Een beknopte geschiedenis van het Maarschalkerweerdorgel
door Johan Giskes 06 mrt 2026 06 maart 2026
Meestal staat het orgel in de Grote Zaal zwijgend tussen de meest uiteenlopende klanken, maar deze maand soleert Leo van Doeselaar bij het Concertgebouworkest in Poulencs ‘Orgelconcert’. Net als veertig jaar geleden. Tijd voor een beknopte geschiedenis van het Maarschalkerweerdorgel.
Nog voor Het Concertgebouw er stond, wist het bestuur het al zeker: er moest in de Grote Zaal een respectabel pijporgel komen. Immers, het Paleis voor Volksvlijt op het Frederiksplein had zo’n concertorgel, en bijvoorbeeld ook het toenmalige Neue Gewandhaus te Leipzig, de grote zaal van de Wiener Musikverein en het Palais du Trocadéro te Parijs. Op 23 maart 1885, ruim een maand na de aanbesteding, viel daarom al de beslissing voor de bouw van een orgel.
Het duurde echter nog tot na de opening van Het Concertgebouw – het openingsconcert vond plaats op 11 april 1888 – voordat er geld kon worden gevonden en de opdracht kon worden verstrekt aan de gerenommeerde orgelbouwer Michael Maarschalkerweerd in Utrecht.
Inwijding
Op 10 oktober 1891 werd het voor die tijd moderne instrument met 46 stemmen, drie manualen en een vrij pedaal in gebruik genomen. Het had een warme, romantische klank. Tijdens een feestelijke ingebruikname trad niet alleen de vooraanstaande organist Jos. A. Verheijen op – hij was onder meer bekend van het Paleis voor Volksvlijt – ook werkte het Concertgebouworkest onder leiding van Willem Kes mee.
Het programma omvatte de Ouverture uit ‘Iphigénie en Aulide’ van Christoph Willibald von Gluck in een bewerking van Richard Wagner, het Orgelconcert in F groot, HWV 292 van Georg Friedrich Händel met strijkkwartet en twee hobo’s, de Fantasia en fuga in g klein, BWV 542 van Johann Sebastian Bach, het Largo uit Händels Xerxes, gespeeld door de concertmeester Christiaan Timmner met begeleiding van orgel en orkest, en tot slot de Eerste symfonie voor orgel en orkest van Alexandre Guilmant uit 1874.
Meervoudig gebruik
Een programma als dat was niet uniek. Zo vond op 30 maart 1876 in het Paleis voor Volksvlijt een ‘groot orgelconcert’ plaats dat eveneens werken omvatte voor orgel solo, orgel met één of meer andere instrumenten, en orkest en orgel. In de eerste decennia bleef het in Het Concertgebouw voorkomen dat een organist niet alleen als solist met het Concertgebouworkest optrad, maar in hetzelfde concert tevens alleen speelde.
Jean-Baptiste de Pauw, ‘een geniaal kunstenaar’ aldus Daniël de Lange in Het Nieuws van den Dag, speelde op 27 april 1899 de solopartij in het Orgelconcert in Bes groot, HWV 290 van Händel en na de pauze een van Bachs Preludes en fuga’s en het Andante cantabile uit Mozarts ‘Jupiter’-symfonie. Het orkest nam Mozarts Symfonie nr. 40, Bachs Air en de Ouverture uit ‘Les deux journées’ van Luigi Cherubini voor zijn rekening. Verder klonk het Maarschalkerweerdorgel bij uitvoeringen van grote koorgezelschappen, met één of meer solozangers, en tijdens andere samenkomsten.
Kleuren
Een bijzonder aspect is het gebruik van het orgel als orkest- of begeleidingsinstrument. Hierbij is de organist één te midden van velen en veelal niet expliciet genoemd in de programma’s. Zo klinkt tijdens de beginmaten van Richard Strauss’ Also sprach Zarathustra zacht een c in het pedaal; verder is het orgel slechts korte ogenblikken voluit aanwezig.
In 1951 was het instrument praktisch onbruikbaar
Een ander voorbeeld: de Achtste symfonie van Gustav Mahler. Al aan het begin mengt het orgel zich met de fortissimo-inzet van cello’s en contrabassen. Later wordt ook het ‘volle werk’ gebruikt, zoals aan het slot van het tweede deel. Daartussen kleurt het orgel het maximale volume van orkest en zangers, en speelt het met andere nuances. De Derde symfonie van Camille Saint-Saëns, de ‘Orgelsymfonie’, kan als een combinatie van een symfonie en een orgelconcert worden beschouwd.
Vaste organisten
In de 135 jaar van zijn bestaan werd het Maarschalkerweerdorgel vaak bespeeld door ‘huisorganisten’. Onder hen waren Anthon van der Horst (1899-1965), Piet van Egmond (1912-1982), Albert de Klerk (1917-1998), Bernard Bartelink (1929-2014) en Leo van Doeselaar (1954; opgeleid bij De Klerk aan het Amsterdamse conservatorium). Albert de Klerk werkte in de periode 1938-1976 bijvoorbeeld mee aan tal van concerten van het Concertgebouworkest. Hij gaf ook vele jaren een concert dat Het Concertgebouw op tweede kerstdag organiseerde, telkens samen met gerenommeerde musici als de alt Aafje Heynis en de sopraan Elly Ameling, maar ook met leden van het Concertgebouworkest.
Tijdens de in 1975 gestarte lunchconcerten van Het Concertgebouw werden geregeld orgelrecitals geprogrammeerd. Leo van Doeselaar, de huidige titulair organist van Het Concertgebouw, gaf al op 1 december 1976 een lunchconcert met muziek van vier Franse componisten uit verschillende eeuwen: Dandrieu, Boëly, Tournemire en Widor. Zijn eerste optredens met het Concertgebouworkest vonden plaats op 20 en 21 maart 1985, toen hij soleerde in Poulencs Concert voor orgel, strijkers en pauken onder leiding van David Zinman.
Restauraties
Een pijporgel heeft regelmatig onderhoud nodig, en soms groot onderhoud. In 1951 was het instrument in de Grote Zaal praktisch onbruikbaar. Na rijp beraad vonden in de periode 1954-1962 een grote restauratie en aanpassingen en uitbreiding plaats. Er kwam bijvoorbeeld een nieuwe, laagstaande elektrische speeltafel. Het derde manuaal werd in tweeën gesplitst, met het pijpwerk van elk nieuw klavier in een aparte zwelkast. Er kwamen nieuwe registers bij, en ook veranderde de romantische klank: er werd aansluiting gezocht bij de oud-Hollandse orgelklank. Zo kon het ook goed fungeren als continuo-instrument.
Het resultaat werd geprezen, maar in de jaren tachtig was het instrument er weer slecht aan toe en bijna gedegradeerd tot zaalversiering. Na uitgebreid onderzoek volgde van 1990 tot maart 1993 een restauratie door de wereldvermaarde Zaanse firma Flentrop Orgelbouw, waarbij het Maarschalkerweerdorgel zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat is teruggebracht. Een van de aanpassingen betrof de stemming: omdat die van orkesten in de loop van de tijd was gestegen, moest het orgel zich daarnaar voegen.
Repertoire
Het Maarschalkerweerdorgel is een van de weinige goed bewaarde monumentale instrumenten in een concertzaal. Het was en is geschikt voor een breed repertoire. Niet alleen voor een groot scala aan romantische orgelconcerten, maar ook voor eigentijdse composities. Dat bleek onder andere bij de heringebruikname op 18 maart 1993 tijdens een concert met het Concertgebouworkest en Leo van Doeselaar. Het programma bevatte onder andere de Toccata uit de Suite in modo conjuncto van Anthon van der Horst voor orgel solo, Feria voor vijf fluiten, vijf trompetten en orgel van Franco Donatoni en de wereldpremière van een opdrachtwerk: het Orgelconcert van Tristan Keuris.
Lees ook het interview met huisorganist Leo van Doeselaar. Of bekijk het orgel in feitjes & cijfers.
vr 10 & zo 12 april | Grote Zaal
Koninklijk Concertgebouworkest
Aurel Dawidiuk dirigent
Leo van Doeselaar orgel
Bestel hier kaarten
Bekijk het concertprogramma
Nog voor Het Concertgebouw er stond, wist het bestuur het al zeker: er moest in de Grote Zaal een respectabel pijporgel komen. Immers, het Paleis voor Volksvlijt op het Frederiksplein had zo’n concertorgel, en bijvoorbeeld ook het toenmalige Neue Gewandhaus te Leipzig, de grote zaal van de Wiener Musikverein en het Palais du Trocadéro te Parijs. Op 23 maart 1885, ruim een maand na de aanbesteding, viel daarom al de beslissing voor de bouw van een orgel.
Het duurde echter nog tot na de opening van Het Concertgebouw – het openingsconcert vond plaats op 11 april 1888 – voordat er geld kon worden gevonden en de opdracht kon worden verstrekt aan de gerenommeerde orgelbouwer Michael Maarschalkerweerd in Utrecht.
Inwijding
Op 10 oktober 1891 werd het voor die tijd moderne instrument met 46 stemmen, drie manualen en een vrij pedaal in gebruik genomen. Het had een warme, romantische klank. Tijdens een feestelijke ingebruikname trad niet alleen de vooraanstaande organist Jos. A. Verheijen op – hij was onder meer bekend van het Paleis voor Volksvlijt – ook werkte het Concertgebouworkest onder leiding van Willem Kes mee.
Het programma omvatte de Ouverture uit ‘Iphigénie en Aulide’ van Christoph Willibald von Gluck in een bewerking van Richard Wagner, het Orgelconcert in F groot, HWV 292 van Georg Friedrich Händel met strijkkwartet en twee hobo’s, de Fantasia en fuga in g klein, BWV 542 van Johann Sebastian Bach, het Largo uit Händels Xerxes, gespeeld door de concertmeester Christiaan Timmner met begeleiding van orgel en orkest, en tot slot de Eerste symfonie voor orgel en orkest van Alexandre Guilmant uit 1874.
Meervoudig gebruik
Een programma als dat was niet uniek. Zo vond op 30 maart 1876 in het Paleis voor Volksvlijt een ‘groot orgelconcert’ plaats dat eveneens werken omvatte voor orgel solo, orgel met één of meer andere instrumenten, en orkest en orgel. In de eerste decennia bleef het in Het Concertgebouw voorkomen dat een organist niet alleen als solist met het Concertgebouworkest optrad, maar in hetzelfde concert tevens alleen speelde.
Jean-Baptiste de Pauw, ‘een geniaal kunstenaar’ aldus Daniël de Lange in Het Nieuws van den Dag, speelde op 27 april 1899 de solopartij in het Orgelconcert in Bes groot, HWV 290 van Händel en na de pauze een van Bachs Preludes en fuga’s en het Andante cantabile uit Mozarts ‘Jupiter’-symfonie. Het orkest nam Mozarts Symfonie nr. 40, Bachs Air en de Ouverture uit ‘Les deux journées’ van Luigi Cherubini voor zijn rekening. Verder klonk het Maarschalkerweerdorgel bij uitvoeringen van grote koorgezelschappen, met één of meer solozangers, en tijdens andere samenkomsten.
Kleuren
Een bijzonder aspect is het gebruik van het orgel als orkest- of begeleidingsinstrument. Hierbij is de organist één te midden van velen en veelal niet expliciet genoemd in de programma’s. Zo klinkt tijdens de beginmaten van Richard Strauss’ Also sprach Zarathustra zacht een c in het pedaal; verder is het orgel slechts korte ogenblikken voluit aanwezig.
In 1951 was het instrument praktisch onbruikbaar
Een ander voorbeeld: de Achtste symfonie van Gustav Mahler. Al aan het begin mengt het orgel zich met de fortissimo-inzet van cello’s en contrabassen. Later wordt ook het ‘volle werk’ gebruikt, zoals aan het slot van het tweede deel. Daartussen kleurt het orgel het maximale volume van orkest en zangers, en speelt het met andere nuances. De Derde symfonie van Camille Saint-Saëns, de ‘Orgelsymfonie’, kan als een combinatie van een symfonie en een orgelconcert worden beschouwd.
Vaste organisten
In de 135 jaar van zijn bestaan werd het Maarschalkerweerdorgel vaak bespeeld door ‘huisorganisten’. Onder hen waren Anthon van der Horst (1899-1965), Piet van Egmond (1912-1982), Albert de Klerk (1917-1998), Bernard Bartelink (1929-2014) en Leo van Doeselaar (1954; opgeleid bij De Klerk aan het Amsterdamse conservatorium). Albert de Klerk werkte in de periode 1938-1976 bijvoorbeeld mee aan tal van concerten van het Concertgebouworkest. Hij gaf ook vele jaren een concert dat Het Concertgebouw op tweede kerstdag organiseerde, telkens samen met gerenommeerde musici als de alt Aafje Heynis en de sopraan Elly Ameling, maar ook met leden van het Concertgebouworkest.
Tijdens de in 1975 gestarte lunchconcerten van Het Concertgebouw werden geregeld orgelrecitals geprogrammeerd. Leo van Doeselaar, de huidige titulair organist van Het Concertgebouw, gaf al op 1 december 1976 een lunchconcert met muziek van vier Franse componisten uit verschillende eeuwen: Dandrieu, Boëly, Tournemire en Widor. Zijn eerste optredens met het Concertgebouworkest vonden plaats op 20 en 21 maart 1985, toen hij soleerde in Poulencs Concert voor orgel, strijkers en pauken onder leiding van David Zinman.
Restauraties
Een pijporgel heeft regelmatig onderhoud nodig, en soms groot onderhoud. In 1951 was het instrument in de Grote Zaal praktisch onbruikbaar. Na rijp beraad vonden in de periode 1954-1962 een grote restauratie en aanpassingen en uitbreiding plaats. Er kwam bijvoorbeeld een nieuwe, laagstaande elektrische speeltafel. Het derde manuaal werd in tweeën gesplitst, met het pijpwerk van elk nieuw klavier in een aparte zwelkast. Er kwamen nieuwe registers bij, en ook veranderde de romantische klank: er werd aansluiting gezocht bij de oud-Hollandse orgelklank. Zo kon het ook goed fungeren als continuo-instrument.
Het resultaat werd geprezen, maar in de jaren tachtig was het instrument er weer slecht aan toe en bijna gedegradeerd tot zaalversiering. Na uitgebreid onderzoek volgde van 1990 tot maart 1993 een restauratie door de wereldvermaarde Zaanse firma Flentrop Orgelbouw, waarbij het Maarschalkerweerdorgel zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat is teruggebracht. Een van de aanpassingen betrof de stemming: omdat die van orkesten in de loop van de tijd was gestegen, moest het orgel zich daarnaar voegen.
Repertoire
Het Maarschalkerweerdorgel is een van de weinige goed bewaarde monumentale instrumenten in een concertzaal. Het was en is geschikt voor een breed repertoire. Niet alleen voor een groot scala aan romantische orgelconcerten, maar ook voor eigentijdse composities. Dat bleek onder andere bij de heringebruikname op 18 maart 1993 tijdens een concert met het Concertgebouworkest en Leo van Doeselaar. Het programma bevatte onder andere de Toccata uit de Suite in modo conjuncto van Anthon van der Horst voor orgel solo, Feria voor vijf fluiten, vijf trompetten en orgel van Franco Donatoni en de wereldpremière van een opdrachtwerk: het Orgelconcert van Tristan Keuris.
Lees ook het interview met huisorganist Leo van Doeselaar. Of bekijk het orgel in feitjes & cijfers.
vr 10 & zo 12 april | Grote Zaal
Koninklijk Concertgebouworkest
Aurel Dawidiuk dirigent
Leo van Doeselaar orgel
Bestel hier kaarten
Bekijk het concertprogramma