Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier

Concertprogramma

Concertprogramma

Made in America (3) bij het Concertgebouworkest

Made in America (3) bij het Concertgebouworkest

Grote Zaal
30 januari 2022
20.00 uur

Print dit programma

Concertgebouworkest
Klaus Mäkelä dirigent
Calogero Palermo klarinet

Het concert wordt kosteloos gestreamd via concertgebouworkest.nl en de Facebook- en YouTube-kanalen van het orkest. Op concertgebouworkest.nl blijft de registratie tot een week na de première beschikbaar.

Er is een korte introductie door Thomas Vanderveken.

Interessante artikelen bij dit concert:
- Made in America
- Interview met Julia Wolfe
- Interview Calogero Palermo
- Cd-tips voor januari

 

Julia Wolfe (1958)

Fountain of Youth (2019)
Nederlandse première

Aaron Copland (1900-1990)

Klarinetconcert (1948)
Slowly and expressively – ­Cadenza – Rather fast
eerste uitvoering door het Concertgebouworkest

Antonín Dvořák (1841-1904)

Symfonie nr. 9 in e kl.t., op. 95 (1893)
‘Uit de Nieuwe Wereld’
Adagio – Allegro molto
Largo
Scherzo: Molto vivace – Poco sostenuto
Allegro con fuoco

Grote Zaal 30 januari 2022 20.00 uur

Concertgebouworkest
Klaus Mäkelä dirigent
Calogero Palermo klarinet

Het concert wordt kosteloos gestreamd via concertgebouworkest.nl en de Facebook- en YouTube-kanalen van het orkest. Op concertgebouworkest.nl blijft de registratie tot een week na de première beschikbaar.

Er is een korte introductie door Thomas Vanderveken.

Interessante artikelen bij dit concert:
- Made in America
- Interview met Julia Wolfe
- Interview Calogero Palermo
- Cd-tips voor januari

 

Julia Wolfe (1958)

Fountain of Youth (2019)
Nederlandse première

Aaron Copland (1900-1990)

Klarinetconcert (1948)
Slowly and expressively – ­Cadenza – Rather fast
eerste uitvoering door het Concertgebouworkest

Antonín Dvořák (1841-1904)

Symfonie nr. 9 in e kl.t., op. 95 (1893)
‘Uit de Nieuwe Wereld’
Adagio – Allegro molto
Largo
Scherzo: Molto vivace – Poco sostenuto
Allegro con fuoco

Toelichting

De Verenigde Staten: een mozaïek van volkeren en culturen verspreid over een grote verscheidenheid aan landschappen. Die culturele en geografische diversiteit horen we terug in de Amerikaanse klassieke muziek, zo jong als haar geschiedenis is. Energie, vreugde en invloeden van populaire muziekstijlen kenmerken het werk van Aaron Copland en Julia Wolfe. Eind negentiende eeuw was het nog aan de Tsjech Antonín Dvořák om Amerikaanse componisten de weg te wijzen naar het vinden van hun muzikale identiteit – in diversiteit.

De Verenigde Staten: een mozaïek van volkeren en culturen verspreid over een grote verscheidenheid aan landschappen. Die culturele en geografische diversiteit horen we terug in de Amerikaanse klassieke muziek, zo jong als haar geschiedenis is. Energie, vreugde en invloeden van populaire muziekstijlen kenmerken het werk van Aaron Copland en Julia Wolfe. Eind negentiende eeuw was het nog aan de Tsjech Antonín Dvořák om Amerikaanse componisten de weg te wijzen naar het vinden van hun muzikale identiteit – in diversiteit.

Julia Wolfe (1958)

Wolfe: Fountain of Youth

door Martijn Voorvelt

  • Julia Wolfe

    foto: Marc Lennihan

    Julia Wolfe

    foto: Marc Lennihan

  • Julia Wolfe

    foto: Marc Lennihan

    Julia Wolfe

    foto: Marc Lennihan

Nergens is de Amerikaanse melting pot beter hoorbaar dan in New York, waar de afgelopen eeuw zo veel stijlen en genres in de muzikale cementmolen zijn gemikt. In de jaren tachtig en negentig vermengde de nieuwe klassieke muziek zich met minimal music, jazz, pop en elektronica. In Nederland vonden in die tijd vergelijkbare ontwikkelingen plaats. Niet voor niets verbleef de componiste Julia Wolfe in 1992 dankzij een Fulbright-beurs een jaar in Amsterdam. ‘Art is a crucial part of Dutch society. It was an incredible relief to live in that atmosphere’, aldus Wolfe. Ze schreef er een werk (Arsenal of Democracy) voor de mede door Louis Andriessen opgerichte ‘political street band’, Orkest de Volharding.

Wolfe werd geboren in Philadelphia. In New York ontmoette ze Michael Gordon en David Lang, met wie ze er in 1987 Bang on a Can oprichtte. Het muziekcollectief onderscheidde zich van meet af aan door zijn opwindende, informele en eclectische benadering van nieuwe muziek. Naast een ensemble met een pool van musici omvat Bang on a Can inmiddels ook een eigen jaarlijks zomerfestival, een muziekuitgeverij, een fonds voor nieuwe opdrachtwerken en een platenlabel. Wolfe, Gordon en Lang schreven – deels geïnspireerd door de Nederlandse ‘Notenkrakers’ – meerdere collectieve composities.

Julia Wolfe componeert krachtige, intens fysieke muziek die veel van de spelers vergt, en van de luisteraars een actieve luisterhouding verlangt.
Fountain of Youth is geschreven voor de (in Wolfes woorden) ‘eeuwig jonge’ dirigent Michael Tilson Thomas en de orkestacademie New World Symphony. Dit stuk moest vooral ‘serious fun’ en ‘speels’ zijn. Tegelijkertijd is het ‘heel persoonlijk: hierin daal ik in mijzelf af, om te tappen uit die zorgeloze jeugd’, aldus Wolfe. In Fountain of Youth injecteert de componist het symfonieorkest met de jeugdige energie van de rock. ‘Mensen zoeken al duizenden jaren naar de Fontein van de Eeuwige Jeugd. (…) Mijn Fontein van Eeuwige Jeugd is muziek, en in dit geval geef ik het orkest a sassy, rhythmic, high energy swim.’

Nergens is de Amerikaanse melting pot beter hoorbaar dan in New York, waar de afgelopen eeuw zo veel stijlen en genres in de muzikale cementmolen zijn gemikt. In de jaren tachtig en negentig vermengde de nieuwe klassieke muziek zich met minimal music, jazz, pop en elektronica. In Nederland vonden in die tijd vergelijkbare ontwikkelingen plaats. Niet voor niets verbleef de componiste Julia Wolfe in 1992 dankzij een Fulbright-beurs een jaar in Amsterdam. ‘Art is a crucial part of Dutch society. It was an incredible relief to live in that atmosphere’, aldus Wolfe. Ze schreef er een werk (Arsenal of Democracy) voor de mede door Louis Andriessen opgerichte ‘political street band’, Orkest de Volharding.

Wolfe werd geboren in Philadelphia. In New York ontmoette ze Michael Gordon en David Lang, met wie ze er in 1987 Bang on a Can oprichtte. Het muziekcollectief onderscheidde zich van meet af aan door zijn opwindende, informele en eclectische benadering van nieuwe muziek. Naast een ensemble met een pool van musici omvat Bang on a Can inmiddels ook een eigen jaarlijks zomerfestival, een muziekuitgeverij, een fonds voor nieuwe opdrachtwerken en een platenlabel. Wolfe, Gordon en Lang schreven – deels geïnspireerd door de Nederlandse ‘Notenkrakers’ – meerdere collectieve composities.

Julia Wolfe componeert krachtige, intens fysieke muziek die veel van de spelers vergt, en van de luisteraars een actieve luisterhouding verlangt.
Fountain of Youth is geschreven voor de (in Wolfes woorden) ‘eeuwig jonge’ dirigent Michael Tilson Thomas en de orkestacademie New World Symphony. Dit stuk moest vooral ‘serious fun’ en ‘speels’ zijn. Tegelijkertijd is het ‘heel persoonlijk: hierin daal ik in mijzelf af, om te tappen uit die zorgeloze jeugd’, aldus Wolfe. In Fountain of Youth injecteert de componist het symfonieorkest met de jeugdige energie van de rock. ‘Mensen zoeken al duizenden jaren naar de Fontein van de Eeuwige Jeugd. (…) Mijn Fontein van Eeuwige Jeugd is muziek, en in dit geval geef ik het orkest a sassy, rhythmic, high energy swim.’

door Martijn Voorvelt

Aaron Copland (1900-1990)

Copland: Klarinetconcert

door Martijn Voorvelt

  • Aaron Copland

    Aaron Copland

  • Aaron Copland

    Aaron Copland

Aaron Copland werd in Brooklyn (New York) geboren als zoon van een Pools/Litouws-­joods immigrantenechtpaar. In Parijs, waar hij studeerde bij Paul Vidal en Nadia Boulanger, dompelde hij zich onder in de Europese muziek én kreeg zijn interesse in jazz een boost. Terug in New York zette Copland zich als componist en pedagoog en in publicaties en voordrachten hartstochtelijk in voor een nationale muziek, met ruimte voor bijvoorbeeld militaire fanfares, jazz en blues. Als Harvard-professor en voorzitter van de American Composers Alliance oefende hij jarenlang grote invloed uit op de Amerikaanse muziekwereld. In zijn composities lijken zowel de weidse prairies als het stadsrumoer tot klinken te komen.

Het Klarinetconcert werd geschreven voor de beroemde jazzklarinettist Benny Goodman, die eerder componisten als Béla Bartók, Leonard Bernstein en Paul Hindemith had gestrikt. Het is een tweedelig neoclassicistisch werk, waarvan het dromerige eerste deel (een ‘pas de deux’ volgens Copland) en het ritmische, jazzy slotdeel met elkaar verbonden zijn door een uitgebreide, geheel uitgeschreven solocadens. Cop­land liet zich deels inspireren door Goodmans stijl en het werk is de ‘King of Swing’ dan ook op het lijf geschreven. Toch stelde de klarinettist enkele veranderingen voor: enkele passages achtte hij te hoog en/of te moeilijk. Copland voerde de aanpassingen met tegenzin door.

In een interview verklaarde Goodman: ‘Ik heb me altijd goed gevoeld bij deze opdracht en bij het spelen van het concert onder leiding van Aaron’. De meeste klarinettisten voeren het uit in Goodmans gereviseerde versie, hoewel sommigen voor Coplands oorspronkelijke manuscript kiezen. Een uitgave die in 2015 bij Boosey & Hawkes verscheen, stelt de solist door middel van ‘ossia’s’ (alternatieve passages) in staat op gezette momenten een keus te maken.

Aaron Copland werd in Brooklyn (New York) geboren als zoon van een Pools/Litouws-­joods immigrantenechtpaar. In Parijs, waar hij studeerde bij Paul Vidal en Nadia Boulanger, dompelde hij zich onder in de Europese muziek én kreeg zijn interesse in jazz een boost. Terug in New York zette Copland zich als componist en pedagoog en in publicaties en voordrachten hartstochtelijk in voor een nationale muziek, met ruimte voor bijvoorbeeld militaire fanfares, jazz en blues. Als Harvard-professor en voorzitter van de American Composers Alliance oefende hij jarenlang grote invloed uit op de Amerikaanse muziekwereld. In zijn composities lijken zowel de weidse prairies als het stadsrumoer tot klinken te komen.

Het Klarinetconcert werd geschreven voor de beroemde jazzklarinettist Benny Goodman, die eerder componisten als Béla Bartók, Leonard Bernstein en Paul Hindemith had gestrikt. Het is een tweedelig neoclassicistisch werk, waarvan het dromerige eerste deel (een ‘pas de deux’ volgens Copland) en het ritmische, jazzy slotdeel met elkaar verbonden zijn door een uitgebreide, geheel uitgeschreven solocadens. Cop­land liet zich deels inspireren door Goodmans stijl en het werk is de ‘King of Swing’ dan ook op het lijf geschreven. Toch stelde de klarinettist enkele veranderingen voor: enkele passages achtte hij te hoog en/of te moeilijk. Copland voerde de aanpassingen met tegenzin door.

In een interview verklaarde Goodman: ‘Ik heb me altijd goed gevoeld bij deze opdracht en bij het spelen van het concert onder leiding van Aaron’. De meeste klarinettisten voeren het uit in Goodmans gereviseerde versie, hoewel sommigen voor Coplands oorspronkelijke manuscript kiezen. Een uitgave die in 2015 bij Boosey & Hawkes verscheen, stelt de solist door middel van ‘ossia’s’ (alternatieve passages) in staat op gezette momenten een keus te maken.

door Martijn Voorvelt

Antonín Dvořák (1841-1904)

Dvořák: Negende symfonie

door Aad van der Ven

  • Antonín Dvořák met zijn gezin en vrienden op de binnenplaats van zijn New Yorkse huis, ca. 1893

    Antonín Dvořák met zijn gezin en vrienden op de binnenplaats van zijn New Yorkse huis, ca. 1893

  • Antonín Dvořák met zijn gezin en vrienden op de binnenplaats van zijn New Yorkse huis, ca. 1893

    Antonín Dvořák met zijn gezin en vrienden op de binnenplaats van zijn New Yorkse huis, ca. 1893

Over de vraag in hoeverre Dvořáks Negende symfonie Amerikaans dan wel ­Tsjechisch is wordt al ruim een eeuw lang naar hartelust gedelibereerd. Waar en wanneer de componist het werk schreef is duidelijk. Dat was in 1892/93 in het vijfkamerappartement in New York, 327 East 17th Street, waar hij met zijn gezin gedurende zijn verblijf in de Verenigde Staten woonde. Een vermogende Amerikaanse had een formidabel salaris in het vooruitzicht gesteld als hij naar New York wilde komen om het door haar aldaar gestichte conservatorium te leiden. Een belangrijke Europese toondichter zou misschien jonge Amerikaanse componisten het gevoel kunnen bijbrengen, zo dacht zij, dat hun land een nieuw soort muziek nodig had waarin nationale elementen geïntegreerd zouden zijn in traditionele, klassieke vormen. Had Dvořák in zijn eigen land niet hetzelfde gedaan? Hij nam niet zonder aarzeling het aanbod aan en kweet zich drie jaar lang gewetensvol van zijn taak. Daarbij hield hij voldoende tijd over om enkele partituren te schrijven, waaronder de Negende symfonie en het Celloconcert, die nu algemeen tot zijn beste worden gerekend.

Uit diverse bronnen blijkt dat Dvořák zeer geïnteresseerd was in negro­spirituals en in de liederen en dansen van de inheemsen. Wat hij daarvan te pakken kon krijgen, bestudeerde hij. Zijn eigen muziek is er zeker door beïnvloed. Toen hij aan de Negende symfonie werkte, verklaarde hij in een brief aan een van zijn vrienden, dat deze compositie anders zou worden dan al zijn andere stukken: ‘De invloed van Amerika kan iedereen opmerken die er een neus voor heeft.’ Opmerkelijk is dat hij zich enkele jaren later, terug in het vaderland, enigszins distantieerde van deze uitlatingen. Hij noemde zijn ­Negende toen ‘echte Boheemse muziek.’ Misschien was hij geïrriteerd geraakt door het historische gewicht dat in de Verenigde Staten aan het werk werd gegeven. Daar noemden sommigen het ‘het begin van een nieuwe Amerikaanse muziek.’

In elk geval valt niet te loochenen dat zijn laatste symfonie melodieën bevat die een spiritual-afkomst verraden, zoals de fluitmelodie in het eerste deel en het hoofdthema van het langzame deel, voorgedragen door de althobo. Er waren geruchten dat Dvořák van plan was een opera te componeren gebaseerd op The Song of Hiawatha van Longfellow. De opera kwam er niet, maar er zijn aanwijzingen dat iets van het schetsmatig genoteerde materiaal een plaats heeft gekregen in deze symfonie, vooral in het derde deel, Scherzo, dat ‘dansende indianen’ zou uitbeelden. In het contrasterende triogedeelte echter nemen Tsjechische boeren het heft in handen. Hier horen we de componist die ’s zomers het liefst in een klein houten huisje, een door hem opgeknapte schaapskooi, op het Zuid-Boheemse platteland verbleef. Het vurige slotdeel mondt uit in een episode die thema’s uit de drie voorgaande delen bevat.

Over de vraag in hoeverre Dvořáks Negende symfonie Amerikaans dan wel ­Tsjechisch is wordt al ruim een eeuw lang naar hartelust gedelibereerd. Waar en wanneer de componist het werk schreef is duidelijk. Dat was in 1892/93 in het vijfkamerappartement in New York, 327 East 17th Street, waar hij met zijn gezin gedurende zijn verblijf in de Verenigde Staten woonde. Een vermogende Amerikaanse had een formidabel salaris in het vooruitzicht gesteld als hij naar New York wilde komen om het door haar aldaar gestichte conservatorium te leiden. Een belangrijke Europese toondichter zou misschien jonge Amerikaanse componisten het gevoel kunnen bijbrengen, zo dacht zij, dat hun land een nieuw soort muziek nodig had waarin nationale elementen geïntegreerd zouden zijn in traditionele, klassieke vormen. Had Dvořák in zijn eigen land niet hetzelfde gedaan? Hij nam niet zonder aarzeling het aanbod aan en kweet zich drie jaar lang gewetensvol van zijn taak. Daarbij hield hij voldoende tijd over om enkele partituren te schrijven, waaronder de Negende symfonie en het Celloconcert, die nu algemeen tot zijn beste worden gerekend.

Uit diverse bronnen blijkt dat Dvořák zeer geïnteresseerd was in negro­spirituals en in de liederen en dansen van de inheemsen. Wat hij daarvan te pakken kon krijgen, bestudeerde hij. Zijn eigen muziek is er zeker door beïnvloed. Toen hij aan de Negende symfonie werkte, verklaarde hij in een brief aan een van zijn vrienden, dat deze compositie anders zou worden dan al zijn andere stukken: ‘De invloed van Amerika kan iedereen opmerken die er een neus voor heeft.’ Opmerkelijk is dat hij zich enkele jaren later, terug in het vaderland, enigszins distantieerde van deze uitlatingen. Hij noemde zijn ­Negende toen ‘echte Boheemse muziek.’ Misschien was hij geïrriteerd geraakt door het historische gewicht dat in de Verenigde Staten aan het werk werd gegeven. Daar noemden sommigen het ‘het begin van een nieuwe Amerikaanse muziek.’

In elk geval valt niet te loochenen dat zijn laatste symfonie melodieën bevat die een spiritual-afkomst verraden, zoals de fluitmelodie in het eerste deel en het hoofdthema van het langzame deel, voorgedragen door de althobo. Er waren geruchten dat Dvořák van plan was een opera te componeren gebaseerd op The Song of Hiawatha van Longfellow. De opera kwam er niet, maar er zijn aanwijzingen dat iets van het schetsmatig genoteerde materiaal een plaats heeft gekregen in deze symfonie, vooral in het derde deel, Scherzo, dat ‘dansende indianen’ zou uitbeelden. In het contrasterende triogedeelte echter nemen Tsjechische boeren het heft in handen. Hier horen we de componist die ’s zomers het liefst in een klein houten huisje, een door hem opgeknapte schaapskooi, op het Zuid-Boheemse platteland verbleef. Het vurige slotdeel mondt uit in een episode die thema’s uit de drie voorgaande delen bevat.

door Aad van der Ven

De Verenigde Staten: een mozaïek van volkeren en culturen verspreid over een grote verscheidenheid aan landschappen. Die culturele en geografische diversiteit horen we terug in de Amerikaanse klassieke muziek, zo jong als haar geschiedenis is. Energie, vreugde en invloeden van populaire muziekstijlen kenmerken het werk van Aaron Copland en Julia Wolfe. Eind negentiende eeuw was het nog aan de Tsjech Antonín Dvořák om Amerikaanse componisten de weg te wijzen naar het vinden van hun muzikale identiteit – in diversiteit.

De Verenigde Staten: een mozaïek van volkeren en culturen verspreid over een grote verscheidenheid aan landschappen. Die culturele en geografische diversiteit horen we terug in de Amerikaanse klassieke muziek, zo jong als haar geschiedenis is. Energie, vreugde en invloeden van populaire muziekstijlen kenmerken het werk van Aaron Copland en Julia Wolfe. Eind negentiende eeuw was het nog aan de Tsjech Antonín Dvořák om Amerikaanse componisten de weg te wijzen naar het vinden van hun muzikale identiteit – in diversiteit.

Julia Wolfe (1958)

Wolfe: Fountain of Youth

door Martijn Voorvelt

  • Julia Wolfe

    foto: Marc Lennihan

    Julia Wolfe

    foto: Marc Lennihan

  • Julia Wolfe

    foto: Marc Lennihan

    Julia Wolfe

    foto: Marc Lennihan

Nergens is de Amerikaanse melting pot beter hoorbaar dan in New York, waar de afgelopen eeuw zo veel stijlen en genres in de muzikale cementmolen zijn gemikt. In de jaren tachtig en negentig vermengde de nieuwe klassieke muziek zich met minimal music, jazz, pop en elektronica. In Nederland vonden in die tijd vergelijkbare ontwikkelingen plaats. Niet voor niets verbleef de componiste Julia Wolfe in 1992 dankzij een Fulbright-beurs een jaar in Amsterdam. ‘Art is a crucial part of Dutch society. It was an incredible relief to live in that atmosphere’, aldus Wolfe. Ze schreef er een werk (Arsenal of Democracy) voor de mede door Louis Andriessen opgerichte ‘political street band’, Orkest de Volharding.

Wolfe werd geboren in Philadelphia. In New York ontmoette ze Michael Gordon en David Lang, met wie ze er in 1987 Bang on a Can oprichtte. Het muziekcollectief onderscheidde zich van meet af aan door zijn opwindende, informele en eclectische benadering van nieuwe muziek. Naast een ensemble met een pool van musici omvat Bang on a Can inmiddels ook een eigen jaarlijks zomerfestival, een muziekuitgeverij, een fonds voor nieuwe opdrachtwerken en een platenlabel. Wolfe, Gordon en Lang schreven – deels geïnspireerd door de Nederlandse ‘Notenkrakers’ – meerdere collectieve composities.

Julia Wolfe componeert krachtige, intens fysieke muziek die veel van de spelers vergt, en van de luisteraars een actieve luisterhouding verlangt.
Fountain of Youth is geschreven voor de (in Wolfes woorden) ‘eeuwig jonge’ dirigent Michael Tilson Thomas en de orkestacademie New World Symphony. Dit stuk moest vooral ‘serious fun’ en ‘speels’ zijn. Tegelijkertijd is het ‘heel persoonlijk: hierin daal ik in mijzelf af, om te tappen uit die zorgeloze jeugd’, aldus Wolfe. In Fountain of Youth injecteert de componist het symfonieorkest met de jeugdige energie van de rock. ‘Mensen zoeken al duizenden jaren naar de Fontein van de Eeuwige Jeugd. (…) Mijn Fontein van Eeuwige Jeugd is muziek, en in dit geval geef ik het orkest a sassy, rhythmic, high energy swim.’

Nergens is de Amerikaanse melting pot beter hoorbaar dan in New York, waar de afgelopen eeuw zo veel stijlen en genres in de muzikale cementmolen zijn gemikt. In de jaren tachtig en negentig vermengde de nieuwe klassieke muziek zich met minimal music, jazz, pop en elektronica. In Nederland vonden in die tijd vergelijkbare ontwikkelingen plaats. Niet voor niets verbleef de componiste Julia Wolfe in 1992 dankzij een Fulbright-beurs een jaar in Amsterdam. ‘Art is a crucial part of Dutch society. It was an incredible relief to live in that atmosphere’, aldus Wolfe. Ze schreef er een werk (Arsenal of Democracy) voor de mede door Louis Andriessen opgerichte ‘political street band’, Orkest de Volharding.

Wolfe werd geboren in Philadelphia. In New York ontmoette ze Michael Gordon en David Lang, met wie ze er in 1987 Bang on a Can oprichtte. Het muziekcollectief onderscheidde zich van meet af aan door zijn opwindende, informele en eclectische benadering van nieuwe muziek. Naast een ensemble met een pool van musici omvat Bang on a Can inmiddels ook een eigen jaarlijks zomerfestival, een muziekuitgeverij, een fonds voor nieuwe opdrachtwerken en een platenlabel. Wolfe, Gordon en Lang schreven – deels geïnspireerd door de Nederlandse ‘Notenkrakers’ – meerdere collectieve composities.

Julia Wolfe componeert krachtige, intens fysieke muziek die veel van de spelers vergt, en van de luisteraars een actieve luisterhouding verlangt.
Fountain of Youth is geschreven voor de (in Wolfes woorden) ‘eeuwig jonge’ dirigent Michael Tilson Thomas en de orkestacademie New World Symphony. Dit stuk moest vooral ‘serious fun’ en ‘speels’ zijn. Tegelijkertijd is het ‘heel persoonlijk: hierin daal ik in mijzelf af, om te tappen uit die zorgeloze jeugd’, aldus Wolfe. In Fountain of Youth injecteert de componist het symfonieorkest met de jeugdige energie van de rock. ‘Mensen zoeken al duizenden jaren naar de Fontein van de Eeuwige Jeugd. (…) Mijn Fontein van Eeuwige Jeugd is muziek, en in dit geval geef ik het orkest a sassy, rhythmic, high energy swim.’

door Martijn Voorvelt

Aaron Copland (1900-1990)

Copland: Klarinetconcert

door Martijn Voorvelt

  • Aaron Copland

    Aaron Copland

  • Aaron Copland

    Aaron Copland

Aaron Copland werd in Brooklyn (New York) geboren als zoon van een Pools/Litouws-­joods immigrantenechtpaar. In Parijs, waar hij studeerde bij Paul Vidal en Nadia Boulanger, dompelde hij zich onder in de Europese muziek én kreeg zijn interesse in jazz een boost. Terug in New York zette Copland zich als componist en pedagoog en in publicaties en voordrachten hartstochtelijk in voor een nationale muziek, met ruimte voor bijvoorbeeld militaire fanfares, jazz en blues. Als Harvard-professor en voorzitter van de American Composers Alliance oefende hij jarenlang grote invloed uit op de Amerikaanse muziekwereld. In zijn composities lijken zowel de weidse prairies als het stadsrumoer tot klinken te komen.

Het Klarinetconcert werd geschreven voor de beroemde jazzklarinettist Benny Goodman, die eerder componisten als Béla Bartók, Leonard Bernstein en Paul Hindemith had gestrikt. Het is een tweedelig neoclassicistisch werk, waarvan het dromerige eerste deel (een ‘pas de deux’ volgens Copland) en het ritmische, jazzy slotdeel met elkaar verbonden zijn door een uitgebreide, geheel uitgeschreven solocadens. Cop­land liet zich deels inspireren door Goodmans stijl en het werk is de ‘King of Swing’ dan ook op het lijf geschreven. Toch stelde de klarinettist enkele veranderingen voor: enkele passages achtte hij te hoog en/of te moeilijk. Copland voerde de aanpassingen met tegenzin door.

In een interview verklaarde Goodman: ‘Ik heb me altijd goed gevoeld bij deze opdracht en bij het spelen van het concert onder leiding van Aaron’. De meeste klarinettisten voeren het uit in Goodmans gereviseerde versie, hoewel sommigen voor Coplands oorspronkelijke manuscript kiezen. Een uitgave die in 2015 bij Boosey & Hawkes verscheen, stelt de solist door middel van ‘ossia’s’ (alternatieve passages) in staat op gezette momenten een keus te maken.

Aaron Copland werd in Brooklyn (New York) geboren als zoon van een Pools/Litouws-­joods immigrantenechtpaar. In Parijs, waar hij studeerde bij Paul Vidal en Nadia Boulanger, dompelde hij zich onder in de Europese muziek én kreeg zijn interesse in jazz een boost. Terug in New York zette Copland zich als componist en pedagoog en in publicaties en voordrachten hartstochtelijk in voor een nationale muziek, met ruimte voor bijvoorbeeld militaire fanfares, jazz en blues. Als Harvard-professor en voorzitter van de American Composers Alliance oefende hij jarenlang grote invloed uit op de Amerikaanse muziekwereld. In zijn composities lijken zowel de weidse prairies als het stadsrumoer tot klinken te komen.

Het Klarinetconcert werd geschreven voor de beroemde jazzklarinettist Benny Goodman, die eerder componisten als Béla Bartók, Leonard Bernstein en Paul Hindemith had gestrikt. Het is een tweedelig neoclassicistisch werk, waarvan het dromerige eerste deel (een ‘pas de deux’ volgens Copland) en het ritmische, jazzy slotdeel met elkaar verbonden zijn door een uitgebreide, geheel uitgeschreven solocadens. Cop­land liet zich deels inspireren door Goodmans stijl en het werk is de ‘King of Swing’ dan ook op het lijf geschreven. Toch stelde de klarinettist enkele veranderingen voor: enkele passages achtte hij te hoog en/of te moeilijk. Copland voerde de aanpassingen met tegenzin door.

In een interview verklaarde Goodman: ‘Ik heb me altijd goed gevoeld bij deze opdracht en bij het spelen van het concert onder leiding van Aaron’. De meeste klarinettisten voeren het uit in Goodmans gereviseerde versie, hoewel sommigen voor Coplands oorspronkelijke manuscript kiezen. Een uitgave die in 2015 bij Boosey & Hawkes verscheen, stelt de solist door middel van ‘ossia’s’ (alternatieve passages) in staat op gezette momenten een keus te maken.

door Martijn Voorvelt

Antonín Dvořák (1841-1904)

Dvořák: Negende symfonie

door Aad van der Ven

  • Antonín Dvořák met zijn gezin en vrienden op de binnenplaats van zijn New Yorkse huis, ca. 1893

    Antonín Dvořák met zijn gezin en vrienden op de binnenplaats van zijn New Yorkse huis, ca. 1893

  • Antonín Dvořák met zijn gezin en vrienden op de binnenplaats van zijn New Yorkse huis, ca. 1893

    Antonín Dvořák met zijn gezin en vrienden op de binnenplaats van zijn New Yorkse huis, ca. 1893

Over de vraag in hoeverre Dvořáks Negende symfonie Amerikaans dan wel ­Tsjechisch is wordt al ruim een eeuw lang naar hartelust gedelibereerd. Waar en wanneer de componist het werk schreef is duidelijk. Dat was in 1892/93 in het vijfkamerappartement in New York, 327 East 17th Street, waar hij met zijn gezin gedurende zijn verblijf in de Verenigde Staten woonde. Een vermogende Amerikaanse had een formidabel salaris in het vooruitzicht gesteld als hij naar New York wilde komen om het door haar aldaar gestichte conservatorium te leiden. Een belangrijke Europese toondichter zou misschien jonge Amerikaanse componisten het gevoel kunnen bijbrengen, zo dacht zij, dat hun land een nieuw soort muziek nodig had waarin nationale elementen geïntegreerd zouden zijn in traditionele, klassieke vormen. Had Dvořák in zijn eigen land niet hetzelfde gedaan? Hij nam niet zonder aarzeling het aanbod aan en kweet zich drie jaar lang gewetensvol van zijn taak. Daarbij hield hij voldoende tijd over om enkele partituren te schrijven, waaronder de Negende symfonie en het Celloconcert, die nu algemeen tot zijn beste worden gerekend.

Uit diverse bronnen blijkt dat Dvořák zeer geïnteresseerd was in negro­spirituals en in de liederen en dansen van de inheemsen. Wat hij daarvan te pakken kon krijgen, bestudeerde hij. Zijn eigen muziek is er zeker door beïnvloed. Toen hij aan de Negende symfonie werkte, verklaarde hij in een brief aan een van zijn vrienden, dat deze compositie anders zou worden dan al zijn andere stukken: ‘De invloed van Amerika kan iedereen opmerken die er een neus voor heeft.’ Opmerkelijk is dat hij zich enkele jaren later, terug in het vaderland, enigszins distantieerde van deze uitlatingen. Hij noemde zijn ­Negende toen ‘echte Boheemse muziek.’ Misschien was hij geïrriteerd geraakt door het historische gewicht dat in de Verenigde Staten aan het werk werd gegeven. Daar noemden sommigen het ‘het begin van een nieuwe Amerikaanse muziek.’

In elk geval valt niet te loochenen dat zijn laatste symfonie melodieën bevat die een spiritual-afkomst verraden, zoals de fluitmelodie in het eerste deel en het hoofdthema van het langzame deel, voorgedragen door de althobo. Er waren geruchten dat Dvořák van plan was een opera te componeren gebaseerd op The Song of Hiawatha van Longfellow. De opera kwam er niet, maar er zijn aanwijzingen dat iets van het schetsmatig genoteerde materiaal een plaats heeft gekregen in deze symfonie, vooral in het derde deel, Scherzo, dat ‘dansende indianen’ zou uitbeelden. In het contrasterende triogedeelte echter nemen Tsjechische boeren het heft in handen. Hier horen we de componist die ’s zomers het liefst in een klein houten huisje, een door hem opgeknapte schaapskooi, op het Zuid-Boheemse platteland verbleef. Het vurige slotdeel mondt uit in een episode die thema’s uit de drie voorgaande delen bevat.

Over de vraag in hoeverre Dvořáks Negende symfonie Amerikaans dan wel ­Tsjechisch is wordt al ruim een eeuw lang naar hartelust gedelibereerd. Waar en wanneer de componist het werk schreef is duidelijk. Dat was in 1892/93 in het vijfkamerappartement in New York, 327 East 17th Street, waar hij met zijn gezin gedurende zijn verblijf in de Verenigde Staten woonde. Een vermogende Amerikaanse had een formidabel salaris in het vooruitzicht gesteld als hij naar New York wilde komen om het door haar aldaar gestichte conservatorium te leiden. Een belangrijke Europese toondichter zou misschien jonge Amerikaanse componisten het gevoel kunnen bijbrengen, zo dacht zij, dat hun land een nieuw soort muziek nodig had waarin nationale elementen geïntegreerd zouden zijn in traditionele, klassieke vormen. Had Dvořák in zijn eigen land niet hetzelfde gedaan? Hij nam niet zonder aarzeling het aanbod aan en kweet zich drie jaar lang gewetensvol van zijn taak. Daarbij hield hij voldoende tijd over om enkele partituren te schrijven, waaronder de Negende symfonie en het Celloconcert, die nu algemeen tot zijn beste worden gerekend.

Uit diverse bronnen blijkt dat Dvořák zeer geïnteresseerd was in negro­spirituals en in de liederen en dansen van de inheemsen. Wat hij daarvan te pakken kon krijgen, bestudeerde hij. Zijn eigen muziek is er zeker door beïnvloed. Toen hij aan de Negende symfonie werkte, verklaarde hij in een brief aan een van zijn vrienden, dat deze compositie anders zou worden dan al zijn andere stukken: ‘De invloed van Amerika kan iedereen opmerken die er een neus voor heeft.’ Opmerkelijk is dat hij zich enkele jaren later, terug in het vaderland, enigszins distantieerde van deze uitlatingen. Hij noemde zijn ­Negende toen ‘echte Boheemse muziek.’ Misschien was hij geïrriteerd geraakt door het historische gewicht dat in de Verenigde Staten aan het werk werd gegeven. Daar noemden sommigen het ‘het begin van een nieuwe Amerikaanse muziek.’

In elk geval valt niet te loochenen dat zijn laatste symfonie melodieën bevat die een spiritual-afkomst verraden, zoals de fluitmelodie in het eerste deel en het hoofdthema van het langzame deel, voorgedragen door de althobo. Er waren geruchten dat Dvořák van plan was een opera te componeren gebaseerd op The Song of Hiawatha van Longfellow. De opera kwam er niet, maar er zijn aanwijzingen dat iets van het schetsmatig genoteerde materiaal een plaats heeft gekregen in deze symfonie, vooral in het derde deel, Scherzo, dat ‘dansende indianen’ zou uitbeelden. In het contrasterende triogedeelte echter nemen Tsjechische boeren het heft in handen. Hier horen we de componist die ’s zomers het liefst in een klein houten huisje, een door hem opgeknapte schaapskooi, op het Zuid-Boheemse platteland verbleef. Het vurige slotdeel mondt uit in een episode die thema’s uit de drie voorgaande delen bevat.

door Aad van der Ven

Biografie

Klaus Mäkelä, dirigent

Klaus Mäkelä is chef-dirigent en artistiek adviseur van het Oslo Filharmonisch Orkest. Bij het Orchestre de Paris, waar hij sinds 2020 artistiek adviseur was, begon hij in september 2021 als chef-dirigent. Ook is hij artistiek leider van het Turku Music Festival.

De Finse dirigent heeft een exclusief contract met Decca, waarvoor hij alle symfonieën van Sibelius opnam met het Oslo Filharmonisch Orkest. Met dat orkest onderneemt hij zijn eerste grote Europa-tournee in het voorjaar van 2022, met residencies in het Wiener Konzerhaus en de Hamburgse Elbphilharmonie en concerten in de Philharmonie van Parijs en Barbican Centre in Londen.

Klaus Mäkelä leidt dit seizoen ook het Chicago Symphony Orchestra, The Cleveland Orchestra, de San Francisco Symphony, het London Philharmonic Orchestra, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en de Münchner Philharmoniker.

In september 2020 maakte Klaus Mäkelä een bijzonder overtuigend debuut bij het Concertgebouworkest, waarna hij nog binnen hetzelfde seizoen tweemaal werd teruggevraagd. In november 2021 leidde hij het orkest in symfonieën van Tsjaikovski en Sjostakovitsj in Hamburg en Reykjavík.
Klaus Mäkelä studeerde orkestdirectie aan de Sibelius-Academie bij Jorma Panula en cello bij Marko Ylönen, Timo Hanhinen en Hannu Kiiski. Als solist trad hij met diverse Finse orkesten op en was hij te gast bij Finse festivals zoals het Kuhmo Kamermuziekfestival.

Calogero Palermo, klarinet

Calogero Palermo is solo­klarinettist van het Concertgebouworkest sinds augustus 2015.

Na zijn opleiding aan het conservatorium van Palermo en bij Thomas Friedli in Genève werd Calogero Palermo al op 22-jarige leeftijd aangenomen als soloklarinettist van het Orchestra del Teatro V. Bellini in Catania, Sicilië.

Van 1997 tot 2008, en later opnieuw van 2012 tot 2015, was hij soloklarinettist van het Orchestra Teatro Opera di Roma. Tijdens de tussenliggende jaren was hij werkzaam in het Orchestre National de France. Hij remplaceerde onder meer bij het Orchestra Filarmonica della Scala di Milano en het Concertgebouworkest.

Ondertussen maakte Calogero Palermo naam als solist en kamermusicus; hij trad op in de belangrijkste Italiaanse steden en in Spanje, Duitsland, Frankrijk, Tunesië, Rusland, China, Taiwan, Japan en de Verenigde Staten. Hij was als solist te horen via radio- en tv-zenders in Italië, Frankrijk en Roemenië, bijvoorbeeld in Webers Eerste klarinetconcert op RaiTrade.

Bij het Concertgebouworkest treedt hij voor het eerst op als solist. De Siciliaanse klarinettist geeft regelmatig masterclasses. Hij schreef de didactische methode Soli d’orchestra met revisies en arrangementen voor klarinet en piano van bekende werken.