achtergrond

Verdoemd en vereeuwigd

Francesca da Rimini inspireerde vele kunstenaars. De grote dichter Dante bezong haar lot in het begin van de veertiende eeuw; later gingen talloze componisten met haar aan de haal, van Liszt tot Rossini, van Tsjaikovski tot Adès. Waarom eigenlijk? Wie was deze tragische figuur?

In de zomer van 1876 bezoekt de 36-jarige Pjotr Tsjaikovski Frankrijk. Zijn broer Modest werkt in Lyon op een doven­instituut en de componist wil naar Parijs, om daar de muzikale cultuur op te snuiven. In de trein naar de hoofdstad leest hij in Dante Alighieri’s La Divina Commedia. ‘Ik werd gegrepen door een brandend verlangen om een symfonisch gedicht te componeren over Francesca,’ schrijft hij aan zijn broer. Het verhaal van Francesca da Rimini is een tragische liefdesgeschiedenis: zij trouwt na uithuwelijking met de kreupele Giovanni Malatesta, maar is verliefd op diens broer Paolo. Na een jarenlange affaire betrapt Giovanni de twee en steekt hen dood. Dante haalt het op feiten gebaseerde verhaal aan in het eerste deel van zijn epos, Inferno. Daar is de tweede cirkel van de hel gereserveerd voor wie zich bij leven heeft bezondigd aan lust of onkuisheid – eigenlijk gaat het om alle vormen van ‘verboden’ liefde, een problematiek waar de broers Tsjaikovski, een tijdlang beiden verliefd op dezelfde jongeman, bekend mee waren.

Dante beschrijft de tweede cirkel als een duistere plek waar het onophoudelijk stormt. In de vertaling van Christinus Kops uit 1929: ‘De helse orkaan die nimmer weet van rusten, / sleurt in zijn woeste vaart de geesten mede / en kwelt ze door ze als razend rond te zwepen.’ De hels gispende wind weerspiegelt hoe de overspeligen zich bij leven in zondige vervoering hebben laten brengen. Onder de schimmen van de overledenen ontwaart Dante Francesca en Paolo. ‘De Liefde was ’t, die tot één dood ons voerde…’, zo verklaart zij in de armen van haar jammerende minnaar. Het pijnlijkste moment, en misschien de kern van hun straf, is vervat in een andere opmerking van Francesca: ‘[Er] is geen groter lijden / dan aan het uur der vreugd terug te denken / in ’t uur der smart.’ Dantes ik-figuur verliest, overmand door mededogen, het bewustzijn en komt pas een verdieping lager in de hel weer bij.

Zo’n dramatisch verhaal nodigt uit tot kleurrijke toonschildering. Twee gedoemde minnaars wier liefde leidt tot de dood, waarna zij tot het einde der tijden tot elkaar zijn veroordeeld in de onderwereld – daar zet een beetje componist graag zijn tanden in. En Tsjaikovski is bepaald niet de eerste of laatste die zich door Francesca laat inspireren. Twee decennia eerder had ook Franz Liszt haar verhaal opgenomen in zijn Dante-symfonie. En op dat moment zijn er al minstens vijftien ’s gecomponeerd, door grotendeels vergeten namen. Sterker: naast Francesca noemt Dante in de tweede cirkel van zijn Hel een heel gezelschap aan tragische geliefden die stuk voor stuk zijn vereeuwigd in beroemde composities. Zo vinden we Semiramide terug in de gelijknamige opera’s van Georg Friedrich Händel en Gioacchino Rossini, Helena van Troje in werken van Richard Strauss en Jacques Offenbach, Dido – de geliefde van ­Aeneas – in de opera van Henry Purcell, en is Tristan en Isolde misschien wel het bekendste paar uit Richard Wagners oeuvre.

­Tsjaikovski schreef zijn ­symfonische gedicht onder invloed van Wagners Nibelungen

Ook Tsjaikovski speelt, kort voor zijn reis naar Frankrijk, eventjes met het idee een Francesca-opera te schrijven. Maar de beoogde librettist eist dat Tsjaikovski strikt in de stijl van Wagner componeert. De tekstschrijver behoudt zich zelfs het recht voor actief in te grijpen in de als Tsjaikovski te veel afwijkt van de ­wagneriaanse norm. Dat is de componist, geen aanhanger van Wagners muziekdramatische opvattingen, te dol, en hij beëindigt de samenwerking nog voor die goed en wel begint.

Een paar maanden later, op de weg terug van Frankrijk naar Rusland, bezoekt ­Tsjaikovski de eerste Bayreuther Fest spiele en hoort daar Wagners vier avonden durende operacyclus Der Ring des Nibelungen. De Rus vindt het, vriendelijk gezegd, een hele zit. Eenmaal rustig terug in Moskou schrijft Tsjaikovski zijn symfonische gedicht Francesca da Rimini. En hij geeft uiteindelijk toe: ‘De opmerking dat ik het schreef onder invloed van de Nibelungen klopt helemaal [..] Is het niet gek dat ik me laat beïnvloeden door een kunstwerk waar ik zo afwijzend tegenover sta?’ De beïnvloeding zit hem vooral in de orkestratie, een aspect van Wagners vakmanschap waar ­Tsjaikovski openlijk bewondering voor heeft. Tsjaikovski zet het duistere wagneriaanse palet in om te verklanken hoe Dante eerst in de onderwereld afdaalt en hoe, in de tweede cirkel, woeste winden de verloren zielen tegen de scherpe rotsen te pletter slaan. Een Italiaans ­gekleurde, bitterzoete voor klarinet leidt Francesca’s weeklacht in – op een ­manier die in de verte al doet denken aan de melancholische filmmuziek bij The Godfather. Lugubere bassen, en bekkenslagen, gevolgd door funeraire , verbeelden de moord.

Voor Serge Rachmaninoff is Francesca’s eeuwige verdoemenis in zekere zin een bevrijding. De vernietigende recensies van zijn Eerste symfonie storten hem in diepe somberheid, die leidt tot een writer’s block. Na drie maanden hypnotherapie schrijft hij in juli 1900 een eerste nieuw werk: een liefdesduet voor Francesca en Paolo. Dat voorzichtige begin vormt de basis voor zijn latere opera Francesca da Rimini, uit 1906. En het libretto is van niemand anders dan Modest ­Tsjaikovski.

Deel of bewaar voor laterDelen

Preludium is een uitgave van Concertvrienden