orkestlid

Violiste Sjaan Oomen: ‘Ik begon op een viooltje van Jaap van Zweden’

‘Ik heb nooit voor een ander orkest auditie gedaan. Hier wilde ik spelen, dit leek me het mooiste wat ik ooit zou kunnen bereiken.’ Nog altijd vindt Sjaan Oomen het een onwerkelijk idee dat haar dat gelukt is.

Voordat ze zich, 28 jaar oud, in maart 2014 bij de tweede ­violen van het Concertgebouworkest voegde, had Sjaan ­Oomen al bij verschillende strijkorkesten ervaring opgedaan. ‘Overal en nergens, ook in het buitenland’, licht ze toe. In haar tienertijd speelde ze in het Nederlands Jeugd Strijkorkest en na haar studie bij Ilya Grubert aan het Conservatorium van Amsterdam remplaceerde ze regelmatig bij Amsterdam Sinfonietta en bij wat haar eindbestemming zou worden: het ­Concertgebouworkest. ‘Omdat ik als kind zo hard gewerkt heb met die viool, is het me gelukt daar, mede dankzij coaching van violist Joan Berkhemer, mijn droombaan te krijgen. Daar had ik dan ook wel alles voor gedaan: maandenlang gestudeerd voor de auditie en de hele wereldtournee – in 2013, toen het orkest 125 jaar bestond – meegespeeld als remplaçant. Daarna durfde ik het wel te proberen. Dat het gelukt is, vind ik nog steeds een onwerkelijk idee.’

Voorbestemd

Muziek zit diep verankerd in de genen van het gezin Oomen: onder de vleugels van hun vader (pianist/componist Antoine Oomen) en muzikale moeder Margaret, is dochter Heleen klarinet gaan spelen en werd Sjaan voor de viool bestemd. ‘Mijn peettante, Jeanne van Tol, was violiste in het Nederlands Kamerorkest en ik was Sjaan, dus viool moest het zijn. Ik denk dat mijn vader dat ooit had bedacht, want hij wilde niet dat een van zijn dochters piano zou gaan spelen. Dat had echt niet gekund in één huis.’

‘Als kind kon ik zo instappen op de muzikaliteit van mijn vader. Hoe heerlijk als je die stomme toonladders moet spelen op losse snaren, dat dan je vader die kan harmoniseren en er iets moois van maakt. Terwijl het anders zeker vijf jaar duurt voordat het een beetje als muziek gaat klinken. Hoe hard je ook je best doet, de eerste jaren is het niet om aan te horen.’

‘Wat betreft het vioolspel is Rudolf Koelman belangrijk voor me geweest. Hij was een leerling van Jascha Heifetz en die manier van spelen werd mijn ideaal. Omdat hij bij ons in huis woonde, hoorde ik dat de hele dag. Ik kreeg ook les van hem.’

‘Drie kwartier toonladders, drie kwartier etudes en drie kwartier stukken. Dat was het dagelijkse regime.’

‘Of ik als kind zelf voor de viool had gekozen…’ Gewetensvol weegt Sjaan haar woorden. ‘Ik denk het niet, ik wilde pianospelen. Wat dus niet kon. Als violist speel je maar één partij, op de piano beschik je over het hele spectrum. Misschien dat ik ooit, als ik met pensioen ben, alsnog piano ga leren spelen. Thuis, in Haarlem, staan een Steinway-concertvleugel en een klavecimbel. Van mijn man, Bas van Bommel. Hij zou concertpianist worden, maar voelde zich niet thuis op het podium. Toen is hij klassieke talen gaan studeren en hij werkt nu aan de Universiteit Utrecht. Ik heb dus het geluk altijd met een pianist in huis te hebben gewoond, eerst met mijn vader en nu met mijn man.’

‘Maar ik had die discipline: drie kwartier toonladders, drie kwartier s en drie kwartier stukken. Dat was het dagelijkse regime. Ik hield het vol doordat ik een soort mentaliteit in het leven heb meegekregen dat ik bij voorkeur doe wat me het meest uitdaagt. Concerten geven voor publiek past eigenlijk niet bij mijn karakter, maar het is een uitdaging dat toch elke keer aan te gaan.’

En een fulltime baan combineren met vijf kinderen, dat kun je toch óók wel een uitdaging noemen. ‘Als je me zou vragen: ben je nou meer moeder of violist? Dan zeg ik: als ik viool speel ben ik violist, als ik moeder ben, ben ik moeder. Voor honderd procent. Waarbij ik dan wel de hele dag loop te zingen en de kinderen zich doodschamen. ‘Mama, waarom zing je zo hard?’ Omdat dat nu eenmaal moet!’

‘Doordat we een fantastische oppas aan huis hebben, mijn man meestal ’s avonds thuis is en zijn ouders dichtbij wonen, hebben we het zo kunnen regelen dat ik met alle Europese tournees van het Concertgebouworkest mee kan. Een tournee is de ultieme teambuilding, dan merk je pas wat voor sociale baan dit is.

Maar ook een uitdaging. Zoals ook het conservatorium dat al was. Want hoe dol ik ook ben op vioolspelen, je bent altijd bezig jezelf te bewijzen, te vergelijken met anderen. Maar als je iets wilt bereiken, zul je ook die tweestrijd moeten aangaan.’

Huilen

Voordat Sjaan in het orkest kwam, had ze altijd eerste viool gespeeld. ‘Tweede viool is echt anders’, legt ze uit. ‘Als jonge violist studeer je de solopartijen, niemand bereidt zich voor om tweede violist te worden. Het zijn andere persoonlijkheden. Ik zou ook nooit ambiëren om aanvoerder te worden. Tweede viool past bij mijn karakter: het is de perfecte plek in het orkest om te kunnen luisteren naar alles wat er gebeurt. De partij is meestal niet zo moeilijk, dus je kunt echt genieten. Je schakelt totaal je ego uit en geniet van het feit dat je deel uitmaakt van het geweldige organisme dat het Concertgebouworkest is. Behalve goed luisteren kan ik ook heel goed samenspelen, dat is denk ik mijn sterkste punt.’

‘Als tweede violist kun je echt genieten’

‘Ik luister het liefst naar Ravel. Ik ben gewoon verliefd op zijn muziek. Ook op die van Brahms, en van Richard Strauss vooral op zijn eren en sommige van zijn ’s. De balletten van Stravinsky, daar heb je geen ballet bij nodig. En ik houd ook erg van musical uit de zestiger jaren en van de s van Léhar. Popmuziek is ook leuk, maar liever niet voor het Concertgebouworkest; wij zijn daar niet echt goed in.’

tips van orkestledenPremium

De luistertips van violiste Sjaan Oomen

Over de vraag wat ze van haar ­vader heeft geleerd, moet Sjaan lang en aandachtig nadenken. ‘Hij houdt zoveel van muziek, voor hem is dat het allerbelangrijkste in zijn leven. Die ­grote liefde voor muziek heb ik van hem meegekregen. Muziek kan me zo raken dat mijn hart lijkt te ontploffen. Er werd thuis ook weleens gehuild. ‘Kom, we spelen even iets wat we allebei mooi vinden’. En dan zijn er tranen.’

De viool van Sjaan Oomen

‘Eerst was er dat simpele halve viooltje, een goedkoop instrumentje van Max Möller. Al die kleine viooltjes klinken verschrikkelijk, het is gewoon niet anders. Op een gegeven moment ging ik naar Davina van Wely, die toen al heel oud was, en zij gaf mij een driekwart viooltje in bruikleen waar Jaap van Zweden op had gespeeld toen hij bij haar studeerde.


Dan ga je opeens van een soort tabaksdoos met snaren erop naar een echte viool en gaat de klank je inspireren. De eerste volwassen viool kreeg ik via een leerling van mijn vader die verzamelaar was. Een heel mooi instrument, zo’n honderd jaar oud, van de Duits-Nederlandse vioolbouwer Wilhelm Paul Kunze. Maar volgens mijn toenmalige leraar moest hij gerestaureerd worden, en daarna was de ziel eruit. Heel verdrietig.


Bij Het Muziekinstrumentenfonds heb ik toen de Chardon uitgezocht, waar ik nu al ruim 21 jaar op speel. Het is een Franse viool uit 1908, die een klanktest had gewonnen en niet voor mij bedoeld was, maar omdat ik doorzeurde kreeg ik hem toch in bruikleen. Een heel helder, heerlijk instrument dat bij me past.


Ik betaal nu al die jaren mijn jaarlijkse contributie aan Het Muziekinstrumentenfonds, een fiks bedrag waarvoor ik hem al bijna had kunnen kopen, maar helaas is hij niet te koop. Ik heb ook wel oude Italianen geprobeerd, maar het lukt me niet om afscheid van mijn Chardon te nemen.’

achter de schermen

Zo vinden orkestmusici hun instrumenten

Deel of bewaar voor laterDelen

Preludium is een uitgave van Concertvrienden