‘We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable Rights, that among these are Life, Liberty and the pursuit of Happiness.’
Zo staat prominent geschreven in het document waarmee dertien koloniën zich op 4 juli 1776 afscheidden van het Britse Rijk. De Verenigde Staten waren een feit, en met zijn nadruk op verlichtingsidealen als vrijheid, individuele ontplooiing en gelijkwaardigheid gold de nieuwe staat de daaropvolgende decennia als lichtend voorbeeld voor andere jonge democratieën. Het tijdperk van de oude Europese aristocratie was voorbij. Of niet?
Verdeeld Amerika
De truths die ten grondslag liggen aan de onafhankelijkheidsverklaring bleken al gauw helemaal niet zo self-evident. Golden ze ook voor de slaafgemaakten? Hoe zat het met de oorspronkelijke bewoners? Volgens historicus Colin Woodard creëerde het document twee versies van Amerika: sommigen namen het uitgangspunt dat alle mensen gelijk zijn serieus, anderen ‘vonden dat de vrijheidsbelofte alleen was weggelegd voor het superieure Angelsaksische ras […]. Het conflict tussen die twee is nooit verdwenen’. In de jaren 1860 had het een verwoestende burgeroorlog tot gevolg.
Door de massale toevoer van immigranten uit landen als China, Polen, Oekraïne en Italië – die allemaal hun eigen cultuur meenamen – en de toename van vrijgemaakte Afro-Amerikanen ontstond nóg meer verdeeldheid. Er was grote behoefte aan cohesie, een nationale culturele identiteit, een gedeelde geschiedenis.
Een nationale Amerikaanse muziek bestond niet
In de literatuur werd de belofte ingelost toen in de negentiende eeuw een unieke Amerikaanse literaire stijl tot stand kwam met schrijvers als John Neal, Edgar Allan Poe, Harriet Beecher-Stowe en Herman Melville. Maar andere kunstvormen bleven achter. Een nationale Amerikaanse muziek bestond niet. Elke bevolkingsgroep had zijn eigen stijlen, klassiek opgeleide componisten imiteerden hun Europese voorbeelden.
Naar een muzikale identiteit
Het was aan een ervaren Europeaan daar iets aan te doen. In 1892 stelde Jeannette Thurber, de oprichter van het nieuwe National Conservatory in New York, Antonín Dvořák aan als directeur. Gedurende tweeënhalf jaar spoorde de Tsjech, zelf diepgaand beïnvloed door Boheemse volksmuziek, zijn Amerikaanse studenten aan om hun oor te luisteren te leggen bij de muziek van de inheemsen (natives) en de Afro-Amerikanen.
En er kwamen meer impulsen, zoals de tournees van de zwarte Britse componist Samuel Coleridge-Taylor (in 1904, 1906 en 1910), die veel Afro-Amerikaanse musici inspireerden, en de komst van de Franse componist Edgard Varèse in 1915, die zich actief voor Amerikaanse muziek ging inzetten. Die moest immers ‘zijn eigen taal spreken en niet het resultaat zijn van een bepaalde gemummificeerde Europese muziek.’
De rollen werden omgedraaid: Amerika kreeg een voorbeeldfunctie
Vanaf de jaren 1920 vonden Amerikaanse componisten inderdaad hun gedeelde stem. Onder meer , jazz, spirituals en avant-garde versmolten tot typisch Amerikaanse muziek, met pioniers als George Antheil, Irving Berlin, Ruth Crawford Seeger, George Gershwin, Charles Ives, Florence Price en William Grant Still. Jazz sloeg bovendien enorm aan in Europa. Plotseling bevond Amerika zich in de muzikale voorhoede.
Ook op andere terreinen weekte de Nieuwe Wereld zich los van zijn Europese invloeden. De rollen werden omgedraaid: met zijn groeiende welvaart begon Amerika een voorbeeldfunctie te vervullen voor Europeanen, terwijl hun werelddeel ondertussen ten prooi viel aan crises, oorlog, revoluties en de opkomst van het fascisme.
Amerika als muzikaal toevluchtsoord
Een vruchtbare artistieke uitwisseling kwam tot stand: waar Amerikanen nu trots hun nieuwe ideeën konden etaleren in Europa, werd ‘the land of the free’ een toevluchtsoord voor schrijvers en kunstenaars uit de Oude Wereld. Componisten bood het artistieke en politieke vrijheid, carrièrekansen, financiële mogelijkheden… Ieder zocht en vond er iets anders.
In de voorhoede zat Varèse: een visionair, altijd op zoek naar het nieuwe. Zo had hij ideeën voor lang voordat de technologische mogelijkheden bestonden om die te realiseren. Omdat de Parijzenaar in Europa nauwelijks weerklank vond, emigreerde hij naar New York.
De titel van het eerste grote werk dat hij daar schreef, Amériques, verwees niet zozeer naar het continent, maar naar nieuwe horizonten in het algemeen. Geleidelijk creëerde Varèse een netwerk van gelijkgezinden, onder wie de Amerikaan George Antheil, maar ook de Rus Léon , die in 1928 naar Amerika kwam om octrooi aan te vragen voor zijn elektronische muziekinstrument, de theremin.
maakte deel uit van de tweede immigratiegolf uit Rusland en omringende landen zoals Oekraïne, Polen en Litouwen. De eerste golf, vanaf 1870, had vooral bestaan uit vervolgde Joden en christenen (George Gershwin en Leonard Bernstein waren bijvoorbeeld nazaten van zulke vluchtelingen). De tweede was het gevolg van de Oktoberrevolutie in 1917 en de daaropvolgende Russische Burgeroorlog. Theremin werd voorgegaan door Russische componisten als Serge Rachmaninoff en Sergej Prokofjev.
Korngold groeide uit tot dé Hollywood-componist
Igor Stravinsky emigreerde in 1920 naar Parijs en maakte pas in 1936 de grote oversteek. Voor hem ging het puur om carrièremogelijkheden. In Europa was weinig meer te verdienen. Prokofjev was toen alweer een tijdje weg: hij kon niet aarden in Amerika en vestigde zich in wat inmiddels de Sovjet-Unie was.
Joodse vluchtelingen
Als gevolg van de opkomst van het nationaalsocialisme kwam vanaf 1933 een hausse van vluchtelingen uit West- en Midden-Europa op gang. Het al lang woekerende antisemitisme werd geïnstitutionaliseerd; Hitlers machtsovername verdreef honderden Joodse kunstenaars uit de Duitstalige landen. Onder hen de Oostenrijker Arnold Schönberg, die zich ooit had bekeerd tot het lutheranisme maar in 1933 terugkeerde tot het Joodse geloof. Hij kwam met zijn familie aan in Boston, waarna hij vanwege het klimaat al gauw doorreisde naar Beverly Hills.
Twee andere Joodse componisten uit Wenen arriveerden niet lang daarna. Wolfgang Erich Korngold werd in 1934 uitgenodigd naar Hollywood te komen om filmmuziek te componeren. Op het succes daarvan volgden vele lucratieve opdrachten: hij groeide uit tot dé Hollywood-componist. Zijn stadgenoot Ernst Toch arriveerde na vele omwegen in 1935 in New York; ook hij verkaste naar de West Coast, waar hij werk vond als docent en (zij het in iets mindere mate dan Korngold) succes oogstte met filmmuziek.
Politieke vluchtelingen
Niet alleen Joden waren voor de nazi’s staatsvijand, maar ook kunstenaars die te modernistisch werden geacht of blijk gaven van een onwelgevallige mening. Ze werden allemaal geschaard onder Entartete Kunst: ontaarde of gedegenereerde kunst.
Onder de componisten met socialistische en communistische ideeën die als politieke vluchtelingen naar Amerika kwamen, vinden we Schönbergs ex-leerling Hanns Eisler, die protestliederen schreef met de schrijver en medemarxist Bertolt Brecht. In 1933 werd hun werk in de ban gedaan. Terwijl Brecht aanvankelijk zijn heil zocht in Scandinavië, vond Eisler na omzwervingen asiel in de Verenigde Staten. Ook hij zou vanaf 1938 filmmuziek componeren, zij het niet om financiële, maar om artistieke redenen. In opdracht van de Rockefeller Foundation deed Eisler onderzoek naar de muzikale mogelijkheden van nieuwe technieken in films en documentaires.
Ook de Joodse componist Kurt Weill werkte veel met Brecht samen; sinds het succes van hun Dreigroschenoper was de combinatie Brecht-Weill wereldberoemd. En uiteraard werd ook Weills muziek als entartet bestempeld. Hij vluchtte naar Parijs en emigreerde in 1935 naar Amerika, waar hij succes vergaarde met Broadwaymusicals.
Velen keerden niet meer terug. Schönberg veranderde zijn naam in Schoenberg.
En niet alleen uit Duitssprekende landen vluchtten componisten naar de Verenigde Staten. Zo leidden de uitgesproken humanistische en antifascistische ideeën van Béla Bartók tot felle conflicten met de Hongaarse regering; met grote tegenzin vertrokken zijn vrouw Ditta en hij in 1940 naar New York. Bartók componeerde er zijn laatste grote meesterwerken (zoals het Concert voor orkest) alvorens in 1945, verteerd door heimwee, aan leukemie te overlijden.
Voorbeeldnatie of niet
Velen keerden niet meer terug. Schönberg veranderde zijn naam in Schoenberg en leidde vele Amerikaanse componisten op. Ook Toch, Weill, Stravinsky en Rachmaninoff (Amerikaanse spelling, voorheen Rachmaninov) bleven. Korngolds gewenste terugkeer naar Wenen werd aanvankelijk gedwarsboomd door een zware hartaanval. In 1949 aanvaardde hij de reis alsnog. Maar Europa was veranderd en zag hem als een relikwie van de oude tijd, wat hem terugdreef naar Amerika. Eisler werd het slachtoffer van het mccarthyisme, de strijd tegen (vermeende) communisten, en werd in 1948 het land uitgezet, zoals eerder al zijn strijdmakker Brecht.
De Amerikaanse strijd tegen het communisme had tijdelijk ook een artistiek voordeel: als tegenwicht voor de artistieke onvrijheid van de Sovjet-Unie propageerde en faciliteerde Amerika de vrije creatie van kunst in Europa. Op muziekgebied leidde deze culturele Koude Oorlog tot bijvoorbeeld het organiseren van tournees (van jazzmusici als Louis Armstrong en Duke Ellington tot componist/ Julia Perry) en het financieren van een festival als de Darmstädter Ferienkurse, dat lange tijd de Europese avant-garde zou domineren. Eind jaren 1950 werden die programma’s echter stopgezet.
Al gauw ontstonden barsten in de reputatie van Amerika als grote vrije voorbeeldnatie. Terwijl Europa zijn oorlogstrauma’s bestreed door democratische principes en onderlinge samenwerking voorop te stellen, bleek Amerika gaandeweg minder vrij, eensgezind en welvarend dan gedacht. Armoede en ongelijkheid groeide, racisme was nog altijd springlevend.
Op 4 juli 2026 vierde Amerika zijn 250ste verjaardag. Independence Day in het Trump-tijdperk werd een feest van zelfverheerlijking voor een president die het niet zo nauw neemt met de waarden die ten grondslag liggen aan de democratie. Het tekent de twee gezichten die Amerika beurtelings laat zien – dan weer een land van grote ongelijkheid, racisme en geweld, dan weer een toevluchtsoord voor wie op zoek is naar vrijheid en nieuwe mogelijkheden. Onze gespleten grote broer.
Verder lezen?
- Casper Thomas, ‘Twee versies van hetzelfde land’ in De Groene, 1 juli 2026.
- Sophie Levy, A Transatlantic Avant-Garde (2003)
- Wie meer wil weten over de verschillende emigratiegolven van Russische musici, leze het boek van Elena Dubinets, artistiek directeur van het Concertgebouworkest: Russian Composers Abroad: How They Left, Stayed, Returned (2021).
- Over Schönbergs militante terugkeer tot het Joodse volk en geloof is te lezen in Jeremy Eichlers Time’s Echo: Music, Memory, and the Second World War (2023), over hoe componisten hun oorlogservaringen hebben omgezet in onverwoestbare muzikale monumenten. Het boek ligt dit seizoen ten grondslag aan het Concertgebouw- Reflecties op Europa; in januari 2027 werkt Eichler een week lang samen met het Concertgebouworkest.
- Who Paid the Piper? The CIA and the Cultural Cold War (1999) van Frances Stonor Saunders.
Preludium is een uitgave van Concertvrienden








