Mahler 9 door het Mahler Academy Orchestra

Mahler Academy Orchestra
Philipp von Steinaecker dirigent
Fleur Barron mezzosopraan

Dit concert maakt deel uit van de serie Reflecties op Europa.
Dit concert wordt voorzien van boventiteling.

Gustav Mahler (1860-1911)

Kindertotenlieder (1901-04)
Nun will die Sonn’ so hell aufgeh’n
Nun seh’ ich wohl, warum so dunkle Flammen
Wenn dein Mütterlein
Oft denk’ ich, sie sind nur ausgegangen
In diesem Wetter, in diesem Braus

pauze ± 20.45 uur

Symfonie nr. 9 in D gr.t. (1909)
Andante comodo
Im Tempo eines gemächlichen Ländlers: etwas täppisch und sehr derb
Rondo – Burleske: Allegro assai. Sehr trotzig
Adagio: sehr langsam und noch zurück haltend

einde ± 22.30 uur

Toelichting

Gustav Mahler (1860-1911)

Kindertotenlieder

428 gedichten schreef ­Friedrich Rückert (1788-1866) na de dood van twee van zijn kinderen. Vijf ervan bleven bekend nadat Gustav Mahler er orkestliederen van maakte. In de zomer van 1901 componeerde hij het eerste, derde en vierde ; drie jaar later volgden de twee overige. Op dat moment was zijn tweede kind net geboren en zijn vrouw Alma vond het maar wrang: volgens haar daagde hij het lot uit. Twee jaar later zou ­inderdaad een van hun dochters overlijden, al is het onzin te suggereren dat ­Mahler dit zou hebben voorvoeld.

Mahlers aantrekkingskracht tot deze gedichten was tweeledig. Als kind had hij verschillende broers en zussen zien sterven. Tegelijk voelde hij verwantschap met Rückerts toon: ingehouden, verstild en psychologisch scherp. De vijf liederen vormen geen treurzang, maar een bezinning waarin kleine, alledaagse details plots een ­existentië­le lading krijgen – heel typisch voor Mahler.

In het eerste lied, Nun will die Sonn’ so hell aufgeh’n, komt de zon opnieuw op alsof er niets gebeurd is, terwijl het ­leven ’s nachts onherroepelijk veranderd is na de dood van een kind. De muziek is transparant, ingehouden, en dat blijft zo in het tweede lied. De ‘donkere vlammen’ in de ogen van het kind: waren zij de voorbode van het onheil? Het centrale lied, Wenn dein Mütterlein, is aangrijpend in zijn herkenbaarheid en huiselijkheid. Moeder komt binnen, maar vader kijkt automatisch naar de plek waar het kind altijd liep en nu niet meer. Hobo en spoken rond met een hartverscheurende . Nog even komt de ontkenning terug in het vierde lied: ‘Vaak denk ik dat ze alleen maar even de deur uit zijn’. Maar in het slotlied komt dan toch de ontlading die al die tijd broedde. In diesem Wetter had de vader nooit een kind naar buiten laten gaan – maar wat doet het er nog toe? In een sereen is er alsnog rust voor hen. Ook voor degene die achterblijft? Dat valt niet te zeggen.

achtergrond

Baseerde Mahler zijn liederen op zijn eigen leven?

Gustav Mahler (1860-1911)

Negende symfonie

De Achtste symfonie had het hele universum omarmd, als een kolossale ode aan het leven en de liefde. Een triomf was het geweest, de première in september 1910. Zou het écht zo hebben aangevoeld, in dat gekwelde hoofd van Gustav Mahler?

De Achtste symfonie was al klaar in 1906, er waren intussen vier jaar verstreken. Wat was er niet allemaal gebeurd in die tijd. Die noodlottige zomer van 1907, met de dood van zijn oudste dochter en de diagnose van zijn hartkwaal. Huwelijksperikelen. Als Jood aan de kant gezet door de Weense Hofoper. De verhuizing naar New York, eind 1907. Tijdens de volgende zomervakantie, in 1908, schiep Mahler Das von der Erde. In de twee zomers erna zijn Negende symfonie. Van beide werken zou Mahler de eerste uitvoering niet meemaken.

Het is verleidelijk de Negende als een afscheid van de wereld te zien. Dat is ze niet helemaal. Evenzeer gaat de symfonie over berusting, aanvaarding. Niet dat ene grote gebaar, maar een stroom aan gedachten, ideeën en herinneringen – en ja, soms allemaal door elkaar.

De muzikale lijnen stuiven alle richtingen uit in een modernistisch visioen dat vooruitgrijpt naar de twintigste eeuw

Vier delen telt deze symfonie, vier delen die elk vrij uniek zijn in Mahlers hele symfonische oeuvre.

Het begin is een en al kwetsbaarheid. De eerste, aarzelende maten zijn als een ademhaling. Een puls in ’s en s – als een onregelmatige hartslag, wordt gezegd –, een ritselende sextool in de altviolen. Het wondermooie hoofdthema glijdt binnen in de twee violen, in stukjes, oplevend en weer terugzakkend, alleen de alt­hobo kan er wat mee. De rust wordt al na twee minuten verstoord: donkere wolken trekken over, een stormwind steekt op. Het is tekenend voor het hele eerste deel, een half uur lang. Opstaan en weer zitten, proberen en falen, vasthouden en loslaten. Geen rechtlijnige ontwikkeling, maar een muziek die voortdurend lijkt te aarzelen tussen opbouw en desintegratie. Intimiteit en uitbarstingen wisselen elkaar af in een soms koortsachtige collage.

Zorgvuldig noteerde Mahler aanwijzingen bij de delen van symfonieën. Als aanwijzing voor het tweede deel schreef hij: ‘Im Tempo eines gemächlichen Ländlers. Etwas täppisch und sehr derb’. Andermaal grijpt hij dus terug naar de Oostenrijkse volksdans die een voorloper van de Weense was. Maar hier geen baljurken, nee, de Ländler is een aardse, ruwe dans. Täppisch = onhandig. Derb = grof. De sfeer van een dorpskroeg die ruikt naar aarde en zweet, de eenvoud van het rechttoe-rechtaan plattelandsleven. Geen Ländler zoals in de Eerste symfonie, waar hij nog vitaal klinkt. In de Negende is hij versleten, een karikatuur. Op het eind brokkelt hij uit elkaar als een droge aardkluit.

Deel drie: . Burleske. assai. Sehr trotzig. Trotzig = koppig, opstandig. Een explosie van energie is dit derde deel, met een Trotzigkeit die aan het agressieve grenst. De muzikale lijnen stuiven alle richtingen uit in een modernistisch visioen dat vooruitgrijpt naar de twintigste eeuw. Tot halverwege het koper opeens orde in de keet brengt. Sluit de ogen en je waant je in een film. Verbrokkelende lyriek, solo’s, een klarinet die zich roert… tot, als onkruid, het diabolische weer de overhand neemt. Più stretto, nog wat strakker en gejaagder stort de muziek zich in de afgrond.

Aan het begin van het slotdeel, een van enorme omvang, is de kwetsbaarheid van het begin terug. Niet als verbrokkelde woorden, maar in lange volzinnen. Intuïtief voel je de verwantschap met het Adagietto uit de Vijfde symfonie: beide lijken even buiten de tijd te bestaan. In de Vijfde uit liefde, in de Negende als afscheid. De muziek lost op in het ijle…

Achteraf bekeken stond Mahlers Negende symfonie op een gigantische breuklijn: tussen laatromantiek en modernisme, tussen een oude wereld en een nieuwe eeuw. De eerste uitvoering van de Negende was op 26 juni 1912, door de Wiener Philharmoniker onder leiding van Bruno Walter. Amsterdam moest wachten tot 2 mei 1918, door het Concertgebouworkest en Willem Mengelberg.

historie

Raadsels rond Mahlers Negende

door Piet de Loof

Biografie

Mahler Academy Orchestra, orkest

Het Mahler Academy Orchestra is verbonden aan de Gustav Mahler Academy Bolzano-­Bozen, een zomercursus die in 1999 is opgericht op initiatief van Claudio Abbado en waar onder anderen leden van het Mahler Chamber Orchestra lesgeven. In 2015 won de academie voor zijn inspanningen voor een internationaal netwerk van toekomstige orkestmusici een prijs van het EU-­project ‘Creative Europe’.

De afgelopen jaren werd het Mahler Academy Orchestra geleid door en als Daniel Harding, Pablo Heras-­Casado, Lahav Shani en Marc Minkowski. Met zijn door Philipp von Steinaecker geïnitieerde Originalklang Project werpt het orkest een nieuw licht op de uitvoeringspraktijk van Mahlers tijd. Musici uit verschillende Europese toporkesten en -ensembles bekwaamden zich samen met de academisten in Toblach, waar Mahler zijn laatste werken componeerde, in het spelen op instrumenten gebouwd naar voorbeeld van het instrumentarium dat de componist zelf aanschafte in zijn tijd als dirigent in Wenen.

In september 2022 klonk het eerste resultaat van het Originalklang Project: Mahlers Negende symfonie op de originele instrumenten van destijds, voor het eerst sinds de première in 1912. Het debuutconcert van het Mahler Academy Orchestra in Het Concertgebouw op 12 september 2024, met Rachmaninoffs Derde piano­concert met Leif Ove Andsnes op een historische Steinway en Mahlers Vijfde symfonie, vormde de opmaat tot het Mahler Festival van mei 2025.

Het Mahler Academy Orchestra is een project van de Busoni-Mahler Foundation, in samenwerking met het ­Kulturzentrum Gustav Mahler Toblach, met de steun van de stad Bolzano en de Chrysantil Foundation. De Busoni-­Mahler Foundation is gevestigd in de Italiaanse provincie Zuid-Tirol en fungeert als haar ambassadeur.

Philipp von Steinaecker, dirigent

Als voorvechter van de historische uitvoeringspraktijk brengt ­Philipp von Steinaecker zijn ruime ervaring in bij het Originalklang Project van het Mahler Academy Orchestra. De in Hamburg geboren musicus, opgeleid als cellist, beschouwt ­Claudio Abbado als zijn mentor, eerst als mede-oprichter van het Mahler Chamber Orchestra en later als assistent- en gastdirigent van diens Orchestra Mozart. Ook werkte hij nauw samen met John Eliot Gardiner als diens assistent.

Philipp von Steinaecker was eerste gastdirigent van het Sloveens Philharmonisch Orkest (2019-2022) en stond op de bok bij het Swedish Radio Symphony Orchestra, het Orchestre de Chambre de Paris, de Maggio Musicale Fiorentino, het ­Gürzenich-Orchester Köln, het Residentie Orkest, de Camerata Salzburg, het Scottish Chamber Orchestra en het Tokyo Metropolitan Symphony Orchestra.

Mozarts Die Zauberflöte leidde de in Verona, Gounods La Colombe in Siena en Puccini’s Tosca in het Tiroler Landestheater. Zijn discografie omvat onder meer Messiah van Händel, The Creation van Haydn, de Eerste symfonie van Bruckner, Mahlers Das von der Erde en een -album (Gluck en Mozart) met sopraan Camilla Tilling.

Zijn opname van Mahlers Negende symfonie met het Mahler Academy Orchestra won in 2024 een Edison Klassiek en een Preis der deutschen Schallplattenkritik. In Het Concertgebouw keert Philipp von Stein­aecker nu terug na zijn debuut met het Mahler Academy Orchestra tijdens hun eerste Europese tournee in 2024.

Fleur Barron, mezzosopraan

Fleur Barron behaalde een bachelor literatuurwetenschap aan Columbia University en studeerde af aan de Manhattan School of Music in New York. In 2025 won ze een Grammy voor haar titelrol in Saariaho’s Adriana Mater met het San Francisco Symphony Orchestra onder leiding van Esa-Pekka Salonen.

De afgelopen tijd was er veel Mahler: bij verschillende orkesten debuteerde ze in eren uit Des Knaben Wunderhorn, de Tweede, Derde en Achtste symfonie, de Kindertotenlieder en de Rückert-Lieder. Op de Salzburger Festspiele stond ze in de Peter Sellars-­productie One Morning Turns into an Eternity naar Das Lied von der Erde en tijdens het Mahler Festival in mei 2025 zong ze in de Mahlerliederen met pianist Julius Drake.

Andere recente hoogtepunten waren Cornelia in Händels Giulio Cesare op de Maggio Musicale in Florence, Monteverdi’s L’incoronazione di Poppea in Aix-en-Provence, George Benjamins Into the Little Hill met de componist als op het Tongyeong Festival, haar debuut bij de New York Philharmonic in de wereldpremière van The Wealth of Nations van David Lang, Mozarts Requiem en Bachs Hohe Messe op uitnodiging van dirigent Nathalie Stutzmann in München en Atlanta en Viviers Wo bist du Licht! en Stravinsky’s Pulcinella met Barbara Hannigan en het London Symphony Orchestra.

Met klarinettist Anthony McGill en pianiste Gloria Chien vormde Fleur Barron het Afiori voor een Amerikaanse kamermuziektournee, en s gaf ze met Kirill Gerstein (Festival Ravel), Julius Drake (Zuid-Korea, Parijs, Wigmore Hall Londen) en Kunal Lahiry (Barcelona).

Met het Australian String Quartet trad ze op tijdens het Helsinki Festival en met het Parker Quartet in de National Sawdust in Brooklyn. De mezzosopraan maakte in april 2023 een dubbel Concertgebouw­debuut: in de Kleine Zaal met Julius Drake en in Het Zondagochtend Concert met het Radio Filharmonisch Orkest.