Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier

Van Baerle Trio en Isabelle van Keulen spelen Schumann en Mozart

Van Baerle Trio en Isabelle van Keulen spelen Schumann en Mozart

Kleine Zaal
14 maart 2026
20.15 uur

Print dit programma

Van Baerle Trio:
Hannes Minnaar piano
Maria Milstein viool
Gideon den Herder cello

Isabelle van Keulen altviool

Dit concert maakt deel uit van de serie Strijkers met Variatie.

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Pianokwartet in Es gr.t., KV 493 (1784) 
Largo – Allegro moderato
Larghetto
Rondo: Allegretto

Ernst von Dohnányi (1877-1960)

Serenade in C gr.t., op. 10 (1902)
voor strijktrio
Marcia
Romanza
Scherzo
Tema con variazioni
Rondo: Finale

pauze ± 21.05 uur

Robert Schumann (1810-1856)

Pianokwartet in Es gr.t., op. 47 (1842)
Sostenuto assai – Allegro ma non troppo
Molto vivace
Andante cantabile
Vivace

einde ± 22.00 uur

Kleine Zaal 14 maart 2026 20.15 uur

Van Baerle Trio:
Hannes Minnaar piano
Maria Milstein viool
Gideon den Herder cello

Isabelle van Keulen altviool

Dit concert maakt deel uit van de serie Strijkers met Variatie.

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Pianokwartet in Es gr.t., KV 493 (1784) 
Largo – Allegro moderato
Larghetto
Rondo: Allegretto

Ernst von Dohnányi (1877-1960)

Serenade in C gr.t., op. 10 (1902)
voor strijktrio
Marcia
Romanza
Scherzo
Tema con variazioni
Rondo: Finale

pauze ± 21.05 uur

Robert Schumann (1810-1856)

Pianokwartet in Es gr.t., op. 47 (1842)
Sostenuto assai – Allegro ma non troppo
Molto vivace
Andante cantabile
Vivace

einde ± 22.00 uur

Toelichting

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Pianokwartet

door Liesbeth Houtman

  • Wolfgang Amadeus Mozart, door Johann Georg Edlinger

    Door: Johann Georg Edlinger

    Wolfgang Amadeus Mozart, door Johann Georg Edlinger

    Door: Johann Georg Edlinger

  • Wolfgang Amadeus Mozart, door Johann Georg Edlinger

    Door: Johann Georg Edlinger

    Wolfgang Amadeus Mozart, door Johann Georg Edlinger

    Door: Johann Georg Edlinger

In 1785 bestelde de Weense uitgever en componist Franz Anton Hoff­meister drie pianokwartetten bij Wolfgang Amadeus Mozart. Slechts één daarvan, het Pianokwartet in g klein, KV 478, werd voltooid. Hoff­meister weigerde het werk te publiceren. Hij vond het te moeilijk en vreesde dat amateurmusici het niet zouden kopen. Gelukkig weerhield dat Mozart er niet van om het jaar daarop nog een tweede pianokwartet te componeren: het Pianokwartet in Es groot, KV 493. Hoffmeisters oordeel komt ons nu merkwaardig voor, maar de muzikale taal die Mozart in zijn beide pianokwartetten spreekt, was in die tijd volstrekt uniek. Tot dan toe had de piano in dergelijke composities de dominante partij terwijl de strijkers slechts als ‘begeleiders’ optraden. Op meesterlijke wijze verbond Mozart in zijn pianokwartetten echter de solistische virtuositeit van het pianoconcert met de intimiteit van het strijkkwartet met zijn vier gelijkwaardige stemmen. Viool, altviool en cello hebben alle drie de mooiste en meest interessante noten te spelen. Soms ook sluiten zij zich aaneen om een achtergrond te vormen voor de piano. Want hoewel het klavier zich op ‘gepaste’ momenten bescheiden terugtrekt, verliest het zich geregeld in parelende virtuositeit, zoals in het openingsdeel van het Pianokwartet in Es groot. In het langzame middendeel ontvouwt zich tussen piano en strijkers een tedere dialoog, terwijl de uitwisseling van materiaal in de vurige finale resulteert in een briljant spel van vraag en antwoord. Overigens gaf uitgever Artaria blijk van aanzienlijk meer lef en kennis van zaken dan zijn collega Hoffmeister: bij hem verschenen Mozarts twee pianokwartetten in 1787 alsnog in druk.

In 1785 bestelde de Weense uitgever en componist Franz Anton Hoff­meister drie pianokwartetten bij Wolfgang Amadeus Mozart. Slechts één daarvan, het Pianokwartet in g klein, KV 478, werd voltooid. Hoff­meister weigerde het werk te publiceren. Hij vond het te moeilijk en vreesde dat amateurmusici het niet zouden kopen. Gelukkig weerhield dat Mozart er niet van om het jaar daarop nog een tweede pianokwartet te componeren: het Pianokwartet in Es groot, KV 493. Hoffmeisters oordeel komt ons nu merkwaardig voor, maar de muzikale taal die Mozart in zijn beide pianokwartetten spreekt, was in die tijd volstrekt uniek. Tot dan toe had de piano in dergelijke composities de dominante partij terwijl de strijkers slechts als ‘begeleiders’ optraden. Op meesterlijke wijze verbond Mozart in zijn pianokwartetten echter de solistische virtuositeit van het pianoconcert met de intimiteit van het strijkkwartet met zijn vier gelijkwaardige stemmen. Viool, altviool en cello hebben alle drie de mooiste en meest interessante noten te spelen. Soms ook sluiten zij zich aaneen om een achtergrond te vormen voor de piano. Want hoewel het klavier zich op ‘gepaste’ momenten bescheiden terugtrekt, verliest het zich geregeld in parelende virtuositeit, zoals in het openingsdeel van het Pianokwartet in Es groot. In het langzame middendeel ontvouwt zich tussen piano en strijkers een tedere dialoog, terwijl de uitwisseling van materiaal in de vurige finale resulteert in een briljant spel van vraag en antwoord. Overigens gaf uitgever Artaria blijk van aanzienlijk meer lef en kennis van zaken dan zijn collega Hoffmeister: bij hem verschenen Mozarts twee pianokwartetten in 1787 alsnog in druk.

  • Interieur met muziekinstrumenten; door Raoul Dufy, 1940

    Interieur met muziekinstrumenten; door Raoul Dufy, 1940

  • Interieur met muziekinstrumenten; door Raoul Dufy, 1940

    Interieur met muziekinstrumenten; door Raoul Dufy, 1940

door Liesbeth Houtman

Ernst von Dohnányi (1877-1960)

Serenade

door Anneloes Brand

  • Ernst von Dohnányi

    Ernst von Dohnányi

  • Ernst von Dohnányi

    Ernst von Dohnányi

Ernő Dohnányi – beter bekend onder zijn verduitste naam, Ernst von Dohnányi – was van groot belang voor het Hongaarse ­muziekleven van voor de Tweede Wereldoorlog. Hij was een van de meesterpianisten van zijn tijd en ondernam niet alleen tournees in Europa, Rusland, de Verenigde Staten en Zuid-Amerika, maar gaf in Hongarije ook vele concerten als solist en kamermusicus. Na zijn vroege docentenjaren aan de Hochschule Berlin gaf hij les aan de Muziekacademie in Boedapest en werd er later directeur. Hij was vijfentwintig jaar lang chef-dirigent van het Boedapest Filharmonisch Orkest en leidde een tijdlang de muziek­afdeling van de Hongaarse radio. Als componist creëerde hij een aanzienlijk oeuvre, waarbinnen kamermuziek een speciale plaats innam. Anders dan zijn jongere landgenoten Béla Bartók en Zoltán Kodály werd hij ­nagenoeg niet beïnvloed door Hongaarse volksmuziek en bleef hij trouw aan de ­laatromantische stijl van componisten als Johannes Brahms – niet voor niets een bewonderaar van de jonge Dohnányi. De ­Sere­nade in C groot voor strijktrio opent traditioneel met een geanimeerde mars en met zowaar een vleugje couleur locale. De daaropvolgende Romanza valt vooral op door de gitaarachtige pizzicatobegeleiding van de lyrische melodie. Een stekelig fugato verleent het Scherzo een modernere sfeer. Een melancholieke hymne levert het basismateriaal voor het thema met (vijf) variaties. In de energieke Rondo-Finale wordt de openingsmars geciteerd.

Ernő Dohnányi – beter bekend onder zijn verduitste naam, Ernst von Dohnányi – was van groot belang voor het Hongaarse ­muziekleven van voor de Tweede Wereldoorlog. Hij was een van de meesterpianisten van zijn tijd en ondernam niet alleen tournees in Europa, Rusland, de Verenigde Staten en Zuid-Amerika, maar gaf in Hongarije ook vele concerten als solist en kamermusicus. Na zijn vroege docentenjaren aan de Hochschule Berlin gaf hij les aan de Muziekacademie in Boedapest en werd er later directeur. Hij was vijfentwintig jaar lang chef-dirigent van het Boedapest Filharmonisch Orkest en leidde een tijdlang de muziek­afdeling van de Hongaarse radio. Als componist creëerde hij een aanzienlijk oeuvre, waarbinnen kamermuziek een speciale plaats innam. Anders dan zijn jongere landgenoten Béla Bartók en Zoltán Kodály werd hij ­nagenoeg niet beïnvloed door Hongaarse volksmuziek en bleef hij trouw aan de ­laatromantische stijl van componisten als Johannes Brahms – niet voor niets een bewonderaar van de jonge Dohnányi. De ­Sere­nade in C groot voor strijktrio opent traditioneel met een geanimeerde mars en met zowaar een vleugje couleur locale. De daaropvolgende Romanza valt vooral op door de gitaarachtige pizzicatobegeleiding van de lyrische melodie. Een stekelig fugato verleent het Scherzo een modernere sfeer. Een melancholieke hymne levert het basismateriaal voor het thema met (vijf) variaties. In de energieke Rondo-Finale wordt de openingsmars geciteerd.

door Anneloes Brand

Robert Schumann (1810-1856)

Pianokwartet

door Anneloes Brand

  • Robert Schumann

    Lithografie door Josef Kriehuber (1839)

    Robert Schumann

    Lithografie door Josef Kriehuber (1839)

  • Robert Schumann

    Lithografie door Josef Kriehuber (1839)

    Robert Schumann

    Lithografie door Josef Kriehuber (1839)

Robert Schumann schreef in 1842 zoveel kamermuziek, dat het wel zijn ‘kamermuziek­jaar’ wordt genoemd. Hij begon aan zijn Pianokwartet in Es groot vlak nadat hij zijn Pianokwintet – eveneens in Es groot – had voltooid. De grote overeenkomst is dat de piano in beide werken over het algemeen de leidende partij is, terwijl de strijkers de pianist volgen of gezamenlijk een tegenpartij vormen. Het Pianokwartet in Es groot begint met een ‘vragende’ introductie, die wordt beantwoord met het vrolijke Allegro ma non troppo. Het energieke scherzo heeft verrassend genoeg twee triodelen. In het tweede trio zet Schumann met aanhoudende syncopen de luisteraar ritmisch op het verkeerde been. Het Andante cantabile laat de cello schitteren en bevat een opmerkelijke aanwijzing: Schumann laat de ­cellist op een bepaald moment zijn c-snaar een hele toon naar beneden stemmen, zodat deze een bes-pedaaltoon onder de andere stemmen kan spelen (veel cellisten doen dat omstemmen liever voordat ze aan het derde deel beginnen). De finale ten slotte opent als een fuga, maar gaat verder in sonatevorm en besluit het kwartet briljant en stijlvol.

Robert Schumann schreef in 1842 zoveel kamermuziek, dat het wel zijn ‘kamermuziek­jaar’ wordt genoemd. Hij begon aan zijn Pianokwartet in Es groot vlak nadat hij zijn Pianokwintet – eveneens in Es groot – had voltooid. De grote overeenkomst is dat de piano in beide werken over het algemeen de leidende partij is, terwijl de strijkers de pianist volgen of gezamenlijk een tegenpartij vormen. Het Pianokwartet in Es groot begint met een ‘vragende’ introductie, die wordt beantwoord met het vrolijke Allegro ma non troppo. Het energieke scherzo heeft verrassend genoeg twee triodelen. In het tweede trio zet Schumann met aanhoudende syncopen de luisteraar ritmisch op het verkeerde been. Het Andante cantabile laat de cello schitteren en bevat een opmerkelijke aanwijzing: Schumann laat de ­cellist op een bepaald moment zijn c-snaar een hele toon naar beneden stemmen, zodat deze een bes-pedaaltoon onder de andere stemmen kan spelen (veel cellisten doen dat omstemmen liever voordat ze aan het derde deel beginnen). De finale ten slotte opent als een fuga, maar gaat verder in sonatevorm en besluit het kwartet briljant en stijlvol.

door Anneloes Brand

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Pianokwartet

door Liesbeth Houtman

  • Wolfgang Amadeus Mozart, door Johann Georg Edlinger

    Door: Johann Georg Edlinger

    Wolfgang Amadeus Mozart, door Johann Georg Edlinger

    Door: Johann Georg Edlinger

  • Wolfgang Amadeus Mozart, door Johann Georg Edlinger

    Door: Johann Georg Edlinger

    Wolfgang Amadeus Mozart, door Johann Georg Edlinger

    Door: Johann Georg Edlinger

In 1785 bestelde de Weense uitgever en componist Franz Anton Hoff­meister drie pianokwartetten bij Wolfgang Amadeus Mozart. Slechts één daarvan, het Pianokwartet in g klein, KV 478, werd voltooid. Hoff­meister weigerde het werk te publiceren. Hij vond het te moeilijk en vreesde dat amateurmusici het niet zouden kopen. Gelukkig weerhield dat Mozart er niet van om het jaar daarop nog een tweede pianokwartet te componeren: het Pianokwartet in Es groot, KV 493. Hoffmeisters oordeel komt ons nu merkwaardig voor, maar de muzikale taal die Mozart in zijn beide pianokwartetten spreekt, was in die tijd volstrekt uniek. Tot dan toe had de piano in dergelijke composities de dominante partij terwijl de strijkers slechts als ‘begeleiders’ optraden. Op meesterlijke wijze verbond Mozart in zijn pianokwartetten echter de solistische virtuositeit van het pianoconcert met de intimiteit van het strijkkwartet met zijn vier gelijkwaardige stemmen. Viool, altviool en cello hebben alle drie de mooiste en meest interessante noten te spelen. Soms ook sluiten zij zich aaneen om een achtergrond te vormen voor de piano. Want hoewel het klavier zich op ‘gepaste’ momenten bescheiden terugtrekt, verliest het zich geregeld in parelende virtuositeit, zoals in het openingsdeel van het Pianokwartet in Es groot. In het langzame middendeel ontvouwt zich tussen piano en strijkers een tedere dialoog, terwijl de uitwisseling van materiaal in de vurige finale resulteert in een briljant spel van vraag en antwoord. Overigens gaf uitgever Artaria blijk van aanzienlijk meer lef en kennis van zaken dan zijn collega Hoffmeister: bij hem verschenen Mozarts twee pianokwartetten in 1787 alsnog in druk.

In 1785 bestelde de Weense uitgever en componist Franz Anton Hoff­meister drie pianokwartetten bij Wolfgang Amadeus Mozart. Slechts één daarvan, het Pianokwartet in g klein, KV 478, werd voltooid. Hoff­meister weigerde het werk te publiceren. Hij vond het te moeilijk en vreesde dat amateurmusici het niet zouden kopen. Gelukkig weerhield dat Mozart er niet van om het jaar daarop nog een tweede pianokwartet te componeren: het Pianokwartet in Es groot, KV 493. Hoffmeisters oordeel komt ons nu merkwaardig voor, maar de muzikale taal die Mozart in zijn beide pianokwartetten spreekt, was in die tijd volstrekt uniek. Tot dan toe had de piano in dergelijke composities de dominante partij terwijl de strijkers slechts als ‘begeleiders’ optraden. Op meesterlijke wijze verbond Mozart in zijn pianokwartetten echter de solistische virtuositeit van het pianoconcert met de intimiteit van het strijkkwartet met zijn vier gelijkwaardige stemmen. Viool, altviool en cello hebben alle drie de mooiste en meest interessante noten te spelen. Soms ook sluiten zij zich aaneen om een achtergrond te vormen voor de piano. Want hoewel het klavier zich op ‘gepaste’ momenten bescheiden terugtrekt, verliest het zich geregeld in parelende virtuositeit, zoals in het openingsdeel van het Pianokwartet in Es groot. In het langzame middendeel ontvouwt zich tussen piano en strijkers een tedere dialoog, terwijl de uitwisseling van materiaal in de vurige finale resulteert in een briljant spel van vraag en antwoord. Overigens gaf uitgever Artaria blijk van aanzienlijk meer lef en kennis van zaken dan zijn collega Hoffmeister: bij hem verschenen Mozarts twee pianokwartetten in 1787 alsnog in druk.

  • Interieur met muziekinstrumenten; door Raoul Dufy, 1940

    Interieur met muziekinstrumenten; door Raoul Dufy, 1940

  • Interieur met muziekinstrumenten; door Raoul Dufy, 1940

    Interieur met muziekinstrumenten; door Raoul Dufy, 1940

door Liesbeth Houtman

Ernst von Dohnányi (1877-1960)

Serenade

door Anneloes Brand

  • Ernst von Dohnányi

    Ernst von Dohnányi

  • Ernst von Dohnányi

    Ernst von Dohnányi

Ernő Dohnányi – beter bekend onder zijn verduitste naam, Ernst von Dohnányi – was van groot belang voor het Hongaarse ­muziekleven van voor de Tweede Wereldoorlog. Hij was een van de meesterpianisten van zijn tijd en ondernam niet alleen tournees in Europa, Rusland, de Verenigde Staten en Zuid-Amerika, maar gaf in Hongarije ook vele concerten als solist en kamermusicus. Na zijn vroege docentenjaren aan de Hochschule Berlin gaf hij les aan de Muziekacademie in Boedapest en werd er later directeur. Hij was vijfentwintig jaar lang chef-dirigent van het Boedapest Filharmonisch Orkest en leidde een tijdlang de muziek­afdeling van de Hongaarse radio. Als componist creëerde hij een aanzienlijk oeuvre, waarbinnen kamermuziek een speciale plaats innam. Anders dan zijn jongere landgenoten Béla Bartók en Zoltán Kodály werd hij ­nagenoeg niet beïnvloed door Hongaarse volksmuziek en bleef hij trouw aan de ­laatromantische stijl van componisten als Johannes Brahms – niet voor niets een bewonderaar van de jonge Dohnányi. De ­Sere­nade in C groot voor strijktrio opent traditioneel met een geanimeerde mars en met zowaar een vleugje couleur locale. De daaropvolgende Romanza valt vooral op door de gitaarachtige pizzicatobegeleiding van de lyrische melodie. Een stekelig fugato verleent het Scherzo een modernere sfeer. Een melancholieke hymne levert het basismateriaal voor het thema met (vijf) variaties. In de energieke Rondo-Finale wordt de openingsmars geciteerd.

Ernő Dohnányi – beter bekend onder zijn verduitste naam, Ernst von Dohnányi – was van groot belang voor het Hongaarse ­muziekleven van voor de Tweede Wereldoorlog. Hij was een van de meesterpianisten van zijn tijd en ondernam niet alleen tournees in Europa, Rusland, de Verenigde Staten en Zuid-Amerika, maar gaf in Hongarije ook vele concerten als solist en kamermusicus. Na zijn vroege docentenjaren aan de Hochschule Berlin gaf hij les aan de Muziekacademie in Boedapest en werd er later directeur. Hij was vijfentwintig jaar lang chef-dirigent van het Boedapest Filharmonisch Orkest en leidde een tijdlang de muziek­afdeling van de Hongaarse radio. Als componist creëerde hij een aanzienlijk oeuvre, waarbinnen kamermuziek een speciale plaats innam. Anders dan zijn jongere landgenoten Béla Bartók en Zoltán Kodály werd hij ­nagenoeg niet beïnvloed door Hongaarse volksmuziek en bleef hij trouw aan de ­laatromantische stijl van componisten als Johannes Brahms – niet voor niets een bewonderaar van de jonge Dohnányi. De ­Sere­nade in C groot voor strijktrio opent traditioneel met een geanimeerde mars en met zowaar een vleugje couleur locale. De daaropvolgende Romanza valt vooral op door de gitaarachtige pizzicatobegeleiding van de lyrische melodie. Een stekelig fugato verleent het Scherzo een modernere sfeer. Een melancholieke hymne levert het basismateriaal voor het thema met (vijf) variaties. In de energieke Rondo-Finale wordt de openingsmars geciteerd.

door Anneloes Brand

Robert Schumann (1810-1856)

Pianokwartet

door Anneloes Brand

  • Robert Schumann

    Lithografie door Josef Kriehuber (1839)

    Robert Schumann

    Lithografie door Josef Kriehuber (1839)

  • Robert Schumann

    Lithografie door Josef Kriehuber (1839)

    Robert Schumann

    Lithografie door Josef Kriehuber (1839)

Robert Schumann schreef in 1842 zoveel kamermuziek, dat het wel zijn ‘kamermuziek­jaar’ wordt genoemd. Hij begon aan zijn Pianokwartet in Es groot vlak nadat hij zijn Pianokwintet – eveneens in Es groot – had voltooid. De grote overeenkomst is dat de piano in beide werken over het algemeen de leidende partij is, terwijl de strijkers de pianist volgen of gezamenlijk een tegenpartij vormen. Het Pianokwartet in Es groot begint met een ‘vragende’ introductie, die wordt beantwoord met het vrolijke Allegro ma non troppo. Het energieke scherzo heeft verrassend genoeg twee triodelen. In het tweede trio zet Schumann met aanhoudende syncopen de luisteraar ritmisch op het verkeerde been. Het Andante cantabile laat de cello schitteren en bevat een opmerkelijke aanwijzing: Schumann laat de ­cellist op een bepaald moment zijn c-snaar een hele toon naar beneden stemmen, zodat deze een bes-pedaaltoon onder de andere stemmen kan spelen (veel cellisten doen dat omstemmen liever voordat ze aan het derde deel beginnen). De finale ten slotte opent als een fuga, maar gaat verder in sonatevorm en besluit het kwartet briljant en stijlvol.

Robert Schumann schreef in 1842 zoveel kamermuziek, dat het wel zijn ‘kamermuziek­jaar’ wordt genoemd. Hij begon aan zijn Pianokwartet in Es groot vlak nadat hij zijn Pianokwintet – eveneens in Es groot – had voltooid. De grote overeenkomst is dat de piano in beide werken over het algemeen de leidende partij is, terwijl de strijkers de pianist volgen of gezamenlijk een tegenpartij vormen. Het Pianokwartet in Es groot begint met een ‘vragende’ introductie, die wordt beantwoord met het vrolijke Allegro ma non troppo. Het energieke scherzo heeft verrassend genoeg twee triodelen. In het tweede trio zet Schumann met aanhoudende syncopen de luisteraar ritmisch op het verkeerde been. Het Andante cantabile laat de cello schitteren en bevat een opmerkelijke aanwijzing: Schumann laat de ­cellist op een bepaald moment zijn c-snaar een hele toon naar beneden stemmen, zodat deze een bes-pedaaltoon onder de andere stemmen kan spelen (veel cellisten doen dat omstemmen liever voordat ze aan het derde deel beginnen). De finale ten slotte opent als een fuga, maar gaat verder in sonatevorm en besluit het kwartet briljant en stijlvol.

door Anneloes Brand

Biografie

Van Baerle Trio, trio

De musici van het Van Baerle Trio leerden elkaar kennen in 2004 op het Amsterdamse conservatorium, destijds gevestigd aan de Van Baerlestraat op een steenworp afstand van Het Concertgebouw. Het pianotrio kreeg vorm onder de hoede van cellist Dmitri Ferschtman en volgde lessen bij de pianisten Ferenc Rados en Claus-Christian Schuster, mede-­oprichter van het Altenberg Trio. Een masterclass bij Menahem Pressler – de nestor van het Beaux Arts Trio – in de Kleine Zaal in 2008 was een grote bron van inspiratie.

In 2011 won het Van Baerle Trio zowel het Vriendenkrans Concours als het Internationale Kamermuziek Concours in Lyon. In 2012 ontving het de Kersjesprijs en in 2013 won het het ARD Concours in München. In seizoen 2013/2014 tourde het drietal als Rising Stars van de European Concert Hall Organisation; deze gezamenlijke nominatie van Het Concertgebouw en Bozar (Brussel) maakte debuten mogelijk op de bekendste Europese podia.

De debuut-cd met werken van Saint-Saëns, Ravel en Loevendie werd in 2013 bekroond met een Edison. Hierna bracht het Van Baerle Trio een Mendelssohn-album uit, en de verzamelde werken voor pianotrio van Beethoven inclusief het Tripel­concert met het Residentie Orkest onder ­leiding van Jan Willem de Vriend. Maria Milstein bespeelt een viool van Michel Angelo Bergonzi en Gideon den Herder een cello van Giuseppe dall’Aglio, beide in bruikleen van Het Muziekinstrumentenfonds.

Sinds 2014 geven de leden van het Van Baerle Trio hun ervaring door aan een volgende generatie musici aan het ­Conservatorium van Amsterdam. Het vorige optreden van het Van Baerle Trio in de Kleine Zaal was een programma met Beethoven, Liszt en Saint-Saëns ­tijdens de VriendenLoterij ZomerConcerten 2024.

Isabelle van Keulen, altviool

Isabelle van Keulen studeerde bij Davina van Wely en Sándor Végh en groeide uit tot een veelgevraagd solist – op zowel viool als altviool. Graag zet ze zich in voor hedendaagse muziek; veel lof kreeg ze voor haar opname met het City of Birmingham ­Symphony Orchestra en Paavo Järvi van het aan haar opgedragen vioolconcert van ­Erkki-Sven Tüür.

Isabelle van Keulen was van 1997 tot 2006 artistiek leider van het door haar opgerichte Delft Chamber Music Festival en leidde van 2009 tot 2012 het Norwegian Chamber Orchestra.

Sinds 2019 is ze artistiek leider van de ­Deutsche Kammerakademie Neuss am Rhein (waarmee ze op 4 mei 2025 nog te gast was in Het Zondagochtend Concert in de Grote Zaal) en tevens chef-dirigent van het Norrbotten Kammerorkester in Zweden.

Kamermuziek speelt ze in uiteenlopende combinaties; zo treedt ze al meer dan twintig jaar op met pianist Ronald Brautigam en brengt ze met haar eigen Isabelle van Keulen ­Ensemble tangomuziek van Piazzolla. Naast haar docentschap viool, altviool en kamermuziek aan de Hochschule Luzern (sinds 2012) is Isabelle van Keulen een veelgevraagd jurylid – recent nog bij de Koningin Elisabethwedstrijd in Brussel en bij de Sendai International Music Competition.

In de Kleine Zaal was ze voor het laatst te beluisteren op 19 november 2022 als altvioliste in pianokwintetten van Schumann en Elgar ron­dom pianist Severin von Eckardstein.