orkestlid

Celllist Maartje-Maria den Herder: ‘Iets leukers kan ik me nauwelijks voorstellen’

Ze heeft nooit iets anders willen spelen dan cello, dat stond vast. In 2014 kwam ze in het Concertgebouworkest. Een keerpunt in haar leven, niet in de laatste plaats omdat ze daar ook haar echtgenoot leerde kennen. ‘Samen in één orkest; vroeger leek me dat een nachtmerrie.’

Hoewel ze zegt dat niet zo ervaren te hebben, mag haar jeugd zeker turbulent genoemd worden. Geboren in Zutphen, als achtste in een vrijeschoolnest van dertien kinderen. Vader was gitaar­leraar aan de muziekschool, moeder was druk met de kinderen en nam, nadat de meesten het huis uit waren, haar studie weer op. ‘We zijn vaak verhuisd’, herinnert Maartje-Maria zich. ‘Mijn geboortehuis viel zo ongeveer uit elkaar, dus gingen we naar Doesburg, maar dat huis bleek te klein voor ons allemaal. Dus terug naar een ruimer huis in Zutphen, met heel veel kleine kamertjes. We waren met vijf meisjes op acht jongens, de jongens sliepen bij elkaar en ik had het geluk een eigen kamertje te krijgen. Financieel was het vast niet eenvoudig, maar als kind heb ik daar heel weinig van gemerkt.’

Allemaal een instrument

Hoe de ouders van Maartje-Maria het voor elkaar kregen is een wonder: al hun dertien kinderen een instrument laten bespelen. ‘Vijf van ons zijn beroepsmusici geworden: twee altviolisten, twee cellisten en een pianist, een van mijn jongere broers, Jacobus. Die moest opdraven bij alle bruiloften en partijen in de familie. Verder werd het studeren wel verdeeld, er waren regels voor. Maar dan nog zou ik ons gezin niet graag als buren hebben gehad! In de keuze van ons instrument waren we vrij: als mijn ouders dachten dat iets bij je zou passen, mocht je dat proberen en kijken of het aansloeg. Het was volstrekt duidelijk wie er doorging en wie niet. Ik hoorde bij de vijf die doorgingen, met de die ik op mijn zesde had gekregen.

Mijn broer Jeroen speelde ook en omdat hij tien jaar ouder was, deed hij dat toen al heel mooi. Tot ik naar de muziekschool ging, was hij mijn leraar. Later, op het conservatorium in Utrecht, heb ik weer bij hem gestudeerd. Doordat hij zoveel ouder was en al vroeg het huis uit, ging het probleemloos. Hij is echt een goede leraar, die bovendien speelt zoals ik wil spelen.’

‘Zodra het een truc is, haak ik af. Muziek is veel meer dan alleen techniek’

‘Andere cellisten die mij inspireren? Gek genoeg luister ik vaker naar kamer- en orkestmuziek dan specifiek naar cello. Maar als ik er dan toch een paar moet noemen: Steven Isserlis, Truls Mørk en natuurlijk een icoon als Mstislav Rostropovitsj, al is hij niet degene die me het meeste raakt. Het is altijd de klank waar het mij om gaat, als die niet mooi is gaat er veel verloren. Daarnaast moet de musicus vooral eerlijk zijn. Dan maakt het niet zoveel uit of iemand precies stijlvol speelt en alles muzikaal klopt. Zodra het een truc is, haak ik af. Muziek is veel meer dan alleen techniek. Er zijn zoveel goede solisten, iedereen wil zich onderscheiden en om op te vallen gaan sommigen dan heel extatisch spelen. Zodat je voelt dat het niet echt kan zijn.’

De Academie en daarna

‘Een leven als solist heb ik nooit geambieerd, dat is me te zwaar. Pas toen ik als student in Europese jeugdorkesten ging spelen, wist ik dat het orkest mijn plek was. Die muziek waar je middenin zit en die zo over je heen spoelt, dat blijft iets geweldigs. Ik remplaceerde bij het Rotterdams Philharmonisch, maar speelde ook bij Combattimento en het Nieuw Ensemble, een heerlijk bestaan met van alles wat.’

Om dicht bij haar favoriete orkest te komen gaf Maartje-Maria zich op voor de Academie van het Concertgebouworkest. ‘Het was in 2005, de vierde lichting. In die tijd mocht je tien weken meespelen in het orkest, verspreid door de cellogroep, en je kreeg een mentor, in mijn geval Hans Vader, in zijn laatste seizoen. Meer dan even wat met hem doorspelen was het niet. Je draaide een tijdje mee, kreeg een kopje koffie en een certificaat en dat was het. Zo anders dan tegenwoordig: er was geen training, geen kamermuziek, geen psychische of fysiotherapeutische begeleiding. Het belang van de Academie is nu veel groter. Onze huidige cellogroep bestaat voor bijna de helft uit oud-Academisten.

luistertipsPremium

Hier luistert celliste Maartje-Maria den Herder naar

Na de Academie zette ik mijn freelance­leventje voort, veel remplaceren, kamermuziek spelen. Tot de strenge bezuinigingen van 2011 merkbaar werden en de kleinere ensembles ophielden te bestaan, net als het kamermuziekcircuit in al die kleine kerkjes. Als ik dan toch voor een vaste baan wilde kiezen, dan het liefst bij het Concertgebouworkest. Eerst ging ik nog als remplaçant mee op de wereldtournee ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan – vier maanden zwanger van mijn derde zoon. Dat ging goed en een jaar later deed ik auditie. Sindsdien maak ik deel uit van onze fantastische groep.’

Altijd samen

De relatie met de vader van haar eerste drie kinderen duurde tot ze in het orkest ist Jaap van der Vliet leerde kennen. ‘Mijn partner heeft een oudere zoon, maar die was al het huis uit toen ik met mijn drie jonge zoons bij hem introk. Op een mooie plek, maar in een krap huis in Kortenhoef. Samen kregen we nog een zoontje, Abel, die nu zeven is en pas is begonnen op de . Om ruimte te winnen hebben we aan het huis een aanbouw laten maken zodat we apart kunnen studeren.

Samen in één orkest; vroeger leek me dat een nachtmerrie: altijd hetzelfde leven leiden, altijd samen. Nu is het heel fijn dat we elkaar ook buiten het huiselijk leven zien en ook op tournees samen zijn, zonder de kinderen – zij zijn om de week bij een van de ouders. Ons leven vraagt veel organisatie: een prachtige, maar veeleisende baan en mijn taak als hoofd van dit samengestelde gezin. Maar iets leukers kan ik me nauwelijks voorstellen.’

De cello van Maartje-Maria

‘Ik was zes toen ik een halve kreeg, niks bijzonders, een instrumentje van de muziekschool. Vanaf mijn negende of tiende mocht ik op een hele beginnen, een cello die van mijn broer was geweest. Daarna kreeg ik van Het Muziekinstrumentenfonds een modern instrument van de Nederlandse bouwer Jaap Bolink, maar later ben ik toch overgestapt op een oudere, ook heel mooie Nederlandse cello, van de achttiende-eeuwse bouwer Johan Cuypers.

Tot mij een paar jaar geleden door een jeugdvriend uit Duitsland, ook cellist, een bijzonder instrument werd aanbevolen: een -anonieme Milanese cello uit 1763, die door een cellist uit de Berliner Philharmoniker te koop werd aangeboden. Ik nam die aanbeveling serieus en was bovendien nieuwsgierig, dus ik naar Berlijn. Daar mocht ik die cello in de zaal uitproberen en ik wist meteen: dit wordt mijn vriend. Hij voelde vertrouwd en ik vond de klank heel mooi. Het is geen kanon, maar hij klinkt warm en vriendelijk. De Foundation Concertgebouw-orkest heeft hem aangekocht en ik ben heel blij dat ik deze goede vriend nu in bruikleen heb.’

Deel of bewaar voor laterDelen

Preludium is een uitgave van Concertvrienden