Het concert van Edward Elgar behoort tot de big five van de celloconcerten. Stel, we rekenen de twee Haydns even tot de fijnproeverscategorie, dan zijn het de grote concerten van Elgar, Dvořák, Saint-Saëns (nummer 1), Sjostakovitsj (dito) en Schumann waar het dieet van de rondreizende solocellist voornamelijk uit bestaat.
En dan kun je nog een verdere rangschikking maken. Is Saint-Saëns onderhoudend maar toch ook een tikje oppervlakkig en het genie van de Schumann te grillig om echt breed populair te zijn, daar laat het Eerste van Sjostakovitsj het instrument op onnavolgbaar spectaculaire wijze uit z’n voegen barsten en is dat van Dvořák hét Grote Romantische Celloconcert dat qua k, melancholie en orkestratie eigenlijk alle andere achter zich laat.
En dat van Elgar? Niets ten nadele van Beatrice Harrison of Pablo Casals, maar het is vooral aan de bevlogen interpretatie van Jacqueline du Pré (1945-1987) te danken geweest dat dit celloconcert sinds de jaren zestig waarschijnlijk het meest wordt gespeeld van allemaal. Du Prés opnamen met en John Barbirolli (1965) en Daniel Barenboim (1967) zijn monumentale erfenissen die elke solocellist tot een keuze dwingen: navolgen of bewust negeren. (Tip: zet de opname van Du Pré onderaan dit artikel op bij het lezen.)
Openingsmaten
Du Pré liet met haar gloeiende toonvorming als geen ander horen hoe volmaakt Elgar zijn concert op het karakter van de cello heeft afgestemd. Dat blijkt al meteen uit de beroemde openingsmaten
Het tempo is , het orkest zwijgt op een lage e na in de ’s en contrabassen. ‘Nobilmente’ (op nobele wijze) in fortissimo ontvouwt de solist het motto van deze . Laten Dvořák en Saint-Saëns de cellist op de hoogste a-snaar starten om de aandacht van het publiek te vangen, Elgar benut meteen de ronkende breedte van het instrument: drie volle en zetten de toon, de daling zet in, en na een melancholieke rust zoekt de cellist voorzichtig weer een weg omhoog.
Pas dan begint Moderato, het eigenlijke eerste , een zoekende in de altviolen. Een mooier begin dan dit kun je een cellist niet geven: de solist krijgt alle ruimte, het zangerige en warmbloedige karakter van het instrument wordt meteen benadrukt, de noten zijn technisch niet moeilijk. Al zal ook dit celloconcert verderop grote eisen gaan stellen aan de techniek.
Elgar heeft zijn concert volmaakt op het karakter van de cello afgestemd
Het introvert melancholische karakter van Elgars Celloconcert sluit niet alleen aan bij de eigenschappen van de cello als solo-instrument (lager dan de viool, zachter dan de piano) maar ook bij de buitenmuzikale context. Elgar begon vlak na het einde van de Eerste Wereldoorlog aan dit werk, dat een van z’n laatste grote composities zou blijken. Leek veel van Elgars muziek begin twintigste eeuw met al z’n pompeuze fortissimo’s nog de verklanking van het machtige Britse rijk, na de oorlog verdween pomp and circumstance bijna geheel uit zijn palet. Elgar was inmiddels gedesillusioneerd geraakt na de ontelbare dode soldaten (én paarden) die op de slagvelden waren achtergebleven. Ook leek een nieuw tijdperk aan te breken waar hij geen plek meer vond voor zijn romantische stijl – na voltooiing van het Celloconcert in 1919 verstreken er nog vijftien levensjaren zonder werken van grote betekenis.
Licht tweede deel
Het eerste deel van het concert heeft een open einde. Na wederom een solorecitatief, ditmaal met het enmotto in , volgt Leggierissimo, lichter dan licht, het tweede deel vol puntige zestiende nootjes. Een goede beheersing van de rechterpols is hier zeer belangrijk, wil de cellist niet met een blessure eindigen met zoveel kolibrie-achtige strijkbewegingen per minuut. De orkestratie is bescheiden maar geraffineerd: contrastrijke, langere lijnen in de klarinet, een echo van de repeterende zestienden in de eerste violen als de cellist heel even kwarten speelt, en spaarzame contrabasnoten om de lichtvoetigheid te benadrukken.
Als het de cellist nog niet ijl genoeg is, gooit hij er een paar tonen bij. De elfendans eindigt met een pittig akkoord.
Geen stilstand
Dan een langzaam deel, . Hét moment om te zwelgen, Elgars ‘Nimrod’ uit de Enigma-variaties indachtig. Alleen: de oudere Elgar schuwt pathetiek, en schrijft in plaats daarvan een gevoelvol intermezzo met kamermuzikale intimiteit. Koper, hobo’s en fluiten zwijgen. Met ‘adagio’ bedoelt Elgar hier ook zeker geen stilstand, afgaande op zijn opname van het concert uit 1920 met Beatrice Harrison: het derde deel wordt op deze historische opname binnen vier minuten afgelegd, daar waar Du Pré ruim een minuut langer nodig heeft. Ook hier heeft de moderne solist dus iets te kiezen: de weg van Du Pré inslaan of niet?
De solocellist en de cellogroep vloeien samen in een machtig grommende melodie
De heeft iets fragmentarisch, alsof de cellist mijmert over een onvolledige herinnering. Rijke s en plotse dynamische wisselingen doen aan Schumann denken. Het deel eindigt met een puntkomma, alsof het de opmaat is naar het échte werk: de machtige finale, waar Elgar zowaar de pathetiek en het pompeuze lijkt te hebben teruggevonden.
Maar dat blijkt schijn. En daar waarschuwt de cellist al vroeg voor. Want hoe voortvarend het orkest de eerste acht maten met een achtig ook inzet, daar is de solist alweer ‘quasi recitativo’ om ‘nobilmente’ vraagtekens te plaatsen bij dergelijk machtsvertoon.
Maar zowel orkest als solist moeten toch wat energie kwijt, in een beurtelings speelse en mfantelijke episode. Onvergetelijk is het moment waarop de solocellist en de complete cellogroep samenvloeien in een machtig grommende melodie.
De ondertoon is echter grimmig en de uitkomst onvermijdelijk. Het tempo neemt af, bewolking trekt over. ‘Molto espressivo’ bezingt de cellist met een gloedvol treurend relaas de vergane optimistische opwinding. Het motto keert nog eenmaal terug, het orkest reageert met vinnige en, en daarna is het snel gedaan: met zeventien maten is het uit.
Preludium is een uitgave van Concertvrienden











