Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier

Ammodo Masterclass dirigeren met Iván Fischer

Ammodo Masterclass dirigeren met Iván Fischer

Grote Zaal
25 juni 2026
10.00 uur

Print dit programma

Koninklijk Concertgebouworkest
Iván Fischer dirigent

masterclass-deelnemers: 
Ulysse Derrien dirigent ­
Maximilian Leicher dirigent
Celia Llácer dirigent
Jong-Jie Yin dirigent

Vanaf ca. 19.00 uur terug te zien op YouTube en Concertgebouworkest.nl

Ook interessant:
- Maak kennis met de deelnemers van de Ammodo Masterclass

AMMODO MASTERCLASS DIRIGEREN 

Gedurende deze driedaagse masterclass komen (passages uit) de volgende werken aan bod:

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Ouverture ‘Die Zauberflöte’, KV 620 (1791)  

Carl Maria von Weber (1786-1826)

Ouverture ‘Der Freischütz’, op. 77 (1820) 

Johannes Brahms (1893-1897)

Symfonie nr. 1 in c kl.t., op. 68 (1855-76) 
Un poco sostenuto, Allegro 
Andante sostenuto  
Un poco allegretto e grazioso 
Adagio, Più andante, Allegro non troppo ma con brio  

Béla Bartók (1881-1945)

Muziek uit ‘De wonderbaarlijke mandarijn’, op. 19 (1918-24, suite 1927)   

pauze ± 11.15 uur 
einde ± 13.00 uur 

Grote Zaal 25 juni 2026 10.00 uur

Koninklijk Concertgebouworkest
Iván Fischer dirigent

masterclass-deelnemers: 
Ulysse Derrien dirigent ­
Maximilian Leicher dirigent
Celia Llácer dirigent
Jong-Jie Yin dirigent

Vanaf ca. 19.00 uur terug te zien op YouTube en Concertgebouworkest.nl

Ook interessant:
- Maak kennis met de deelnemers van de Ammodo Masterclass

AMMODO MASTERCLASS DIRIGEREN 

Gedurende deze driedaagse masterclass komen (passages uit) de volgende werken aan bod:

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Ouverture ‘Die Zauberflöte’, KV 620 (1791)  

Carl Maria von Weber (1786-1826)

Ouverture ‘Der Freischütz’, op. 77 (1820) 

Johannes Brahms (1893-1897)

Symfonie nr. 1 in c kl.t., op. 68 (1855-76) 
Un poco sostenuto, Allegro 
Andante sostenuto  
Un poco allegretto e grazioso 
Adagio, Più andante, Allegro non troppo ma con brio  

Béla Bartók (1881-1945)

Muziek uit ‘De wonderbaarlijke mandarijn’, op. 19 (1918-24, suite 1927)   

pauze ± 11.15 uur 
einde ± 13.00 uur 

Toelichting

Inleiding

Jonge dirigenten staan voor bijzondere uitdagingen. Na de opleidingsfase kan het dirigeren van een orkest alleen verder worden ontwikkeld in de praktijk. Het werken met een orkest van hoog niveau is dan uiterst waardevol, evenals de begeleiding van een ervaren meester. Tijdens de Ammodo Masterclass krijgen vier talentvolle jonge dirigenten gedurende meerdere dagen les van een vooraanstaande maestro terwijl ze voor het Koninklijk Concertgebouworkest staan. Dat is niet alleen van onschatbare waarde voor de deelnemende dirigenten, maar ook voor iedereen die meer wil weten over de fascinerende interactie tussen dirigent en orkest. De Ammodo Masterclass biedt een unieke kans om dit van dichtbij mee te maken.

Sinds de eerste editie in 2012 door toenmalig chef-dirigent Mariss Jansons is de Ammodo Masterclass wereldwijd uitgegroeid tot een begrip. In juni 2020 stond de masterclass onder leiding van Iván Fischer, en nu deelt de honorair gastdirigent van het Concertgebouworkest opnieuw zijn kennis en ervaring met de volgende generatie. De deelnemers leiden het orkest in een gevarieerde selectie werken uit het symfonische repertoire. Iván Fischer geeft aanwijzingen omtrent muzikale ideeën, slagtechniek, repetitietechniek, luistervaardigheid, communicatie en leiderschap. De jonge dirigenten krijgen bovendien adviezen van musici van het Concertgebouworkest.

Jonge dirigenten staan voor bijzondere uitdagingen. Na de opleidingsfase kan het dirigeren van een orkest alleen verder worden ontwikkeld in de praktijk. Het werken met een orkest van hoog niveau is dan uiterst waardevol, evenals de begeleiding van een ervaren meester. Tijdens de Ammodo Masterclass krijgen vier talentvolle jonge dirigenten gedurende meerdere dagen les van een vooraanstaande maestro terwijl ze voor het Koninklijk Concertgebouworkest staan. Dat is niet alleen van onschatbare waarde voor de deelnemende dirigenten, maar ook voor iedereen die meer wil weten over de fascinerende interactie tussen dirigent en orkest. De Ammodo Masterclass biedt een unieke kans om dit van dichtbij mee te maken.

Sinds de eerste editie in 2012 door toenmalig chef-dirigent Mariss Jansons is de Ammodo Masterclass wereldwijd uitgegroeid tot een begrip. In juni 2020 stond de masterclass onder leiding van Iván Fischer, en nu deelt de honorair gastdirigent van het Concertgebouworkest opnieuw zijn kennis en ervaring met de volgende generatie. De deelnemers leiden het orkest in een gevarieerde selectie werken uit het symfonische repertoire. Iván Fischer geeft aanwijzingen omtrent muzikale ideeën, slagtechniek, repetitietechniek, luistervaardigheid, communicatie en leiderschap. De jonge dirigenten krijgen bovendien adviezen van musici van het Concertgebouworkest.

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Ouverture ‘Die Zauberflöte’

door Axel Meijer

  • Wolfgang Amadeus Mozart, door Johann Georg Edlinger

    Door: Johann Georg Edlinger

    Wolfgang Amadeus Mozart, door Johann Georg Edlinger

    Door: Johann Georg Edlinger

  • Wolfgang Amadeus Mozart, door Johann Georg Edlinger

    Door: Johann Georg Edlinger

    Wolfgang Amadeus Mozart, door Johann Georg Edlinger

    Door: Johann Georg Edlinger

Geen wonder dat dirigenten voor hun masterclasses zo graag ouvertures kiezen: het zijn vaak in alle opzichten dynamische stukken, omdat ze een beknopte muzikale samenvatting zijn van de opera die ze inleiden. Er gebeurt, kortom, lekker veel, in betrekkelijk weinig tijd. 

Zo gaat, plat gezegd, Wolfgang Amadeus Mozarts opera Die Zauber­flöte over een reis van donker naar licht. In de ouverture schetst Mozart die tegenstelling door (na plechtige openingsakkoorden) een langzame inleiding te componeren, en daarna een vlotte, opgewekte fuga. Maar wat is langzaam? En, zo vraagt leraar ­orkestdirectie Gianmaria Griglio zich af: laat je je in je tempokeuze leiden door de melodie in de bovenstem, of door de drive in de lagere, bassige regionen van het orkest? Het is, zo vroeg in het stuk, al een lastige keuze, met grote consequenties voor de fuga en de rest van de ouverture. Want tegenover langzaam staat snel, en daarmee is snel ook maar relatief. En die vlotte fuga stelt in al haar meerstemmigheid de dirigent nog voor een ander probleem: hoe voorkom je bij zo’n hoog tempo dat de verschillende stemmen samenklonteren tot een amuzikale bal vermicelli? En zo zit een van de beroemdste ouvertures uit het repertoire van begin tot eind vol verraderlijke valkuilen.

Geen wonder dat dirigenten voor hun masterclasses zo graag ouvertures kiezen: het zijn vaak in alle opzichten dynamische stukken, omdat ze een beknopte muzikale samenvatting zijn van de opera die ze inleiden. Er gebeurt, kortom, lekker veel, in betrekkelijk weinig tijd. 

Zo gaat, plat gezegd, Wolfgang Amadeus Mozarts opera Die Zauber­flöte over een reis van donker naar licht. In de ouverture schetst Mozart die tegenstelling door (na plechtige openingsakkoorden) een langzame inleiding te componeren, en daarna een vlotte, opgewekte fuga. Maar wat is langzaam? En, zo vraagt leraar ­orkestdirectie Gianmaria Griglio zich af: laat je je in je tempokeuze leiden door de melodie in de bovenstem, of door de drive in de lagere, bassige regionen van het orkest? Het is, zo vroeg in het stuk, al een lastige keuze, met grote consequenties voor de fuga en de rest van de ouverture. Want tegenover langzaam staat snel, en daarmee is snel ook maar relatief. En die vlotte fuga stelt in al haar meerstemmigheid de dirigent nog voor een ander probleem: hoe voorkom je bij zo’n hoog tempo dat de verschillende stemmen samenklonteren tot een amuzikale bal vermicelli? En zo zit een van de beroemdste ouvertures uit het repertoire van begin tot eind vol verraderlijke valkuilen.

door Axel Meijer

Carl Maria von Weber (1786-1826)

Ouverture ‘Der Freischütz’

‘Op een modern operatoneel gebeurt niet veel meer’, zegt de legendarische dirigent Carlos Kleiber (1930-2004) tegen zijn orkest over de onweers­scène uit Webers Der Freischütz: ‘Het licht dimt even en er klinkt een beetje gedonder. Maar in de partituur gaat het om een enorme natuurramp. Zwart in zwart, ja?’ Hij bedoelt maar: het orkest heeft hier iets te illustreren, iets toe te voegen. Hij doet er nog een schepje bovenop: ‘Zwarter dan dit wordt het niet.’ Na nog een hyperbool – ‘Het zwartste zwart dat ooit bestaan heeft’ – moeten orkest en dirigent er tegelijk om grinniken. Maar het werkt wel: het orkest overtreft zichzelf en speelt duisterder dan het voor mogelijk had gehouden. Zulke autoriteit is misschien wel het hoogst haalbare, en het allermoeilijkste voor een dirigent: een orkest meekrijgen in een persoonlijke visie. Kleiber zet zijn persoonlijke charme in, met hier en daar een grapje, duidelijke aanwijzingen en beeldend taalgebruik. En natuurlijk een zeer gedetailleerde kennis van de partituur en de historische achtergrond van een stuk. Hoe zie je bijvoorbeeld Der Freischütz: als een voortzetting van Wolfgang Amadeus Mozart en Ludwig van Beethoven, als een reactie op ­Gioacchino Rossini, of als een voor­loper van Richard Wagner? Ook die keus heeft uiteindelijk gevolgen voor het orkestgeluid.

‘Op een modern operatoneel gebeurt niet veel meer’, zegt de legendarische dirigent Carlos Kleiber (1930-2004) tegen zijn orkest over de onweers­scène uit Webers Der Freischütz: ‘Het licht dimt even en er klinkt een beetje gedonder. Maar in de partituur gaat het om een enorme natuurramp. Zwart in zwart, ja?’ Hij bedoelt maar: het orkest heeft hier iets te illustreren, iets toe te voegen. Hij doet er nog een schepje bovenop: ‘Zwarter dan dit wordt het niet.’ Na nog een hyperbool – ‘Het zwartste zwart dat ooit bestaan heeft’ – moeten orkest en dirigent er tegelijk om grinniken. Maar het werkt wel: het orkest overtreft zichzelf en speelt duisterder dan het voor mogelijk had gehouden. Zulke autoriteit is misschien wel het hoogst haalbare, en het allermoeilijkste voor een dirigent: een orkest meekrijgen in een persoonlijke visie. Kleiber zet zijn persoonlijke charme in, met hier en daar een grapje, duidelijke aanwijzingen en beeldend taalgebruik. En natuurlijk een zeer gedetailleerde kennis van de partituur en de historische achtergrond van een stuk. Hoe zie je bijvoorbeeld Der Freischütz: als een voortzetting van Wolfgang Amadeus Mozart en Ludwig van Beethoven, als een reactie op ­Gioacchino Rossini, of als een voor­loper van Richard Wagner? Ook die keus heeft uiteindelijk gevolgen voor het orkestgeluid.

Johannes Brahms (1893-1897)

Eerste symfonie

  • Johannes Brahms

    Johannes Brahms

  • Johannes Brahms

    Johannes Brahms

Iets soortgelijks geldt voor ­Johannes Brahms. Recensenten verwijten de dirigent van dienst nogal eens een gebrek aan balans tussen Brahms’ heldere, klassieke vorm en zijn donker-­romantische klank. Brahms is nu ­eenmaal een componist van diepe, moeilijke tegenstellingen. ‘Luister maar eens naar het begin van zijn Eerste ­symfonie,’ zegt Benjamin Zander, dirigent van de Boston Philharmonic. ‘Brahms scheurt daar het orkest helemaal uit elkaar, met stijgende violen en dalende blazers, boven dreunende pauken.’ Het gevaar, vertelt Zander, is dat het publiek in al dat geweld maar één grote, overheersende klank hoort, die voornamelijk bestaat uit paukengedreun en dreigende strijkers. Daarbij: Brahms is niet alleen een ideeënrijk orkestrator, ‘hij weet ook alles van kamermuziek’, aldus Zander. Dat levert nog een ander dirigentenprobleem op, vertelde ooit Bernard Haitink, tussen 1961 en 1988 chef-­dirigent van het Concertgebouworkest: ‘Enorme orkestrale uitbarstingen en doorwerkingen, en dan plotseling een terugtrekking in de intiemste soort ­kamermuziek. Dat maakt het heel lastig, want je moet als dirigent, musicus en uitvoerder allebei begrijpen.’

Iets soortgelijks geldt voor ­Johannes Brahms. Recensenten verwijten de dirigent van dienst nogal eens een gebrek aan balans tussen Brahms’ heldere, klassieke vorm en zijn donker-­romantische klank. Brahms is nu ­eenmaal een componist van diepe, moeilijke tegenstellingen. ‘Luister maar eens naar het begin van zijn Eerste ­symfonie,’ zegt Benjamin Zander, dirigent van de Boston Philharmonic. ‘Brahms scheurt daar het orkest helemaal uit elkaar, met stijgende violen en dalende blazers, boven dreunende pauken.’ Het gevaar, vertelt Zander, is dat het publiek in al dat geweld maar één grote, overheersende klank hoort, die voornamelijk bestaat uit paukengedreun en dreigende strijkers. Daarbij: Brahms is niet alleen een ideeënrijk orkestrator, ‘hij weet ook alles van kamermuziek’, aldus Zander. Dat levert nog een ander dirigentenprobleem op, vertelde ooit Bernard Haitink, tussen 1961 en 1988 chef-­dirigent van het Concertgebouworkest: ‘Enorme orkestrale uitbarstingen en doorwerkingen, en dan plotseling een terugtrekking in de intiemste soort ­kamermuziek. Dat maakt het heel lastig, want je moet als dirigent, musicus en uitvoerder allebei begrijpen.’

Béla Bartók (1881-1945)

Muziek uit ‘De wonderbaarlijke mandarijn’

  • Béla Bartók

    Béla Bartók

  • Béla Bartók

    Béla Bartók

Voor een buitenstaander ziet het dirigentenwerk er vaak wel overzichtelijk uit: de maat aangeven met de ene (meestal rechter-)hand, en met de andere de vorm van de melodie – luid, zacht, zangerig of niet. Bij een vierkwartsmaat (4/4), of bij een wals (3/4) lijkt dat goed te doen. Maar in een ‘modern’ stuk als De wonderbaarlijke mandarijn van Béla Bartók vliegen de verschillende maatsoorten je meteen (en onophoudelijk) om de oren: de partituur wisselt steeds van 6/8 naar 9/8 maat, met tussendoor maten in 5/8, 3/2 en 4/4. Daarbij spelen sommige orkestgroepen dan ook nog eens tegen het ritme van de andere in. Bartók wil er de chaos van het leven in een grote stad mee uitdrukken, maar in die chaos moet de dirigent wel het overzicht bewaren en weten welke tel in elke maat de nadruk krijgt. Daarbij geeft Bartók zeer precieze, maar lastige aanwijzingen: rubato (vrij ritme), poco mosso (iets sneller), agitato (gehaast), enzovoort. Bovendien vraagt Bartók de musici allerlei vreemde toeren uit te halen: de contrabassist dient met een paukenstok te musiceren, en de violen moeten kwarttonen spelen.

Voor een buitenstaander ziet het dirigentenwerk er vaak wel overzichtelijk uit: de maat aangeven met de ene (meestal rechter-)hand, en met de andere de vorm van de melodie – luid, zacht, zangerig of niet. Bij een vierkwartsmaat (4/4), of bij een wals (3/4) lijkt dat goed te doen. Maar in een ‘modern’ stuk als De wonderbaarlijke mandarijn van Béla Bartók vliegen de verschillende maatsoorten je meteen (en onophoudelijk) om de oren: de partituur wisselt steeds van 6/8 naar 9/8 maat, met tussendoor maten in 5/8, 3/2 en 4/4. Daarbij spelen sommige orkestgroepen dan ook nog eens tegen het ritme van de andere in. Bartók wil er de chaos van het leven in een grote stad mee uitdrukken, maar in die chaos moet de dirigent wel het overzicht bewaren en weten welke tel in elke maat de nadruk krijgt. Daarbij geeft Bartók zeer precieze, maar lastige aanwijzingen: rubato (vrij ritme), poco mosso (iets sneller), agitato (gehaast), enzovoort. Bovendien vraagt Bartók de musici allerlei vreemde toeren uit te halen: de contrabassist dient met een paukenstok te musiceren, en de violen moeten kwarttonen spelen.

Inleiding

Jonge dirigenten staan voor bijzondere uitdagingen. Na de opleidingsfase kan het dirigeren van een orkest alleen verder worden ontwikkeld in de praktijk. Het werken met een orkest van hoog niveau is dan uiterst waardevol, evenals de begeleiding van een ervaren meester. Tijdens de Ammodo Masterclass krijgen vier talentvolle jonge dirigenten gedurende meerdere dagen les van een vooraanstaande maestro terwijl ze voor het Koninklijk Concertgebouworkest staan. Dat is niet alleen van onschatbare waarde voor de deelnemende dirigenten, maar ook voor iedereen die meer wil weten over de fascinerende interactie tussen dirigent en orkest. De Ammodo Masterclass biedt een unieke kans om dit van dichtbij mee te maken.

Sinds de eerste editie in 2012 door toenmalig chef-dirigent Mariss Jansons is de Ammodo Masterclass wereldwijd uitgegroeid tot een begrip. In juni 2020 stond de masterclass onder leiding van Iván Fischer, en nu deelt de honorair gastdirigent van het Concertgebouworkest opnieuw zijn kennis en ervaring met de volgende generatie. De deelnemers leiden het orkest in een gevarieerde selectie werken uit het symfonische repertoire. Iván Fischer geeft aanwijzingen omtrent muzikale ideeën, slagtechniek, repetitietechniek, luistervaardigheid, communicatie en leiderschap. De jonge dirigenten krijgen bovendien adviezen van musici van het Concertgebouworkest.

Jonge dirigenten staan voor bijzondere uitdagingen. Na de opleidingsfase kan het dirigeren van een orkest alleen verder worden ontwikkeld in de praktijk. Het werken met een orkest van hoog niveau is dan uiterst waardevol, evenals de begeleiding van een ervaren meester. Tijdens de Ammodo Masterclass krijgen vier talentvolle jonge dirigenten gedurende meerdere dagen les van een vooraanstaande maestro terwijl ze voor het Koninklijk Concertgebouworkest staan. Dat is niet alleen van onschatbare waarde voor de deelnemende dirigenten, maar ook voor iedereen die meer wil weten over de fascinerende interactie tussen dirigent en orkest. De Ammodo Masterclass biedt een unieke kans om dit van dichtbij mee te maken.

Sinds de eerste editie in 2012 door toenmalig chef-dirigent Mariss Jansons is de Ammodo Masterclass wereldwijd uitgegroeid tot een begrip. In juni 2020 stond de masterclass onder leiding van Iván Fischer, en nu deelt de honorair gastdirigent van het Concertgebouworkest opnieuw zijn kennis en ervaring met de volgende generatie. De deelnemers leiden het orkest in een gevarieerde selectie werken uit het symfonische repertoire. Iván Fischer geeft aanwijzingen omtrent muzikale ideeën, slagtechniek, repetitietechniek, luistervaardigheid, communicatie en leiderschap. De jonge dirigenten krijgen bovendien adviezen van musici van het Concertgebouworkest.

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Ouverture ‘Die Zauberflöte’

door Axel Meijer

  • Wolfgang Amadeus Mozart, door Johann Georg Edlinger

    Door: Johann Georg Edlinger

    Wolfgang Amadeus Mozart, door Johann Georg Edlinger

    Door: Johann Georg Edlinger

  • Wolfgang Amadeus Mozart, door Johann Georg Edlinger

    Door: Johann Georg Edlinger

    Wolfgang Amadeus Mozart, door Johann Georg Edlinger

    Door: Johann Georg Edlinger

Geen wonder dat dirigenten voor hun masterclasses zo graag ouvertures kiezen: het zijn vaak in alle opzichten dynamische stukken, omdat ze een beknopte muzikale samenvatting zijn van de opera die ze inleiden. Er gebeurt, kortom, lekker veel, in betrekkelijk weinig tijd. 

Zo gaat, plat gezegd, Wolfgang Amadeus Mozarts opera Die Zauber­flöte over een reis van donker naar licht. In de ouverture schetst Mozart die tegenstelling door (na plechtige openingsakkoorden) een langzame inleiding te componeren, en daarna een vlotte, opgewekte fuga. Maar wat is langzaam? En, zo vraagt leraar ­orkestdirectie Gianmaria Griglio zich af: laat je je in je tempokeuze leiden door de melodie in de bovenstem, of door de drive in de lagere, bassige regionen van het orkest? Het is, zo vroeg in het stuk, al een lastige keuze, met grote consequenties voor de fuga en de rest van de ouverture. Want tegenover langzaam staat snel, en daarmee is snel ook maar relatief. En die vlotte fuga stelt in al haar meerstemmigheid de dirigent nog voor een ander probleem: hoe voorkom je bij zo’n hoog tempo dat de verschillende stemmen samenklonteren tot een amuzikale bal vermicelli? En zo zit een van de beroemdste ouvertures uit het repertoire van begin tot eind vol verraderlijke valkuilen.

Geen wonder dat dirigenten voor hun masterclasses zo graag ouvertures kiezen: het zijn vaak in alle opzichten dynamische stukken, omdat ze een beknopte muzikale samenvatting zijn van de opera die ze inleiden. Er gebeurt, kortom, lekker veel, in betrekkelijk weinig tijd. 

Zo gaat, plat gezegd, Wolfgang Amadeus Mozarts opera Die Zauber­flöte over een reis van donker naar licht. In de ouverture schetst Mozart die tegenstelling door (na plechtige openingsakkoorden) een langzame inleiding te componeren, en daarna een vlotte, opgewekte fuga. Maar wat is langzaam? En, zo vraagt leraar ­orkestdirectie Gianmaria Griglio zich af: laat je je in je tempokeuze leiden door de melodie in de bovenstem, of door de drive in de lagere, bassige regionen van het orkest? Het is, zo vroeg in het stuk, al een lastige keuze, met grote consequenties voor de fuga en de rest van de ouverture. Want tegenover langzaam staat snel, en daarmee is snel ook maar relatief. En die vlotte fuga stelt in al haar meerstemmigheid de dirigent nog voor een ander probleem: hoe voorkom je bij zo’n hoog tempo dat de verschillende stemmen samenklonteren tot een amuzikale bal vermicelli? En zo zit een van de beroemdste ouvertures uit het repertoire van begin tot eind vol verraderlijke valkuilen.

door Axel Meijer

Carl Maria von Weber (1786-1826)

Ouverture ‘Der Freischütz’

‘Op een modern operatoneel gebeurt niet veel meer’, zegt de legendarische dirigent Carlos Kleiber (1930-2004) tegen zijn orkest over de onweers­scène uit Webers Der Freischütz: ‘Het licht dimt even en er klinkt een beetje gedonder. Maar in de partituur gaat het om een enorme natuurramp. Zwart in zwart, ja?’ Hij bedoelt maar: het orkest heeft hier iets te illustreren, iets toe te voegen. Hij doet er nog een schepje bovenop: ‘Zwarter dan dit wordt het niet.’ Na nog een hyperbool – ‘Het zwartste zwart dat ooit bestaan heeft’ – moeten orkest en dirigent er tegelijk om grinniken. Maar het werkt wel: het orkest overtreft zichzelf en speelt duisterder dan het voor mogelijk had gehouden. Zulke autoriteit is misschien wel het hoogst haalbare, en het allermoeilijkste voor een dirigent: een orkest meekrijgen in een persoonlijke visie. Kleiber zet zijn persoonlijke charme in, met hier en daar een grapje, duidelijke aanwijzingen en beeldend taalgebruik. En natuurlijk een zeer gedetailleerde kennis van de partituur en de historische achtergrond van een stuk. Hoe zie je bijvoorbeeld Der Freischütz: als een voortzetting van Wolfgang Amadeus Mozart en Ludwig van Beethoven, als een reactie op ­Gioacchino Rossini, of als een voor­loper van Richard Wagner? Ook die keus heeft uiteindelijk gevolgen voor het orkestgeluid.

‘Op een modern operatoneel gebeurt niet veel meer’, zegt de legendarische dirigent Carlos Kleiber (1930-2004) tegen zijn orkest over de onweers­scène uit Webers Der Freischütz: ‘Het licht dimt even en er klinkt een beetje gedonder. Maar in de partituur gaat het om een enorme natuurramp. Zwart in zwart, ja?’ Hij bedoelt maar: het orkest heeft hier iets te illustreren, iets toe te voegen. Hij doet er nog een schepje bovenop: ‘Zwarter dan dit wordt het niet.’ Na nog een hyperbool – ‘Het zwartste zwart dat ooit bestaan heeft’ – moeten orkest en dirigent er tegelijk om grinniken. Maar het werkt wel: het orkest overtreft zichzelf en speelt duisterder dan het voor mogelijk had gehouden. Zulke autoriteit is misschien wel het hoogst haalbare, en het allermoeilijkste voor een dirigent: een orkest meekrijgen in een persoonlijke visie. Kleiber zet zijn persoonlijke charme in, met hier en daar een grapje, duidelijke aanwijzingen en beeldend taalgebruik. En natuurlijk een zeer gedetailleerde kennis van de partituur en de historische achtergrond van een stuk. Hoe zie je bijvoorbeeld Der Freischütz: als een voortzetting van Wolfgang Amadeus Mozart en Ludwig van Beethoven, als een reactie op ­Gioacchino Rossini, of als een voor­loper van Richard Wagner? Ook die keus heeft uiteindelijk gevolgen voor het orkestgeluid.

Johannes Brahms (1893-1897)

Eerste symfonie

  • Johannes Brahms

    Johannes Brahms

  • Johannes Brahms

    Johannes Brahms

Iets soortgelijks geldt voor ­Johannes Brahms. Recensenten verwijten de dirigent van dienst nogal eens een gebrek aan balans tussen Brahms’ heldere, klassieke vorm en zijn donker-­romantische klank. Brahms is nu ­eenmaal een componist van diepe, moeilijke tegenstellingen. ‘Luister maar eens naar het begin van zijn Eerste ­symfonie,’ zegt Benjamin Zander, dirigent van de Boston Philharmonic. ‘Brahms scheurt daar het orkest helemaal uit elkaar, met stijgende violen en dalende blazers, boven dreunende pauken.’ Het gevaar, vertelt Zander, is dat het publiek in al dat geweld maar één grote, overheersende klank hoort, die voornamelijk bestaat uit paukengedreun en dreigende strijkers. Daarbij: Brahms is niet alleen een ideeënrijk orkestrator, ‘hij weet ook alles van kamermuziek’, aldus Zander. Dat levert nog een ander dirigentenprobleem op, vertelde ooit Bernard Haitink, tussen 1961 en 1988 chef-­dirigent van het Concertgebouworkest: ‘Enorme orkestrale uitbarstingen en doorwerkingen, en dan plotseling een terugtrekking in de intiemste soort ­kamermuziek. Dat maakt het heel lastig, want je moet als dirigent, musicus en uitvoerder allebei begrijpen.’

Iets soortgelijks geldt voor ­Johannes Brahms. Recensenten verwijten de dirigent van dienst nogal eens een gebrek aan balans tussen Brahms’ heldere, klassieke vorm en zijn donker-­romantische klank. Brahms is nu ­eenmaal een componist van diepe, moeilijke tegenstellingen. ‘Luister maar eens naar het begin van zijn Eerste ­symfonie,’ zegt Benjamin Zander, dirigent van de Boston Philharmonic. ‘Brahms scheurt daar het orkest helemaal uit elkaar, met stijgende violen en dalende blazers, boven dreunende pauken.’ Het gevaar, vertelt Zander, is dat het publiek in al dat geweld maar één grote, overheersende klank hoort, die voornamelijk bestaat uit paukengedreun en dreigende strijkers. Daarbij: Brahms is niet alleen een ideeënrijk orkestrator, ‘hij weet ook alles van kamermuziek’, aldus Zander. Dat levert nog een ander dirigentenprobleem op, vertelde ooit Bernard Haitink, tussen 1961 en 1988 chef-­dirigent van het Concertgebouworkest: ‘Enorme orkestrale uitbarstingen en doorwerkingen, en dan plotseling een terugtrekking in de intiemste soort ­kamermuziek. Dat maakt het heel lastig, want je moet als dirigent, musicus en uitvoerder allebei begrijpen.’

Béla Bartók (1881-1945)

Muziek uit ‘De wonderbaarlijke mandarijn’

  • Béla Bartók

    Béla Bartók

  • Béla Bartók

    Béla Bartók

Voor een buitenstaander ziet het dirigentenwerk er vaak wel overzichtelijk uit: de maat aangeven met de ene (meestal rechter-)hand, en met de andere de vorm van de melodie – luid, zacht, zangerig of niet. Bij een vierkwartsmaat (4/4), of bij een wals (3/4) lijkt dat goed te doen. Maar in een ‘modern’ stuk als De wonderbaarlijke mandarijn van Béla Bartók vliegen de verschillende maatsoorten je meteen (en onophoudelijk) om de oren: de partituur wisselt steeds van 6/8 naar 9/8 maat, met tussendoor maten in 5/8, 3/2 en 4/4. Daarbij spelen sommige orkestgroepen dan ook nog eens tegen het ritme van de andere in. Bartók wil er de chaos van het leven in een grote stad mee uitdrukken, maar in die chaos moet de dirigent wel het overzicht bewaren en weten welke tel in elke maat de nadruk krijgt. Daarbij geeft Bartók zeer precieze, maar lastige aanwijzingen: rubato (vrij ritme), poco mosso (iets sneller), agitato (gehaast), enzovoort. Bovendien vraagt Bartók de musici allerlei vreemde toeren uit te halen: de contrabassist dient met een paukenstok te musiceren, en de violen moeten kwarttonen spelen.

Voor een buitenstaander ziet het dirigentenwerk er vaak wel overzichtelijk uit: de maat aangeven met de ene (meestal rechter-)hand, en met de andere de vorm van de melodie – luid, zacht, zangerig of niet. Bij een vierkwartsmaat (4/4), of bij een wals (3/4) lijkt dat goed te doen. Maar in een ‘modern’ stuk als De wonderbaarlijke mandarijn van Béla Bartók vliegen de verschillende maatsoorten je meteen (en onophoudelijk) om de oren: de partituur wisselt steeds van 6/8 naar 9/8 maat, met tussendoor maten in 5/8, 3/2 en 4/4. Daarbij spelen sommige orkestgroepen dan ook nog eens tegen het ritme van de andere in. Bartók wil er de chaos van het leven in een grote stad mee uitdrukken, maar in die chaos moet de dirigent wel het overzicht bewaren en weten welke tel in elke maat de nadruk krijgt. Daarbij geeft Bartók zeer precieze, maar lastige aanwijzingen: rubato (vrij ritme), poco mosso (iets sneller), agitato (gehaast), enzovoort. Bovendien vraagt Bartók de musici allerlei vreemde toeren uit te halen: de contrabassist dient met een paukenstok te musiceren, en de violen moeten kwarttonen spelen.

Biografie

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande dirigenten en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende dirigenten zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest

Iván Fischer, dirigent

Iván Fischer studeerde piano, viool, cello en compositie in Boedapest, en vervolgde zijn opleiding in Wenen met lessen orkestdirectie van Hans Swarowsky. Daarop was hij twee seizoenen lang assistent van Nikolaus Harnoncourt. In 1983 richtte Iván Fischer het Budapest Festival Orchestra op.

Met dit gezelschap, waarvan hij nog steeds chef-dirigent is, voerde hij vele vernieuwingen door, zoals ‘chocomel­concerten’ voor kleine kinderen, ‘Midnight Music’-concerten voor een jong publiek, verrassingsconcerten en verschillende educatie- en ­outreachprojecten, zoals een tournee langs voormalige synagogen.

Hij is actief als componist en operaregisseur met zijn Iván Fischer Opera Company en richtte diverse festivals op, waaronder het Vicenza Opera Festival. In het verleden stond hij aan het roer van Kent Opera, de Opéra National de Lyon, het National Sym­phony Orchestra in Washington en het Konzerthausorchester in Berlijn, waar hij sindsdien eredirigent is.

Bij het Concertgebouworkest is Iván Fischer al sinds 1987 vrijwel jaarlijks te gast. Vanwege zijn belangrijke artistieke bijdragen benoemde het orkest hem tot honorair gastdirigent met ingang van het seizoen 2021/2022. In maart kreeg hij de vijftiende Concertgebouw Prijs. Eerder ontving Iván Fischer de Kossuth Prijs, de Ovatie Prijs en de Crystal Award van het World Economic Forum voor het steunen van internationale cultuuruitwisseling, en is Chevalier des Arts et des Lettres en erelid van de Royal Academy of Music in Londen.

Iván Fischer beperkt zijn gastdirigentschappen tot slechts enkele orkesten om voldoende tijd en aandacht te kunnen geven aan het componeren, aan zijn Budapest Festival Orchestra en zijn operagezelschap, en aan het voortdurend ontwikkelen van creatieve ideeën. Hij is een erkend voorvechter voor mensenrechten, democratie en tolerantie.

Ulysse Derrien, dirigent

Ulysse Derrien, geboren in Parijs, heeft een breed repertoire met een uitgesproken voorkeur voor Franse en hedendaagse muziek. In juli 2026 volgt hij het Conducting Seminar van het Tanglewood Music Center en de Conducting Academy van het Pacific Music Festival.

De Franse dirigent maakte recent een lovend ontvangen debuut bij het Karlovy Vary Orchestra in het Rudolfinum in Praag. Eerder was hij finalist van de Almería Conducting Competition en semifinalist van de Khachaturian Conducting Competition. Ulysse Derrien was assistent dirigent van Fabien Gabel bij het Malmö Symphony Orchestra en van Tan Dun bij het Orchestre Philharmonique de Radio France. 

In 2024 was hij conducting fellow op het Aspen Music Festival en in 2025 nam hij deel aan de Järvi Conducting Academy. Daarnaast werkte hij met onder meer de Staatsorkesten van Armenië en Litouwen, het Estlandse Pärnu City Orchestra, het Athens Philharmonia Orchestra en het orkest van het Centraal Conservatorium in Peking.

Ulysse Derrien studeerde aan het Conservatoire à Rayonnement Régional de Paris en het Bard College Conservatory of Music, waar hij ba­cheloropleidingen in trompet en economie afrondde. In 2026 start hij zijn master orkestdirectie aan The Juilliard School bij David Robertson dankzij een Kovner Fellowship.

Maximilian Leicher, dirigent

Maximilian Leicher is een Duitse dirigent en componist die in Oslo woont en werkt. Zijn muzikale opleiding begon met viool, piano en zang. Als solist van de Tölzer Knabenchor trad hij op grote internationale podia op in meer dan zestig opera-uitvoeringen. Een belangrijk moment daarbij was zijn debuut als Yniold in Debussy’s Pelléas et Mélisande met het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Stéphane Denève bij De Nationale Opera in juni 2019.

Maximilian Leicher begon zijn directiestudie in 2020 bij Miguel Harth-Bedoya. Sinds 2022 wekt hij werkt intensief samen met Jorma Panula, wat hem podiumervaring opleverde bij orkesten als het MÁV Symphony Orchestra, de South Denmark Philharmonic en het Odense Symphony Orchestra. Momenteel studeert hij orkestdirectie aan de Norwegian Academy of Music, waar hij les krijgt van Ole Kristian Ruud. Daarnaast nam hij deel aan masterclasses van Nicolás Pasquet en Johannes Schlaefli.

Maximilian Leicher is ook als componist actief. In 2025 werd zijn opdrachtwerk uten-klage-sang in première gebracht door het Aarhus Symfonieorkester en het Young Nordic Opera Choir.

Celia Llácer, dirigent

Celia Llácer begon haar directieopleiding bij Borja Quintas en behaalde haar master aan de Zürcher Hochschule der Künste, waar ze studeerde bij Christoph Mathias Mueller en Johannes Schlaefli. Haar muzikale ontwikkeling werd verder verdiept in masterclasses bij onder anderen Jaap van Zweden, Emmanuel Villaume, Karel Mark Chichon, James Lowe, Jordi Francés en Bruno Aprea.

In het seizoen 2024/2025 was Celia Llácer chef dirigent van het Junges Kammerorchester Ostschweiz. Eerder werkte ze als assistent dirigent bij het Schweizer Jugend Sinfonie Orchester en het Orchestre Philharmonique Royal de Liège, waar ze in 2023/2024 nauw samenwerkte met Gergely Madaras. 

In 2024 nam ze deel aan de Gstaad Conducting Academy en dirigeerde daar het Gstaad Festival Orchestra. Een jaar eerder werd Celia Llácer geselecteerd voor het Linda and Mitch Hart Institute bij The Dallas O­pera en maakte ze haar debuut op het Tanglewood Festival.

Celia Llácer stond voor het Castilla y León Symfonieorkest, The Dallas Op­era, het Göttinger Symphonieorchester, het Orquesta Sinfónica del Principado de Asturias, het Janáček Filharmonisch Orkest, de Real Filharmonía de Galicia, het Hradec Králové Filharmonisch Orkest en de Philharmonie Konstanz. Eerder was ze chef dirigent van het jeugdorkest JOECOM in Madrid (2019-2022) en assistent dirigent bij het Filharmonisch Orkest van Gran Canaria en het jeugdorkest van Córdoba.

Jong-Jie Yin, dirigent

Jong Jie Yin maakt de laatste tijd indruk bij publiek in Europa en Azië. In 2025 oogstte zijn concert met Camerata Salzburg tijdens het Salzburger Festival als finalist van de Herbert von Karajan Young Conductors Award veel lof.

De Chinese dirigent verwierf internationale bekendheid na het winnen van de Grzegorz Fitelberg Competition for Conductors in 2023. Een reeks belangrijke debuten bij Europese orkesten volgden, waaronder het NFM Wrocław Philharmonic, de Poznań Philharmonic, het Silezisch Filharmonisch Orkest en de Polish Baltic Philharmonic, veelal resulterend in nieuwe uitnodigingen. In het seizoen 2025/26 maakt hij zijn debuut op het Ludwig van Beethoven Easter Festival in Warschau en bij Sin­fonia Varsovia, Sinfonietta Cracovia en het Zagreb Philharmonic.

Als gastdirigent trad Jong Jie Yin op bij toonaangevende Chinese orkesten, waaronder de China Philharmonic, het Shanghai Symfonisch Orkest en de Hangzhou Philharmonic. Sinds september 2023 is hij assistent dirigent van het China National Symphony Orchestra.

Recent breidde Jong Jie Yin zijn repertoire uit met Mahlers Vierde symfonie bij zijn debuut bij het Łódź Philharmonic Orchestra en Beethovens Negende met het Filharmionisch Orkest van Xiamen. Zijn operadebuut maakte hij met Mozarts La clemenza di Tito bij de Baltic Opera Gdańsk. Hij combineert zijn praktijk met verdere studie bij Markus Stenz aan de Hochschule für Musik in Berlijn.