Fabio Luisi dirigeert Beethoven bij het Concertgebouworkest
Grote Zaal 11 juni 2026 20.15 uur
Koninklijk Concertgebouworkest
Fabio Luisi dirigent
James Ehnes viool
Dit programma maakt deel uit van de series B donderdag en E.
Ook interessant:
- Dirigent Fabio Luisi: ‘Ik ben al mijn hele leven met Verdi bezig’
- Waar komen de series van het Concertgebouworkest vandaan?
ANTONIO VIVALDI (1670-1743)
Sinfonia in b kl.t., RV 169 (ca. 1730)
‘Al Santo Sepolcro’
Adagio molto
Allegro ma poco
SAMUEL BARBER (1910-1981)
Vioolconcert, op. 14 (1939)
Allegro
Andante
Presto in moto
pauze ± 21.00 uur
LUDWIG VAN BEETHOVEN (1770-1827)
Symfonie nr. 8 in F gr.t., op. 93 (1812)
Allegro vivace e con brio
Allegretto scherzando
Tempo di Menuetto
Allegro vivace
einde ± 22.00 uur

Koninklijk Concertgebouworkest
Fabio Luisi dirigent
James Ehnes viool
Dit programma maakt deel uit van de series B donderdag en E.
Ook interessant:
- Dirigent Fabio Luisi: ‘Ik ben al mijn hele leven met Verdi bezig’
- Waar komen de series van het Concertgebouworkest vandaan?
ANTONIO VIVALDI (1670-1743)
Sinfonia in b kl.t., RV 169 (ca. 1730)
‘Al Santo Sepolcro’
Adagio molto
Allegro ma poco
SAMUEL BARBER (1910-1981)
Vioolconcert, op. 14 (1939)
Allegro
Andante
Presto in moto
pauze ± 21.00 uur
LUDWIG VAN BEETHOVEN (1770-1827)
Symfonie nr. 8 in F gr.t., op. 93 (1812)
Allegro vivace e con brio
Allegretto scherzando
Tempo di Menuetto
Allegro vivace
einde ± 22.00 uur

Toelichting
Antonio Vivaldi (1670-1743)
Sinfonia in b klein
Antonio Vivaldi was een veelschrijver. Behalve honderden vioolconcerten componeerde hij stapels opera’s en kerkmuziek. Daarvan raakte heel wat zoek, en wat wél bewaard bleef kreeg niet altijd evenveel aandacht. Vivaldi dreigde zelfs een tijdje geheel vergeten te worden. Maar een eeuw geleden kwam zijn werk weer bovendrijven, de vraag oproepend hoe zulke levendige muziek zó lang genegeerd had kunnen worden.
Al die energieke concertstukken bezorgden hem een sprankelend imago waar de Sinfonia ‘Al Santo Sepolcro’ lijnrecht tegen indruist. Dit is uiterst dramatische, desolate muziek, gespeeld door louter strijkers, waarschijnlijk gecomponeerd voor een mis tijdens de Heilige Week. De wrange akkoorden en ‘zuchtende’ frasen van het Adagio maken het lijden van Jezus pijnlijk invoelbaar. In de daaropvolgende fuga laat Vivaldi een dalende en een stijgende melodielijn elkaar halverwege doorsnijden, waarmee hij op subtiele wijze het kruis symboliseert.
Orkestfeit
Deze korte strijkerssymfonie stond één keer eerder bij het Concertgebouworkest op de lessenaar, namelijk op 16 december 1962 onder leiding van Rafael Kubelík.
Antonio Vivaldi was een veelschrijver. Behalve honderden vioolconcerten componeerde hij stapels opera’s en kerkmuziek. Daarvan raakte heel wat zoek, en wat wél bewaard bleef kreeg niet altijd evenveel aandacht. Vivaldi dreigde zelfs een tijdje geheel vergeten te worden. Maar een eeuw geleden kwam zijn werk weer bovendrijven, de vraag oproepend hoe zulke levendige muziek zó lang genegeerd had kunnen worden.
Al die energieke concertstukken bezorgden hem een sprankelend imago waar de Sinfonia ‘Al Santo Sepolcro’ lijnrecht tegen indruist. Dit is uiterst dramatische, desolate muziek, gespeeld door louter strijkers, waarschijnlijk gecomponeerd voor een mis tijdens de Heilige Week. De wrange akkoorden en ‘zuchtende’ frasen van het Adagio maken het lijden van Jezus pijnlijk invoelbaar. In de daaropvolgende fuga laat Vivaldi een dalende en een stijgende melodielijn elkaar halverwege doorsnijden, waarmee hij op subtiele wijze het kruis symboliseert.
Orkestfeit
Deze korte strijkerssymfonie stond één keer eerder bij het Concertgebouworkest op de lessenaar, namelijk op 16 december 1962 onder leiding van Rafael Kubelík.
Samuel Barber (1910-1981)
Vioolconcert
De jonge Samuel Barber kon zich al na een paar stukken verheugen in een dubbele reputatie: hij was een van Amerika’s meest gespeelde én meest verguisde componisten. Met zijn schaamteloos welluidende, neoromantische schrijfstijl zwom hij tegen de modernistische stroom in. Dat kwam hem op strenge kritiek uit de avant-gardehoek te staan, maar het leverde hem wel een groot publiek op. Zo werd zijn Adagio for Strings (zie ook pagina 86) een wereldwijde uitvaartfavoriet en Amerika’s instant-volkslied op dagen van nationale rouw. Opmerkelijk is ook dat hij – anders dan zijn grote tijdgenoten Aaron Copland en Leonard Bernstein – niet flirtte met volksmuziek of jazz en daardoor niet typisch Amerikaans klonk. Zijn muziek neigt sterk naar Europa, waar hij enkele jaren studeerde en werkte.
Het Vioolconcert was Barbers eerste grote compositieopdracht. Het stuk ontstond grotendeels tijdens een langdurig verblijf in Zwitserland. De onverstoorbaarheid waarmee hij vasthield aan zijn ‘ouderwetse’ componeerstijl, spreekt ook uit het zorgeloze karakter van de muziek: oprukkend fascisme en acute oorlogsdreiging verduisterden Europa, maar daar hoor je niets van terug. De eerste twee delen hebben een sereen karakter, omfloerst met de melancholie die zelfs Barbers prilste composities kenmerkt. Hij was, aldus een criticus, ‘één van die mensen die middle aged geboren worden’. Bovenal klinkt hier Barbers liefde voor de liedkunst door. Hij kon al terugzien op een kortstondige nevencarrière als bariton en zou altijd blijven getuigen van een sterk melodiegevoel.
Dat was niet genoeg, vond violist Iso Briselli. Hij was degene die het werk in première zou brengen, en hij miste de glamour en virtuositeit die hij voor succes noodzakelijk achtte. Gelukkig moest Barber het slotdeel nog schrijven; de oorlog was inmiddels uitgebroken en de componist was halsoverkop naar Amerika teruggekeerd. Alsof hij zich wilde revancheren voegde hij een vrijwel melodieloze finale toe, een rusteloos raderwerk dat het stuk van de negentiende eeuw naar de moderne tijd katapulteert. En wéér was het niet goed; de solopartij was volgens Briselli ‘niet violistisch’. Barber riposteerde dat hij zijn artistieke integriteit belangrijker vond en veranderde geen noot. Helemaal juist; Briselli heeft achteraf kunnen zien hoe een jaloersmakende reeks vioolgiganten dit stuk op hun repertoire hebben genomen.
Orkestfeit
Vier keer voerde het orkest dit werk uit: op 20 en 21 juni 2003 onder leiding van Alan Gilbert en met violist Alexander Kerr, en op 28 en 30 november 2008 met dirigent Jaap van Zweden en solist Vesko Eschkenazy.
De jonge Samuel Barber kon zich al na een paar stukken verheugen in een dubbele reputatie: hij was een van Amerika’s meest gespeelde én meest verguisde componisten. Met zijn schaamteloos welluidende, neoromantische schrijfstijl zwom hij tegen de modernistische stroom in. Dat kwam hem op strenge kritiek uit de avant-gardehoek te staan, maar het leverde hem wel een groot publiek op. Zo werd zijn Adagio for Strings (zie ook pagina 86) een wereldwijde uitvaartfavoriet en Amerika’s instant-volkslied op dagen van nationale rouw. Opmerkelijk is ook dat hij – anders dan zijn grote tijdgenoten Aaron Copland en Leonard Bernstein – niet flirtte met volksmuziek of jazz en daardoor niet typisch Amerikaans klonk. Zijn muziek neigt sterk naar Europa, waar hij enkele jaren studeerde en werkte.
Het Vioolconcert was Barbers eerste grote compositieopdracht. Het stuk ontstond grotendeels tijdens een langdurig verblijf in Zwitserland. De onverstoorbaarheid waarmee hij vasthield aan zijn ‘ouderwetse’ componeerstijl, spreekt ook uit het zorgeloze karakter van de muziek: oprukkend fascisme en acute oorlogsdreiging verduisterden Europa, maar daar hoor je niets van terug. De eerste twee delen hebben een sereen karakter, omfloerst met de melancholie die zelfs Barbers prilste composities kenmerkt. Hij was, aldus een criticus, ‘één van die mensen die middle aged geboren worden’. Bovenal klinkt hier Barbers liefde voor de liedkunst door. Hij kon al terugzien op een kortstondige nevencarrière als bariton en zou altijd blijven getuigen van een sterk melodiegevoel.
Dat was niet genoeg, vond violist Iso Briselli. Hij was degene die het werk in première zou brengen, en hij miste de glamour en virtuositeit die hij voor succes noodzakelijk achtte. Gelukkig moest Barber het slotdeel nog schrijven; de oorlog was inmiddels uitgebroken en de componist was halsoverkop naar Amerika teruggekeerd. Alsof hij zich wilde revancheren voegde hij een vrijwel melodieloze finale toe, een rusteloos raderwerk dat het stuk van de negentiende eeuw naar de moderne tijd katapulteert. En wéér was het niet goed; de solopartij was volgens Briselli ‘niet violistisch’. Barber riposteerde dat hij zijn artistieke integriteit belangrijker vond en veranderde geen noot. Helemaal juist; Briselli heeft achteraf kunnen zien hoe een jaloersmakende reeks vioolgiganten dit stuk op hun repertoire hebben genomen.
Orkestfeit
Vier keer voerde het orkest dit werk uit: op 20 en 21 juni 2003 onder leiding van Alan Gilbert en met violist Alexander Kerr, en op 28 en 30 november 2008 met dirigent Jaap van Zweden en solist Vesko Eschkenazy.
Ludwig van Beethoven (1770-1827)
Achtste symfonie
Er zijn veel redenen om Ludwig van Beethovens symfonieën fantastisch te vinden. Ze zitten zó geraffineerd in elkaar dat latere componisten er niet omheen konden als ze nog een serieuze symfonie wilden schrijven. Daarnaast staan ze voor artistieke eigenzinnigheid en de revolutionaire idealen van die tijd. Over de symbolische waarde van Beethovens symfonieën zijn boeken vol geschreven. En, ook frappant: ze hebben elk een eigen karakter. De Achtste symfonie – de kortste van de negen – vormt een soort vakantie-eilandje tussen de opzwepend-idealistische Zevende en de monumentaal-revolutionaire Negende. In die context lijkt het een minder ambitieus stuk, en zo werd het ook ingeschat bij de première in 1814; alle aandacht ging uit naar de Zevende, die op het zelfde concert ten doop gehouden werd. Maar Beethoven zelf beschouwde zijn Achtste als een van zijn beste werken, en met reden.
De opvallendste vrijpostigheden bewaarde Beethoven voor de finale
De Achtste zit vol verrassingen. Delen ervan waren aanvankelijk voor een pianoconcert bestemd. Mede daardoor klinkt het alsof Beethoven hier terugkeert naar de lichtvoetige amusementsmuziek die de symfonie ooit was – totdat hij er zelf meer psychologisch en maatschappelijk gewicht aan gaf. Het begindeel is zorgeloze ‘openluchtmuziek’ waarbij je meteen niet meer denkt aan de kwaaie kop waarmee schilders en beeldhouwers Beethoven in de loop der eeuwen hebben opgezadeld. En vrijwel meteen klinkt er een komisch schokeffect dat de invloed van Beethovens leermeester Joseph Haydn verraadt: het beginthema begint te haperen en na een ongemakkelijke stilte neemt een solofagot onverwachts het voortouw. Aan het tweede deel is een anekdote verbonden die lang voor waar is gehouden: het zou gebaseerd zijn op een lied dat Beethoven componeerde voor Johann Maelzel, uitvinder van de metronoom. Dat bleek achteraf een verzinsel van Beethovens fantasierijke biograaf Anton Schindler te zijn, maar de muziek maakt het alleszins aannemelijk: het ritme heeft een mechanische precisie, tot het raderwerk tegen het slot op hol slaat. Ook hier haakte Beethoven waarschijnlijk in op Haydn, die achttien jaar eerder zijn beroemde ‘Kloksymfonie’ had gecomponeerd. De klassieke traditie wil dat op dit scherzo-achtige deel een langzaam deel volgt, maar de immer eigenzinnige Beethoven verving dat door een menuet. De opvallendste vrijpostigheden bewaarde hij echter voor de finale. Na een energieke start in de toonsoort F groot, vuurt het hele orkest plots een lompe cis af – een volstrekt ‘foute’ noot in die context. Maar bij Beethoven blijft niets zonder consequentie; hij maakt die verstorende noot volkomen aannemelijk en bouwt er minutenlang op voort. Om toch weer te landen in die aanvankelijke F groot laat hij het hele bouwsel plots een halve toon omlaag zakken, alsof de bodem eruit valt. Bij een andere componist zou dat amateuristisch uitpakken, maar Beethoven kon zich zo’n roekeloze wending permitteren.
Orkestfeit
De eerste van 306 uitvoeringen vond plaats op 3 oktober 1889 onder leiding van Willem Kes, de laatste op 23 april 2015 onder Iván Fischer.
Er zijn veel redenen om Ludwig van Beethovens symfonieën fantastisch te vinden. Ze zitten zó geraffineerd in elkaar dat latere componisten er niet omheen konden als ze nog een serieuze symfonie wilden schrijven. Daarnaast staan ze voor artistieke eigenzinnigheid en de revolutionaire idealen van die tijd. Over de symbolische waarde van Beethovens symfonieën zijn boeken vol geschreven. En, ook frappant: ze hebben elk een eigen karakter. De Achtste symfonie – de kortste van de negen – vormt een soort vakantie-eilandje tussen de opzwepend-idealistische Zevende en de monumentaal-revolutionaire Negende. In die context lijkt het een minder ambitieus stuk, en zo werd het ook ingeschat bij de première in 1814; alle aandacht ging uit naar de Zevende, die op het zelfde concert ten doop gehouden werd. Maar Beethoven zelf beschouwde zijn Achtste als een van zijn beste werken, en met reden.
De opvallendste vrijpostigheden bewaarde Beethoven voor de finale
De Achtste zit vol verrassingen. Delen ervan waren aanvankelijk voor een pianoconcert bestemd. Mede daardoor klinkt het alsof Beethoven hier terugkeert naar de lichtvoetige amusementsmuziek die de symfonie ooit was – totdat hij er zelf meer psychologisch en maatschappelijk gewicht aan gaf. Het begindeel is zorgeloze ‘openluchtmuziek’ waarbij je meteen niet meer denkt aan de kwaaie kop waarmee schilders en beeldhouwers Beethoven in de loop der eeuwen hebben opgezadeld. En vrijwel meteen klinkt er een komisch schokeffect dat de invloed van Beethovens leermeester Joseph Haydn verraadt: het beginthema begint te haperen en na een ongemakkelijke stilte neemt een solofagot onverwachts het voortouw. Aan het tweede deel is een anekdote verbonden die lang voor waar is gehouden: het zou gebaseerd zijn op een lied dat Beethoven componeerde voor Johann Maelzel, uitvinder van de metronoom. Dat bleek achteraf een verzinsel van Beethovens fantasierijke biograaf Anton Schindler te zijn, maar de muziek maakt het alleszins aannemelijk: het ritme heeft een mechanische precisie, tot het raderwerk tegen het slot op hol slaat. Ook hier haakte Beethoven waarschijnlijk in op Haydn, die achttien jaar eerder zijn beroemde ‘Kloksymfonie’ had gecomponeerd. De klassieke traditie wil dat op dit scherzo-achtige deel een langzaam deel volgt, maar de immer eigenzinnige Beethoven verving dat door een menuet. De opvallendste vrijpostigheden bewaarde hij echter voor de finale. Na een energieke start in de toonsoort F groot, vuurt het hele orkest plots een lompe cis af – een volstrekt ‘foute’ noot in die context. Maar bij Beethoven blijft niets zonder consequentie; hij maakt die verstorende noot volkomen aannemelijk en bouwt er minutenlang op voort. Om toch weer te landen in die aanvankelijke F groot laat hij het hele bouwsel plots een halve toon omlaag zakken, alsof de bodem eruit valt. Bij een andere componist zou dat amateuristisch uitpakken, maar Beethoven kon zich zo’n roekeloze wending permitteren.
Orkestfeit
De eerste van 306 uitvoeringen vond plaats op 3 oktober 1889 onder leiding van Willem Kes, de laatste op 23 april 2015 onder Iván Fischer.
Antonio Vivaldi (1670-1743)
Sinfonia in b klein
Antonio Vivaldi was een veelschrijver. Behalve honderden vioolconcerten componeerde hij stapels opera’s en kerkmuziek. Daarvan raakte heel wat zoek, en wat wél bewaard bleef kreeg niet altijd evenveel aandacht. Vivaldi dreigde zelfs een tijdje geheel vergeten te worden. Maar een eeuw geleden kwam zijn werk weer bovendrijven, de vraag oproepend hoe zulke levendige muziek zó lang genegeerd had kunnen worden.
Al die energieke concertstukken bezorgden hem een sprankelend imago waar de Sinfonia ‘Al Santo Sepolcro’ lijnrecht tegen indruist. Dit is uiterst dramatische, desolate muziek, gespeeld door louter strijkers, waarschijnlijk gecomponeerd voor een mis tijdens de Heilige Week. De wrange akkoorden en ‘zuchtende’ frasen van het Adagio maken het lijden van Jezus pijnlijk invoelbaar. In de daaropvolgende fuga laat Vivaldi een dalende en een stijgende melodielijn elkaar halverwege doorsnijden, waarmee hij op subtiele wijze het kruis symboliseert.
Orkestfeit
Deze korte strijkerssymfonie stond één keer eerder bij het Concertgebouworkest op de lessenaar, namelijk op 16 december 1962 onder leiding van Rafael Kubelík.
Antonio Vivaldi was een veelschrijver. Behalve honderden vioolconcerten componeerde hij stapels opera’s en kerkmuziek. Daarvan raakte heel wat zoek, en wat wél bewaard bleef kreeg niet altijd evenveel aandacht. Vivaldi dreigde zelfs een tijdje geheel vergeten te worden. Maar een eeuw geleden kwam zijn werk weer bovendrijven, de vraag oproepend hoe zulke levendige muziek zó lang genegeerd had kunnen worden.
Al die energieke concertstukken bezorgden hem een sprankelend imago waar de Sinfonia ‘Al Santo Sepolcro’ lijnrecht tegen indruist. Dit is uiterst dramatische, desolate muziek, gespeeld door louter strijkers, waarschijnlijk gecomponeerd voor een mis tijdens de Heilige Week. De wrange akkoorden en ‘zuchtende’ frasen van het Adagio maken het lijden van Jezus pijnlijk invoelbaar. In de daaropvolgende fuga laat Vivaldi een dalende en een stijgende melodielijn elkaar halverwege doorsnijden, waarmee hij op subtiele wijze het kruis symboliseert.
Orkestfeit
Deze korte strijkerssymfonie stond één keer eerder bij het Concertgebouworkest op de lessenaar, namelijk op 16 december 1962 onder leiding van Rafael Kubelík.
Samuel Barber (1910-1981)
Vioolconcert
De jonge Samuel Barber kon zich al na een paar stukken verheugen in een dubbele reputatie: hij was een van Amerika’s meest gespeelde én meest verguisde componisten. Met zijn schaamteloos welluidende, neoromantische schrijfstijl zwom hij tegen de modernistische stroom in. Dat kwam hem op strenge kritiek uit de avant-gardehoek te staan, maar het leverde hem wel een groot publiek op. Zo werd zijn Adagio for Strings (zie ook pagina 86) een wereldwijde uitvaartfavoriet en Amerika’s instant-volkslied op dagen van nationale rouw. Opmerkelijk is ook dat hij – anders dan zijn grote tijdgenoten Aaron Copland en Leonard Bernstein – niet flirtte met volksmuziek of jazz en daardoor niet typisch Amerikaans klonk. Zijn muziek neigt sterk naar Europa, waar hij enkele jaren studeerde en werkte.
Het Vioolconcert was Barbers eerste grote compositieopdracht. Het stuk ontstond grotendeels tijdens een langdurig verblijf in Zwitserland. De onverstoorbaarheid waarmee hij vasthield aan zijn ‘ouderwetse’ componeerstijl, spreekt ook uit het zorgeloze karakter van de muziek: oprukkend fascisme en acute oorlogsdreiging verduisterden Europa, maar daar hoor je niets van terug. De eerste twee delen hebben een sereen karakter, omfloerst met de melancholie die zelfs Barbers prilste composities kenmerkt. Hij was, aldus een criticus, ‘één van die mensen die middle aged geboren worden’. Bovenal klinkt hier Barbers liefde voor de liedkunst door. Hij kon al terugzien op een kortstondige nevencarrière als bariton en zou altijd blijven getuigen van een sterk melodiegevoel.
Dat was niet genoeg, vond violist Iso Briselli. Hij was degene die het werk in première zou brengen, en hij miste de glamour en virtuositeit die hij voor succes noodzakelijk achtte. Gelukkig moest Barber het slotdeel nog schrijven; de oorlog was inmiddels uitgebroken en de componist was halsoverkop naar Amerika teruggekeerd. Alsof hij zich wilde revancheren voegde hij een vrijwel melodieloze finale toe, een rusteloos raderwerk dat het stuk van de negentiende eeuw naar de moderne tijd katapulteert. En wéér was het niet goed; de solopartij was volgens Briselli ‘niet violistisch’. Barber riposteerde dat hij zijn artistieke integriteit belangrijker vond en veranderde geen noot. Helemaal juist; Briselli heeft achteraf kunnen zien hoe een jaloersmakende reeks vioolgiganten dit stuk op hun repertoire hebben genomen.
Orkestfeit
Vier keer voerde het orkest dit werk uit: op 20 en 21 juni 2003 onder leiding van Alan Gilbert en met violist Alexander Kerr, en op 28 en 30 november 2008 met dirigent Jaap van Zweden en solist Vesko Eschkenazy.
De jonge Samuel Barber kon zich al na een paar stukken verheugen in een dubbele reputatie: hij was een van Amerika’s meest gespeelde én meest verguisde componisten. Met zijn schaamteloos welluidende, neoromantische schrijfstijl zwom hij tegen de modernistische stroom in. Dat kwam hem op strenge kritiek uit de avant-gardehoek te staan, maar het leverde hem wel een groot publiek op. Zo werd zijn Adagio for Strings (zie ook pagina 86) een wereldwijde uitvaartfavoriet en Amerika’s instant-volkslied op dagen van nationale rouw. Opmerkelijk is ook dat hij – anders dan zijn grote tijdgenoten Aaron Copland en Leonard Bernstein – niet flirtte met volksmuziek of jazz en daardoor niet typisch Amerikaans klonk. Zijn muziek neigt sterk naar Europa, waar hij enkele jaren studeerde en werkte.
Het Vioolconcert was Barbers eerste grote compositieopdracht. Het stuk ontstond grotendeels tijdens een langdurig verblijf in Zwitserland. De onverstoorbaarheid waarmee hij vasthield aan zijn ‘ouderwetse’ componeerstijl, spreekt ook uit het zorgeloze karakter van de muziek: oprukkend fascisme en acute oorlogsdreiging verduisterden Europa, maar daar hoor je niets van terug. De eerste twee delen hebben een sereen karakter, omfloerst met de melancholie die zelfs Barbers prilste composities kenmerkt. Hij was, aldus een criticus, ‘één van die mensen die middle aged geboren worden’. Bovenal klinkt hier Barbers liefde voor de liedkunst door. Hij kon al terugzien op een kortstondige nevencarrière als bariton en zou altijd blijven getuigen van een sterk melodiegevoel.
Dat was niet genoeg, vond violist Iso Briselli. Hij was degene die het werk in première zou brengen, en hij miste de glamour en virtuositeit die hij voor succes noodzakelijk achtte. Gelukkig moest Barber het slotdeel nog schrijven; de oorlog was inmiddels uitgebroken en de componist was halsoverkop naar Amerika teruggekeerd. Alsof hij zich wilde revancheren voegde hij een vrijwel melodieloze finale toe, een rusteloos raderwerk dat het stuk van de negentiende eeuw naar de moderne tijd katapulteert. En wéér was het niet goed; de solopartij was volgens Briselli ‘niet violistisch’. Barber riposteerde dat hij zijn artistieke integriteit belangrijker vond en veranderde geen noot. Helemaal juist; Briselli heeft achteraf kunnen zien hoe een jaloersmakende reeks vioolgiganten dit stuk op hun repertoire hebben genomen.
Orkestfeit
Vier keer voerde het orkest dit werk uit: op 20 en 21 juni 2003 onder leiding van Alan Gilbert en met violist Alexander Kerr, en op 28 en 30 november 2008 met dirigent Jaap van Zweden en solist Vesko Eschkenazy.
Ludwig van Beethoven (1770-1827)
Achtste symfonie
Er zijn veel redenen om Ludwig van Beethovens symfonieën fantastisch te vinden. Ze zitten zó geraffineerd in elkaar dat latere componisten er niet omheen konden als ze nog een serieuze symfonie wilden schrijven. Daarnaast staan ze voor artistieke eigenzinnigheid en de revolutionaire idealen van die tijd. Over de symbolische waarde van Beethovens symfonieën zijn boeken vol geschreven. En, ook frappant: ze hebben elk een eigen karakter. De Achtste symfonie – de kortste van de negen – vormt een soort vakantie-eilandje tussen de opzwepend-idealistische Zevende en de monumentaal-revolutionaire Negende. In die context lijkt het een minder ambitieus stuk, en zo werd het ook ingeschat bij de première in 1814; alle aandacht ging uit naar de Zevende, die op het zelfde concert ten doop gehouden werd. Maar Beethoven zelf beschouwde zijn Achtste als een van zijn beste werken, en met reden.
De opvallendste vrijpostigheden bewaarde Beethoven voor de finale
De Achtste zit vol verrassingen. Delen ervan waren aanvankelijk voor een pianoconcert bestemd. Mede daardoor klinkt het alsof Beethoven hier terugkeert naar de lichtvoetige amusementsmuziek die de symfonie ooit was – totdat hij er zelf meer psychologisch en maatschappelijk gewicht aan gaf. Het begindeel is zorgeloze ‘openluchtmuziek’ waarbij je meteen niet meer denkt aan de kwaaie kop waarmee schilders en beeldhouwers Beethoven in de loop der eeuwen hebben opgezadeld. En vrijwel meteen klinkt er een komisch schokeffect dat de invloed van Beethovens leermeester Joseph Haydn verraadt: het beginthema begint te haperen en na een ongemakkelijke stilte neemt een solofagot onverwachts het voortouw. Aan het tweede deel is een anekdote verbonden die lang voor waar is gehouden: het zou gebaseerd zijn op een lied dat Beethoven componeerde voor Johann Maelzel, uitvinder van de metronoom. Dat bleek achteraf een verzinsel van Beethovens fantasierijke biograaf Anton Schindler te zijn, maar de muziek maakt het alleszins aannemelijk: het ritme heeft een mechanische precisie, tot het raderwerk tegen het slot op hol slaat. Ook hier haakte Beethoven waarschijnlijk in op Haydn, die achttien jaar eerder zijn beroemde ‘Kloksymfonie’ had gecomponeerd. De klassieke traditie wil dat op dit scherzo-achtige deel een langzaam deel volgt, maar de immer eigenzinnige Beethoven verving dat door een menuet. De opvallendste vrijpostigheden bewaarde hij echter voor de finale. Na een energieke start in de toonsoort F groot, vuurt het hele orkest plots een lompe cis af – een volstrekt ‘foute’ noot in die context. Maar bij Beethoven blijft niets zonder consequentie; hij maakt die verstorende noot volkomen aannemelijk en bouwt er minutenlang op voort. Om toch weer te landen in die aanvankelijke F groot laat hij het hele bouwsel plots een halve toon omlaag zakken, alsof de bodem eruit valt. Bij een andere componist zou dat amateuristisch uitpakken, maar Beethoven kon zich zo’n roekeloze wending permitteren.
Orkestfeit
De eerste van 306 uitvoeringen vond plaats op 3 oktober 1889 onder leiding van Willem Kes, de laatste op 23 april 2015 onder Iván Fischer.
Er zijn veel redenen om Ludwig van Beethovens symfonieën fantastisch te vinden. Ze zitten zó geraffineerd in elkaar dat latere componisten er niet omheen konden als ze nog een serieuze symfonie wilden schrijven. Daarnaast staan ze voor artistieke eigenzinnigheid en de revolutionaire idealen van die tijd. Over de symbolische waarde van Beethovens symfonieën zijn boeken vol geschreven. En, ook frappant: ze hebben elk een eigen karakter. De Achtste symfonie – de kortste van de negen – vormt een soort vakantie-eilandje tussen de opzwepend-idealistische Zevende en de monumentaal-revolutionaire Negende. In die context lijkt het een minder ambitieus stuk, en zo werd het ook ingeschat bij de première in 1814; alle aandacht ging uit naar de Zevende, die op het zelfde concert ten doop gehouden werd. Maar Beethoven zelf beschouwde zijn Achtste als een van zijn beste werken, en met reden.
De opvallendste vrijpostigheden bewaarde Beethoven voor de finale
De Achtste zit vol verrassingen. Delen ervan waren aanvankelijk voor een pianoconcert bestemd. Mede daardoor klinkt het alsof Beethoven hier terugkeert naar de lichtvoetige amusementsmuziek die de symfonie ooit was – totdat hij er zelf meer psychologisch en maatschappelijk gewicht aan gaf. Het begindeel is zorgeloze ‘openluchtmuziek’ waarbij je meteen niet meer denkt aan de kwaaie kop waarmee schilders en beeldhouwers Beethoven in de loop der eeuwen hebben opgezadeld. En vrijwel meteen klinkt er een komisch schokeffect dat de invloed van Beethovens leermeester Joseph Haydn verraadt: het beginthema begint te haperen en na een ongemakkelijke stilte neemt een solofagot onverwachts het voortouw. Aan het tweede deel is een anekdote verbonden die lang voor waar is gehouden: het zou gebaseerd zijn op een lied dat Beethoven componeerde voor Johann Maelzel, uitvinder van de metronoom. Dat bleek achteraf een verzinsel van Beethovens fantasierijke biograaf Anton Schindler te zijn, maar de muziek maakt het alleszins aannemelijk: het ritme heeft een mechanische precisie, tot het raderwerk tegen het slot op hol slaat. Ook hier haakte Beethoven waarschijnlijk in op Haydn, die achttien jaar eerder zijn beroemde ‘Kloksymfonie’ had gecomponeerd. De klassieke traditie wil dat op dit scherzo-achtige deel een langzaam deel volgt, maar de immer eigenzinnige Beethoven verving dat door een menuet. De opvallendste vrijpostigheden bewaarde hij echter voor de finale. Na een energieke start in de toonsoort F groot, vuurt het hele orkest plots een lompe cis af – een volstrekt ‘foute’ noot in die context. Maar bij Beethoven blijft niets zonder consequentie; hij maakt die verstorende noot volkomen aannemelijk en bouwt er minutenlang op voort. Om toch weer te landen in die aanvankelijke F groot laat hij het hele bouwsel plots een halve toon omlaag zakken, alsof de bodem eruit valt. Bij een andere componist zou dat amateuristisch uitpakken, maar Beethoven kon zich zo’n roekeloze wending permitteren.
Orkestfeit
De eerste van 306 uitvoeringen vond plaats op 3 oktober 1889 onder leiding van Willem Kes, de laatste op 23 april 2015 onder Iván Fischer.
Biografie
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande dirigenten en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende dirigenten zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest
Fabio Luisi, dirigent
Fabio Luisi studeerde piano aan het conservatorium in Genua en directie bij Milan Horvat in Graz. Sinds het seizoen 2022/2023 is hij chef-dirigent van het NHK Symphony Orchestra, Tokyo. Daarnaast is hij chef-dirigent van het Dallas Symphony Orchestra en van het Danish National Symphony Orchestra.
De Italiaan is ook music director van het Festival della Valle d’Itria in Puglia en eredirigent van zowel het Orchestra Sinfonica Nazionale RAI als het Teatro Carlo Felice in zijn geboortestad Genua.
Als voormalig chef-dirigent van de Wiener Symphoniker werd Fabio Luisi geëerd met de Anton-Bruckner-Ring en -Medaille. Hij stond ook aan het hoofd van onder meer de Staatskapelle Dresden, het Orchestre de la Suisse Romande, het Tonkünstler-Orchester in Wenen, de Grazer Philharmoniker, de Sächsische Staatsoper en de Metropolitan Opera in New York. Voor zijn opnamen van Wagners Siegfried en Götterdämmerung won Fabio Luisi een Grammy Award en de live opgenomen dvd werd in 2012 bij de Grammy Awards uitgeroepen tot beste opera-opname.
Zijn uitgebreide discografie bevat verder onder meer Bruckners Negende symfonie met de Staatskapelle Dresden, waarvoor hij een Echo Klassik Preis in de wacht sleepte, en een complete Nielsen-cyclus met het Danish National Symphony Orchestra, die in 2023 goed was voor een Limelight en een Abbiati Award, terwijl Gramophone de cd met de Vierde en Vijfde symfonie uitriep tot ‘Recording of the Year’. Bij het Concertgebouworkest is Fabio Luisi een regelmatige gast sinds zijn debuut in 2005. In juni 2022 leidde hij bij het orkest de Ammodo Masterclass Dirigeren. De musicus is ook een gepassioneerd parfumeur.
James Ehnes, viool
James Ehnes was protégé van de bekende Canadese violist Francis Chaplin en debuteerde op zijn dertiende als solist met het Orchestre symphonique de Montréal. Hij studeerde aan de Juilliard School in New York.
De Canadese violist soleerde met de symfonieorkesten van Londen, Boston, Chicago en Dallas (residency in seizoen 2019/2020), het Tonhalle-Orchester Zürich, het NDR Elbphilharmonie Orchester, de Los Angeles en de New York Philharmonic en The Cleveland Orchestra.
In oktober 2023 maakte hij zijn langverwachte debuut bij het Concertgebouworkest met Mendelssohns Vioolconcert. Recitals gaf James Ehnes in bijvoorbeeld Carnegie Hall in New York en op de festivals van Ravinia, Montreux, La Chaise-Dieu, Sint-Petersburg (Witte Nachten) en Verbier.
Ter gelegenheid van Beethovens 250ste geboortejaar speelde hij alle vioolsonates in Wigmore Hall in Londen, op het festival Praagse Lente en op het Aspen Festival als onderdeel van een meerjarige residency, en in februari 2020 gaf hij ook een Beethovenrecital in de Kleine Zaal. In seizoen 2025/2026 viert James Ehnes zijn vijftigste verjaardag met een tournee langs alle Canadese provincies.
Kamermuziek speelt hij met musici als Leif Ove Andsnes, Louis Lortie, Nikolai Lugansky, Yo-Yo Ma, Antoine Tamestit en Yuja Wang. De violist won onder meer twee Grammy Awards, drie Gramophone Awards, een Diapason d’Or en het recordaantal van twaalf Juno Awards. James Ehnes bespeelt de ‘Marsick’-Stradivarius, gebouwd in 1715.