Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier

Riccardo Chailly dirigeert Prokofjev bij het Concertgebouworkest

Riccardo Chailly dirigeert Prokofjev bij het Concertgebouworkest

Grote Zaal
08 maart 2026
14.15 uur

Print dit programma

Koninklijk Concertgebouworkest
Riccardo Chailly dirigent
Ekaterina Semenchuk mezzosopraan
Groot Omroepkoor instudering Benjamin Goodson
Koor van De Nationale Opera instudering Irina Sisoyeva

Dit programma maakt deel uit van de series B woensdag, B donderdag, E en Z.

Het concert wordt live op de radio uitgezonden door AVROTROS via NPO Klassiek.

Ook interessant:
- Het interview met Riccardo Chailly

SERGEJ PROKOFJEV (1891-1953)

Symfonie nr. 4 in C gr.t., op. 112 (versie 1947) 
Andante, Allegro eroico 
Andante tranquillo 
Moderato, quasi allegretto 
Allegro risoluto
 
eerste uitvoering door het Concertgebouworkest 

pauze ± 14.50 uur

SERGEJ PROKOFJEV

Alexander Nevski, op. 78 (1939)
cantate voor mezzosopraan, gemengd koor en orkest 
Rusland onder Mongoolse tirannie 
Lied van Alexander Nevski 
De kruistocht in Pskov 
‘Sta op, volk van Rusland!’ 
De veldslag op het ijs 
Het veld der doden 
Alexanders intocht in Pskov

einde ± 16.10 uur

Grote Zaal 08 maart 2026 14.15 uur

Koninklijk Concertgebouworkest
Riccardo Chailly dirigent
Ekaterina Semenchuk mezzosopraan
Groot Omroepkoor instudering Benjamin Goodson
Koor van De Nationale Opera instudering Irina Sisoyeva

Dit programma maakt deel uit van de series B woensdag, B donderdag, E en Z.

Het concert wordt live op de radio uitgezonden door AVROTROS via NPO Klassiek.

Ook interessant:
- Het interview met Riccardo Chailly

SERGEJ PROKOFJEV (1891-1953)

Symfonie nr. 4 in C gr.t., op. 112 (versie 1947) 
Andante, Allegro eroico 
Andante tranquillo 
Moderato, quasi allegretto 
Allegro risoluto
 
eerste uitvoering door het Concertgebouworkest 

pauze ± 14.50 uur

SERGEJ PROKOFJEV

Alexander Nevski, op. 78 (1939)
cantate voor mezzosopraan, gemengd koor en orkest 
Rusland onder Mongoolse tirannie 
Lied van Alexander Nevski 
De kruistocht in Pskov 
‘Sta op, volk van Rusland!’ 
De veldslag op het ijs 
Het veld der doden 
Alexanders intocht in Pskov

einde ± 16.10 uur

Toelichting

Sergej Prokofjev (1891-1953)

Vierde symfonie

door Michiel Cleij

  • Serge Prokofjev

    achter de piano

    Serge Prokofjev

    achter de piano

  • Serge Prokofjev

    achter de piano

    Serge Prokofjev

    achter de piano

Van Sergej Prokofjevs zeven symfonieën is de Vierde symfonie bepaald niet de meest gespeelde. En dat terwijl er zelfs twee Vierdes zijn om uit te kiezen. De originele symfonie dateert uit 1930, maar hier klinkt de sterk uitgebreide versie die hij zeventien jaar later maakte; de revisie pakte zó grondig uit dat hij het resultaat als een nieuw werk beschouwde, met een eigen opusnummer. Het is veelzeggend dat de meestal zo gedecideerde en eigenzinnige componist op gedane zaken terugkwam. Er was in de tussentijd dan ook heel wat gebeurd.

Prokofjev had Rusland verlaten tijdens de Revolutie van 1917 – niet als vluchteling, maar uit carrièreoverwegingen. In Europa vond hij een dankbaar publiek voor zijn modernistische composities en virtuoze pianospel. Spannend bleef het altijd, want Prokofjev bleek een grillig componist die met het grootste gemak schakelde tussen woeste, dissonante klankuitbarstingen en parmantige walsjes. De eerste drie symfonieën bewegen zich al tussen ­uitersten: de Eerste was een neoklassieke allemansvriend, de Tweede een staaltje spijkerharde ‘fabrieksmuziek’ en de Derde een macaber sprookje. 

Des te groter waren de verwachtingen toen Prokofjev zijn Vierde symfonie af­leverde, gecomponeerd in opdracht van de Russisch-Amerikaanse dirigent Serge Koussevitzki. Van meet af aan hing er een doemwolk boven het stuk. Componist en dirigent kregen bonje over Prokofjevs honorarium. ­Koussevitzki vond de symfonie een tegenvaller. Amerikaanse recensenten beschuldigden Prokofjev van ‘opgedroogde fantasie’; net als in de Derde symfonie had hij voor de Vierde materiaal uit een eerdere compositie hergebruikt, in dit geval het recente ballet L’Enfant Prodigue. Ook de premières in Europa en Rusland oogstten nauwelijks bijval. Zeker zij die van de modernistische, ‘wilde’ Prokofjev hielden waren teleurgesteld door de milde toon van het werk. De componist was uitgeraasd en zocht naar een ‘nieuwe eenvoud’. 

Dat kwam van pas toen hij zich als sovjetcomponist staande moest zien te houden. Want tot veler verbazing keerde Prokofjev halverwege de jaren dertig naar zijn eigen land terug, terwijl er genoeg redenen waren om dat juist níet te doen. Rusland was inmiddels een dictatuur, Europa bood hem nog altijd bestaanszekerheid en zijn Spaanse echtgenote wilde niet verhuizen. Maar zijn heimwee was sterk en – nog doorslaggevender – Moskou had lokaas uitgeworpen: Prokofjev zou in de Sovjet-Unie zijn artistieke vrijheden behouden en een brug met het Westen kunnen slaan. De politiek naïeve Prokofjev trapte erin en werd prompt onderworpen aan dezelfde manipulatie die zijn collega Dmitri Sjostakovitsj al jarenlang ervoer.

De vernieuwde Vierde symfonie is een merkwaardige vrucht van die periode. Prokofjev pakte het onfortuinlijke, zeventien jaar oude stuk weer op na de succesvolle première van de opvolger, de Vijfde. Dat stuk was precies wat van een sovjetcomponist werd verwacht: toegankelijke, meeslepende en tri­omfantelijke muziek. Kort daarop kreeg hij een officieel verzoek: kon hij zijn geflopte Vierde symfonie niet herschrijven in dezelfde stijl? Dat kon natuurlijk. Na tien jaar Stalin-terreur had Prokofjev wel een idee van de artistieke do’s en don’ts in het nieuwe Rusland.

Het resultaat geeft vooral Prokofjevs muzikale wendbaarheid weer. Je hoort nog altijd de balletmelodieën uit het origineel, soms hoekig, soms gracieus. Maar de instrumentatie is aanzienlijk dichter door de toevoeging van extra blazers, piano en harp. Daarnaast verrijkte Prokofjev de hele partituur met extra melodieën en verdubbelde hij de lengte van deel twee door de hoofd­thema’s te herhalen. Vergeleken bij de compacte, neoklassieke oerversie uit 1930 is dit onversneden sovjetmuziek met grote gebaren en het onvermijdelijke ‘heroïsche’ slot: dat het Russische arbeidersvolk zegeviert kon niet luid genoeg rondgetoeterd worden.

Voor de autoriteiten was het natuurlijk extra leuk dat dit nieuwe staaltje heroïsche sovjetkunst nog altijd van L’Enfant Prodigue afstamde. Rusland had zijn verloren zoon terug. 

Van Sergej Prokofjevs zeven symfonieën is de Vierde symfonie bepaald niet de meest gespeelde. En dat terwijl er zelfs twee Vierdes zijn om uit te kiezen. De originele symfonie dateert uit 1930, maar hier klinkt de sterk uitgebreide versie die hij zeventien jaar later maakte; de revisie pakte zó grondig uit dat hij het resultaat als een nieuw werk beschouwde, met een eigen opusnummer. Het is veelzeggend dat de meestal zo gedecideerde en eigenzinnige componist op gedane zaken terugkwam. Er was in de tussentijd dan ook heel wat gebeurd.

Prokofjev had Rusland verlaten tijdens de Revolutie van 1917 – niet als vluchteling, maar uit carrièreoverwegingen. In Europa vond hij een dankbaar publiek voor zijn modernistische composities en virtuoze pianospel. Spannend bleef het altijd, want Prokofjev bleek een grillig componist die met het grootste gemak schakelde tussen woeste, dissonante klankuitbarstingen en parmantige walsjes. De eerste drie symfonieën bewegen zich al tussen ­uitersten: de Eerste was een neoklassieke allemansvriend, de Tweede een staaltje spijkerharde ‘fabrieksmuziek’ en de Derde een macaber sprookje. 

Des te groter waren de verwachtingen toen Prokofjev zijn Vierde symfonie af­leverde, gecomponeerd in opdracht van de Russisch-Amerikaanse dirigent Serge Koussevitzki. Van meet af aan hing er een doemwolk boven het stuk. Componist en dirigent kregen bonje over Prokofjevs honorarium. ­Koussevitzki vond de symfonie een tegenvaller. Amerikaanse recensenten beschuldigden Prokofjev van ‘opgedroogde fantasie’; net als in de Derde symfonie had hij voor de Vierde materiaal uit een eerdere compositie hergebruikt, in dit geval het recente ballet L’Enfant Prodigue. Ook de premières in Europa en Rusland oogstten nauwelijks bijval. Zeker zij die van de modernistische, ‘wilde’ Prokofjev hielden waren teleurgesteld door de milde toon van het werk. De componist was uitgeraasd en zocht naar een ‘nieuwe eenvoud’. 

Dat kwam van pas toen hij zich als sovjetcomponist staande moest zien te houden. Want tot veler verbazing keerde Prokofjev halverwege de jaren dertig naar zijn eigen land terug, terwijl er genoeg redenen waren om dat juist níet te doen. Rusland was inmiddels een dictatuur, Europa bood hem nog altijd bestaanszekerheid en zijn Spaanse echtgenote wilde niet verhuizen. Maar zijn heimwee was sterk en – nog doorslaggevender – Moskou had lokaas uitgeworpen: Prokofjev zou in de Sovjet-Unie zijn artistieke vrijheden behouden en een brug met het Westen kunnen slaan. De politiek naïeve Prokofjev trapte erin en werd prompt onderworpen aan dezelfde manipulatie die zijn collega Dmitri Sjostakovitsj al jarenlang ervoer.

De vernieuwde Vierde symfonie is een merkwaardige vrucht van die periode. Prokofjev pakte het onfortuinlijke, zeventien jaar oude stuk weer op na de succesvolle première van de opvolger, de Vijfde. Dat stuk was precies wat van een sovjetcomponist werd verwacht: toegankelijke, meeslepende en tri­omfantelijke muziek. Kort daarop kreeg hij een officieel verzoek: kon hij zijn geflopte Vierde symfonie niet herschrijven in dezelfde stijl? Dat kon natuurlijk. Na tien jaar Stalin-terreur had Prokofjev wel een idee van de artistieke do’s en don’ts in het nieuwe Rusland.

Het resultaat geeft vooral Prokofjevs muzikale wendbaarheid weer. Je hoort nog altijd de balletmelodieën uit het origineel, soms hoekig, soms gracieus. Maar de instrumentatie is aanzienlijk dichter door de toevoeging van extra blazers, piano en harp. Daarnaast verrijkte Prokofjev de hele partituur met extra melodieën en verdubbelde hij de lengte van deel twee door de hoofd­thema’s te herhalen. Vergeleken bij de compacte, neoklassieke oerversie uit 1930 is dit onversneden sovjetmuziek met grote gebaren en het onvermijdelijke ‘heroïsche’ slot: dat het Russische arbeidersvolk zegeviert kon niet luid genoeg rondgetoeterd worden.

Voor de autoriteiten was het natuurlijk extra leuk dat dit nieuwe staaltje heroïsche sovjetkunst nog altijd van L’Enfant Prodigue afstamde. Rusland had zijn verloren zoon terug. 

door Michiel Cleij

Sergej Prokofjev (1891-1953)

Alexander Nevski

door Michiel Cleij

  • Sergej Prokofjev aan het werk

    Sergej Prokofjev aan het werk

  • Sergej Prokofjev aan het werk

    Sergej Prokofjev aan het werk

Artistieke keuze

Veel composities uit de twintigste eeuw zijn onlosmakelijk verbonden met nationalistische ideologieën. Zo ook Prokofjevs Alexander Nevski, geschreven op het hoogtepunt van het stalinistische bewind. De tekst, over een legendarische middeleeuwse grootvorst die voorging in de strijd tegen indringers, verheerlijkt de collectieve identiteit van ‘het Russische volk’. Maar de ca­ntate uitvoeren betekent niet de nationalistische inhoud onderschrijven. Het Conce­rtgebouworkest wil benadrukken dat het werk juist door een uitvoering in de concertzaal kritisch, historisch en muzikaal kan worden beluisterd, in plaats van als middel voor staats­propaganda.

 Met filmmuziek had Prokofjev zich in het Westen niet beziggehouden. Maar in de Sovjet-Unie kreeg hij daar ruimschoots gelegenheid voor. Een doorbraak werd zijn samenwerking met de toen al legendarische regisseur Sergej Eisenstein, in 1938. Het immense succes van de spektakelfilm Alexander Nevski was hun beider verdienste. Met de gelijknamige cantate die hij uit de film­partituur smeedde, bewees Prokofjev dat de muziek ook zonder beeld effectief was – én dat hij ondanks alle restricties en intimidatie van dat moment toch nog hoogst origineel voor de dag kon komen.

Want Alexander Nevski was een beladen project; het maakte Prokofjev pijnlijk duidelijk dat muziek en politiek in de Sovjet-Unie niet van elkaar te scheiden waren. Eisenstein was na zijn eerdere successen plots bij de autoriteiten in ongenade gevallen en wilde zich met deze film rehabiliteren. Als onderwerp koos hij de historische overwinning van de middeleeuwse prins Alexander Nevski op het invaderende Teutoonse leger – een niet te missen verwijzing naar de actualiteit, want de spanningen tussen Rusland en nazi-­Duitsland namen gestaag toe. Jozef Stalin in eigen persoon gaf zijn zegen aan het scenario.

De film werd een staaltje ­propaganda van het hoogste artistieke niveau. Eisenstein, met zijn talent voor massa­scènes, pakte groots uit en inspireerde Prokofjev tot messcherpe, uiterst suggestieve muziek, waarvoor hij van de regisseur alle ruimte kreeg. Hoogtepunt is de beslissende confrontatie tussen de twee legers op een bevroren meer. Of deze epische veldslag op het ijs inderdaad heeft plaatsgevonden is omstreden, maar na het zien van de film kon je er nauwelijks meer aan twijfelen, mede door de invoelbare spanning die Prokofjevs muziek aan de beelden geeft.

Voor de concertzaal bewerkte Prokofjev zijn partituur tot een cantate voor koor, mezzosopraan en orkest. Dat bleek minder eenvoudig dan hij verwachtte; de bewerking kostte hem zelfs meer tijd dan hij aan de oorspronkelijke filmmuziek had besteed. Verhalende liedteksten vervangen het beeld en de verschillende episodes corresponderen met de belangrijkste scènes uit de film, beginnend met een sfeerschildering van de ijzige provincie Novgorod. Het gebied is al deels bezet door Mongolië en wordt nu ook aan de westzijde bedreigd door een Teutoonse aanval. Alle ogen zijn gericht op Prins Alexander die na de verwoesting van de stad Pskov zijn volk mobiliseert met het gezang ‘Verheft u, Russisch volk!’ Dit strijdlied zou tijdens de Tweede Wereldoorlog voortdurend op de Russische radio worden uitgezonden. In de aanloop naar De veldslag op het ijs heft het Teutoonse leger een christelijk gezang aan waarvoor Prokofjev zelf een authentieke psalmtekst vermengde met een soort brabbel-Latijn.

Meer dan ooit blinkt de componist hier uit in het oproepen van een sinistere sfeer met ijle, kille strijkersklanken en striemende trompetpartijen. Even indringend is de impressie van het met lijken bezaaide slagveld, waarna het Russische leger tri­omfantelijk de aftocht blaast en een voorschot nam op de gruwelijke oorlogshandelingen die een paar jaar later zouden volgen.’

Orkestfeiten


Alexander Nevski is drie keer eerder door het Concertgebouworkest uitgevoerd, steeds onder leiding van Bernard Haitink. De eerste keer was tijdens de Kerstmatinee op 25 december 1980 met Ortrun Wenkel en het Groot Omroepkoor. Uitvoeringen op 13 en 14 december 1986 met Tamara Sinjavskaja en het Koor van het Concertgebouworkest waren de laatste tot nu toe.

Artistieke keuze

Veel composities uit de twintigste eeuw zijn onlosmakelijk verbonden met nationalistische ideologieën. Zo ook Prokofjevs Alexander Nevski, geschreven op het hoogtepunt van het stalinistische bewind. De tekst, over een legendarische middeleeuwse grootvorst die voorging in de strijd tegen indringers, verheerlijkt de collectieve identiteit van ‘het Russische volk’. Maar de ca­ntate uitvoeren betekent niet de nationalistische inhoud onderschrijven. Het Conce­rtgebouworkest wil benadrukken dat het werk juist door een uitvoering in de concertzaal kritisch, historisch en muzikaal kan worden beluisterd, in plaats van als middel voor staats­propaganda.

 Met filmmuziek had Prokofjev zich in het Westen niet beziggehouden. Maar in de Sovjet-Unie kreeg hij daar ruimschoots gelegenheid voor. Een doorbraak werd zijn samenwerking met de toen al legendarische regisseur Sergej Eisenstein, in 1938. Het immense succes van de spektakelfilm Alexander Nevski was hun beider verdienste. Met de gelijknamige cantate die hij uit de film­partituur smeedde, bewees Prokofjev dat de muziek ook zonder beeld effectief was – én dat hij ondanks alle restricties en intimidatie van dat moment toch nog hoogst origineel voor de dag kon komen.

Want Alexander Nevski was een beladen project; het maakte Prokofjev pijnlijk duidelijk dat muziek en politiek in de Sovjet-Unie niet van elkaar te scheiden waren. Eisenstein was na zijn eerdere successen plots bij de autoriteiten in ongenade gevallen en wilde zich met deze film rehabiliteren. Als onderwerp koos hij de historische overwinning van de middeleeuwse prins Alexander Nevski op het invaderende Teutoonse leger – een niet te missen verwijzing naar de actualiteit, want de spanningen tussen Rusland en nazi-­Duitsland namen gestaag toe. Jozef Stalin in eigen persoon gaf zijn zegen aan het scenario.

De film werd een staaltje ­propaganda van het hoogste artistieke niveau. Eisenstein, met zijn talent voor massa­scènes, pakte groots uit en inspireerde Prokofjev tot messcherpe, uiterst suggestieve muziek, waarvoor hij van de regisseur alle ruimte kreeg. Hoogtepunt is de beslissende confrontatie tussen de twee legers op een bevroren meer. Of deze epische veldslag op het ijs inderdaad heeft plaatsgevonden is omstreden, maar na het zien van de film kon je er nauwelijks meer aan twijfelen, mede door de invoelbare spanning die Prokofjevs muziek aan de beelden geeft.

Voor de concertzaal bewerkte Prokofjev zijn partituur tot een cantate voor koor, mezzosopraan en orkest. Dat bleek minder eenvoudig dan hij verwachtte; de bewerking kostte hem zelfs meer tijd dan hij aan de oorspronkelijke filmmuziek had besteed. Verhalende liedteksten vervangen het beeld en de verschillende episodes corresponderen met de belangrijkste scènes uit de film, beginnend met een sfeerschildering van de ijzige provincie Novgorod. Het gebied is al deels bezet door Mongolië en wordt nu ook aan de westzijde bedreigd door een Teutoonse aanval. Alle ogen zijn gericht op Prins Alexander die na de verwoesting van de stad Pskov zijn volk mobiliseert met het gezang ‘Verheft u, Russisch volk!’ Dit strijdlied zou tijdens de Tweede Wereldoorlog voortdurend op de Russische radio worden uitgezonden. In de aanloop naar De veldslag op het ijs heft het Teutoonse leger een christelijk gezang aan waarvoor Prokofjev zelf een authentieke psalmtekst vermengde met een soort brabbel-Latijn.

Meer dan ooit blinkt de componist hier uit in het oproepen van een sinistere sfeer met ijle, kille strijkersklanken en striemende trompetpartijen. Even indringend is de impressie van het met lijken bezaaide slagveld, waarna het Russische leger tri­omfantelijk de aftocht blaast en een voorschot nam op de gruwelijke oorlogshandelingen die een paar jaar later zouden volgen.’

Orkestfeiten


Alexander Nevski is drie keer eerder door het Concertgebouworkest uitgevoerd, steeds onder leiding van Bernard Haitink. De eerste keer was tijdens de Kerstmatinee op 25 december 1980 met Ortrun Wenkel en het Groot Omroepkoor. Uitvoeringen op 13 en 14 december 1986 met Tamara Sinjavskaja en het Koor van het Concertgebouworkest waren de laatste tot nu toe.

door Michiel Cleij

Sergej Prokofjev (1891-1953)

Vierde symfonie

door Michiel Cleij

  • Serge Prokofjev

    achter de piano

    Serge Prokofjev

    achter de piano

  • Serge Prokofjev

    achter de piano

    Serge Prokofjev

    achter de piano

Van Sergej Prokofjevs zeven symfonieën is de Vierde symfonie bepaald niet de meest gespeelde. En dat terwijl er zelfs twee Vierdes zijn om uit te kiezen. De originele symfonie dateert uit 1930, maar hier klinkt de sterk uitgebreide versie die hij zeventien jaar later maakte; de revisie pakte zó grondig uit dat hij het resultaat als een nieuw werk beschouwde, met een eigen opusnummer. Het is veelzeggend dat de meestal zo gedecideerde en eigenzinnige componist op gedane zaken terugkwam. Er was in de tussentijd dan ook heel wat gebeurd.

Prokofjev had Rusland verlaten tijdens de Revolutie van 1917 – niet als vluchteling, maar uit carrièreoverwegingen. In Europa vond hij een dankbaar publiek voor zijn modernistische composities en virtuoze pianospel. Spannend bleef het altijd, want Prokofjev bleek een grillig componist die met het grootste gemak schakelde tussen woeste, dissonante klankuitbarstingen en parmantige walsjes. De eerste drie symfonieën bewegen zich al tussen ­uitersten: de Eerste was een neoklassieke allemansvriend, de Tweede een staaltje spijkerharde ‘fabrieksmuziek’ en de Derde een macaber sprookje. 

Des te groter waren de verwachtingen toen Prokofjev zijn Vierde symfonie af­leverde, gecomponeerd in opdracht van de Russisch-Amerikaanse dirigent Serge Koussevitzki. Van meet af aan hing er een doemwolk boven het stuk. Componist en dirigent kregen bonje over Prokofjevs honorarium. ­Koussevitzki vond de symfonie een tegenvaller. Amerikaanse recensenten beschuldigden Prokofjev van ‘opgedroogde fantasie’; net als in de Derde symfonie had hij voor de Vierde materiaal uit een eerdere compositie hergebruikt, in dit geval het recente ballet L’Enfant Prodigue. Ook de premières in Europa en Rusland oogstten nauwelijks bijval. Zeker zij die van de modernistische, ‘wilde’ Prokofjev hielden waren teleurgesteld door de milde toon van het werk. De componist was uitgeraasd en zocht naar een ‘nieuwe eenvoud’. 

Dat kwam van pas toen hij zich als sovjetcomponist staande moest zien te houden. Want tot veler verbazing keerde Prokofjev halverwege de jaren dertig naar zijn eigen land terug, terwijl er genoeg redenen waren om dat juist níet te doen. Rusland was inmiddels een dictatuur, Europa bood hem nog altijd bestaanszekerheid en zijn Spaanse echtgenote wilde niet verhuizen. Maar zijn heimwee was sterk en – nog doorslaggevender – Moskou had lokaas uitgeworpen: Prokofjev zou in de Sovjet-Unie zijn artistieke vrijheden behouden en een brug met het Westen kunnen slaan. De politiek naïeve Prokofjev trapte erin en werd prompt onderworpen aan dezelfde manipulatie die zijn collega Dmitri Sjostakovitsj al jarenlang ervoer.

De vernieuwde Vierde symfonie is een merkwaardige vrucht van die periode. Prokofjev pakte het onfortuinlijke, zeventien jaar oude stuk weer op na de succesvolle première van de opvolger, de Vijfde. Dat stuk was precies wat van een sovjetcomponist werd verwacht: toegankelijke, meeslepende en tri­omfantelijke muziek. Kort daarop kreeg hij een officieel verzoek: kon hij zijn geflopte Vierde symfonie niet herschrijven in dezelfde stijl? Dat kon natuurlijk. Na tien jaar Stalin-terreur had Prokofjev wel een idee van de artistieke do’s en don’ts in het nieuwe Rusland.

Het resultaat geeft vooral Prokofjevs muzikale wendbaarheid weer. Je hoort nog altijd de balletmelodieën uit het origineel, soms hoekig, soms gracieus. Maar de instrumentatie is aanzienlijk dichter door de toevoeging van extra blazers, piano en harp. Daarnaast verrijkte Prokofjev de hele partituur met extra melodieën en verdubbelde hij de lengte van deel twee door de hoofd­thema’s te herhalen. Vergeleken bij de compacte, neoklassieke oerversie uit 1930 is dit onversneden sovjetmuziek met grote gebaren en het onvermijdelijke ‘heroïsche’ slot: dat het Russische arbeidersvolk zegeviert kon niet luid genoeg rondgetoeterd worden.

Voor de autoriteiten was het natuurlijk extra leuk dat dit nieuwe staaltje heroïsche sovjetkunst nog altijd van L’Enfant Prodigue afstamde. Rusland had zijn verloren zoon terug. 

Van Sergej Prokofjevs zeven symfonieën is de Vierde symfonie bepaald niet de meest gespeelde. En dat terwijl er zelfs twee Vierdes zijn om uit te kiezen. De originele symfonie dateert uit 1930, maar hier klinkt de sterk uitgebreide versie die hij zeventien jaar later maakte; de revisie pakte zó grondig uit dat hij het resultaat als een nieuw werk beschouwde, met een eigen opusnummer. Het is veelzeggend dat de meestal zo gedecideerde en eigenzinnige componist op gedane zaken terugkwam. Er was in de tussentijd dan ook heel wat gebeurd.

Prokofjev had Rusland verlaten tijdens de Revolutie van 1917 – niet als vluchteling, maar uit carrièreoverwegingen. In Europa vond hij een dankbaar publiek voor zijn modernistische composities en virtuoze pianospel. Spannend bleef het altijd, want Prokofjev bleek een grillig componist die met het grootste gemak schakelde tussen woeste, dissonante klankuitbarstingen en parmantige walsjes. De eerste drie symfonieën bewegen zich al tussen ­uitersten: de Eerste was een neoklassieke allemansvriend, de Tweede een staaltje spijkerharde ‘fabrieksmuziek’ en de Derde een macaber sprookje. 

Des te groter waren de verwachtingen toen Prokofjev zijn Vierde symfonie af­leverde, gecomponeerd in opdracht van de Russisch-Amerikaanse dirigent Serge Koussevitzki. Van meet af aan hing er een doemwolk boven het stuk. Componist en dirigent kregen bonje over Prokofjevs honorarium. ­Koussevitzki vond de symfonie een tegenvaller. Amerikaanse recensenten beschuldigden Prokofjev van ‘opgedroogde fantasie’; net als in de Derde symfonie had hij voor de Vierde materiaal uit een eerdere compositie hergebruikt, in dit geval het recente ballet L’Enfant Prodigue. Ook de premières in Europa en Rusland oogstten nauwelijks bijval. Zeker zij die van de modernistische, ‘wilde’ Prokofjev hielden waren teleurgesteld door de milde toon van het werk. De componist was uitgeraasd en zocht naar een ‘nieuwe eenvoud’. 

Dat kwam van pas toen hij zich als sovjetcomponist staande moest zien te houden. Want tot veler verbazing keerde Prokofjev halverwege de jaren dertig naar zijn eigen land terug, terwijl er genoeg redenen waren om dat juist níet te doen. Rusland was inmiddels een dictatuur, Europa bood hem nog altijd bestaanszekerheid en zijn Spaanse echtgenote wilde niet verhuizen. Maar zijn heimwee was sterk en – nog doorslaggevender – Moskou had lokaas uitgeworpen: Prokofjev zou in de Sovjet-Unie zijn artistieke vrijheden behouden en een brug met het Westen kunnen slaan. De politiek naïeve Prokofjev trapte erin en werd prompt onderworpen aan dezelfde manipulatie die zijn collega Dmitri Sjostakovitsj al jarenlang ervoer.

De vernieuwde Vierde symfonie is een merkwaardige vrucht van die periode. Prokofjev pakte het onfortuinlijke, zeventien jaar oude stuk weer op na de succesvolle première van de opvolger, de Vijfde. Dat stuk was precies wat van een sovjetcomponist werd verwacht: toegankelijke, meeslepende en tri­omfantelijke muziek. Kort daarop kreeg hij een officieel verzoek: kon hij zijn geflopte Vierde symfonie niet herschrijven in dezelfde stijl? Dat kon natuurlijk. Na tien jaar Stalin-terreur had Prokofjev wel een idee van de artistieke do’s en don’ts in het nieuwe Rusland.

Het resultaat geeft vooral Prokofjevs muzikale wendbaarheid weer. Je hoort nog altijd de balletmelodieën uit het origineel, soms hoekig, soms gracieus. Maar de instrumentatie is aanzienlijk dichter door de toevoeging van extra blazers, piano en harp. Daarnaast verrijkte Prokofjev de hele partituur met extra melodieën en verdubbelde hij de lengte van deel twee door de hoofd­thema’s te herhalen. Vergeleken bij de compacte, neoklassieke oerversie uit 1930 is dit onversneden sovjetmuziek met grote gebaren en het onvermijdelijke ‘heroïsche’ slot: dat het Russische arbeidersvolk zegeviert kon niet luid genoeg rondgetoeterd worden.

Voor de autoriteiten was het natuurlijk extra leuk dat dit nieuwe staaltje heroïsche sovjetkunst nog altijd van L’Enfant Prodigue afstamde. Rusland had zijn verloren zoon terug. 

door Michiel Cleij

Sergej Prokofjev (1891-1953)

Alexander Nevski

door Michiel Cleij

  • Sergej Prokofjev aan het werk

    Sergej Prokofjev aan het werk

  • Sergej Prokofjev aan het werk

    Sergej Prokofjev aan het werk

Artistieke keuze

Veel composities uit de twintigste eeuw zijn onlosmakelijk verbonden met nationalistische ideologieën. Zo ook Prokofjevs Alexander Nevski, geschreven op het hoogtepunt van het stalinistische bewind. De tekst, over een legendarische middeleeuwse grootvorst die voorging in de strijd tegen indringers, verheerlijkt de collectieve identiteit van ‘het Russische volk’. Maar de ca­ntate uitvoeren betekent niet de nationalistische inhoud onderschrijven. Het Conce­rtgebouworkest wil benadrukken dat het werk juist door een uitvoering in de concertzaal kritisch, historisch en muzikaal kan worden beluisterd, in plaats van als middel voor staats­propaganda.

 Met filmmuziek had Prokofjev zich in het Westen niet beziggehouden. Maar in de Sovjet-Unie kreeg hij daar ruimschoots gelegenheid voor. Een doorbraak werd zijn samenwerking met de toen al legendarische regisseur Sergej Eisenstein, in 1938. Het immense succes van de spektakelfilm Alexander Nevski was hun beider verdienste. Met de gelijknamige cantate die hij uit de film­partituur smeedde, bewees Prokofjev dat de muziek ook zonder beeld effectief was – én dat hij ondanks alle restricties en intimidatie van dat moment toch nog hoogst origineel voor de dag kon komen.

Want Alexander Nevski was een beladen project; het maakte Prokofjev pijnlijk duidelijk dat muziek en politiek in de Sovjet-Unie niet van elkaar te scheiden waren. Eisenstein was na zijn eerdere successen plots bij de autoriteiten in ongenade gevallen en wilde zich met deze film rehabiliteren. Als onderwerp koos hij de historische overwinning van de middeleeuwse prins Alexander Nevski op het invaderende Teutoonse leger – een niet te missen verwijzing naar de actualiteit, want de spanningen tussen Rusland en nazi-­Duitsland namen gestaag toe. Jozef Stalin in eigen persoon gaf zijn zegen aan het scenario.

De film werd een staaltje ­propaganda van het hoogste artistieke niveau. Eisenstein, met zijn talent voor massa­scènes, pakte groots uit en inspireerde Prokofjev tot messcherpe, uiterst suggestieve muziek, waarvoor hij van de regisseur alle ruimte kreeg. Hoogtepunt is de beslissende confrontatie tussen de twee legers op een bevroren meer. Of deze epische veldslag op het ijs inderdaad heeft plaatsgevonden is omstreden, maar na het zien van de film kon je er nauwelijks meer aan twijfelen, mede door de invoelbare spanning die Prokofjevs muziek aan de beelden geeft.

Voor de concertzaal bewerkte Prokofjev zijn partituur tot een cantate voor koor, mezzosopraan en orkest. Dat bleek minder eenvoudig dan hij verwachtte; de bewerking kostte hem zelfs meer tijd dan hij aan de oorspronkelijke filmmuziek had besteed. Verhalende liedteksten vervangen het beeld en de verschillende episodes corresponderen met de belangrijkste scènes uit de film, beginnend met een sfeerschildering van de ijzige provincie Novgorod. Het gebied is al deels bezet door Mongolië en wordt nu ook aan de westzijde bedreigd door een Teutoonse aanval. Alle ogen zijn gericht op Prins Alexander die na de verwoesting van de stad Pskov zijn volk mobiliseert met het gezang ‘Verheft u, Russisch volk!’ Dit strijdlied zou tijdens de Tweede Wereldoorlog voortdurend op de Russische radio worden uitgezonden. In de aanloop naar De veldslag op het ijs heft het Teutoonse leger een christelijk gezang aan waarvoor Prokofjev zelf een authentieke psalmtekst vermengde met een soort brabbel-Latijn.

Meer dan ooit blinkt de componist hier uit in het oproepen van een sinistere sfeer met ijle, kille strijkersklanken en striemende trompetpartijen. Even indringend is de impressie van het met lijken bezaaide slagveld, waarna het Russische leger tri­omfantelijk de aftocht blaast en een voorschot nam op de gruwelijke oorlogshandelingen die een paar jaar later zouden volgen.’

Orkestfeiten


Alexander Nevski is drie keer eerder door het Concertgebouworkest uitgevoerd, steeds onder leiding van Bernard Haitink. De eerste keer was tijdens de Kerstmatinee op 25 december 1980 met Ortrun Wenkel en het Groot Omroepkoor. Uitvoeringen op 13 en 14 december 1986 met Tamara Sinjavskaja en het Koor van het Concertgebouworkest waren de laatste tot nu toe.

Artistieke keuze

Veel composities uit de twintigste eeuw zijn onlosmakelijk verbonden met nationalistische ideologieën. Zo ook Prokofjevs Alexander Nevski, geschreven op het hoogtepunt van het stalinistische bewind. De tekst, over een legendarische middeleeuwse grootvorst die voorging in de strijd tegen indringers, verheerlijkt de collectieve identiteit van ‘het Russische volk’. Maar de ca­ntate uitvoeren betekent niet de nationalistische inhoud onderschrijven. Het Conce­rtgebouworkest wil benadrukken dat het werk juist door een uitvoering in de concertzaal kritisch, historisch en muzikaal kan worden beluisterd, in plaats van als middel voor staats­propaganda.

 Met filmmuziek had Prokofjev zich in het Westen niet beziggehouden. Maar in de Sovjet-Unie kreeg hij daar ruimschoots gelegenheid voor. Een doorbraak werd zijn samenwerking met de toen al legendarische regisseur Sergej Eisenstein, in 1938. Het immense succes van de spektakelfilm Alexander Nevski was hun beider verdienste. Met de gelijknamige cantate die hij uit de film­partituur smeedde, bewees Prokofjev dat de muziek ook zonder beeld effectief was – én dat hij ondanks alle restricties en intimidatie van dat moment toch nog hoogst origineel voor de dag kon komen.

Want Alexander Nevski was een beladen project; het maakte Prokofjev pijnlijk duidelijk dat muziek en politiek in de Sovjet-Unie niet van elkaar te scheiden waren. Eisenstein was na zijn eerdere successen plots bij de autoriteiten in ongenade gevallen en wilde zich met deze film rehabiliteren. Als onderwerp koos hij de historische overwinning van de middeleeuwse prins Alexander Nevski op het invaderende Teutoonse leger – een niet te missen verwijzing naar de actualiteit, want de spanningen tussen Rusland en nazi-­Duitsland namen gestaag toe. Jozef Stalin in eigen persoon gaf zijn zegen aan het scenario.

De film werd een staaltje ­propaganda van het hoogste artistieke niveau. Eisenstein, met zijn talent voor massa­scènes, pakte groots uit en inspireerde Prokofjev tot messcherpe, uiterst suggestieve muziek, waarvoor hij van de regisseur alle ruimte kreeg. Hoogtepunt is de beslissende confrontatie tussen de twee legers op een bevroren meer. Of deze epische veldslag op het ijs inderdaad heeft plaatsgevonden is omstreden, maar na het zien van de film kon je er nauwelijks meer aan twijfelen, mede door de invoelbare spanning die Prokofjevs muziek aan de beelden geeft.

Voor de concertzaal bewerkte Prokofjev zijn partituur tot een cantate voor koor, mezzosopraan en orkest. Dat bleek minder eenvoudig dan hij verwachtte; de bewerking kostte hem zelfs meer tijd dan hij aan de oorspronkelijke filmmuziek had besteed. Verhalende liedteksten vervangen het beeld en de verschillende episodes corresponderen met de belangrijkste scènes uit de film, beginnend met een sfeerschildering van de ijzige provincie Novgorod. Het gebied is al deels bezet door Mongolië en wordt nu ook aan de westzijde bedreigd door een Teutoonse aanval. Alle ogen zijn gericht op Prins Alexander die na de verwoesting van de stad Pskov zijn volk mobiliseert met het gezang ‘Verheft u, Russisch volk!’ Dit strijdlied zou tijdens de Tweede Wereldoorlog voortdurend op de Russische radio worden uitgezonden. In de aanloop naar De veldslag op het ijs heft het Teutoonse leger een christelijk gezang aan waarvoor Prokofjev zelf een authentieke psalmtekst vermengde met een soort brabbel-Latijn.

Meer dan ooit blinkt de componist hier uit in het oproepen van een sinistere sfeer met ijle, kille strijkersklanken en striemende trompetpartijen. Even indringend is de impressie van het met lijken bezaaide slagveld, waarna het Russische leger tri­omfantelijk de aftocht blaast en een voorschot nam op de gruwelijke oorlogshandelingen die een paar jaar later zouden volgen.’

Orkestfeiten


Alexander Nevski is drie keer eerder door het Concertgebouworkest uitgevoerd, steeds onder leiding van Bernard Haitink. De eerste keer was tijdens de Kerstmatinee op 25 december 1980 met Ortrun Wenkel en het Groot Omroepkoor. Uitvoeringen op 13 en 14 december 1986 met Tamara Sinjavskaja en het Koor van het Concertgebouworkest waren de laatste tot nu toe.

door Michiel Cleij

Biografie

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande dirigenten en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende dirigenten zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest

Riccardo Chailly, dirigent

Riccardo Chailly was chef-dirigent van het Concertgebouworkest tussen 1988 en 2004. Terwijl hij de traditie van de grote romantische werken continueerde, zorgde hij tegelijkertijd voor een verbreding van het repertoire op het gebied van hedendaagse muziek en opera.

Bij zijn afscheid werd hij benoemd tot conductor emeritus.

Sinds hij in april 2013 terugkeerde met drie verschillende programma’s, staat Riccardo Chailly opnieuw met regelmaat voor het Concertgebouworkest. De laatste samenwerking dateert van februari 2024, toen Schönbergs Gurre-Lie­der op het programma stond. Van 2005 tot 2016 was de Italiaan chef-dirigent van het Gewandhausorchester in Leipzig. Sinds 2015 is hij chef-dirigent van La Scala in Milaan, en sinds januari 2017 artistiek directeur. Dezelfde functie vervult hij sinds 2016 bij het Lucerne Festival Orchestra.

Riccardo Chailly is regelmatig te gast bij de belangrijkste orkesten ter wereld, zoals de Berliner Philharmoniker, de Wiener Philharmoniker en de New York Philharmonic. Opera leidt hij onder meer bij de Wiener Staatsoper, de Metropolitan Opera in New York, de Royal Opera in Londen en de Bayerische Staatsoper in München. Voor zijn meer dan 150 opnames tellende discografie kreeg hij een Gramophone Award, twee Echo Klassiks en de Diapason d’Or als Artist of the Year 2020.

Riccardo ­Chailly werd onderscheiden met de Grand’ Ufficiale della Repubblica Italiana en de zilveren erepenning van de stad Amsterdam. Hij is Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, erelid van de Royal Academy of Music in Londen en ­Cavaliere di Gran Croce van de republiek Italië.

Ekaterina Semenchuk, mezzosopraan

Ekaterina Semenchuk werd geboren in Minsk en studeerde in 2001 af aan het conservatorium van Sint-Petersburg. Inmiddels had ze al gedebuteerd in het Mariinski Theater en het Teatro alla Scala in Milaan en op de Salzburger Festspiele.

Als vast ensemble­lid van het Mariinski ­Theater zong Ekaterina Semenchuk in de jaren daarna operarollen als Olga in ­Tsjai­kovski’s ­Jevgeni Onjegin, Blanche in Pique dame van dezelfde componist, de titelrol van Bizets Carmen en Fricka in Das Rheingold en Die Walküre van Wagner. In operahuizen in heel Europa en de Verenigde Staten vergaarde ze vooral roem met Verdi-rollen als Azucena in Il trovatore, Prinses Eboli in Don Carlo, Amneris in Aïda en Preziosilla in La forza del destino.

Ekaterina Semenchuk soleerde ook in de requiems van Mozart en Verdi, Les nuits d’été en Roméo et Juliette van Berlioz, Ravels Shéhérazade en liedcycli van Moesorgski en Sjostakovitsj. De uitvoeringen van Schönbergs Gurre-Lieder onder leiding van Riccardo Chailly in februari 2024 waren de eerste concerten van de mezzosopraan bij het Concert­gebouworkest.

Groot Omroepkoor, koor

Het Groot Omroepkoor, opgericht kort na de Tweede Wereldoorlog, is het enige professionele koor in Nederland dat het grote symfonische koorrepertoire uitvoert. Het koor is nauw verbonden met de Publieke Omroep en zingt veelvuldig in de omroepseries: de NTR ZaterdagMatinee, Het Zondagochtend Concert en het AVROTROS Vrijdagconcert.

Het repertoire beweegt zich tussen hedendaagse muziek (opdrachtwerken van zowel Nederlandse als buitenlandse componisten), oudere werken uit de negentiende en twintigste eeuw en opera. Het Groot Omroepkoor treedt op met orkesten van naam en faam, en werkt in de omroepseries doorgaans met het Radio Filharmonisch Orkest.

Ook met het Concertgebouworkest bestaat een lange, vruchtbare samenwerking. Bij de laatste gezamenlijke concerten in mei 2025 stond Mahlers Achtste symfonie op het ­programma onder leiding van Klaus Mäskelä. Samen met het Radio Filharmonisch Orkest ontving het Groot Omroepkoor in 2017 de Concertgebouw Prijs. Chef-dirigent sinds 2020 is Benjamin Goodson.

Koor van de Nationale Opera, koor

Het Koor van De Nationale Opera is een beroepskoor waarvan de leden zich ook regelmatig solistisch laten horen. Naast het meer gangbare repertoire heeft het koor een aantal wereldpremières helpen realiseren. Spraakmakend was het optreden van het koor in grote producties als Saint François d’Assise van Messiaen, Les Troyens van Berlioz en Guillaume Tell van Rossini.

 Voor zijn aandeel in Schönbergs Moses und Aaron ontving het in 1996 de Prix d’Amis van de Vrienden van De Nationale Op­era. In 2016 riep het vakblad Opernwelt het Koor van De Nationale Op­era uit tot het beste operakoor.

In diverse producties werkte het koor samen met het Concertgebouworkest, meest recent in Moesorgski’s Boris Godoenov onder leiding van Vasily Petrenko in juni 2025. Van september 2014 tot april 2021 stond het koor onder artistieke leiding van Ching-Lien Wu; sinds 2022 is Edward Ananian-Cooper artistiek leider.