Berlioz' grote Requiem bij het Koninklijk Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest
Antonio Pappano dirigent
Javier Camarena tenor
Groot Omroepkoor instudering Ciro Visco
Koor van de Accademia Nazionale di Santa Cecilia instudering Ciro Visco
Het herdenkingsconcert van zaterdag 4 mei wordt georganiseerd in samenwerking met de Stichting 4 mei Concert. Dit concert wordt opgenomen door AVROTROS voor uitzending op zondag 5 mei om 14.00 uur via NPO Radio 4.
Zie zangteksten en vertaling in de pdf
Lees ook het achtergrondverhaal 'Groeiend Symfonieorkest'
Hector Berlioz (1803-1896)
Grande messe des morts (Requiem), op. 5 (1837)
Requiem (Introït) et Kyrie
Dies irae - Tuba mirum
Quid sum miser
Rex tremendae
Quaerens me
Lacrimosa
Offertoire (Choeur des âmes du purgatoire)
Hostias
Sanctus
Agnus Dei
er is geen pauze
einde ± 22.30 uur
Toelichting
Hector Berlioz 1803-1869
Grande messe des morts (Requiem)
Door Dirk Luijmes
Twee maanden terug, op 8 maart 2019, was het precies 150 jaar geleden dat Hector Berlioz overleed. Niet iedereen zat destijds in zak en as: de Fransman had met zijn revolutionaire, ‘lawaaiige’ muziek, zijn onstuimige, gepassioneerde persoonlijkheid en zijn ongezouten kritiek op collegae heel wat tijdgenoten tegen zich in het harnas gejaagd.
Pas na zijn dood kreeg de onconventionele componist de eer die hem toekwam. Tegenwoordig wordt hij vooral herinnerd als een van de grote, vernieuwende meesters uit de . Hij stond onder meer aan de wieg van de programmamuziek en had buitengewone zintuigen voor orkestrale en instrumentale kleuren.
Een grot(esk)e bezetting
Op 22 maart 1837 bestelde de Franse minister Adrien de Gasparin bij de 33-jarige componist een dodenmis, waarmee onder meer de slachtoffers van de Julirevolutie van 1830 herdacht zouden moeten worden. Een hele eer; collega Luigi Cherubini, wiens requiems vaak uit de kast werden gehaald bij dit soort gelegenheden, voelde zich behoorlijk gepasseerd.
Haast was geboden: de nieuwe mis moest binnen vier maanden af zijn. Berlioz werkte als een bezetene en noteerde sommige delen in een soort stenografie, om maar op tijd klaar te zijn. Door politieke omstandigheden werd de première afgelast en zag het er naar uit dat de componist naar zijn geld kon fluiten.
‘Hier zit ik nu’, aldus Berlioz, ‘met het grootste muziekwerk dat ooit geschreven werd, als Robinson met zijn kano: onmogelijk om hem te water te laten.’ Een half jaar later – nadat een Franse generaal was omgekomen in Algerije – werd Berlioz’ Grande messe des morts alsnog ten doop gehouden.
Iets wat meteen in het oog springt is het gigantische aantal uitvoerenden dat Berlioz voor ogen had – al haalde hij dat aantal niet bij de première. Voor het orkest vraagt de componist 50 violen, 20 altviolen, 20 ’s, 18 contrabassen en een grote batterij hout- en (met onder meer 12 s en 8 ten).
Daarnaast veel (waaronder 10 spelers voor 16 ) én vier extra koperensembles. Voor het koor schrijft Berlioz 90 sopranen en alten voor, 60 tenoren en 70 bassen. En alsof dat nog niet genoeg is: in een voetnoot van de lezen we dat de koorbezetting verdubbeld of verdrievoudigd kan worden en dat in die gevallen ook het aantal instrumenten proportioneel stijgt.
Indeling van het requiem
Berlioz’ Grande messe des morts bestaat uit tien delen. Het Introït en Kyrie begint vanuit de diepte met een stijgende lijn in de bassen; de tenoren zorgen voor een klagende, chromatisch dalende tegenmelodie. Het licht breekt even door bij de tekst ‘et lux perpetua’ (‘het eeuwige licht’). Na het zachte middendeel stamelt het koor weer het Kyrie eleison.
Traditioneel volgt op dit openingsdeel de sequens , waarin de Dag des Oordeels centraal staat. Dat het Berlioz lukte om zijn requiem in vier maanden te voltooien, was mede omdat hij kon teruggrijpen op een werk waaraan hij eerder was begonnen: het (onvoltooid gebleven) Le dernier jour du monde, dat ook over de Laatste Dag zou gaan.
Bij dit werk stelde hij zich vier blaasorkesten voor, die vanuit de vier windstreken de verschrikkingen van de Apocalyps kracht bij zouden zetten. Deze ensembles zet hij nu in bij het indrukwekkende Dies irae van zijn requiem. Het gebruik van veel kende Berlioz overigens van muziek van voorgangers, onder wie zijn landgenoot François-Joseph Gossec.
‘Hier zit ik nu, met het grootste muziekwerk dat ooit geschreven werd, als Robinson met zijn kano’
Naast de overweldigende momenten die het voltallige orkest in het Dies irae ten gehore brengt, plaatst Berlioz verschillende meer verstilde passages (waaronder ‘mors stupebit’: ‘de dood zal verstommen’). Een groot contrast met dit deel vormt het Quid sum miser, waarin de tenoren slechts begeleid worden door de lage strijkers, ’s en ten.
Machtige klanken, angstige passages en en overheersen in het Rex tremendae. Het milde Quaerens me – voor zes-
stemmig a-cappella-koor – leidt naar het indrukwekkende Lacrimosa. In het Offertoire (dat volgens Robert Schumann ‘alles overtreft’) horen we het klagende koor met het meerstemmige lijnenspel in het orkest.
In het Hostias verschijnt een fraai staaltje van Berlioz’ gevoel voor orkestrale kleuren: in het orkest combineert hij drie fluiten met acht trombones die in de diepte afdalen. Berlioz zou dit speciale moment memoreren in zijn boek Grand traité d’instrumentation et d’orchestration modernes (1843), dat een beroemd standaardwerk werd.
Het Sanctus begint teder en mondt uit in een fraaie . In het afsluitende Agnus Dei horen we materiaal uit de eerdere delen terug.
Snuifincident
De uitvoering op 5 december 1837 werd een groot succes, ook al schrijft Berlioz in zijn memoires dat François Antoine Habeneck op een cruciaal moment niet thuis gaf. ‘Daar waar het Dies irae zonder onderbreking gevolgd wordt door het Tuba mirum, verbreedt het tempo tot het dubbele van het voorgaande: de vier fanfares zetten gezamenlijk in, in het nieuwe tempo… Vlak voor deze enige maat waar de leiding van de dirigent totaal onmisbaar is, legde Habeneck zijn baton neer, trok kalmpjes zijn snuifdoos uit zijn vestzak en nam een snuifje.’
Gelukkig was Berlioz – naar eigen zeggen – in de buurt en gaf hij voor de vier orkesten zélf het juiste tempo aan. Het is niet onwaarschijnlijk dat Berlioz dit voorval uit zijn duim zoog, of dat het tijdens een repetitie plaatsvond; de memoires van de componist zijn niet de meest objectieve bron voor musicologen.
Berlioz tekende er wel mooie verhalen in op. Zo lezen we dat het requiem de aanwezigen niet onberoerd liet. De dienstdoende priester zou op het altaar een kwartier lang in tranen zijn geweest en een van de koorleden kreeg tijdens de uitvoering van het Dies irae een zenuwinzinking.
Hoewel sommige critici de Grande messe des morts monstrueus vinden, zijn de meeste luisteraars diep onder de indruk van het monumentale werk. Modale ën staan er gebroederlijk naast klankvelden; uitbundige theatrale passages naast ingetogen koorklanken. Met de verschillende ensembles bereikt Berlioz fraaie ruimtelijke effecten en uit het orkest weet hij ongehoorde kleuren te toveren.
De componist was zelf uitermate tevreden over het werk. Vlak voor zijn dood zou hij gezegd hebben: ‘Als al mijn werken op één na aan de vernietiging moesten worden prijsgegeven, zou ik om genade willen smeken voor mijn Requiem.’
Biografie
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest
Antonio Pappano, piano
Antonio Pappano is artistiek leider van het Royal House Covent Garden sinds 2002 en chef- van het London Symphony Orchestra sinds 2024. Bij het orkest van het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome nam hij in 2023 na achttien jaar afscheid als muzikaal leider.
Antonio Pappano is een veelgevraagd gastdirigent bij ’s werelds beste orkesten, creëert als dirigent én als pianist een gestage stroom cd- en dvd-opnamen, en werkt mee aan programma’s voor de BBC, waarbij zijn introducties tot Italiaanse opera en Wagners Der Ring des Nibelungen een speciale vermelding verdienen.
Antonio Pappano werd in 1959 in Londen geboren als kind van Italiaanse ouders. Toen hij dertien was, verhuisde het gezin naar de Verenigde Staten, waar hij piano, compositie en directie studeerde. Door zijn werk als repetitor en assistent- bij diverse huizen ontwikkelde hij zich al gauw tot een begenadigd operadirigent. Antonio Pappano leidde producties van onder andere de New York City Opera, de Lyric Opera of Chicago en de Bayreuther Festspiele.
Zijn eerste vaste aanstelling als operadirigent was aan de Opera in Oslo, gevolgd door De Munt in Brussel. In 2004 debuteerde Antonio Pappano bij het Concertgebouworkest en hij keerde daarna regelmatig terug. Een van de memorabele samenwerkingen was het Prinsengrachtconcert in 2013. In mei 2019 leidde hij het orkest in Berlioz’ Grande messe des morts. Bij de meest recente samenwerking, in januari 2025, dirigeerde hij Berlioz’ Symphonie fantastique en Jake Heggies Camille Claudel: Into the Fire met mezzosopraan Joyce DiDonato.
'Het kookt daar!' Lees hier het interview met Antonio Pappano.
Javier Camarena, tenor
Javier Camarena staat bekend als Mozart- en zanger. Hij werd geboren in het Mexicaanse Xalapa en studeerde aan de universiteiten van Veracruz en Guanajuato.
De tenor maakte in 2004 zijn professionele debuut als Tonio in Donizetti’s La fille du régiment in het Paleis voor Schone Kunsten in Mexico-Stad. In 2007 trad hij toe tot het ensemble van het Opernhaus Zürich.
Javier Camarena stond in alle grote huizen wereldwijd, bijvoorbeeld als Almaviva in Rossini’s Il barbiere di Siviglia, de Hertog van Mantua in Verdi’s Rigoletto en Don Ramiro in La Cenerentola van Rossini.
Afgelopen seizoen debuteerde hij bij de Los Angeles als Nadir in Bizets Les pêcheurs de perles en maakte hij grote indruk als Edgardo in Donizetti’s Lucia di Lammermoor in het Teatro Real in Madrid, een rol die hij dit seizoen ook vertolkte bij de Bayerische Staatsoper.
De zanger geeft regelmatig s met zijn vaste duopartner Ángel Rodríguez. Op talloze cd- en dvd-opnamen is de Mexicaanse tenor te horen.
Javier Camarena maakt zijn debuut bij het Koninklijk Concertgebouworkest.
Groot Omroepkoor, koor
Het Groot Omroepkoor, opgericht kort na de Tweede Wereldoorlog, is het enige professionele koor in Nederland dat het grote symfonische koorrepertoire uitvoert. Het koor is nauw verbonden met de Publieke Omroep en zingt veelvuldig in de omroepseries: de NTR ZaterdagMatinee, Het Zondagochtend Concert en het AVROTROS Vrijdagconcert.
Het repertoire beweegt zich tussen hedendaagse muziek (opdrachtwerken van zowel Nederlandse als buitenlandse componisten), oudere werken uit de negentiende en twintigste eeuw en . Het Groot Omroepkoor treedt op met orkesten van naam en faam, en werkt in de omroepseries doorgaans met het Radio Filharmonisch Orkest.
Ook met het Concertgebouworkest bestaat een lange, vruchtbare samenwerking. Bij de laatste gezamenlijke concerten in mei 2025 stond Mahlers Achtste symfonie op het programma onder leiding van Klaus Mäskelä. Samen met het Radio Filharmonisch Orkest ontving het Groot Omroepkoor in 2017 de Concertgebouw Prijs. Chef- sinds 2020 is Benjamin Goodson.
Koor van de Accademia Nazionale di Santa Cecilia, koor
De geschiedenis van het Koor van de Accademia Nazionale di Santa Cecilia gaat terug tot 1585, toen paus Sixtus V met zijn pauselijke oorkonde ‘Rationi congruit’ de Congregazione dei Musici in het leven riep.
Het muzikale instituut groeide in de loop van de eeuwen uit tot de Accademia Nazionale di Santa Cecilia, waarin onder meer een orkest en koor zijn verenigd.
Het koor bestaat tegenwoordig uit zo’n negentig zangers en staat sinds 2010 onder leiding van Ciro Visco. Het gezelschap treedt regelmatig op met het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia in zowel klassieke als modernere symfonische koorwerken.
Koor en orkest gaan tevens geregeld samen op tournee; zij traden bijvoorbeeld meermalen op tijdens de BBC Proms in Londen en de Salzburger Festspiele. De zangers werkten onder meer samen met het Lucerne Festival Orchestra en de Wiener Philharmoniker.
Het koor maakte talloze opnamen, waarvan vele werden bekroond.
Het Koor van de Accademia Nazionale di Santa Cecilia werkt voor de eerste keer samen met het Koninklijk Concertgebouworkest.




