Het is de enige persoon die tijdens het concert (hopelijk) geen geluid maakt: de . En de basale bewegingen van het dirigeren zijn, voor iemand met muzikale aanleg, kennelijk in een paar maanden te leren; na zo’n periode etaleerde bijvoorbeeld Jamai Loman in Maestro een dirigeertechniek die er minstens zo gelikt uitzag als die van sommige grote dirigenten. Stel je een realityshow voor waarin BN-ers in een paar maanden tijd de viool moeten zien te leren beheersen. Of de fagot. Daar wil echt niemand naar kijken en al helemaal niet naar luisteren. Dat alles roept de vraag op: wat doet een dirigent eigenlijk?
Tijdbespaarder
Een dirigent zorgt in de eerste plaats dat een orkest samenspeelt. Goede musici kunnen dat heel goed zelf; een musicus komt tot bloei in vrijheid. Maar tot een bepaalde grootte van het ensemble en tot een bepaalde complexiteit van de muziek. Bij een grote of complexe is iemand nodig die alle noten kent en de boel in goede banen leidt. In de basis is de dirigent een tijdbespaarder. Een van negentig musici kan zich niet zo lang in een werk verdiepen als de leden van een strijkkwartet dat kunnen. Iemand moet de knopen doorhakken en het overzicht bewaken. Een dirigent overziet ook de ritmische coördinatie en de balans tussen de instrumentgroepen. Zo laat hij zijn eigen interpretatie van de muziek tot klinken komen.
Behalve de techniek om een ensemble in de meest moeilijke situaties samen en op dezelfde manier te laten spelen, moet een dirigent te beschikken over een uitstekend gehoor. ‘Er klopt daar iets niet‘ is niet voldoende. ‘De vierde is net ietsje te laag’, daar heeft een orkest iets aan. Dat moet je dan wel kunnen vaststellen in een waterval van geluid uit tachtig instrumenten. Een vak dus dat enorme kennis vereist, uitstekend gehoor en razendsnel denken.
Een jong vak
Het vak van dirigent is relatief jong: in de tijd van Johann Sebastian Bach was het geen algemeen bekend verschijnsel. Een leider van een ensemble leek veel meer op een bandleider, maar dan een die bijvoorbeeld viool of klavecimbel speelt. Maar orkesten werden groter en luider, muziek ingewikkelder: er was meer leiding nodig. Die was in deze vroege periode niet altijd even subtiel. Beroemd is het verhaal van de Franse componist Jean-Baptiste Lully, die met een soort bezemsteel elke tel op de grond beukte om de maat te houden. Daarbij raakte hij op een kwade dag zijn teen, met, door een afschuwelijk ontstekende wond, zelfs fatale afloop.
Na het vagevuur van de opera kun je als dirigent vrijwel alles aan
Eén van de eerste genres waarbij een dirigent bittere noodzaak zal zijn geweest, is de . En ook vandaag nog worden daar de ware vakmensen van de handige types gescheiden. Veel onervaren dirigenten kunnen zich, letterlijk en figuurlijk, door een symfonie heen slaan, maar in de orkestbak vallen ze waarschijnlijk door de mand. De zangers op het toneel horen soms geen noot uit de bak, moeten alles uit hun hoofd doen en tegelijkertijd acteren. Zij zijn voor de volle honderd procent afhankelijk van de dirigent. Die ondertussen alle rafels, die onherroepelijk op het podium ontstaan, in de bak moet zien op te vangen. Na het vagevuur van de opera kun je als dirigent vrijwel alles aan.
Catch-22
En als je dan al die ervaring hebt opgedaan, hoe bereid je je dan voor op een repetitie of een concert? Een dirigent heeft zijn ‘instrument’ – het orkest – niet tot zijn of haar beschikking ter studie, anders dan een pianist of violist. Het werk speelt zich af in het hoofd, achter een bureau met de partituur. Daar staan bij een beetje symfonie al snel een miljoen noten in. En zoals Leonard Bernstein zei: die moet je allemaal kennen of je hebt geen recht de bok te beklimmen. Hoe je die noten moet kennen, de samenhang leert zien, je een klank voorstelt, kunt voorzien waar problemen of moeilijke keuzes opduiken, hoe je komt tot een interpretatie, dat alles leer je juist vooral als je wel voor het orkest staat.
Daar zit dus meteen een catch-22 die het vak zo moeilijk maakt. Je leert het door ervaring, maar orkestmusici verwachten dat jij meteen meer weet dan zij over de te spelen muziek. Dan heb je aan bijvoorbeeld het Concertgebouworkest, stuk voor stuk musici met een enorme rugzak van kennis en talent, een flinke dobber.
En dat stokje?
Al eerder noemde ik het ‘toverstafje’: de baton. Sommige dirigenten doen het met, andere zonder. Valery Gergiev gebruikt graag een tandenstoker. Doet het ertoe? De meningen hierover verschillen. Ooit maakte ik op het conservatorium mee dat een nogal pretentieuze directie-student verklaarde dat hij vandaag geen Brahms kon doen omdat hij zijn ‘Brahms-stok’ niet bij zich had. Algehele hilariteit.
In zekere zin is het stokje als de reflectoren op de trappers van een fiets. Het maakt de beweging zichtbaarder. Het kan een dirigent helpen de beweging nog subtieler te maken zonder dat die onzichtbaar wordt. Anderen voelen zich juist beperkt in het ‘boetseren’ van de klank door zoiets onmuzikaals als een stokje.
Magie
Wat onderscheidt de geniale dirigent nou van de goede vakman? Het is heel moeilijk aan te wijzen. Het ware samenspel tussen orkest en dirigent gaat nou eenmaal ver voorbij basisvoorwaarden als een heldere slag of degelijke kennis van de partituur: iemand kan over een volmaakte dirigeertechniek beschikken en het resultaat blijft gemiddeld, een ander (neem bijvoorbeeld Reinbert de Leeuw of Nikolaus Harnoncourt) kan met kleine of onorthodoxe gebaren een orkest toch meekrijgen naar het einde van de wereld en weer terug. De één ‘heeft het’, de ander niet. De interactie tussen orkest en dirigent is moeilijk rationeel te verklaren.
Je kunt dat bijvoorbeeld waarnemen tijdens de jaarlijkse Ammodo Masterclasses voor jonge dirigenten van het Concertgebouworkest. Op het podium zit hetzelfde orkest, ze spelen hetzelfde stuk, en toch klinkt het totaal anders dan bij de vorige kandidaat. De musici lijken slechts een beetje uit hun ooghoek naar de dirigent te kijken en toch neemt iedereen een nieuwe stroom, een andere vibe waar.
Bovendien hangt een en ander sterk af van de chemie tussen dirigent en orkest. Of je een goede en succesvolle dirigent kunt worden is dus niet te scheiden van je persoonlijkheid. Dat maakt de relatie tussen een orkest en een dirigent zo onvoorspelbaar en mysterieus.
Preludium is een uitgave van Concertvrienden
















