Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier

Bachs Weihnachtsoratorium door het Nederlands Kamerkoor

Bachs Weihnachtsoratorium door het Nederlands Kamerkoor

Grote Zaal
16 december 2025
19.30 uur

Print dit programma

Nederlands Kamerkoor
Akademie für Alte Musik Berlin
Peter Dijkstra dirigent
Carolyn Sampson sopraan
Tim Mead countertenor
Zachary Wilder tenor
Krešimir Stražanac bas-bariton

Dit programma maakt deel uit van de serie Onsterfelijke Noten.

Dit concert wordt voorzien van boventiteling.

Johann Sebastian Bach (1685-1750)

Weihnachtsoratorium, BWV 248 (1734-35)
I. Teil: Am ersten heiligen Weihnachtsfeiertage
II. Teil: Am zweiten heiligen Weihnachtsfeiertage
III. Teil: Am dritten heiligen Weihnachtsfeiertage

pauze ± 20.55 uur

IV. Teil: Aufs Fest der Beschneidung Christi
V. Teil: Am Sonntage nach dem neuen Jahr
VI. Teil: Am Feste der Offenbarung Christi

einde ± 22.40 uur

Ook interessant:
- Interview met Peter Dijkstra
- Opvallende momenten in het Weihnachtsoratorium
- Het Weihnachtsoratorium in het kort

Grote Zaal 16 december 2025 19.30 uur

Nederlands Kamerkoor
Akademie für Alte Musik Berlin
Peter Dijkstra dirigent
Carolyn Sampson sopraan
Tim Mead countertenor
Zachary Wilder tenor
Krešimir Stražanac bas-bariton

Dit programma maakt deel uit van de serie Onsterfelijke Noten.

Dit concert wordt voorzien van boventiteling.

Johann Sebastian Bach (1685-1750)

Weihnachtsoratorium, BWV 248 (1734-35)
I. Teil: Am ersten heiligen Weihnachtsfeiertage
II. Teil: Am zweiten heiligen Weihnachtsfeiertage
III. Teil: Am dritten heiligen Weihnachtsfeiertage

pauze ± 20.55 uur

IV. Teil: Aufs Fest der Beschneidung Christi
V. Teil: Am Sonntage nach dem neuen Jahr
VI. Teil: Am Feste der Offenbarung Christi

einde ± 22.40 uur

Ook interessant:
- Interview met Peter Dijkstra
- Opvallende momenten in het Weihnachtsoratorium
- Het Weihnachtsoratorium in het kort

Toelichting

Johann Sebastian Bach (1685-1750)

Weihnachtsoratorium

door Agnes van der Horst

In 1734 had Johann Sebastian Bach al elf jaar van kerkcantates componeren achter de rug. In 1723 – direct na zijn benoeming als cantor van de vier belangrijkste Lutherse kerken in Leipzig – was hij ermee begonnen. Het werd tijd voor iets anders. Bach hoopte hofkapelmeester te worden van de nieuwe Saksische keurvorst in Dresden. August III hield van kunst en muziek en in zijn hofkapel werkten de beste musici van Europa. Met het componeren van feestelijke cantates die hij opdroeg aan de vorst probeerde Bach een voet tussen de paleisdeur te krijgen. Helaas lukte dat niet. Dus toen Kerstmis 1734 naderde zette Bach zich weer aan het schrijven van nieuwe kerstcantates, ook al lag zijn aandacht meer bij seculiere hofmuziek. Verschillende van die wereldlijke composities gaf hij in zijn nieuwe kerstcyclus een nieuwe gedaante. Zo is de muziek van Jauchzet, frohlocket, het juichende openingskoor van het Weihnachtsoratorium, afkomstig uit de verjaardagscantate voor de keurvorst. Maar liefst 17 van de 64 onderdelen van Bachs uit zes kerstcantates opgebouwde Weihnachtsoratorium zijn zogenoemde ‘parodieën’, bewerkingen van eerder geschreven koren en aria’s. 

Waarom deed Bach dat? Sommige Bach-kenners houden het op tijd­gebrek, anderen zeggen dat Bach juist díe composities hergebruikte, verfijnde en perfectioneerde die hij te goed vond om slechts eenmalig uitgevoerd te worden. Omdat de zes cantates een aansluitend verhaal vertellen noemde Bach ze samen het Weihnachtsoratorium. Maar ze werden los van elkaar uitgevoerd in de kerkdiensten van Eerste, Tweede en Derde Kerstdag, Nieuwjaarsdag, de zondag na Nieuwjaar en Driekoningen. De tekst voor het Weihnachtsoratorium komt voor een deel uit de Bijbel (de evangelies van Lucas, Johannes en Matteüs). De rest komt hoogstwaarschijnlijk van de dichter Picander, die al vaker teksten voor Bach had geschreven. De eerste drie cantates vertellen het kerstverhaal: de aankondiging en de geboorte van Jezus en de verering door de herders. De laatste drie hebben als th­ema de presentatie van Jezus in de tempel, de komst van de drie wijzen uit het Oosten en de vlucht voor Herodes naar Egypte.

De eerste drie delen

De cantate voor Eerste Kerstdag opent met een feestelijke uitbarsting van fluiten, pauken en trompetten. Ze functioneren als de ­herauten van het van vrolijkheid borrelende openingskoor: Jauchzet, ­frohlocket. In Bachs tijd waren trompetten uitsluitend bestemd voor muziek ter ere van wereldlijke vorsten. Bach zet ze hier bewust in om het koningschap van Christus te benadrukken. De alt-aria Bereite dich Zion was in een vroeger leven een woede-aria uit de hofcantate Herkules auf dem Scheide­wege (BWV 213), door Bach overtuigend omgetoverd tot een onvoorwaardelijke liefdesverklaring aan Jezus. Het koraal Wie soll ich dich empfangen leende Bach van het O Haupt voll Blut und Wunden uit de Matthäus-­Passion. Daar is het een klacht vol verdriet om het lijden van Christus. In het Weihnachtsoratorium klinken dezelfde melodielijnen verwachtingsvol en ingetogen. De rijk versierde bas-aria Grosser Herr, o starker König is een vorstelijk eerbetoon aan God. De Eerste Kerstdag wordt besloten met een bijna kinderlijk gebed: het intieme koraal Ach mein herzliebes Jesulein.

In 1734 had Johann Sebastian Bach al elf jaar van kerkcantates componeren achter de rug. In 1723 – direct na zijn benoeming als cantor van de vier belangrijkste Lutherse kerken in Leipzig – was hij ermee begonnen. Het werd tijd voor iets anders. Bach hoopte hofkapelmeester te worden van de nieuwe Saksische keurvorst in Dresden. August III hield van kunst en muziek en in zijn hofkapel werkten de beste musici van Europa. Met het componeren van feestelijke cantates die hij opdroeg aan de vorst probeerde Bach een voet tussen de paleisdeur te krijgen. Helaas lukte dat niet. Dus toen Kerstmis 1734 naderde zette Bach zich weer aan het schrijven van nieuwe kerstcantates, ook al lag zijn aandacht meer bij seculiere hofmuziek. Verschillende van die wereldlijke composities gaf hij in zijn nieuwe kerstcyclus een nieuwe gedaante. Zo is de muziek van Jauchzet, frohlocket, het juichende openingskoor van het Weihnachtsoratorium, afkomstig uit de verjaardagscantate voor de keurvorst. Maar liefst 17 van de 64 onderdelen van Bachs uit zes kerstcantates opgebouwde Weihnachtsoratorium zijn zogenoemde ‘parodieën’, bewerkingen van eerder geschreven koren en aria’s. 

Waarom deed Bach dat? Sommige Bach-kenners houden het op tijd­gebrek, anderen zeggen dat Bach juist díe composities hergebruikte, verfijnde en perfectioneerde die hij te goed vond om slechts eenmalig uitgevoerd te worden. Omdat de zes cantates een aansluitend verhaal vertellen noemde Bach ze samen het Weihnachtsoratorium. Maar ze werden los van elkaar uitgevoerd in de kerkdiensten van Eerste, Tweede en Derde Kerstdag, Nieuwjaarsdag, de zondag na Nieuwjaar en Driekoningen. De tekst voor het Weihnachtsoratorium komt voor een deel uit de Bijbel (de evangelies van Lucas, Johannes en Matteüs). De rest komt hoogstwaarschijnlijk van de dichter Picander, die al vaker teksten voor Bach had geschreven. De eerste drie cantates vertellen het kerstverhaal: de aankondiging en de geboorte van Jezus en de verering door de herders. De laatste drie hebben als th­ema de presentatie van Jezus in de tempel, de komst van de drie wijzen uit het Oosten en de vlucht voor Herodes naar Egypte.

De eerste drie delen

De cantate voor Eerste Kerstdag opent met een feestelijke uitbarsting van fluiten, pauken en trompetten. Ze functioneren als de ­herauten van het van vrolijkheid borrelende openingskoor: Jauchzet, ­frohlocket. In Bachs tijd waren trompetten uitsluitend bestemd voor muziek ter ere van wereldlijke vorsten. Bach zet ze hier bewust in om het koningschap van Christus te benadrukken. De alt-aria Bereite dich Zion was in een vroeger leven een woede-aria uit de hofcantate Herkules auf dem Scheide­wege (BWV 213), door Bach overtuigend omgetoverd tot een onvoorwaardelijke liefdesverklaring aan Jezus. Het koraal Wie soll ich dich empfangen leende Bach van het O Haupt voll Blut und Wunden uit de Matthäus-­Passion. Daar is het een klacht vol verdriet om het lijden van Christus. In het Weihnachtsoratorium klinken dezelfde melodielijnen verwachtingsvol en ingetogen. De rijk versierde bas-aria Grosser Herr, o starker König is een vorstelijk eerbetoon aan God. De Eerste Kerstdag wordt besloten met een bijna kinderlijk gebed: het intieme koraal Ach mein herzliebes Jesulein.

  • Zingende engelen; altaarstuk in de Sint-Baafskathedraal in Gent door Jan Van Eyck, circa 1430-32

    Door: Jan Van Eyck

    Zingende engelen; altaarstuk in de Sint-Baafskathedraal in Gent door Jan Van Eyck, circa 1430-32

    Door: Jan Van Eyck

  • Zingende engelen; altaarstuk in de Sint-Baafskathedraal in Gent door Jan Van Eyck, circa 1430-32

    Door: Jan Van Eyck

    Zingende engelen; altaarstuk in de Sint-Baafskathedraal in Gent door Jan Van Eyck, circa 1430-32

    Door: Jan Van Eyck

Zingende engelen; altaarstuk in de Sint-Baafskathedraal in Gent door Jan Van Eyck, circa 1430-32

In het tweede deel spelen (blok-)fluiten en hobo’s (in de Barok de pastorale instrumenten) een grote rol. In de instrumentale Sin­fonia bepalen ze de klank met sierlijke en vredige dialogen. Het erop volgende recitatief van de evangelist verhaalt van de ­verschijning van de engel aan de herders. De tenor-aria Frohe Hirten, eilt, ach eilet is een schitterend voorbeeld van tekst­uitdrukking door muziek: de snelle, lange melismen op ‘eilt’ zorgen voor een sfeer van haast en ongeduldige verwachting. Met de ontroerende alt-aria Schlafe mein Liebster zette Bach het mooiste wiegelied uit de muziek­literatuur op zijn naam.

Deel 3 is het slot van de eerste helft van het Weihnachtsoratorium. Deze eerste drie delen zag Bach als een eenheid, wat onder meer blijkt uit de toonsoort D groot die hij kiest voor zowel de eerste als de derde cantate. Ook het energieke openingskoor, dat in de tweede cantate ontbrak, is weer terug. Het koraal Dies hat er alles uns getan is een innig dankgebed dat verder wordt uitgewerkt in het duet voor sopraan en bas, Herr, dein Mitleid, dein Erbarmen (oorspronkelijk een liefdeslied uit de seculiere Hercules-cantate, waar de componist ook voor de eerste cantate uit putte). In het slotkoraal Seid froh, dieweil grijpt Bach bovendien terug op het openingskoor van diezelfde cantate. 

De laatste drie delen

Het vierde deel opent met een krachtig jubelkoor dat, evenals de openingskoren van de delen 1, 3, 5 en 6, in een levendige 3/8-maat staat. Schallende hoorns versterken de onbekommerde jubelstemming. Een hoogtepunt in deze cantate is de dramatische echo-aria Flösst mein Heiland. Oorspronkelijk was het een sensueel duet (tussen Hercules en de mythische god Ech) uit Herkules auf dem Scheide­wege. Hier is het een innig liefdeslied voor Christus van een gelovige die overal de naam van haar heiland hoort. De echopartij wordt vertolkt door de solohobo en een tweede sopraan, maar heel soms komt er zomaar een echo, als uit de hemel. Een magische vondst van Bach! De virtuoze tenor-aria Ich will nur dir zu Ehren leben zet ons met een fraai loflied weer met de voeten op de grond.

Het vijfde deel opent met het enige openingskoor dat Bach nieuw voor deze cyclus schreef, het dansante Ehre sei dir, Gott, gesungen. Voor de krachtige bas-aria Erleuchtet auch mein finstre Sinnen (met suggestieve tekstexpressie op de woorden ‘durch der Strahlen klaren Schein’) maakte Bach gebruik van een andere aan de keurvorst gewijde cantate, Preise dein Glücke, gesegnetes Sachsen (BWV 215). Het terzet van sopraan, tenor en alt Ach, wenn wird die Zeit erscheinen is een prachtig theatraal moment, dat het verlangen uitdrukt van de wijzen uit het Oosten (en, met hen, alle gelovigen) naar het aanschouwen van de Verlosser.

Het laatste deel van het Weihnachtsoratorium staat in het teken van de vreugde om de komst van Jezus en de overwinning op zonde, dood en duivel. Het opent weer met een feestelijk en groots opgezet koor, Herr, wenn die stolzen Feinde schnauben, dat – zoals ook het allereerste openingskoor – in de feestelijke toonsoort D groot staat. Het koraal Ich steh an deiner Krippen hier is een van de weinige wat meer ingetogen nummers van dit deel, want met de trotse tenor-aria Nun mögt ihr stolzen Feinde schrecken keert de overwinningsstemming weer terug. Voor het slotkoor Nun seid ihr wohl gerochen is evenals voor het koraal Wie soll ich dich empfangen van deel 1 het passiekoraal O Haupt voll Blut und Wunden gebruikt, waarmee Bach zijn cyclus van zes kerstcantates volmaakt afrondt.

Zingende engelen; altaarstuk in de Sint-Baafskathedraal in Gent door Jan Van Eyck, circa 1430-32

In het tweede deel spelen (blok-)fluiten en hobo’s (in de Barok de pastorale instrumenten) een grote rol. In de instrumentale Sin­fonia bepalen ze de klank met sierlijke en vredige dialogen. Het erop volgende recitatief van de evangelist verhaalt van de ­verschijning van de engel aan de herders. De tenor-aria Frohe Hirten, eilt, ach eilet is een schitterend voorbeeld van tekst­uitdrukking door muziek: de snelle, lange melismen op ‘eilt’ zorgen voor een sfeer van haast en ongeduldige verwachting. Met de ontroerende alt-aria Schlafe mein Liebster zette Bach het mooiste wiegelied uit de muziek­literatuur op zijn naam.

Deel 3 is het slot van de eerste helft van het Weihnachtsoratorium. Deze eerste drie delen zag Bach als een eenheid, wat onder meer blijkt uit de toonsoort D groot die hij kiest voor zowel de eerste als de derde cantate. Ook het energieke openingskoor, dat in de tweede cantate ontbrak, is weer terug. Het koraal Dies hat er alles uns getan is een innig dankgebed dat verder wordt uitgewerkt in het duet voor sopraan en bas, Herr, dein Mitleid, dein Erbarmen (oorspronkelijk een liefdeslied uit de seculiere Hercules-cantate, waar de componist ook voor de eerste cantate uit putte). In het slotkoraal Seid froh, dieweil grijpt Bach bovendien terug op het openingskoor van diezelfde cantate. 

De laatste drie delen

Het vierde deel opent met een krachtig jubelkoor dat, evenals de openingskoren van de delen 1, 3, 5 en 6, in een levendige 3/8-maat staat. Schallende hoorns versterken de onbekommerde jubelstemming. Een hoogtepunt in deze cantate is de dramatische echo-aria Flösst mein Heiland. Oorspronkelijk was het een sensueel duet (tussen Hercules en de mythische god Ech) uit Herkules auf dem Scheide­wege. Hier is het een innig liefdeslied voor Christus van een gelovige die overal de naam van haar heiland hoort. De echopartij wordt vertolkt door de solohobo en een tweede sopraan, maar heel soms komt er zomaar een echo, als uit de hemel. Een magische vondst van Bach! De virtuoze tenor-aria Ich will nur dir zu Ehren leben zet ons met een fraai loflied weer met de voeten op de grond.

Het vijfde deel opent met het enige openingskoor dat Bach nieuw voor deze cyclus schreef, het dansante Ehre sei dir, Gott, gesungen. Voor de krachtige bas-aria Erleuchtet auch mein finstre Sinnen (met suggestieve tekstexpressie op de woorden ‘durch der Strahlen klaren Schein’) maakte Bach gebruik van een andere aan de keurvorst gewijde cantate, Preise dein Glücke, gesegnetes Sachsen (BWV 215). Het terzet van sopraan, tenor en alt Ach, wenn wird die Zeit erscheinen is een prachtig theatraal moment, dat het verlangen uitdrukt van de wijzen uit het Oosten (en, met hen, alle gelovigen) naar het aanschouwen van de Verlosser.

Het laatste deel van het Weihnachtsoratorium staat in het teken van de vreugde om de komst van Jezus en de overwinning op zonde, dood en duivel. Het opent weer met een feestelijk en groots opgezet koor, Herr, wenn die stolzen Feinde schnauben, dat – zoals ook het allereerste openingskoor – in de feestelijke toonsoort D groot staat. Het koraal Ich steh an deiner Krippen hier is een van de weinige wat meer ingetogen nummers van dit deel, want met de trotse tenor-aria Nun mögt ihr stolzen Feinde schrecken keert de overwinningsstemming weer terug. Voor het slotkoor Nun seid ihr wohl gerochen is evenals voor het koraal Wie soll ich dich empfangen van deel 1 het passiekoraal O Haupt voll Blut und Wunden gebruikt, waarmee Bach zijn cyclus van zes kerstcantates volmaakt afrondt.

door Agnes van der Horst

Johann Sebastian Bach (1685-1750)

Weihnachtsoratorium

door Agnes van der Horst

In 1734 had Johann Sebastian Bach al elf jaar van kerkcantates componeren achter de rug. In 1723 – direct na zijn benoeming als cantor van de vier belangrijkste Lutherse kerken in Leipzig – was hij ermee begonnen. Het werd tijd voor iets anders. Bach hoopte hofkapelmeester te worden van de nieuwe Saksische keurvorst in Dresden. August III hield van kunst en muziek en in zijn hofkapel werkten de beste musici van Europa. Met het componeren van feestelijke cantates die hij opdroeg aan de vorst probeerde Bach een voet tussen de paleisdeur te krijgen. Helaas lukte dat niet. Dus toen Kerstmis 1734 naderde zette Bach zich weer aan het schrijven van nieuwe kerstcantates, ook al lag zijn aandacht meer bij seculiere hofmuziek. Verschillende van die wereldlijke composities gaf hij in zijn nieuwe kerstcyclus een nieuwe gedaante. Zo is de muziek van Jauchzet, frohlocket, het juichende openingskoor van het Weihnachtsoratorium, afkomstig uit de verjaardagscantate voor de keurvorst. Maar liefst 17 van de 64 onderdelen van Bachs uit zes kerstcantates opgebouwde Weihnachtsoratorium zijn zogenoemde ‘parodieën’, bewerkingen van eerder geschreven koren en aria’s. 

Waarom deed Bach dat? Sommige Bach-kenners houden het op tijd­gebrek, anderen zeggen dat Bach juist díe composities hergebruikte, verfijnde en perfectioneerde die hij te goed vond om slechts eenmalig uitgevoerd te worden. Omdat de zes cantates een aansluitend verhaal vertellen noemde Bach ze samen het Weihnachtsoratorium. Maar ze werden los van elkaar uitgevoerd in de kerkdiensten van Eerste, Tweede en Derde Kerstdag, Nieuwjaarsdag, de zondag na Nieuwjaar en Driekoningen. De tekst voor het Weihnachtsoratorium komt voor een deel uit de Bijbel (de evangelies van Lucas, Johannes en Matteüs). De rest komt hoogstwaarschijnlijk van de dichter Picander, die al vaker teksten voor Bach had geschreven. De eerste drie cantates vertellen het kerstverhaal: de aankondiging en de geboorte van Jezus en de verering door de herders. De laatste drie hebben als th­ema de presentatie van Jezus in de tempel, de komst van de drie wijzen uit het Oosten en de vlucht voor Herodes naar Egypte.

De eerste drie delen

De cantate voor Eerste Kerstdag opent met een feestelijke uitbarsting van fluiten, pauken en trompetten. Ze functioneren als de ­herauten van het van vrolijkheid borrelende openingskoor: Jauchzet, ­frohlocket. In Bachs tijd waren trompetten uitsluitend bestemd voor muziek ter ere van wereldlijke vorsten. Bach zet ze hier bewust in om het koningschap van Christus te benadrukken. De alt-aria Bereite dich Zion was in een vroeger leven een woede-aria uit de hofcantate Herkules auf dem Scheide­wege (BWV 213), door Bach overtuigend omgetoverd tot een onvoorwaardelijke liefdesverklaring aan Jezus. Het koraal Wie soll ich dich empfangen leende Bach van het O Haupt voll Blut und Wunden uit de Matthäus-­Passion. Daar is het een klacht vol verdriet om het lijden van Christus. In het Weihnachtsoratorium klinken dezelfde melodielijnen verwachtingsvol en ingetogen. De rijk versierde bas-aria Grosser Herr, o starker König is een vorstelijk eerbetoon aan God. De Eerste Kerstdag wordt besloten met een bijna kinderlijk gebed: het intieme koraal Ach mein herzliebes Jesulein.

In 1734 had Johann Sebastian Bach al elf jaar van kerkcantates componeren achter de rug. In 1723 – direct na zijn benoeming als cantor van de vier belangrijkste Lutherse kerken in Leipzig – was hij ermee begonnen. Het werd tijd voor iets anders. Bach hoopte hofkapelmeester te worden van de nieuwe Saksische keurvorst in Dresden. August III hield van kunst en muziek en in zijn hofkapel werkten de beste musici van Europa. Met het componeren van feestelijke cantates die hij opdroeg aan de vorst probeerde Bach een voet tussen de paleisdeur te krijgen. Helaas lukte dat niet. Dus toen Kerstmis 1734 naderde zette Bach zich weer aan het schrijven van nieuwe kerstcantates, ook al lag zijn aandacht meer bij seculiere hofmuziek. Verschillende van die wereldlijke composities gaf hij in zijn nieuwe kerstcyclus een nieuwe gedaante. Zo is de muziek van Jauchzet, frohlocket, het juichende openingskoor van het Weihnachtsoratorium, afkomstig uit de verjaardagscantate voor de keurvorst. Maar liefst 17 van de 64 onderdelen van Bachs uit zes kerstcantates opgebouwde Weihnachtsoratorium zijn zogenoemde ‘parodieën’, bewerkingen van eerder geschreven koren en aria’s. 

Waarom deed Bach dat? Sommige Bach-kenners houden het op tijd­gebrek, anderen zeggen dat Bach juist díe composities hergebruikte, verfijnde en perfectioneerde die hij te goed vond om slechts eenmalig uitgevoerd te worden. Omdat de zes cantates een aansluitend verhaal vertellen noemde Bach ze samen het Weihnachtsoratorium. Maar ze werden los van elkaar uitgevoerd in de kerkdiensten van Eerste, Tweede en Derde Kerstdag, Nieuwjaarsdag, de zondag na Nieuwjaar en Driekoningen. De tekst voor het Weihnachtsoratorium komt voor een deel uit de Bijbel (de evangelies van Lucas, Johannes en Matteüs). De rest komt hoogstwaarschijnlijk van de dichter Picander, die al vaker teksten voor Bach had geschreven. De eerste drie cantates vertellen het kerstverhaal: de aankondiging en de geboorte van Jezus en de verering door de herders. De laatste drie hebben als th­ema de presentatie van Jezus in de tempel, de komst van de drie wijzen uit het Oosten en de vlucht voor Herodes naar Egypte.

De eerste drie delen

De cantate voor Eerste Kerstdag opent met een feestelijke uitbarsting van fluiten, pauken en trompetten. Ze functioneren als de ­herauten van het van vrolijkheid borrelende openingskoor: Jauchzet, ­frohlocket. In Bachs tijd waren trompetten uitsluitend bestemd voor muziek ter ere van wereldlijke vorsten. Bach zet ze hier bewust in om het koningschap van Christus te benadrukken. De alt-aria Bereite dich Zion was in een vroeger leven een woede-aria uit de hofcantate Herkules auf dem Scheide­wege (BWV 213), door Bach overtuigend omgetoverd tot een onvoorwaardelijke liefdesverklaring aan Jezus. Het koraal Wie soll ich dich empfangen leende Bach van het O Haupt voll Blut und Wunden uit de Matthäus-­Passion. Daar is het een klacht vol verdriet om het lijden van Christus. In het Weihnachtsoratorium klinken dezelfde melodielijnen verwachtingsvol en ingetogen. De rijk versierde bas-aria Grosser Herr, o starker König is een vorstelijk eerbetoon aan God. De Eerste Kerstdag wordt besloten met een bijna kinderlijk gebed: het intieme koraal Ach mein herzliebes Jesulein.

  • Zingende engelen; altaarstuk in de Sint-Baafskathedraal in Gent door Jan Van Eyck, circa 1430-32

    Door: Jan Van Eyck

    Zingende engelen; altaarstuk in de Sint-Baafskathedraal in Gent door Jan Van Eyck, circa 1430-32

    Door: Jan Van Eyck

  • Zingende engelen; altaarstuk in de Sint-Baafskathedraal in Gent door Jan Van Eyck, circa 1430-32

    Door: Jan Van Eyck

    Zingende engelen; altaarstuk in de Sint-Baafskathedraal in Gent door Jan Van Eyck, circa 1430-32

    Door: Jan Van Eyck

Zingende engelen; altaarstuk in de Sint-Baafskathedraal in Gent door Jan Van Eyck, circa 1430-32

In het tweede deel spelen (blok-)fluiten en hobo’s (in de Barok de pastorale instrumenten) een grote rol. In de instrumentale Sin­fonia bepalen ze de klank met sierlijke en vredige dialogen. Het erop volgende recitatief van de evangelist verhaalt van de ­verschijning van de engel aan de herders. De tenor-aria Frohe Hirten, eilt, ach eilet is een schitterend voorbeeld van tekst­uitdrukking door muziek: de snelle, lange melismen op ‘eilt’ zorgen voor een sfeer van haast en ongeduldige verwachting. Met de ontroerende alt-aria Schlafe mein Liebster zette Bach het mooiste wiegelied uit de muziek­literatuur op zijn naam.

Deel 3 is het slot van de eerste helft van het Weihnachtsoratorium. Deze eerste drie delen zag Bach als een eenheid, wat onder meer blijkt uit de toonsoort D groot die hij kiest voor zowel de eerste als de derde cantate. Ook het energieke openingskoor, dat in de tweede cantate ontbrak, is weer terug. Het koraal Dies hat er alles uns getan is een innig dankgebed dat verder wordt uitgewerkt in het duet voor sopraan en bas, Herr, dein Mitleid, dein Erbarmen (oorspronkelijk een liefdeslied uit de seculiere Hercules-cantate, waar de componist ook voor de eerste cantate uit putte). In het slotkoraal Seid froh, dieweil grijpt Bach bovendien terug op het openingskoor van diezelfde cantate. 

De laatste drie delen

Het vierde deel opent met een krachtig jubelkoor dat, evenals de openingskoren van de delen 1, 3, 5 en 6, in een levendige 3/8-maat staat. Schallende hoorns versterken de onbekommerde jubelstemming. Een hoogtepunt in deze cantate is de dramatische echo-aria Flösst mein Heiland. Oorspronkelijk was het een sensueel duet (tussen Hercules en de mythische god Ech) uit Herkules auf dem Scheide­wege. Hier is het een innig liefdeslied voor Christus van een gelovige die overal de naam van haar heiland hoort. De echopartij wordt vertolkt door de solohobo en een tweede sopraan, maar heel soms komt er zomaar een echo, als uit de hemel. Een magische vondst van Bach! De virtuoze tenor-aria Ich will nur dir zu Ehren leben zet ons met een fraai loflied weer met de voeten op de grond.

Het vijfde deel opent met het enige openingskoor dat Bach nieuw voor deze cyclus schreef, het dansante Ehre sei dir, Gott, gesungen. Voor de krachtige bas-aria Erleuchtet auch mein finstre Sinnen (met suggestieve tekstexpressie op de woorden ‘durch der Strahlen klaren Schein’) maakte Bach gebruik van een andere aan de keurvorst gewijde cantate, Preise dein Glücke, gesegnetes Sachsen (BWV 215). Het terzet van sopraan, tenor en alt Ach, wenn wird die Zeit erscheinen is een prachtig theatraal moment, dat het verlangen uitdrukt van de wijzen uit het Oosten (en, met hen, alle gelovigen) naar het aanschouwen van de Verlosser.

Het laatste deel van het Weihnachtsoratorium staat in het teken van de vreugde om de komst van Jezus en de overwinning op zonde, dood en duivel. Het opent weer met een feestelijk en groots opgezet koor, Herr, wenn die stolzen Feinde schnauben, dat – zoals ook het allereerste openingskoor – in de feestelijke toonsoort D groot staat. Het koraal Ich steh an deiner Krippen hier is een van de weinige wat meer ingetogen nummers van dit deel, want met de trotse tenor-aria Nun mögt ihr stolzen Feinde schrecken keert de overwinningsstemming weer terug. Voor het slotkoor Nun seid ihr wohl gerochen is evenals voor het koraal Wie soll ich dich empfangen van deel 1 het passiekoraal O Haupt voll Blut und Wunden gebruikt, waarmee Bach zijn cyclus van zes kerstcantates volmaakt afrondt.

Zingende engelen; altaarstuk in de Sint-Baafskathedraal in Gent door Jan Van Eyck, circa 1430-32

In het tweede deel spelen (blok-)fluiten en hobo’s (in de Barok de pastorale instrumenten) een grote rol. In de instrumentale Sin­fonia bepalen ze de klank met sierlijke en vredige dialogen. Het erop volgende recitatief van de evangelist verhaalt van de ­verschijning van de engel aan de herders. De tenor-aria Frohe Hirten, eilt, ach eilet is een schitterend voorbeeld van tekst­uitdrukking door muziek: de snelle, lange melismen op ‘eilt’ zorgen voor een sfeer van haast en ongeduldige verwachting. Met de ontroerende alt-aria Schlafe mein Liebster zette Bach het mooiste wiegelied uit de muziek­literatuur op zijn naam.

Deel 3 is het slot van de eerste helft van het Weihnachtsoratorium. Deze eerste drie delen zag Bach als een eenheid, wat onder meer blijkt uit de toonsoort D groot die hij kiest voor zowel de eerste als de derde cantate. Ook het energieke openingskoor, dat in de tweede cantate ontbrak, is weer terug. Het koraal Dies hat er alles uns getan is een innig dankgebed dat verder wordt uitgewerkt in het duet voor sopraan en bas, Herr, dein Mitleid, dein Erbarmen (oorspronkelijk een liefdeslied uit de seculiere Hercules-cantate, waar de componist ook voor de eerste cantate uit putte). In het slotkoraal Seid froh, dieweil grijpt Bach bovendien terug op het openingskoor van diezelfde cantate. 

De laatste drie delen

Het vierde deel opent met een krachtig jubelkoor dat, evenals de openingskoren van de delen 1, 3, 5 en 6, in een levendige 3/8-maat staat. Schallende hoorns versterken de onbekommerde jubelstemming. Een hoogtepunt in deze cantate is de dramatische echo-aria Flösst mein Heiland. Oorspronkelijk was het een sensueel duet (tussen Hercules en de mythische god Ech) uit Herkules auf dem Scheide­wege. Hier is het een innig liefdeslied voor Christus van een gelovige die overal de naam van haar heiland hoort. De echopartij wordt vertolkt door de solohobo en een tweede sopraan, maar heel soms komt er zomaar een echo, als uit de hemel. Een magische vondst van Bach! De virtuoze tenor-aria Ich will nur dir zu Ehren leben zet ons met een fraai loflied weer met de voeten op de grond.

Het vijfde deel opent met het enige openingskoor dat Bach nieuw voor deze cyclus schreef, het dansante Ehre sei dir, Gott, gesungen. Voor de krachtige bas-aria Erleuchtet auch mein finstre Sinnen (met suggestieve tekstexpressie op de woorden ‘durch der Strahlen klaren Schein’) maakte Bach gebruik van een andere aan de keurvorst gewijde cantate, Preise dein Glücke, gesegnetes Sachsen (BWV 215). Het terzet van sopraan, tenor en alt Ach, wenn wird die Zeit erscheinen is een prachtig theatraal moment, dat het verlangen uitdrukt van de wijzen uit het Oosten (en, met hen, alle gelovigen) naar het aanschouwen van de Verlosser.

Het laatste deel van het Weihnachtsoratorium staat in het teken van de vreugde om de komst van Jezus en de overwinning op zonde, dood en duivel. Het opent weer met een feestelijk en groots opgezet koor, Herr, wenn die stolzen Feinde schnauben, dat – zoals ook het allereerste openingskoor – in de feestelijke toonsoort D groot staat. Het koraal Ich steh an deiner Krippen hier is een van de weinige wat meer ingetogen nummers van dit deel, want met de trotse tenor-aria Nun mögt ihr stolzen Feinde schrecken keert de overwinningsstemming weer terug. Voor het slotkoor Nun seid ihr wohl gerochen is evenals voor het koraal Wie soll ich dich empfangen van deel 1 het passiekoraal O Haupt voll Blut und Wunden gebruikt, waarmee Bach zijn cyclus van zes kerstcantates volmaakt afrondt.

door Agnes van der Horst

Biografie

Nederlands Kamerkoor, koor

Het Nederlands Kamerkoor voert repertoire uit van de vroege Middeleeuwen tot de muziek van morgen. Het werkt samen met acteurs, dansers, dj’s en vj’s, componisten, dichters en wetenschappers. Het koor won in 2017 De Ovatie van de VSCD voor het programma Via Crucis onder leiding van Reinbert de Leeuw, en in 2019 won het de Rotterdamse Operadagen Award.

Vanuit zijn thuisbasis in Utrecht zet het Nederlands Kamerkoor zich in voor een bloeiende koorwereld met onder meer het traineeship NKK NXT voor jonge professionals en de Zing­dagen voor amateurkoren. Oprichter Felix de Nobel was chef-dirigent van 1937 tot 1972; hij gaf opdrachten aan componisten als Francis Poulenc en Frank Martin.

Opvolgers waren Hans van de Hombergh (1972-1976), Kerry Woodward (1977-1980), Uwe Gronostay (1988-1997), Tõnu Kaljuste (1998-2000), Stephen Layton (2002-2005) en Risto Joost (2011-2015). Sinds 2015 is Peter Dijkstra chef-­dirigent. De laatste decennia werden compositieopdrachten verleend aan onder anderen David Lang, Michel van der Aa, Sofia Goebaidoelina, James MacMillan en Caroline Shaw. De vorige samenwerking met het Concertgebouworkest betrof Bachs Matthäus-Passion onder Riccardo Minasi in april 2025.

Akademie für Alte Musik Berlin, kamerorkest

De Akademie für Alte Musik Berlin (afgekort Akamus) werd opgericht in 1982 en behoort tot de wereldtop in de historisch geïnfomeerde uitvoeringspraktijk. In zijn jubileumjaar 2022 was het gezelschap in residence in zowel Wigmore Hall in Londen als op het Deutsches Mozartfest Augsburg.

In thuisstad Berlijn heeft Akamus al sinds 1984 een eigen concertserie in het Konzerthaus, aan de Staatsoper begeleidt het sinds 1994 barokopera’s en al meer dan dertig jaar werkt Akamus zeer geregeld samen met het RIAS Kammerchor. Ook zijn er hechte banden met het Chor des Bayerischen Rundfunks en de Audi Jugendchorakademie.

De uitvoeringen van Akamus staan onder leiding van concertmeesters ­Bernhard Forck, Georg Kallweit en Mayumi Hirasaki, maar ook van ­gastdirigenten als Emmanuelle Haïm, Bernard ­Labadie, Paul Agnew, Diego Fasolis, Fabio ­Biondi, Rinaldo Alessandrini, ­Christophe Rousset en Francesco Corti; een langdurige band hebben de musici met dirigent René Jacobs. Akamus werkt met internationale solisten als Isabelle Faust, Kit Armstrong, Alexander Melnikov en ­Carlo Vistoli, en met Sasha Waltz & Guests vierde het orkest van Berlijn tot Sydney successen met een gedanste versie van Purcells Dido and Aeneas.

Naast vele prijzen voor zijn discografie kreeg Akamus in 2006 de Telemann-Preis van de stad Magdeburg en in 2014 in Leipzig de Ba­ch-Medaille. Deze maand is Akamus tweemaal in Het Concertgebouw te beluisteren, namelijk ook in Het Zondagochtend Concert van 7 december.

Peter Dijkstra, dirigent

Peter Dijkstra studeerde koor­directie, orkestdirectie en solozang in Den Haag, Keulen en Stockholm. Met de Kersjesprijs 2002 en de Eric Ericson Award 2003 kwam zijn internationale carrière op gang.

Van 2005 tot 2016 was hij artistiek leider van het Chor des Bayerischen Rundfunks in München en van 2007 tot 2018 chef-­dirigent van het Zweeds Radio Koor, waar hij eredirigent bleef. In 2015 werd hij, na lang eerste gastdirigent te zijn geweest, chef-dirigent van het Nederlands Kamerkoor, en in 2018 ook eerste gastdirigent van het Groot Omroepkoor.

Sinds 2022 is hij bovendien opnieuw artistiek leider van het Chor des ­Bayerischen Rundfunks. Naast zijn ­vaste verbintenissen is Peter Dijkstra een veelgevraagde gast bij gerenommeerde koren als het RIAS Kammerchor Berlin, de WDR, MDR en NDR Rundfunkchöre, de BBC Singers en het Ests Philharmonisch Kamerkoor.

Ook het ­Scottish Chamber Orchestra, het Zweeds Radio Orkest, het Japan ­Philharmonic Orchestra, het Tokyo Metropolitan Symphony Orchestra, verschillende Nederlandse orkesten en gespecialiseerde barokensembles engageerden hem.

Peter Dijkstra leidde premières van Esa-Pekka Salonen, Lera Auerbach, Einojuhani Rautavaara, ­Caroline Shaw en JacobTV, en is een pleitbezorger voor jong compositietalent in de ­koormuziek. Hij geeft regelmatig dirigentenmasterclasses, was van 2016 tot 2020 verbonden aan de Hochschule für Musik in Keulen en doceert sinds najaar 2023 koordirectie aan de Hochschule für Musik in Neurenberg.

Carolyn Sampson, sopraan

Carolyn Sampson soleerde bij het Freiburger Barockorchester, The English Concert, The Sixteen, het Hallé Orchestra, Britten Sinfonia, het Gewandhausorchester Leipzig, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het Mozarteum­orchester Salzburg en de orkesten van San Francisco, Boston, Cincinnati, Philadelphia en Detroit.

Het Concertgebouworkest vroeg haar sinds 2002 meermaals voor Bachs Passionen, het Orkest van de Achttiende Eeuw en Cappella ­Amsterdam voor de Johannes-­Passion, Mozarts Requiem, Beethovens Missa solemnis en Brahms’ Ein deutsches Requiem en het Bach Collegium Japan voor Mozarts Mis in c klein.

De Britse sopraan werd ook geëngageerd door de bekende opera­huizen en door het Glyndebourne Opera Festival, de BBC Proms, de Salzburger Festspiele, het Mostly Mozart Festival in New York en het Boston Early Music Festival. Recitals geeft ze graag tijdens de festivals van Oxford, Leeds, Saintes en Aldeburgh en op de bekende liedpodia als Wigmore Hall in Londen, het Wiener Konzerthaus, de Alte Oper Frankfurt, deSingel in Antwerpen, Carnegie Hall in New York en de ­Pierre Boulez Saal in Berlijn.

Haar meest ­recente recital in de Kleine Zaal was in december 2022 met ­pianist Joseph Middleton, haar vorige optreden in de Grote Zaal was in november 2024 met PRJCT Amsterdam en Maarten Engeltjes (Vivaldi en Pergolesi).

Tim Mead, countertenor

De Engelse countertenor Tim Mead studeerde cello, piano en muziekwetenschappen aan ­Trinity College of Music in Londen en King’s College in Cambridge. Daarna studeerde hij zang aan het Royal College of Music bij Robin Blaze. Op operagebied legt hij zich toe op het barokrepertoire, maar hij was ook te horen in uitvoeringen van hedendaagse componisten als George Benjamin, Harrison Birtwistle en Philip Glass.

Tim Mead zong in verschillende operahuizen waaronder English National Opera, The Royal Opera Covent Garden, de Opéra National de Paris en de Bayerische Staatsoper en was meermaals te gast op het ­Glyndebourne Festival.

Bij De Nationale Opera was hij te horen in Cavalli’s Ercole amante (2009), Brittens Death in Venice (2013) en Händels Agrippina (2024). Met het Nederlands Kamerkoor stond hij de laatste tijd regelmatig in de Grote Zaal: in maart 2024 met Bachs Matthäus-­Passion, in oktober van dat jaar in Pergolesi’s Stabat Mater en in december 2025 in Bachs Weihnachtsoratorium. Tim Mead werkt voor het eerst samen met het ­Concertgebouworkest.

Zachary Wilder, tenor

De Amerikaanse tenor Zachary Wilder begon zijn studie in Rochester, New York en vestigde zich in Frankrijk toen dirigent William Christie hem uitnodigde voor Le Jardin des Voix, de academie van Les Arts Florissants.

De zanger soleerde ook bij de Nederlandse Bachvereniging (Bachs Matthäus-Passion in 2022, onder meer in Het Concertgebouw), L’Arpeggiata, il Pomo d’Oro, Le Concert d’Astrée, de Capella Cracoviensis, het Bach ­Collegium Japan, de Handel & Haydn Society en het Boston Early Music Festival.

Hij zingt graag oratoria en concerten, en voelt zich evenzeer thuis op het operapodium. Zo was hij te gast aan de theaters van Wenen, Versailles, Montpellier (Sartorio’s L’Orfeo onder leiding van Philippe Jaroussky), Drottningholm en Amsterdam (Le lacrime di Eros met Pygmalion en Raphaël Pichon) en op het Festival d’Aix-en-Provence (­Cavalli).

In symfonisch repertoire (Walton, Britten) trad Zachary Wilder op met het Royal Philharmonic Orchestra en de orkesten van San Francisco en Saint Louis. Op het Festival Musica in Straatsburg en in de Philharmonie de Paris vertolkte hij de rol van Mark in Frank Zappa’s 200 Motels. In Het Concertgebouw was Zachary Wilder onder meer te beluisteren in Bachs ­Weih­nachtsoratorium met het Nederlands Kamerkoor en Peter Dijkstra in 2023 en 2025.

Kresimir Stražanac, bas

Krešimir Stražanac ­studeerde zang bij Dunja Vejzović en lied­interpretatie bij Cornelis ­Witthoefft aan de Staatliche Hochschule für Musik und darstellende Kunst Stuttgart en privé bij Jane ­Thorner ­Mengedoht en Hanns-Friedrich Kunz. Hij won prijzen op de Cantilena Gesangswettbewerb in Bayreuth en het Internationale Hugo Wolf Concours in Slovenië. 

Als vast ensemblelid van het Opernhaus Zürich verscheen de Kroatische zanger in opera’s van onder anderen Eötvös, Puccini en Richard Strauss. Als gastzanger werd hij geëngageerd door de Bayerische Staatsoper in München en de Oper Frankfurt.

Krešimir Stražanac soleerde bij een groot aantal orkesten in bijvoorbeeld de Passionen en vele andere werken van Bach, de requiems van Mozart, Brahms, Dvořák en Fauré en de oratoria van Mendelssohn. Onder de gespecialiseerde barok­gezelschappen die hem uitnodigden zijn bijvoorbeeld Concerto Köln, Collegium 1704 en de ­Akademie für alte Musik Berlin (Bachs Weihnachts­oratorium op 16 december jongstleden in de Grote Zaal).

In december 2017 debuteerde hij bij het Concertgebouworkest in Bachs ‘Hohe Messe’ onder leiding van Philippe Herreweghe.