notenbeeld

Wolfgang Amadeus Mozart: Sonate voor twee klavieren in D groot

Een ‘entzückend’ spelende leerlinge zette Wolfgang Amadeus Mozart aan tot het componeren van een sprankelend werk voor twee klavieren.

In de rijke geschiedenis van de klaviermuziek kun je een boeiend deel vinden dat gewijd is aan de muziek voor twee toetsenisten. Uiteraard is dan een plaats ingeruimd voor de talrijke vierhandige stukken, waarvan de eerste al dateren van rond 1600. Minstens zo interessant is de lijst met werken voor twéé toetsinstrumenten. ­Organisten denken daarbij meteen aan de ‘dubbel­korige’ s van zeventiende-eeuwse Italianen of aan de Conciertos de dos órganos obligados van de Spanjaard Antonio Soler. Klavecinisten gaan te rade bij Johann Sebastian Bach of diens navolgers, of kloppen aan bij het achttiende-eeuwse Franse hof. Pianisten die op zoek zijn naar vroege duomuziek zijn erg blij met het een meesterwerk uit de late achttiende eeuw: de Sonate in D groot, KV 448 van Wolfgang Amadeus Mozart.

Drie petten

Mozart schrijft deze sonate voor twee klavieren (‘Deux clavecins ou Piano-forte’) in de winter van 1781, zo’n half jaar nadat hij in Salzburg door aartsbisschop Colloredo op straat is gezet. Hij is neergestreken in Wenen waar hij als zelfstandig kunstenaar zijn eigen boontjes moet doppen. Dat doet hij door zich te profileren op meerdere muzikale terreinen: als componist, als pianist én als leraar. Met de Sonate in D groot slaat hij die drie vliegen in één klap: hij schrijft een nieuw werk voor een getalenteerde leerlinge uit de gegoede Weense burgerij: Josepha Barbara Auernhammer. Bovendien houdt hij het hoogstwaarschijnlijk op 23 november 1781 samen met haar in huize Auernhammer ten doop. Mozarts 23-jarige pupil is verliefd op haar leraar, maar die heeft zijn hart al verpand aan zangeres Constanze Weber. In een van zijn brieven – altijd weer vermakelijke kost! – laat Mozart zich bovendien (eufemistisch gezegd) weinig flatteus uit over Josepha’s uiterlijk.

Grappen in stereo

Dat Josepha volgens haar docent ‘entzückend’ speelt is belangrijker. Als we de partijen van piano 1 en 2 naast elkaar leggen, zien we dat Mozart inderdaad bij beide instrumenten van een gevorderd speelniveau is uitgegaan. Van meet af aan is duidelijk dat de frisse dialoog tussen de twee gesprekspartners gelijkwaardig is: de moeilijkheid van de noten van de ‘maestro’ en die van de ‘scolare’ doen niet voor elkaar onder. Alsof ze dat willen onderstrepen spelen ze eendrachtig de openingsmaten, waarbij de tweede pianist met zijn rechter- en linkerhand vergeleken met de eerste een lager speelt, zodat het duo gezamenlijk vrijwel de hele omvang (van A tot en met d2) van de toenmalige instrumenten benut.

'Met de Sonate in D groot slaat hij die drie vliegen in één klap'

Piano primo (I) neemt vervolgens het voortouw en krijgt een speels weerwoord van secundo (II). In het vervolg van dit deel verdeelt Mozart zijn muzikale frases of motieven steeds over beide partijen. Als hij in de ene piano nieuw materiaal presenteert terwijl de andere slechts begeleidt, keert hij in de erop volgende maten de rollen om (figuur 1). Soms introduceert piano I een nieuw gegeven, dan weer piano II. Figuraties flitsen van het ene instrument naar het andere of komen eensgezind samen. In zijn enige sonate voor twee toetsinstrumenten – met uitzondering van een voor twee klavieren is Mozarts andere pianomuziek voor vier handen gedacht voor twee spelers achter één piano – zorgt de 25-jarige meester op transparante wijze voor een fraai ruimtelijk stereo-effect en een vrolijk vraag- en antwoordspel. Humor ontbreekt daarbij niet: nadat piano II het tweede heeft laten horen, antwoordt piano I slechts met een enkele noot met een voorslag.

  • De motieven zijn gelijkwaardig verdeeld over beide piano’s

Pingpong

Ook in de andere twee delen horen we een vergelijkbare wisselwerking tussen beide instrumenten. In het middendeel lijkt piano I aanvankelijk de hoofdrol op te eisen (figuur 2). Met een ‘mozartiaanse’ lijkt hij de pianosolist in een soloconcert met zijn partner als begeleidend ensemble. Na een maat of twaalf blijkt het ook hier toch om een dubbelconcert te gaan en zingen beide spelers een fraai duet. Misschien moest Wolfgang bij dit deel af en toe zijn leerlinge corrigeren. In de eerder genoemde brief merkt hij namelijk op dat Josepha weliswaar fraai, maar niet erg ‘cantabile’ (zangerig) speelde, omdat ze niet de juiste aanslag had.

In het slotdeel kunnen beide spelers hun vingervlugheid weer etaleren en pingpongt het muzikale materiaal opnieuw heen en weer tussen de twee klavieren. Meer dan in de twee voorgaande delen zijn er in deze finale passages waarin het muzikale materiaal (quasi) unisono of parallel en gelijktijdig in een ander octaaf klinkt. Soms in drukke maten met zestiende noten, maar ook als beide pianisten even moeten inhouden bij een (homofone) passage met rustige, zachte en (figuur 3). Ze lijken hier even de blazersgroep van een orkest te imiteren, maar buitelen daarna weer vrolijk door en over elkaar heen.

  • Fig. 2: Begin van het Andante met een solorol voor piano I

Hoe de voor twee klavieren in D groot bijna 250 jaar geleden werd ontvangen weten we niet. Mozart zal vast tevreden geweest zijn met de prestaties van zijn duopartner, aan wie hij (ook in 1781) een bundel vioolsonates opdroeg. ­Josepha Auernhammer zou zich nog regelmatig als pianovirtuoos (onder meer in Beethovens ­Eerste pianoconcert) en als componiste laten horen. Of het luisteren naar deze sonate direct invloed heeft op je ruimtelijke inzicht, of zelfs epileptische aanvallen vermindert, zoals de laatste decennia in wetenschappelijke kringen werd beweerd, is zeer de vraag. Maar ook zonder dit vermeende ‘Mozart-effect’ staat buiten kijf dat het galante werk ook anno 2026 nog volop straalt en legio klassieke muziekliefhebbers weet te raken.

  • Fig. 3: Als beide pianisten kort inhouden bij een zachte homofone passage, lijken ze even de blazersgroep van een orkest te imiteren

Deel of bewaar voor laterDelen

Preludium is een uitgave van Concertvrienden