Concertgebouworkest speelt Dvořáks Symfonie nr. 9, ‘Uit de Nieuwe Wereld’
Grote Zaal 17 april 2026 20.15 uur
Koninklijk Concertgebouworkest
Andrés Orozco-Estrada dirigent
Katrien Baerts sopraan
Dit programma maakt deel uit van de series A en Z.
De zangtekst vindt u hier.
BEDŘICH SMETANA (1824-1884)
Ouverture ‘De verkochte bruid’ (Prodaná nevesta) (1863-66, versie 1870)
ROB ZUIDAM (1964)
Orewoet (2024-25)
voor sopraan en orkest
Orewoet van minne
Die vogle sijn nu blide
Met verstande van binnen
Dat al har adren ontpluken
Opghenomen inden gheeste
wereldpremière;
geschreven in opdracht van het Koninklijk Concertgebouworkest
pauze ± 21.00 uur
ANTONÍN DVOŘÁK (1841-1904)
Symfonie nr. 9 in e kl.t. op. 95 (1892-93)
‘Uit de Nieuwe Wereld’
Adagio – Allegro molto
Largo
Scherzo: Molto vivace
Allegro con fuoco
einde ± 22.15 uur

Koninklijk Concertgebouworkest
Andrés Orozco-Estrada dirigent
Katrien Baerts sopraan
Dit programma maakt deel uit van de series A en Z.
De zangtekst vindt u hier.
BEDŘICH SMETANA (1824-1884)
Ouverture ‘De verkochte bruid’ (Prodaná nevesta) (1863-66, versie 1870)
ROB ZUIDAM (1964)
Orewoet (2024-25)
voor sopraan en orkest
Orewoet van minne
Die vogle sijn nu blide
Met verstande van binnen
Dat al har adren ontpluken
Opghenomen inden gheeste
wereldpremière;
geschreven in opdracht van het Koninklijk Concertgebouworkest
pauze ± 21.00 uur
ANTONÍN DVOŘÁK (1841-1904)
Symfonie nr. 9 in e kl.t. op. 95 (1892-93)
‘Uit de Nieuwe Wereld’
Adagio – Allegro molto
Largo
Scherzo: Molto vivace
Allegro con fuoco
einde ± 22.15 uur

Toelichting
Bedřich Smetana (1824-1884)
Ouverture ‘De verkochte bruid’
De opzwepende Ouverture ‘De verkochte bruid’ vormt niet alleen de opmaat voor deze kluchtige opera van Bedřich Smetana – vol misverstanden en persoonsverwisselingen – maar ook de opening van menig concertprogramma: de ouverture is immers minstens even populair als zelfstandig symfonisch stuk.
De Tsjechische componist Smetana begon in 1863 aan deze opera op een libretto van Karel Sabina, met de bedoeling een moderne vorm van komische opera te ontwikkelen, als tegenhanger van Richard Wagners zwaarwichtige muziekdrama’s. Bovendien liet Smetana zich uitdagen door de Weense dirigent Johann von Herbeck, die beweerde dat de Tsjechen niet in staat waren een ‘eigen’ muziek te schrijven. Vandaar dat de componist er eer in legde stijlcitaten uit de Boheemse volksmuziek, zoals de polka en de furiant, in zijn partituur te verwerken.
De eerste versie van De verkochte bruid, die in 1863 klaar was, bestond uit twee delen en bevatte veel gesproken dialoog. Omdat het resultaat niet erg succesvol was, bewerkte Smetana de opera tot een driedelig stuk waarin alle tekst op muziek was gezet. Deze versie kreeg bij de première in 1870 in Praag alle lof en werd twintig jaar later, na een enscenering in Wenen, wereldwijd een succes.
De virtuoze partituur is een uitdaging voor de orkestmusici en onder violisten geldt de ouverture als een meesterproef bij audities.
De opzwepende Ouverture ‘De verkochte bruid’ vormt niet alleen de opmaat voor deze kluchtige opera van Bedřich Smetana – vol misverstanden en persoonsverwisselingen – maar ook de opening van menig concertprogramma: de ouverture is immers minstens even populair als zelfstandig symfonisch stuk.
De Tsjechische componist Smetana begon in 1863 aan deze opera op een libretto van Karel Sabina, met de bedoeling een moderne vorm van komische opera te ontwikkelen, als tegenhanger van Richard Wagners zwaarwichtige muziekdrama’s. Bovendien liet Smetana zich uitdagen door de Weense dirigent Johann von Herbeck, die beweerde dat de Tsjechen niet in staat waren een ‘eigen’ muziek te schrijven. Vandaar dat de componist er eer in legde stijlcitaten uit de Boheemse volksmuziek, zoals de polka en de furiant, in zijn partituur te verwerken.
De eerste versie van De verkochte bruid, die in 1863 klaar was, bestond uit twee delen en bevatte veel gesproken dialoog. Omdat het resultaat niet erg succesvol was, bewerkte Smetana de opera tot een driedelig stuk waarin alle tekst op muziek was gezet. Deze versie kreeg bij de première in 1870 in Praag alle lof en werd twintig jaar later, na een enscenering in Wenen, wereldwijd een succes.
De virtuoze partituur is een uitdaging voor de orkestmusici en onder violisten geldt de ouverture als een meesterproef bij audities.
Rob Zuidam (1964)
Orewoet
In opdracht van het Concertgebouworkest schreef Rob Zuidam een nieuw werk, getiteld Orewoet.
Hadewijch gebruikt het woord ‘orewoet’ om een brandend verlangen naar eenwording, een razende begeerte naar de goddelijke liefde uit te drukken
Het woord ‘orewoet’ komt voor in de poëzie van de Brabantse mystica Hadewijch, die in de dertiende eeuw leiding gaf aan groepjes vrouwen die zich volledig wijdden aan ‘de minne’: de mystieke liefde tussen God en mens. Hoewel de herkomst van het woord orewoet niet eenduidig is, betekent ‘woet’ zoveel als razernij, woede. Hadewijch gebruikt het begrip om een brandend verlangen naar eenwording, een razende begeerte naar de goddelijke liefde uit te drukken.
Zuidam heeft vier teksten gekozen van Hadewijch (wanneer zij precies leefde is niet bekend) en één van Beatrijs van Tienen (1200-1268, beter bekend als Beatrijs van Nazareth). Die laatste beschrijft op een zeer plastische manier de religieuze extase: ‘Zo komt het haar voor / dat al haar aderen openbarsten / haar bloed kokend opwelt / haar merg verkwijnt.’ Alleen in het vijfde deel van Orewoet wordt de tekst ook daadwerkelijk gezongen, in de vier voorgaande delen heeft Zuidam de woorden op een intuïtieve manier getoonzet. Hij probeert vooral de energie van de tekst en de oneindigheid van tijd en ruimte in klank te vatten.
Het circa vijfentwintig minuten durende orkestwerk schetst de opeenvolgende stadia die leiden naar de unio mystica. Het eerste deel (Orewoet van minne) laat brede banen van geluid horen die traag op gang komen en geleidelijk beginnen te oscilleren. In het tweede deel (Die vogle sijn nu blide) horen we hoe de vogels na een lange barre winter ontwaken en wordt het orkest zelf als het ware één grote vogel. Deel drie (Met verstande van binnen) drukt pure verstilling uit: innerlijke contemplatie. Deel vier (Dat al har adren ontpluken) is een programmatische toonzetting van de gewelddadige, extatische tekst van Beatrijs van Tienen. In deel vijf (Opghenomen inden gheeste) maakt de sopraan haar entree. De muziek schetst een geleidelijke gang omhoog: de vereniging met God.
In opdracht van het Concertgebouworkest schreef Rob Zuidam een nieuw werk, getiteld Orewoet.
Hadewijch gebruikt het woord ‘orewoet’ om een brandend verlangen naar eenwording, een razende begeerte naar de goddelijke liefde uit te drukken
Het woord ‘orewoet’ komt voor in de poëzie van de Brabantse mystica Hadewijch, die in de dertiende eeuw leiding gaf aan groepjes vrouwen die zich volledig wijdden aan ‘de minne’: de mystieke liefde tussen God en mens. Hoewel de herkomst van het woord orewoet niet eenduidig is, betekent ‘woet’ zoveel als razernij, woede. Hadewijch gebruikt het begrip om een brandend verlangen naar eenwording, een razende begeerte naar de goddelijke liefde uit te drukken.
Zuidam heeft vier teksten gekozen van Hadewijch (wanneer zij precies leefde is niet bekend) en één van Beatrijs van Tienen (1200-1268, beter bekend als Beatrijs van Nazareth). Die laatste beschrijft op een zeer plastische manier de religieuze extase: ‘Zo komt het haar voor / dat al haar aderen openbarsten / haar bloed kokend opwelt / haar merg verkwijnt.’ Alleen in het vijfde deel van Orewoet wordt de tekst ook daadwerkelijk gezongen, in de vier voorgaande delen heeft Zuidam de woorden op een intuïtieve manier getoonzet. Hij probeert vooral de energie van de tekst en de oneindigheid van tijd en ruimte in klank te vatten.
Het circa vijfentwintig minuten durende orkestwerk schetst de opeenvolgende stadia die leiden naar de unio mystica. Het eerste deel (Orewoet van minne) laat brede banen van geluid horen die traag op gang komen en geleidelijk beginnen te oscilleren. In het tweede deel (Die vogle sijn nu blide) horen we hoe de vogels na een lange barre winter ontwaken en wordt het orkest zelf als het ware één grote vogel. Deel drie (Met verstande van binnen) drukt pure verstilling uit: innerlijke contemplatie. Deel vier (Dat al har adren ontpluken) is een programmatische toonzetting van de gewelddadige, extatische tekst van Beatrijs van Tienen. In deel vijf (Opghenomen inden gheeste) maakt de sopraan haar entree. De muziek schetst een geleidelijke gang omhoog: de vereniging met God.
Antonín Dvořák (1841-1904)
Negende symfonie ‘Uit de Nieuwe Wereld’
Toen de Tsjechische componist Antonín Dvořák op 17 september 1892 met zijn gezin op de boot naar Amerika stapte, kon hij niet bevroeden dat hij in de Nieuwe Wereld een van zijn meest geliefde stukken zou schrijven: de Negende symfonie. Eerder dat jaar had 51-jarige componist een uitnodiging ontvangen van Jeannette Thurber, oprichtster van het National Conservatory of Music of America in New York. Zij was op zoek naar iemand met aanzien die leiding zou kunnen geven aan dit instituut. De opdracht was om een nationale muziekstijl te ontwikkelen. Aangezien Dvořák zich in zijn werk liet inspireren door Boheemse volksmuziek zag zij hem als de aangewezen persoon.
Dvořák nam de uitdaging aan en verdiepte zich in de muziek van de Afro-Amerikanen en de inheemse Amerikanen. Hij concludeerde: ‘Ik ben ervan overtuigd dat de toekomstige muziek van dit land moet worden gebaseerd op de zogeheten ‘negro’-melodieën. Zij vormen het fundament van een serieuze en originele compositieschool die zich in Amerika kan ontwikkelen. Deze mooie en gevarieerde thema’s zijn het product van de aarde. Zij zijn de volksmuziek van Amerika en jullie componisten moet zich daarop richten.’
Ondertussen had de Tsjechische meester zelf een compositieopdracht gekregen van de New York Philharmonic, en in deze symfonie legde hij getuigenis af van zijn nieuwe inzichten. In een krantenartikel in de New York Herald van 15 december 1893, een dag voor de première in Carnegie Hall, vertelde Dvořák hoe de oorspronkelijke Amerikaanse muziek zijn nieuwe werk had gekleurd: ‘In feite heb ik geen van die melodieën letterlijk gebruikt. Ik heb eenvoudigweg thema’s gecomponeerd die de bijzonderheden van de Indiaanse muziek belichamen. En deze thema’s heb ik als uitgangspunt genomen voor een verdere ontwikkeling met de middelen van moderne ritmiek, contrapunt en orkestrale kleur.’
Met name in het eerste en derde deel van deze vierdelige symfonie hebben musicologen melodieën ontdekt die geïnspireerd zijn op muziek van de oorspronkelijke bewoners. In het eerste deel klinkt een thema dat nauw verwant is aan de Afrikaans-Amerikaanse spiritual Swing Low, Sweet Chariot. In het derde deel, een snel scherzo, resoneert Het lied van Hiawatha, het epische gedicht van Henry Wadsworth Longfellow over Hiawatha, de vijftiende-eeuwse leider die aan het hoofd had gestaan van de League of Five Nations, vijf inheemse volken in Noord-Amerika.
In het tweede deel is de invloed aanwijsbaar van Harry Burleigh, een Afro-Amerikaanse student die een groot aantal traditionele spirituals had voorgezongen aan Dvořák. Het hoofdthema in Des groot had Dvořák aanvankelijk toebedeeld aan de klarinet, maar hij koos uiteindelijk voor de althobo omdat dat instrument hem deed denken aan de stem van Burleigh.
De symfonie ‘Uit de Nieuwe Wereld’ was van het begin af aan een groot succes en is gaan gelden als het visitekaartje van Dvořák. In de weids golvende orkestbeweging is de uitgestrektheid van de Amerikaanse steppe herkenbaar, waar Dvořák zo van hield. Desalniettemin miste hij zijn geboorteland en keerde hij na drie jaar alweer terug naar Tsjechië.
Toen de Tsjechische componist Antonín Dvořák op 17 september 1892 met zijn gezin op de boot naar Amerika stapte, kon hij niet bevroeden dat hij in de Nieuwe Wereld een van zijn meest geliefde stukken zou schrijven: de Negende symfonie. Eerder dat jaar had 51-jarige componist een uitnodiging ontvangen van Jeannette Thurber, oprichtster van het National Conservatory of Music of America in New York. Zij was op zoek naar iemand met aanzien die leiding zou kunnen geven aan dit instituut. De opdracht was om een nationale muziekstijl te ontwikkelen. Aangezien Dvořák zich in zijn werk liet inspireren door Boheemse volksmuziek zag zij hem als de aangewezen persoon.
Dvořák nam de uitdaging aan en verdiepte zich in de muziek van de Afro-Amerikanen en de inheemse Amerikanen. Hij concludeerde: ‘Ik ben ervan overtuigd dat de toekomstige muziek van dit land moet worden gebaseerd op de zogeheten ‘negro’-melodieën. Zij vormen het fundament van een serieuze en originele compositieschool die zich in Amerika kan ontwikkelen. Deze mooie en gevarieerde thema’s zijn het product van de aarde. Zij zijn de volksmuziek van Amerika en jullie componisten moet zich daarop richten.’
Ondertussen had de Tsjechische meester zelf een compositieopdracht gekregen van de New York Philharmonic, en in deze symfonie legde hij getuigenis af van zijn nieuwe inzichten. In een krantenartikel in de New York Herald van 15 december 1893, een dag voor de première in Carnegie Hall, vertelde Dvořák hoe de oorspronkelijke Amerikaanse muziek zijn nieuwe werk had gekleurd: ‘In feite heb ik geen van die melodieën letterlijk gebruikt. Ik heb eenvoudigweg thema’s gecomponeerd die de bijzonderheden van de Indiaanse muziek belichamen. En deze thema’s heb ik als uitgangspunt genomen voor een verdere ontwikkeling met de middelen van moderne ritmiek, contrapunt en orkestrale kleur.’
Met name in het eerste en derde deel van deze vierdelige symfonie hebben musicologen melodieën ontdekt die geïnspireerd zijn op muziek van de oorspronkelijke bewoners. In het eerste deel klinkt een thema dat nauw verwant is aan de Afrikaans-Amerikaanse spiritual Swing Low, Sweet Chariot. In het derde deel, een snel scherzo, resoneert Het lied van Hiawatha, het epische gedicht van Henry Wadsworth Longfellow over Hiawatha, de vijftiende-eeuwse leider die aan het hoofd had gestaan van de League of Five Nations, vijf inheemse volken in Noord-Amerika.
In het tweede deel is de invloed aanwijsbaar van Harry Burleigh, een Afro-Amerikaanse student die een groot aantal traditionele spirituals had voorgezongen aan Dvořák. Het hoofdthema in Des groot had Dvořák aanvankelijk toebedeeld aan de klarinet, maar hij koos uiteindelijk voor de althobo omdat dat instrument hem deed denken aan de stem van Burleigh.
De symfonie ‘Uit de Nieuwe Wereld’ was van het begin af aan een groot succes en is gaan gelden als het visitekaartje van Dvořák. In de weids golvende orkestbeweging is de uitgestrektheid van de Amerikaanse steppe herkenbaar, waar Dvořák zo van hield. Desalniettemin miste hij zijn geboorteland en keerde hij na drie jaar alweer terug naar Tsjechië.
Bedřich Smetana (1824-1884)
Ouverture ‘De verkochte bruid’
De opzwepende Ouverture ‘De verkochte bruid’ vormt niet alleen de opmaat voor deze kluchtige opera van Bedřich Smetana – vol misverstanden en persoonsverwisselingen – maar ook de opening van menig concertprogramma: de ouverture is immers minstens even populair als zelfstandig symfonisch stuk.
De Tsjechische componist Smetana begon in 1863 aan deze opera op een libretto van Karel Sabina, met de bedoeling een moderne vorm van komische opera te ontwikkelen, als tegenhanger van Richard Wagners zwaarwichtige muziekdrama’s. Bovendien liet Smetana zich uitdagen door de Weense dirigent Johann von Herbeck, die beweerde dat de Tsjechen niet in staat waren een ‘eigen’ muziek te schrijven. Vandaar dat de componist er eer in legde stijlcitaten uit de Boheemse volksmuziek, zoals de polka en de furiant, in zijn partituur te verwerken.
De eerste versie van De verkochte bruid, die in 1863 klaar was, bestond uit twee delen en bevatte veel gesproken dialoog. Omdat het resultaat niet erg succesvol was, bewerkte Smetana de opera tot een driedelig stuk waarin alle tekst op muziek was gezet. Deze versie kreeg bij de première in 1870 in Praag alle lof en werd twintig jaar later, na een enscenering in Wenen, wereldwijd een succes.
De virtuoze partituur is een uitdaging voor de orkestmusici en onder violisten geldt de ouverture als een meesterproef bij audities.
De opzwepende Ouverture ‘De verkochte bruid’ vormt niet alleen de opmaat voor deze kluchtige opera van Bedřich Smetana – vol misverstanden en persoonsverwisselingen – maar ook de opening van menig concertprogramma: de ouverture is immers minstens even populair als zelfstandig symfonisch stuk.
De Tsjechische componist Smetana begon in 1863 aan deze opera op een libretto van Karel Sabina, met de bedoeling een moderne vorm van komische opera te ontwikkelen, als tegenhanger van Richard Wagners zwaarwichtige muziekdrama’s. Bovendien liet Smetana zich uitdagen door de Weense dirigent Johann von Herbeck, die beweerde dat de Tsjechen niet in staat waren een ‘eigen’ muziek te schrijven. Vandaar dat de componist er eer in legde stijlcitaten uit de Boheemse volksmuziek, zoals de polka en de furiant, in zijn partituur te verwerken.
De eerste versie van De verkochte bruid, die in 1863 klaar was, bestond uit twee delen en bevatte veel gesproken dialoog. Omdat het resultaat niet erg succesvol was, bewerkte Smetana de opera tot een driedelig stuk waarin alle tekst op muziek was gezet. Deze versie kreeg bij de première in 1870 in Praag alle lof en werd twintig jaar later, na een enscenering in Wenen, wereldwijd een succes.
De virtuoze partituur is een uitdaging voor de orkestmusici en onder violisten geldt de ouverture als een meesterproef bij audities.
Rob Zuidam (1964)
Orewoet
In opdracht van het Concertgebouworkest schreef Rob Zuidam een nieuw werk, getiteld Orewoet.
Hadewijch gebruikt het woord ‘orewoet’ om een brandend verlangen naar eenwording, een razende begeerte naar de goddelijke liefde uit te drukken
Het woord ‘orewoet’ komt voor in de poëzie van de Brabantse mystica Hadewijch, die in de dertiende eeuw leiding gaf aan groepjes vrouwen die zich volledig wijdden aan ‘de minne’: de mystieke liefde tussen God en mens. Hoewel de herkomst van het woord orewoet niet eenduidig is, betekent ‘woet’ zoveel als razernij, woede. Hadewijch gebruikt het begrip om een brandend verlangen naar eenwording, een razende begeerte naar de goddelijke liefde uit te drukken.
Zuidam heeft vier teksten gekozen van Hadewijch (wanneer zij precies leefde is niet bekend) en één van Beatrijs van Tienen (1200-1268, beter bekend als Beatrijs van Nazareth). Die laatste beschrijft op een zeer plastische manier de religieuze extase: ‘Zo komt het haar voor / dat al haar aderen openbarsten / haar bloed kokend opwelt / haar merg verkwijnt.’ Alleen in het vijfde deel van Orewoet wordt de tekst ook daadwerkelijk gezongen, in de vier voorgaande delen heeft Zuidam de woorden op een intuïtieve manier getoonzet. Hij probeert vooral de energie van de tekst en de oneindigheid van tijd en ruimte in klank te vatten.
Het circa vijfentwintig minuten durende orkestwerk schetst de opeenvolgende stadia die leiden naar de unio mystica. Het eerste deel (Orewoet van minne) laat brede banen van geluid horen die traag op gang komen en geleidelijk beginnen te oscilleren. In het tweede deel (Die vogle sijn nu blide) horen we hoe de vogels na een lange barre winter ontwaken en wordt het orkest zelf als het ware één grote vogel. Deel drie (Met verstande van binnen) drukt pure verstilling uit: innerlijke contemplatie. Deel vier (Dat al har adren ontpluken) is een programmatische toonzetting van de gewelddadige, extatische tekst van Beatrijs van Tienen. In deel vijf (Opghenomen inden gheeste) maakt de sopraan haar entree. De muziek schetst een geleidelijke gang omhoog: de vereniging met God.
In opdracht van het Concertgebouworkest schreef Rob Zuidam een nieuw werk, getiteld Orewoet.
Hadewijch gebruikt het woord ‘orewoet’ om een brandend verlangen naar eenwording, een razende begeerte naar de goddelijke liefde uit te drukken
Het woord ‘orewoet’ komt voor in de poëzie van de Brabantse mystica Hadewijch, die in de dertiende eeuw leiding gaf aan groepjes vrouwen die zich volledig wijdden aan ‘de minne’: de mystieke liefde tussen God en mens. Hoewel de herkomst van het woord orewoet niet eenduidig is, betekent ‘woet’ zoveel als razernij, woede. Hadewijch gebruikt het begrip om een brandend verlangen naar eenwording, een razende begeerte naar de goddelijke liefde uit te drukken.
Zuidam heeft vier teksten gekozen van Hadewijch (wanneer zij precies leefde is niet bekend) en één van Beatrijs van Tienen (1200-1268, beter bekend als Beatrijs van Nazareth). Die laatste beschrijft op een zeer plastische manier de religieuze extase: ‘Zo komt het haar voor / dat al haar aderen openbarsten / haar bloed kokend opwelt / haar merg verkwijnt.’ Alleen in het vijfde deel van Orewoet wordt de tekst ook daadwerkelijk gezongen, in de vier voorgaande delen heeft Zuidam de woorden op een intuïtieve manier getoonzet. Hij probeert vooral de energie van de tekst en de oneindigheid van tijd en ruimte in klank te vatten.
Het circa vijfentwintig minuten durende orkestwerk schetst de opeenvolgende stadia die leiden naar de unio mystica. Het eerste deel (Orewoet van minne) laat brede banen van geluid horen die traag op gang komen en geleidelijk beginnen te oscilleren. In het tweede deel (Die vogle sijn nu blide) horen we hoe de vogels na een lange barre winter ontwaken en wordt het orkest zelf als het ware één grote vogel. Deel drie (Met verstande van binnen) drukt pure verstilling uit: innerlijke contemplatie. Deel vier (Dat al har adren ontpluken) is een programmatische toonzetting van de gewelddadige, extatische tekst van Beatrijs van Tienen. In deel vijf (Opghenomen inden gheeste) maakt de sopraan haar entree. De muziek schetst een geleidelijke gang omhoog: de vereniging met God.
Antonín Dvořák (1841-1904)
Negende symfonie ‘Uit de Nieuwe Wereld’
Toen de Tsjechische componist Antonín Dvořák op 17 september 1892 met zijn gezin op de boot naar Amerika stapte, kon hij niet bevroeden dat hij in de Nieuwe Wereld een van zijn meest geliefde stukken zou schrijven: de Negende symfonie. Eerder dat jaar had 51-jarige componist een uitnodiging ontvangen van Jeannette Thurber, oprichtster van het National Conservatory of Music of America in New York. Zij was op zoek naar iemand met aanzien die leiding zou kunnen geven aan dit instituut. De opdracht was om een nationale muziekstijl te ontwikkelen. Aangezien Dvořák zich in zijn werk liet inspireren door Boheemse volksmuziek zag zij hem als de aangewezen persoon.
Dvořák nam de uitdaging aan en verdiepte zich in de muziek van de Afro-Amerikanen en de inheemse Amerikanen. Hij concludeerde: ‘Ik ben ervan overtuigd dat de toekomstige muziek van dit land moet worden gebaseerd op de zogeheten ‘negro’-melodieën. Zij vormen het fundament van een serieuze en originele compositieschool die zich in Amerika kan ontwikkelen. Deze mooie en gevarieerde thema’s zijn het product van de aarde. Zij zijn de volksmuziek van Amerika en jullie componisten moet zich daarop richten.’
Ondertussen had de Tsjechische meester zelf een compositieopdracht gekregen van de New York Philharmonic, en in deze symfonie legde hij getuigenis af van zijn nieuwe inzichten. In een krantenartikel in de New York Herald van 15 december 1893, een dag voor de première in Carnegie Hall, vertelde Dvořák hoe de oorspronkelijke Amerikaanse muziek zijn nieuwe werk had gekleurd: ‘In feite heb ik geen van die melodieën letterlijk gebruikt. Ik heb eenvoudigweg thema’s gecomponeerd die de bijzonderheden van de Indiaanse muziek belichamen. En deze thema’s heb ik als uitgangspunt genomen voor een verdere ontwikkeling met de middelen van moderne ritmiek, contrapunt en orkestrale kleur.’
Met name in het eerste en derde deel van deze vierdelige symfonie hebben musicologen melodieën ontdekt die geïnspireerd zijn op muziek van de oorspronkelijke bewoners. In het eerste deel klinkt een thema dat nauw verwant is aan de Afrikaans-Amerikaanse spiritual Swing Low, Sweet Chariot. In het derde deel, een snel scherzo, resoneert Het lied van Hiawatha, het epische gedicht van Henry Wadsworth Longfellow over Hiawatha, de vijftiende-eeuwse leider die aan het hoofd had gestaan van de League of Five Nations, vijf inheemse volken in Noord-Amerika.
In het tweede deel is de invloed aanwijsbaar van Harry Burleigh, een Afro-Amerikaanse student die een groot aantal traditionele spirituals had voorgezongen aan Dvořák. Het hoofdthema in Des groot had Dvořák aanvankelijk toebedeeld aan de klarinet, maar hij koos uiteindelijk voor de althobo omdat dat instrument hem deed denken aan de stem van Burleigh.
De symfonie ‘Uit de Nieuwe Wereld’ was van het begin af aan een groot succes en is gaan gelden als het visitekaartje van Dvořák. In de weids golvende orkestbeweging is de uitgestrektheid van de Amerikaanse steppe herkenbaar, waar Dvořák zo van hield. Desalniettemin miste hij zijn geboorteland en keerde hij na drie jaar alweer terug naar Tsjechië.
Toen de Tsjechische componist Antonín Dvořák op 17 september 1892 met zijn gezin op de boot naar Amerika stapte, kon hij niet bevroeden dat hij in de Nieuwe Wereld een van zijn meest geliefde stukken zou schrijven: de Negende symfonie. Eerder dat jaar had 51-jarige componist een uitnodiging ontvangen van Jeannette Thurber, oprichtster van het National Conservatory of Music of America in New York. Zij was op zoek naar iemand met aanzien die leiding zou kunnen geven aan dit instituut. De opdracht was om een nationale muziekstijl te ontwikkelen. Aangezien Dvořák zich in zijn werk liet inspireren door Boheemse volksmuziek zag zij hem als de aangewezen persoon.
Dvořák nam de uitdaging aan en verdiepte zich in de muziek van de Afro-Amerikanen en de inheemse Amerikanen. Hij concludeerde: ‘Ik ben ervan overtuigd dat de toekomstige muziek van dit land moet worden gebaseerd op de zogeheten ‘negro’-melodieën. Zij vormen het fundament van een serieuze en originele compositieschool die zich in Amerika kan ontwikkelen. Deze mooie en gevarieerde thema’s zijn het product van de aarde. Zij zijn de volksmuziek van Amerika en jullie componisten moet zich daarop richten.’
Ondertussen had de Tsjechische meester zelf een compositieopdracht gekregen van de New York Philharmonic, en in deze symfonie legde hij getuigenis af van zijn nieuwe inzichten. In een krantenartikel in de New York Herald van 15 december 1893, een dag voor de première in Carnegie Hall, vertelde Dvořák hoe de oorspronkelijke Amerikaanse muziek zijn nieuwe werk had gekleurd: ‘In feite heb ik geen van die melodieën letterlijk gebruikt. Ik heb eenvoudigweg thema’s gecomponeerd die de bijzonderheden van de Indiaanse muziek belichamen. En deze thema’s heb ik als uitgangspunt genomen voor een verdere ontwikkeling met de middelen van moderne ritmiek, contrapunt en orkestrale kleur.’
Met name in het eerste en derde deel van deze vierdelige symfonie hebben musicologen melodieën ontdekt die geïnspireerd zijn op muziek van de oorspronkelijke bewoners. In het eerste deel klinkt een thema dat nauw verwant is aan de Afrikaans-Amerikaanse spiritual Swing Low, Sweet Chariot. In het derde deel, een snel scherzo, resoneert Het lied van Hiawatha, het epische gedicht van Henry Wadsworth Longfellow over Hiawatha, de vijftiende-eeuwse leider die aan het hoofd had gestaan van de League of Five Nations, vijf inheemse volken in Noord-Amerika.
In het tweede deel is de invloed aanwijsbaar van Harry Burleigh, een Afro-Amerikaanse student die een groot aantal traditionele spirituals had voorgezongen aan Dvořák. Het hoofdthema in Des groot had Dvořák aanvankelijk toebedeeld aan de klarinet, maar hij koos uiteindelijk voor de althobo omdat dat instrument hem deed denken aan de stem van Burleigh.
De symfonie ‘Uit de Nieuwe Wereld’ was van het begin af aan een groot succes en is gaan gelden als het visitekaartje van Dvořák. In de weids golvende orkestbeweging is de uitgestrektheid van de Amerikaanse steppe herkenbaar, waar Dvořák zo van hield. Desalniettemin miste hij zijn geboorteland en keerde hij na drie jaar alweer terug naar Tsjechië.
Biografie
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande dirigenten en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende dirigenten zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest
Andrés Orozco-Estrada, Dirigent
Andrés Orozco-Estrada is chef-dirigent van het Orchestra Sinfonica Nazionale della RAI sinds het seizoen 2023/2024. Vanaf 2025/2026 staat de Colombiaan als muziekdirecteur van de stad Keulen bovendien aan het hoofd van het Gürzenich-Orchester en de Oper Köln. Als kind speelde Andrés Orozco-Estrada viool, op zijn vijftiende nam hij directielessen en vanaf zijn negentiende kreeg hij les van Uroš Lajovic in Wenen.
In 2004 debuteerde hij bij het Tonkünstler-Orchester Niederösterreich, waar hij assistent-dirigent werd en in 2009 chef-dirigent. Ook was hij chef-dirigent van het Baskisch Nationaal Orkest, en later zou hij die functie nog vervullen bij het hr-Sinfonieorchester in Frankfurt, de Houston Symphony en de Wiener Symphoniker. Lovende kritieken kreeg Andrés Orozco-Estrada toen hij twee keer op het laatste moment inviel bij de Wiener Philharmoniker. Sindsdien is hij er regelmatig te gast.
Ook de Berliner Philharmoniker, de Sächsische Staatskapelle Dresden, het Gewandhausorchester Leipzig, het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia, het Orchestre National de France en het Chicago Symphony Orchestra engageerden hem. Bij het Concertgebouworkest maakte Andrés Orozco-Estrada zijn debuut in mei 2015. In augustus 2023 leidde hij de vierde editie van Concertgebouworkest Young; in juni 2024 dirigeerde hij het Concertgebouworkest in Beethovens Fidelio bij De Nationale Opera en drie maanden later, op 13 september, leidde hij de seizoensopening van het orkest, Opening Night, in het Nelson Mandelapark in Amsterdam-Zuidoost.
Katrien Baerts, sopraan
Katrien Baerts studeerde aan de Dutch National Opera Academy en behaalde haar masterdiploma’s zang en viool aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel. In 2011 nam ze deel aan de Koningin Elisabethwedstrijd. De Belgische sopraan vertolkte onder meer Micaëla in Bizets Carmen en de Mozart-rollen Pamina in Die Zauberflöte en Despina in Così fan tutte; bij De Nationale Opera debuteerde ze in Bergs Lulu.
Op het concertpodium zong ze bijvoorbeeld Mahlers Vierde symfonie en Les Illuminations van Britten. Nieuwe muziek heeft haar speciale interesse. Zo engageerde de NTR ZaterdagMatinee haar voor de wereldpremières van The Rise of Spinoza van Loevendie en Suster Bertken van Zuidam.
In Tokio was Katrien Baerts te horen in Defoorts House of the Sleeping Beauties en tijdens de Ruhrtriënnale werkte ze mee aan de première van Neuwirths Bählamms Fest. In 2025 kreeg ze carte blanche bij het Muziekgebouw en Asko|Schönberg, wat leidde tot haar muziektheatrale uitvoering Ophelia’s Next Appearance. Recente hoogtepunten waren ook Ligeti’s Mysteries of the Macabre met het Antwerp Symphony Orchestra en haar debuut bij het Ensemble intercontemporain met The Living Mountain van Larcher.
Voor een Grisey-opname met het WDR Sinfonieorchester kreeg ze in 2023 een Preis der deutschen Schallplattenkritik. Katrien Baerts debuteerde in maart 2025 bij het Concertgebouworkest in De Stad van Dis van Louis Andriessen onder leiding van Bas Wiegers.