ 

Aurel Dawidiuk – na zijn oudere broer Marc vonden zijn ouders Aurel een mooie naam, naar de Romeinse keizer Marcus Aurelius – komt niet uit een muzikale familie, maar zijn ouders namen hem wel regelmatig mee naar de concertzaal. ‘Ik herinner me dat ik als zesjarige mee mocht naar Die Zauberflöte van Mozart. We zaten op de eerste rij en ik heb alleen maar naar beneden gekeken, naar wat de dirigent in de orkestbak deed. Ik begreep er weinig van, maar vond het magisch. Met een klein cassetterecordertje nam ik de muziek op om thuis terug te luisteren. Van wat er op het podium gebeurde heb ik weinig meegekregen.

Al jong wist ik dat ik dirigent wilde worden, maar ik moest wel eerst een instrument leren bespelen. Ik begon met viool, maar dat was geen succes. Toen ben ik overgestapt op piano en orgel, maar in mijn achterhoofd wist ik altijd dat het een tussenstap was. In 2020, op mijn negentiende, vertrok ik naar Zürich om orkestdirectie te studeren. Dat bleek een goede keus, want in tegenstelling tot in Duitsland, waar alles stil kwam te liggen door covid, konden we in Zwitserland wel het conservatorium­orkest regelmatig blijven dirigeren.’

Een gouden kans

Nog voordat hij zijn studie in 2025 voltooide, kreeg hij een mail van het Concertgebouworkest. Dankzij een genereuze donatie van de familie Haitink kon het orkest voortaan een jonge dirigent uitnodigen om steeds voor een periode van twee jaar ‘stage te lopen’. De Bernard Haitink associate conductor assisteert toekomstig chef-dirigent Klaus Mäkelä en verschillende gast­dirigenten, en werkt met orkestmusici samen in kleiner bezette concerten.

‘Op de een of andere manier hadden ze mij gevonden. Of ik interesse had in de functie van associate conductor. Voor die functie kun je niet solliciteren, je wordt ervoor gevraagd. De uit orkestmusici bestaande Artistieke Commissie heeft samen met Klaus opnames bekeken van mogelijke kandidaten. Uiteindelijk kwam daar een shortlist uit van vier dirigenten die in Amsterdam auditie mochten komen doen. We kregen veertig minuten om eerst met het orkest te repeteren en vervolgens onder andere Debussy’s Prélude à l’après midi d’un faune te spelen.

‘Het belangrijkste wat ik geleerd heb is wanneer je wel en niet iets moet zeggen tijdens een repetitie’

De avond ervoor was ik heel zenuwachtig. Ik had in masterclasses verschillende orkesten in Europa gedirigeerd, maar het Concertgebouworkest dirigeren is wel meteen de top van wat je in mijn vak kunt bereiken. Ik was zo gefocust op het orkest en de muziek, dat ik me helemaal niets herinner van de zaal, of de rest van het gebouw. Binnen twee dagen zouden we bericht krijgen, maar na twee uur ging mijn telefoon al en hoorde ik dat ze mij hadden gekozen. Door dat enorme vertrouwen vanuit het orkest voelde ik me meteen heel veilig en op mijn gemak.’

Meteen belde Dawidiuk het gastgezin vlak achter Het Concertgebouw waar hij als vijftienjarige had verbleven tijdens een masterclass piano. Het warme contact had hij altijd onderhouden. Of hij misschien weer bij hen mocht logeren als hij in Amsterdam was? ‘Het mocht. Het is heel fijn om niet in een hotel te hoeven logeren en ik neem ze natuurlijk regelmatig mee naar concerten.’

Zwijgen is soms goud

‘De taken van de associate conductor zijn heel veelomvattend, maar uiteindelijk is alles ook een soort voorbereiding gebleken voor de concerten die ik straks dirigeer, en de repetitiedagen die eraan vooraf gaan. Ik mocht verspreid over twee seizoenen 32 weken met het orkest meelopen. Ongeveer de helft van die tijd was ik de assistent van Klaus en voor de andere weken mocht ik kiezen met welke dirigenten ik wilde werken. Iván Fischer, Antonio Pappano, Maxim Emelyanychev, Andrew Manze, Paavo Järvi, Vladimir Jurowski, Riccardo Minasi; ze gingen allemaal ak­koord.’

Weer is de oprechte blijdschap van zijn gezicht te lezen, alsof hij het bijna niet kan geloven. Dawidiuk vergelijkt zijn periode in Amsterdam met het leer­proces van een Japanse sushimeester. ‘Eerst kijk je hoe de meester het doet en dan mag je met de grondbeginselen aan de slag, zoals het koken van de rijst. Uiteindelijk mag je zelfstandig aan het werk. Het belangrijkste wat ik geleerd heb is wanneer je wel en niet iets moet zeggen tijdens een repetitie. Een goede opmerking op het verkeerde moment heeft weinig zin. Maar soms was ik ook niet honderd procent zeker of niet moedig genoeg om iets te zeggen en realiseerde ik me later dat ik het wél had moeten doen.’ 

  • Aurel Dawidiuk

    Foto: Wouter Jansen

    Aurel Dawidiuk

    Foto: Wouter Jansen

  • Aurel Dawidiuk

    foto: Milagro Elstak

    Aurel Dawidiuk

    foto: Milagro Elstak

  • Aurel Dawidiuk

    Foto: Wouter Jansen

    Aurel Dawidiuk

    Foto: Wouter Jansen

  • Aurel Dawidiuk

    foto: Milagro Elstak

    Aurel Dawidiuk

    foto: Milagro Elstak

Een gouden groep

Met Klaus Mäkelä – slechts vijf jaar ouder dan Dawidiuk – bouwde hij een bijzondere band op. ‘Dirigeren is een eenzaam beroep. Alle musici in het orkest hebben een instrumentgroep waar ze bij horen, waarin nieuwkomers opgevangen worden, behalve de dirigent. Maar nu waren Klaus en ik dus ook een soort groep. Het is heel fijn om samen ideeën uit te kunnen wisselen en na een lange repetitie na te kunnen praten.

Ik heb veel geleerd, maar het was een win-winsituatie omdat ik echt van nut kon zijn bij repetities. Bij de andere dirigenten was mijn rol voornamelijk dienend, maar bij Klaus is er nu zoveel vertrouwen dat we ook van mening kunnen verschillen. Als ik straks een week met het orkest repeteer heeft hij eigenlijk vakantie, maar hij komt speciaal naar Amsterdam om mij te coachen.’

‘Vanaf het orgel heb je een uniek uitzicht’

‘De musici van het orkest zijn voor mij in feite de belangrijkste bron van ­muziekkennis. Ik heb onder meer met ze gewerkt in een bewerking voor kamerensemble van Mahlers Vijfde symfonie en in een kamer­muziekprogramma rond Nederlandse componisten, steeds met andere musici uit het orkest. Ze weten heel veel, hebben uitgesproken ideeën en je kunt echt met ze sparren. Eigenlijk heb ik 120 mentors. Toen ik een keer op een zondagochtend om negen uur in Het Concertgebouw kwam, was ik bijna geschokt om te zien dat overal musici aan het repeteren waren en kamermuziek speelden, terwijl ze de avond ervoor nog een concert hadden gegeven!

Ik zie het Concertgebouworkest als een groot ­kamermuziekensemble. Ik heb hier vrienden gemaakt in alle instrumentgroepen en van allerlei verschillende nationaliteiten en culturen. Als je met vrienden musiceert wordt het resultaat beter. En ik kom terug, dat is al vast­gelegd!’ Om te beginnen op 29 oktober, als hij tijdens een ­jubileumconcert ter viering van 25 jaar Academie van het Concert­gebouworkest het openingswerk dirigeert én het orgel bespeelt in Saint-Saëns’ ‘Orgelsymfonie’.

Een gouden greep

De muziek die hij deze maand bij zijn debuut zal dirigeren koos hij in overleg met Mäkelä, de artistieke afdeling van het orkest en de Artistieke Commissie, die bestaat uit orkestleden. ‘De Prélude à l’après-midi d’un faune wordt vaak gevraagd bij audities, er zitten bijvoorbeeld veel maatwisselingen in. Maar ik wil het nu vooral weer zien als prachtige muziek, niet langer als oefenstuk. Daarmee is de cirkel rond.’ Uiteraard koos de orga­nist ­Dawidiuk ook voor een werk met orgel, naar zijn smaak wordt het prachtige Maarschalkerweerd­orgel veel te weinig bespeeld.

‘Na een repetitie – de zaal was leeg – ben ik natuurlijk een keer naar boven geklommen om het orgel uit te proberen. Je hebt daar trouwens een uniek uitzicht. De kwaliteit van het geluid van een orgel is voor de helft afhankelijk van de akoestiek van de zaal. En dit orgel is gebouwd voor de Grote Zaal, dus de combinatie is perfect. Toen ik assisteerde bij de Matthäus-Passion hoorde ik organist Leo van Doeselaar spelen [toen in het orkest, op een kistorgel, red.] en ik heb hem gevraagd of hij mijn solist wilde zijn in het Concert voor orgel, strijkers en pau­ken van Poulenc. En hij zei ja! Ik heb het concert zelf als organist meerdere keren gespeeld, ik zie ernaar uit om het met Leo te bespreken.’ Hiermee is óók een cirkel rond, want met Poulencs werk debuteerde Van Doeselaar in maart 1985 bij het Concertgebouworkest.

‘Ik streef niet naar spektakel. Ik ben ambachtsman, geen tovenaar’

Met de Vierde symfonie van Tsjaikovski trekt de jonge dirigent na de pauze alle registers van het orkest open. ‘Wat kan ik er over zeggen? Het is fantastische muziek, het past bij mij.’ In welk opzicht? ‘Moeilijke vraag. Tsjaikovski kan ook kitscherig worden, maar als je heel trouw blijft aan wat er in de partituur staat en alle uitvoeringstradities negeert, is het extreem krachtige muziek. Het is onmogelijk om er niet door geraakt te worden. Tsjaikovski omschreef het openingsthema als ‘fatum’, het lot. Ik vind het een mooi idee om mijn twee seizoenen in Amsterdam daarmee af te sluiten.’

Een gouden toekomst?

Vanaf het moment dat bekend werd dat hij de eerste associate conductor van het Concertgebouworkest zou worden kreeg Dawidiuk meteen ­telefoontjes van allerlei orkesten. Dit seizoen dirigeerde hij bijvoorbeeld de Royal Liverpool Philharmonic, de Dresdner Philharmonie en het Tokyo Metropolitan Symphony Orchestra. Volgend seizoen komen daar onder andere orkesten in Berlijn en Parijs bij. En hij begint als General­musikdirektor in Bochum.

‘Het is net een jongensboek, zoals je droomt dat het zou gaan. Een enorm privilege, maar tegelijk een grote verantwoordelijkheid. Je wilt toch dat iedereen van het orkest in Amsterdam trots kan zijn op je werk. Ik moet nog laten zien wat ik heb geleerd. Ik streef niet naar spektakel, het liefst ben ik een dirigent die de muziek door en door kent. Een ambachtsman, geen tovenaar.’ Hij doet zijn naam Aurel eer aan als hij zegt dat hij van het woord golden houdt [het Latijnse ‘aurum’ betekent goud, red.]. ‘Het gaat niet alleen om traditie, maar ook puur om de esthetiek. En dan poetsen tot het glanst.’

Of hij er klaar voor is? ‘I’m ready’, zegt hij zacht maar gedecideerd, ‘maar tegelijk ben je natuurlijk nooit klaar.’ Na twee jaar leren is het nu tijd voor zijn debuut bij het Concertgebouworkest. Als we naar buiten lopen vertelt hij nog dat hij van de weduwe van Bernard Haitink een doosje met diens dirigeerstokken gekregen heeft. ‘Het zijn geen museumstukken, je moet ze gebruiken,’ was haar opdracht. ‘Ik denk dat ik er eentje van kies om mijn debuut bij het Concertgebouworkest mee te dirigeren’, besluit Dawidiuk.

Een gouden groep

Met Klaus Mäkelä – slechts vijf jaar ouder dan Dawidiuk – bouwde hij een bijzondere band op. ‘Dirigeren is een eenzaam beroep. Alle musici in het orkest hebben een instrumentgroep waar ze bij horen, waarin nieuwkomers opgevangen worden, behalve de dirigent. Maar nu waren Klaus en ik dus ook een soort groep. Het is heel fijn om samen ideeën uit te kunnen wisselen en na een lange repetitie na te kunnen praten.

Ik heb veel geleerd, maar het was een win-winsituatie omdat ik echt van nut kon zijn bij repetities. Bij de andere dirigenten was mijn rol voornamelijk dienend, maar bij Klaus is er nu zoveel vertrouwen dat we ook van mening kunnen verschillen. Als ik straks een week met het orkest repeteer heeft hij eigenlijk vakantie, maar hij komt speciaal naar Amsterdam om mij te coachen.’

‘Vanaf het orgel heb je een uniek uitzicht’

‘De musici van het orkest zijn voor mij in feite de belangrijkste bron van ­muziekkennis. Ik heb onder meer met ze gewerkt in een bewerking voor kamerensemble van Mahlers Vijfde symfonie en in een kamer­muziekprogramma rond Nederlandse componisten, steeds met andere musici uit het orkest. Ze weten heel veel, hebben uitgesproken ideeën en je kunt echt met ze sparren. Eigenlijk heb ik 120 mentors. Toen ik een keer op een zondagochtend om negen uur in Het Concertgebouw kwam, was ik bijna geschokt om te zien dat overal musici aan het repeteren waren en kamermuziek speelden, terwijl ze de avond ervoor nog een concert hadden gegeven!

Ik zie het Concertgebouworkest als een groot ­kamermuziekensemble. Ik heb hier vrienden gemaakt in alle instrumentgroepen en van allerlei verschillende nationaliteiten en culturen. Als je met vrienden musiceert wordt het resultaat beter. En ik kom terug, dat is al vast­gelegd!’ Om te beginnen op 29 oktober, als hij tijdens een ­jubileumconcert ter viering van 25 jaar Academie van het Concert­gebouworkest het openingswerk dirigeert én het orgel bespeelt in Saint-Saëns’ ‘Orgelsymfonie’.

Een gouden greep

De muziek die hij deze maand bij zijn debuut zal dirigeren koos hij in overleg met Mäkelä, de artistieke afdeling van het orkest en de Artistieke Commissie, die bestaat uit orkestleden. ‘De Prélude à l’après-midi d’un faune wordt vaak gevraagd bij audities, er zitten bijvoorbeeld veel maatwisselingen in. Maar ik wil het nu vooral weer zien als prachtige muziek, niet langer als oefenstuk. Daarmee is de cirkel rond.’ Uiteraard koos de orga­nist ­Dawidiuk ook voor een werk met orgel, naar zijn smaak wordt het prachtige Maarschalkerweerd­orgel veel te weinig bespeeld.

‘Na een repetitie – de zaal was leeg – ben ik natuurlijk een keer naar boven geklommen om het orgel uit te proberen. Je hebt daar trouwens een uniek uitzicht. De kwaliteit van het geluid van een orgel is voor de helft afhankelijk van de akoestiek van de zaal. En dit orgel is gebouwd voor de Grote Zaal, dus de combinatie is perfect. Toen ik assisteerde bij de Matthäus-Passion hoorde ik organist Leo van Doeselaar spelen [toen in het orkest, op een kistorgel, red.] en ik heb hem gevraagd of hij mijn solist wilde zijn in het Concert voor orgel, strijkers en pau­ken van Poulenc. En hij zei ja! Ik heb het concert zelf als organist meerdere keren gespeeld, ik zie ernaar uit om het met Leo te bespreken.’ Hiermee is óók een cirkel rond, want met Poulencs werk debuteerde Van Doeselaar in maart 1985 bij het Concertgebouworkest.

‘Ik streef niet naar spektakel. Ik ben ambachtsman, geen tovenaar’

Met de Vierde symfonie van Tsjaikovski trekt de jonge dirigent na de pauze alle registers van het orkest open. ‘Wat kan ik er over zeggen? Het is fantastische muziek, het past bij mij.’ In welk opzicht? ‘Moeilijke vraag. Tsjaikovski kan ook kitscherig worden, maar als je heel trouw blijft aan wat er in de partituur staat en alle uitvoeringstradities negeert, is het extreem krachtige muziek. Het is onmogelijk om er niet door geraakt te worden. Tsjaikovski omschreef het openingsthema als ‘fatum’, het lot. Ik vind het een mooi idee om mijn twee seizoenen in Amsterdam daarmee af te sluiten.’

Een gouden toekomst?

Vanaf het moment dat bekend werd dat hij de eerste associate conductor van het Concertgebouworkest zou worden kreeg Dawidiuk meteen ­telefoontjes van allerlei orkesten. Dit seizoen dirigeerde hij bijvoorbeeld de Royal Liverpool Philharmonic, de Dresdner Philharmonie en het Tokyo Metropolitan Symphony Orchestra. Volgend seizoen komen daar onder andere orkesten in Berlijn en Parijs bij. En hij begint als General­musikdirektor in Bochum.

‘Het is net een jongensboek, zoals je droomt dat het zou gaan. Een enorm privilege, maar tegelijk een grote verantwoordelijkheid. Je wilt toch dat iedereen van het orkest in Amsterdam trots kan zijn op je werk. Ik moet nog laten zien wat ik heb geleerd. Ik streef niet naar spektakel, het liefst ben ik een dirigent die de muziek door en door kent. Een ambachtsman, geen tovenaar.’ Hij doet zijn naam Aurel eer aan als hij zegt dat hij van het woord golden houdt [het Latijnse ‘aurum’ betekent goud, red.]. ‘Het gaat niet alleen om traditie, maar ook puur om de esthetiek. En dan poetsen tot het glanst.’

Of hij er klaar voor is? ‘I’m ready’, zegt hij zacht maar gedecideerd, ‘maar tegelijk ben je natuurlijk nooit klaar.’ Na twee jaar leren is het nu tijd voor zijn debuut bij het Concertgebouworkest. Als we naar buiten lopen vertelt hij nog dat hij van de weduwe van Bernard Haitink een doosje met diens dirigeerstokken gekregen heeft. ‘Het zijn geen museumstukken, je moet ze gebruiken,’ was haar opdracht. ‘Ik denk dat ik er eentje van kies om mijn debuut bij het Concertgebouworkest mee te dirigeren’, besluit Dawidiuk.

  • De dirigeerstokken van Bernard Haitink

    foto: Aurel Dawidiuk

    De dirigeerstokken van Bernard Haitink

    foto: Aurel Dawidiuk

  • De dirigeerstokken van Bernard Haitink

    foto: Aurel Dawidiuk

    De dirigeerstokken van Bernard Haitink

    foto: Aurel Dawidiuk

Meer over Aurel Dawidiuk

Aurel Dawidiuk uit Hannover maakt in snel tempo ­carrière als pianist, organist en dirigent. Zijn directiestudie begon hij in 2020 aan de Zürcher Hochschule der Kunste. In 2023 ontving hij de Neeme Järvi-prijs op het Gstaad Menuhin Festival, en op het Hans von Bülow Meiningen Concours won hij zelfs vier prijzen, waaronder de eerste prijs in de categorie ‘dirigeren vanaf de piano’ en de publieksprijs.

Dit seizoen debuteert Dawidiuk niet alleen bij het Concertgebouworkest, maar ook bij de Bamberger en Hamburger Symphoniker, de NDR Radiophilharmonie en het China National Symphony Orchestra. Bovendien voert een tournee als organist hem dit voorjaar naar de Tonhalle Zürich, het Konzerthaus in Wenen, de Kölner Philharmonie, en het Centro Nacional de Difusión Musical in Madrid.

Het Bernard Haitink Associate Conductorship is mogelijk gemaakt dankzij de familie Haitink. Voormalig chef-dirigent Bernard Haitink (1929-2021) gaf gedurende zijn lange carrière talloze masterclasses en nodigde vaak jonge dirigenten uit als zijn assistent. ‘Bernard vond dat hij in zijn ­carrière als jonge dirigent heel veel geluk had gehad’, zegt zijn weduwe ­Patricia ­Haitink, ‘en wilde graag kansen creëren voor zijn jongere collega’s.’ Dawidiuk: ‘Ik heb dit te danken aan het feit dat Haitink nooit vergeten was hoe moeilijk jonge dirigenten het kunnen hebben. Dat maakte me nog nederiger. Haitink was uniek in zijn manier van leiden, iemand die weinig sprak, zijn stijl was heel puur en geconcentreerd. Naast Klaus Mäkelä is hij echt een rolmodel voor mij.’

Meer over Aurel Dawidiuk

Aurel Dawidiuk uit Hannover maakt in snel tempo ­carrière als pianist, organist en dirigent. Zijn directiestudie begon hij in 2020 aan de Zürcher Hochschule der Kunste. In 2023 ontving hij de Neeme Järvi-prijs op het Gstaad Menuhin Festival, en op het Hans von Bülow Meiningen Concours won hij zelfs vier prijzen, waaronder de eerste prijs in de categorie ‘dirigeren vanaf de piano’ en de publieksprijs.

Dit seizoen debuteert Dawidiuk niet alleen bij het Concertgebouworkest, maar ook bij de Bamberger en Hamburger Symphoniker, de NDR Radiophilharmonie en het China National Symphony Orchestra. Bovendien voert een tournee als organist hem dit voorjaar naar de Tonhalle Zürich, het Konzerthaus in Wenen, de Kölner Philharmonie, en het Centro Nacional de Difusión Musical in Madrid.

Het Bernard Haitink Associate Conductorship is mogelijk gemaakt dankzij de familie Haitink. Voormalig chef-dirigent Bernard Haitink (1929-2021) gaf gedurende zijn lange carrière talloze masterclasses en nodigde vaak jonge dirigenten uit als zijn assistent. ‘Bernard vond dat hij in zijn ­carrière als jonge dirigent heel veel geluk had gehad’, zegt zijn weduwe ­Patricia ­Haitink, ‘en wilde graag kansen creëren voor zijn jongere collega’s.’ Dawidiuk: ‘Ik heb dit te danken aan het feit dat Haitink nooit vergeten was hoe moeilijk jonge dirigenten het kunnen hebben. Dat maakte me nog nederiger. Haitink was uniek in zijn manier van leiden, iemand die weinig sprak, zijn stijl was heel puur en geconcentreerd. Naast Klaus Mäkelä is hij echt een rolmodel voor mij.’

Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Probeer nu twee maanden gratis!