Close-up: portretconcert ursula schoch

Ursula Schoch viool
Sanne Hunfeld viool
Michael Gieler altviool
Fred Edelen cello
m.m.v. Christina Edelen klavecimbel

Johann Sebastian Bach 1685-1750

Derde sonate in E gr.t., BWV 1016 (1725)
voor klavecimbel en viool
Adagio
Allegro
Adagio ma non tanto
Allegro

Detlev Glanert 1960

Tweede strijkkwartet (2006)
‘Pas de quatre’
Gesang – Schrei – Tanz – Flucht

pauze

Iván Fischer 1951

Präludium und Fuge (2015)
voor strijkkwartet
geschreven in opdracht van de Vereniging Vrienden van Het Concertgebouw en het Koninklijk Concert­gebouworkest, en het Orchestra of St Luke’s;
wereldpremière.
Lees ook het interview met Iván Fischer

Johannes Brahms 1833-1897

Tweede strijkkwartet in a kl.t., op. 51 nr. 2 (1865-73)
Allegro non troppo
Andante moderato
Quasi minuetto, moderato – Allegretto vivace
Finale: Allegro non assai

Toelichting

Johann Sebastian Bach 1685-1750

Derde sonate voor klavecimbel en viool

Van 1717 tot 1723 bracht Johann Sebastian Bach zijn tijd door als Kapellmeister van Prins Leopold van Anhalt-Köthen, die klavecimbel en viool speelde. Veel van de belangrijkste instrumentale werken van Bach, zoals de s en ’s voor viool solo, ontstonden in deze jaren. In diezelfde periode schreef Bach ook zes sonates voor viool en klavecimbel. Hij omschreef de sonates zelf als ’s voor klavecimbel met viool. Het trio, bestaande uit twee -instrumenten en een bas, was een geliefde vorm gedurende de en Bach gebruikt hier het klavecimbel niet als een , maar als een uit twee instrumenten bestaande partij die hij ook volledig uitschreef. De rechterhand van het klavecimbel vormt met de viool de twee melodiestemmen en de linkerhand verzorgt de bas. In de Derde sonate in E groot, BWV 1016 neemt Bach net als in de meeste andere sonates van deze set de Italiaanse sonata da chiesa als uitgangspunt. Deze kerksonate bestaat uit de afwisseling langzaam-snel-langzaam-snel. Bijzonder aan deze derde sonate zijn vooral de op Italiaanse leest geschoeide melodiek die meteen in het eerste naar voren komt en het Adagio ma non tanto, het derde deel, dat opgebouwd is als een passacaglia met een steeds herhalend baspatroon van vier maten.

Detlev Glanert 1960

pas de quatre

De Duitse componist Detlev Glanert geniet in ons land tegenwoordig vooral bekendheid als een van de huiscomponisten van het Koninklijk Concertgebouworkest, een ‘erefunctie’ die al diverse indrukwekkende orkestpartituren en bewerkingen heeft opgeleverd. Toch staat hij in eigen land vooral te boek als componist en wordt hij verder geroemd vanwege zijn kamermuziek. Zijn organische Tweede strijkkwartet ‘Pas de quatre’ maakt duidelijk waarom. Glanert schreef het werk in 2006 ter gelegenheid van de tachtigste verjaardag van zijn vroegere docent Hans Werner Henze. Hij noemde het strijkkwartet bij die gelegenheid ‘de meest intieme en tegelijkertijd meest aansprekende discipline’ voor een componist, die niet alleen uitdaagt tot ‘introspectie’, maar ook een ‘persoonlijke test’ is. Intiem is zijn ‘Pas de quatre’ zeker. Glanert heeft in het werk, waarvan de delen naadloos in elkaar overgaan, vier elementen verwerkt die voor hem bij het leven van zijn leraar horen: Gesang, Schrei, Tanz en Flucht. Deze elementen komen allemaal voort uit dezelfde kiemcel die steeds een andere bewerking ondergaat. Daarbij worden de twee uitdrukkingsvormen Gesang en Schrei en de bewegingsvormen Tanz en Flucht steeds tegen elkaar uitgespeeld en met elkaar geconfronteerd. Gesang wordt gerepresenteerd door een e , terwijl het vergelijkbare materiaal in Schrei samengebald wordt tot een schreeuwend cluster. Tanz is een -achtig dat staat voor het feit dat Henze begon in de balletwereld, en Flucht, uitgedrukt in de vorm van een to, staat voor diens destijds al broze gezondheid. ‘Pas de quatre’ is daarmee ook een werk waarin Glanert zijn zorgen uit. Vooral tegen het einde klinken dramatische stiltes voordat de vier elementen weer samenkomen in die ene kiemcel.

Paul Janssen

Iván Fischer 1951

Präludium und Fuge

Iván Fischer, die als al vele malen voor het Koninklijk Concertgebouworkest stond, schreef in opdracht van Concertvrienden een strijkkwartet voor leden van het orkest. De titel: Präludium und Fuge. Dat moet wel een verwijzing naar Bach zijn. Iván Fischer licht toe: ‘Toen ik de opdracht kreeg om dit stuk te schrijven, was ik met het Concertgebouworkest een Bach/Brahms-cyclus aan het afspreken. Daarom besloot ik in mijn eigen stuk verwijzingen naar die componisten te maken. De titel en de vorm verwijzen naar Bach; de eerste is een eerbetoon aan Brahms. Maar… heel onbeduidend. Zoek er niet te veel achter; laat dat maar over aan een handjevol geobsedeerde musicologen.

Het is een kort werk dat zich in een oneindig doorlopende beweegt, als een zwevende tonaliteit. Pas aan het eind van de prelude ontstaat er een in G groot, en aan het slot van de een cadens in E groot. De wat melancholieke prelude klinkt geïmproviseerd, alsof een jazzviolist het speelt, en daarin hoor je in losse fragmenten het enige van het stuk. Een blijmoedige en virtuoze fuga werkt dit thema uit in variaties, zoals spiegeling, omkering en alle andere mogelijke varianten. Daar mogen musicologen hun analyses op loslaten!’

Agnita Menon

Johannes Brahms 1833-1897

Tweede Strijkkwartet

Zoals Johannes Brahms de veertig al gepasseerd was toen hij eindelijk zijn Eerste symfonie aan de openbaarheid prijsgaf, zo worstelde hij ook met het strijkkwartet. Hoe verder gaan op de weg van Beethoven en toch modern en vernieuwend klinken, was de grote vraag die Brahms zichzelf ongetwijfeld stelde. En dat leverde een aardige worsteling op, getuige zijn eerste twee strijkkwartetten die hij in 1873 na vele zorgvuldige revisies completeerde als 51 nr. 1 en 2.

De zorgvuldigheid heeft in elk geval gewerkt, want het even tragische als volkse Tweede strijkkwartet in a klein is een schoolvoorbeeld van Brahms’ verfijnde harmonische taal, zijn orkestraal aandoende schrijfwijze en vooral van zijn economische verwerking. Daarnaast is het werk een hommage aan Brahms’ goede vriend, de violist Joseph Joachim. Het openingsmotief van het eerste deel bevat heel prominent de noten f-a-e, een motief dat voor Brahms stond voor het motto van zijn vriend: ‘frei aber einsam’. Dit motief blijft ook in de andere delen een belangrijke rol spelen, net als verwijzingen naar de Hongaarse zigeunermuziek.

Paul Janssen

Biografie

Ursula Schoch, viool

Ursula Schoch kreeg haar eerste vioollessen op vierjarige leeftijd. Na de middelbare school studeerde zij viool bij Saschko Gawriloff en kamermuziek bij het Alban Berg Strijkkwartet aan de Musikhochschule in Keulen.

In 1987 behaalde Schoch met haar de eerste prijs bij Jugend Musiziert, het muziekconcours voor de jeugd in Duitsland. In 1990 herhaalde ze deze prestatie als solovioliste. In 1992 was ze eerste prijswinnares van het Deutsche Musikwettbewerb.

Van 1998 tot 2000 was Ursula Schoch lid van de Berliner Philharmoniker. Sinds het seizoen 2000/01 is zij tweede concertmeester bij het Koninklijk Concertgebouworkest. Daarnaast treedt zij regelmatig op in verschillende kamermuziekformaties.

In 2014 verscheen de cd Baltic Souls, de weerslag van het muzikale deel van een concertlezing van schrijver Jan Brokken, waarmee Schoch en pianist Marcel Worms vaak te horen waren. Ursula Schoch bespeelt een viool van J.B. Guadagnini.

Sanne Hunfeld, viool

Sanne Hunfeld studeerde viool bij Lex Korff de Gidts aan het Sweelinck Conservatorium in Amsterdam, en studeerde in 2004 af met onderscheiding. Ze vervolgde haar studie aan de Guildhall School of Music and Drama in Londen bij David Takeno waar ze, eveneens met onderscheiding, in 2005 haar masterdiploma haalde.

Sanne Hunfeld sloot haar studie af bij Peter Brunt aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Ook volgde ze masterclasses bij Herman Krebbers en Maxim Vengerov en maakte ze in het seizoen 2007/07 deel uit van de Academie van het Koninklijk Concertgebouworkest. In maart 2011 trad Hunfeld als tweede violist toe tot het Koninklijk Concertgebouworkest.

Daarnaast is Sanne Hunfeld actief in de kamermuziek. Ze maakte deel uit van het Suleika, trad veel op met pianist Maarten den Hengst en speelde regelmatig bij het Nieuw Ensemble en Combattimento Consort.

In oktober 2018 won Hunfeld de Prix de Salon, de jaarlijks door de businessclub van het Concertgebouworkest aan een jong orkestlid uitgereikte prijs, voor jaar idee om kinderliedjes uit de hele wereld te arrangeren en uit te voeren met orkestleden. In februari 2020 krijgt het plan gestalte in het kinderconcert Maankozijn.

Sanne Hunfeld speelt op een viool, toegeschreven aan Omobono Stradivari – zoon van Antonio Stradivari - die haar ter beschikking is gesteld door de Stichting Tyo van Eeghen Fonds.

Michael Gieler, Altviool

Michael Gieler (Oostenrijk, 1966) begon op vijfjarige leeftijd met vioolspelen en maakte als tiener al deel uit van een professioneel strijkkwartet. Na zijn studie in Wenen ontving hij van de Herbert von Karajan Stichting een beurs om te studeren aan de orkestakademie van de Berliner Philharmoniker. Michael Gieler is sinds 1993 soloaltist bij het Koninklijk Concertgebouworkest

Lees ook: 'Wij horen het gras groeien' - interview met Michael Gieler

Daarnaast speelt kamermuziek nog steeds een belangrijke rol in zijn leven. Hij is artistiek leider van twee concertseries met musici uit het KCO: de IJ-Salon in het Muziekgebouw aan 't IJ en Bijlmer Klassiek in het Bijlmer Parktheater. Ook is hij initiator van het International Bach Festival, dat in 2015 voor het eerst plaatsvond op Gran Canaria.

Een familiestichting stelde in 2010 een , gebouwd door Carlo Antonio Testore (Milaan, 1745) via de RCO Foundation in langdurige bruikleen ter beschikking.

Fred Edelen, cello

De Amerikaanse cellist Fred Edelen groeide op tussen de platen van zijn vader, stapels muziek en een piano, die hij begon te bespelen toen hij zes was. Toen hij op tienjarige leeftijd een opname van Jacqueline du Pré hoorde koos hij echter resoluut voor de . Hij studeerde in Bloomington en met een Fulbright beurs in Den Haag, bij onder anderen Janos Starker, Gary Hoffman en Richte van der Meer.

Fred Edelen was drie jaar solocellist bij het San Antonio Symphony Orchestra en lid van het Houston Symphony Orchestra. Sinds augustus 2003 maakt Edelen als plaatsvervangend solocellist deel uit van het Concertgebouworkest.

Met zijn vrouw, klaveciniste Christina Edelen, vormt hij het Duo Edelen. Bij het Museum of Fine Arts in Houston initieerden ze een kamermuziekserie, waar ze nog regelmatig optreden. Fred Edelen musiceert ook met het Egmont Kwartet en het Concertgebouw Kamerorkest.

Fred Edelen heeft sinds 2005 een van J.B. Rogeri in bruikleen, in gezamenlijk eigendom van een particuliere musicus en de Foundation Concertgebouworkest.

Christina Edelen, klavecimbel

Christina Scott Edelen is een veelzijdig klaveciniste, fortepianiste en organiste. In de Verenigde Staten en Europa heeft zij opgetreden als solist en in tal van ensembles en festivals, waaronder het Atelier, het Santa Fe Chamber Music Festival en de oudemuziekfestivals van Berkeley, San Antonio en Bloomington.

Ze studeerde aan het Indiana University Early Music Institute en het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en was finalist op Bodky International Competition. Als lerares en docent is ze verbonden aan de Baylor Universiteit en de Universiteit van Houston. Christina Edelen is organiste en koordirigente in de Anglicaanse Kerk in Den Haag.

Ze speelt regelmatig mee met het Koninklijk Concertgebouworkest of met orkestleden tijdens kamermuziekconcerten.