Hoe Joodse componisten vergeten raakten
door Carine Alders 01 mei 2026 01 mei 2026
Recent verscheen het boek In een web van stilte van musicoloog en Preludium-auteur Carine Alders, over componisten die in Nederland vervolgd werden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bijna de helft van meer dan tachtig componisten overleefde de oorlog niet; hun muziek keerde nauwelijks terug op de podia. Hoe kon dat gebeuren? Een voorpublicatie, exclusief voor Preludium.
In Amsterdam reden op 8 mei 1945 via de Berlagebrug de Canadese troepen de stad binnen. Na jaren van stilte – sinds oktober 1942 was straatmuziek verboden en de kerktorens waren van hun klokken beroofd – vulden de straten zich met zang, dans- en marsmuziek. Honderden bevrijdingsliederen rolden van de persen om op straat of in de concertzaal te zingen, zoals het lied Daar komen de Canadezen van Henriëtte Bosmans, of Ik kan niet swingen van Fredy Salten, pseudoniem van de Duits-Joodse Alfred Salomon. Johanna Bordewijk-Roepman componeerde een lied op het gedicht van Johannes Zwanniken Uit het diepst van mijn hart, dat in verschillende illegale bladen had gestaan.
Overal werden concerten georganiseerd als onderdeel van de bevrijdingsfeesten. Amateurkoren en -orkesten, harmonieën en fanfares kwamen na jaren van een stil bestaan weer tot leven. Mensen dromden samen in kerken, waar het orgel feestelijke muziek speelde en musici weer kamermuziekconcerten organiseerden. Opbrengsten uit kaartverkoop waren meestal voor het goede doel, om de eerste nood te lenigen. Stichting Volksherstel organiseerde concerten om het geestelijk welzijn te bevorderen. Andere concerten vermaakten de geallieerde troepen en gerepatrieerde landgenoten. Britse militaire blaasorkesten toerden door het land, zoals de Scottish Pipers en het orkest van de Oxfordshire and Buckinghamshire Light Infantry en de Band of his Majesty’s Royal Marines, Plymouth Division.
Midden in de uitbundige muzikale feestvreugde kondigde het Militair Gezag in Den Haag op 24 mei 1945 echter een korte kunstpauze af in de westelijke provincies. Tijdelijk mochten er geen exposities, concerten, theater- en bioscoopvoorstellingen gehouden worden. Alle zalen werden gesloten en orkesten mochten niet meer optreden. Het doel van deze actie was om kunstenaars die in de oorlog weigerden lid te worden van de Kultuurkamer een kans te geven het culturele leven weer te openen.
Op 9 juni 1945 eindigde de muziekpauze officieel met het galaconcert ‘Vrije klanken’ in Het Concertgebouw, georganiseerd door Maneto, de organisatie die zich sterk had gemaakt voor de promotie van Nederlandse muziek, maar die zichzelf ontbonden had op het moment dat Joodse musici uit het openbare muziekleven verbannen werden. Bertus van Lier en Paul Sanders, componisten die ook voor de oorlog actief waren in Maneto en de oorlog hadden overleefd in onderduik, maakten deel uit van het organiserend comité. De inleiding in het programmaboekje vermeldde dat het initiatief voor dit concert al genomen werd in mei 1944, door het bestuur van de Federatie van Kunstenaarsverenigingen, de verzetsgroep die de naoorlogse reorganisatie van het culturele leven in Nederland had voorbereid.
Muziek van weggevoerde Joodse componisten kwam tijdens het galaconcert niet aan bod
De Grote Zaal van Het Concertgebouw was prachtig versierd en het concert duurde van halfacht tot ver na middernacht. Radio Herrijzend Nederland zond alles uit. In het publiek zaten vele hoge heren, onder wie prins Bernhard, vertegenwoordigers van het Militair Gezag en minister Bolkestein van het departement van Onderwijs, Kunst en Wetenschap, die in een toespraak beloofde dat de regering zich niet langer meer afzijdig zou houden van de kunsten. Paul Sanders opende de avond en stond stil bij de dood van verschillende collega’s uit het verzet: cellist en directeur van het Amsterdamse Muzieklyceum Nico van der Stad (gefusilleerd in kamp Sachsenhausen), componist en dirigent Marius Brandts Buys (verongelukt in 1944) en componist Jan van Gilse (overleden in onderduik en begraven onder een valse naam), en diens twee zoons, Maarten (gefusilleerd) en Janric (neergeschoten). Die avond klonk muziek van Hendrik Andriessen, Johanna Bordewijk-Roepman, Henriëtte Bosmans, Bertus van Lier en Guillaume Landré, alles tijdens de oorlog gecomponeerd.
Niet alleen de componisten, ook alle uitvoerende musici die avond hadden een relatie met het verzet, niemand had zich geregistreerd bij de Kultuurkamer. De meesten hadden zich tijdens de oorlog fel uitgesproken tegen de uitsluiting van Joden, maar muziek van weggevoerde Joodse componisten kwam tijdens het galaconcert niet aan bod. Het organisatiecomité wilde niet zozeer componisten centraal stellen, maar juist muziek die tijdens de oorlog gecomponeerd was en muziek rond de thema’s oorlog, onderdrukking en bevrijding. Vermoedelijk was het comité alleen niet op de hoogte van de werken die Leo Smit, Daniël Belinfante of Dick Kattenburg – om slechts enkelen van hen te noemen – tijdens de oorlog nog gecomponeerd hadden. Hun voornamelijk onuitgegeven manuscripten waren nog ‘in onderduik’, bij vrienden en familie, tussen hoop en vrees wachtend op hun terugkeer.
Carine Alders is muziekwetenschapper en -journalist. In 2025 promoveerde ze aan de Universiteit van Amsterdam op onderzoek naar componisten in Nederland die tijdens de Tweede Wereldoorlog vervolgd werden. Eerder publiceerde zij samen met Eleonore Pameijer Vervolgde componisten in Nederland. Op 16 april kwam de publieksversie uit van haar promotieonderzoek: In een web van stilte – Hoe Nederlandse componisten door de Tweede Wereldoorlog vergeten raakten (Uitgeverij Balans).
In Amsterdam reden op 8 mei 1945 via de Berlagebrug de Canadese troepen de stad binnen. Na jaren van stilte – sinds oktober 1942 was straatmuziek verboden en de kerktorens waren van hun klokken beroofd – vulden de straten zich met zang, dans- en marsmuziek. Honderden bevrijdingsliederen rolden van de persen om op straat of in de concertzaal te zingen, zoals het lied Daar komen de Canadezen van Henriëtte Bosmans, of Ik kan niet swingen van Fredy Salten, pseudoniem van de Duits-Joodse Alfred Salomon. Johanna Bordewijk-Roepman componeerde een lied op het gedicht van Johannes Zwanniken Uit het diepst van mijn hart, dat in verschillende illegale bladen had gestaan.
Overal werden concerten georganiseerd als onderdeel van de bevrijdingsfeesten. Amateurkoren en -orkesten, harmonieën en fanfares kwamen na jaren van een stil bestaan weer tot leven. Mensen dromden samen in kerken, waar het orgel feestelijke muziek speelde en musici weer kamermuziekconcerten organiseerden. Opbrengsten uit kaartverkoop waren meestal voor het goede doel, om de eerste nood te lenigen. Stichting Volksherstel organiseerde concerten om het geestelijk welzijn te bevorderen. Andere concerten vermaakten de geallieerde troepen en gerepatrieerde landgenoten. Britse militaire blaasorkesten toerden door het land, zoals de Scottish Pipers en het orkest van de Oxfordshire and Buckinghamshire Light Infantry en de Band of his Majesty’s Royal Marines, Plymouth Division.
Midden in de uitbundige muzikale feestvreugde kondigde het Militair Gezag in Den Haag op 24 mei 1945 echter een korte kunstpauze af in de westelijke provincies. Tijdelijk mochten er geen exposities, concerten, theater- en bioscoopvoorstellingen gehouden worden. Alle zalen werden gesloten en orkesten mochten niet meer optreden. Het doel van deze actie was om kunstenaars die in de oorlog weigerden lid te worden van de Kultuurkamer een kans te geven het culturele leven weer te openen.
Op 9 juni 1945 eindigde de muziekpauze officieel met het galaconcert ‘Vrije klanken’ in Het Concertgebouw, georganiseerd door Maneto, de organisatie die zich sterk had gemaakt voor de promotie van Nederlandse muziek, maar die zichzelf ontbonden had op het moment dat Joodse musici uit het openbare muziekleven verbannen werden. Bertus van Lier en Paul Sanders, componisten die ook voor de oorlog actief waren in Maneto en de oorlog hadden overleefd in onderduik, maakten deel uit van het organiserend comité. De inleiding in het programmaboekje vermeldde dat het initiatief voor dit concert al genomen werd in mei 1944, door het bestuur van de Federatie van Kunstenaarsverenigingen, de verzetsgroep die de naoorlogse reorganisatie van het culturele leven in Nederland had voorbereid.
Muziek van weggevoerde Joodse componisten kwam tijdens het galaconcert niet aan bod
De Grote Zaal van Het Concertgebouw was prachtig versierd en het concert duurde van halfacht tot ver na middernacht. Radio Herrijzend Nederland zond alles uit. In het publiek zaten vele hoge heren, onder wie prins Bernhard, vertegenwoordigers van het Militair Gezag en minister Bolkestein van het departement van Onderwijs, Kunst en Wetenschap, die in een toespraak beloofde dat de regering zich niet langer meer afzijdig zou houden van de kunsten. Paul Sanders opende de avond en stond stil bij de dood van verschillende collega’s uit het verzet: cellist en directeur van het Amsterdamse Muzieklyceum Nico van der Stad (gefusilleerd in kamp Sachsenhausen), componist en dirigent Marius Brandts Buys (verongelukt in 1944) en componist Jan van Gilse (overleden in onderduik en begraven onder een valse naam), en diens twee zoons, Maarten (gefusilleerd) en Janric (neergeschoten). Die avond klonk muziek van Hendrik Andriessen, Johanna Bordewijk-Roepman, Henriëtte Bosmans, Bertus van Lier en Guillaume Landré, alles tijdens de oorlog gecomponeerd.
Niet alleen de componisten, ook alle uitvoerende musici die avond hadden een relatie met het verzet, niemand had zich geregistreerd bij de Kultuurkamer. De meesten hadden zich tijdens de oorlog fel uitgesproken tegen de uitsluiting van Joden, maar muziek van weggevoerde Joodse componisten kwam tijdens het galaconcert niet aan bod. Het organisatiecomité wilde niet zozeer componisten centraal stellen, maar juist muziek die tijdens de oorlog gecomponeerd was en muziek rond de thema’s oorlog, onderdrukking en bevrijding. Vermoedelijk was het comité alleen niet op de hoogte van de werken die Leo Smit, Daniël Belinfante of Dick Kattenburg – om slechts enkelen van hen te noemen – tijdens de oorlog nog gecomponeerd hadden. Hun voornamelijk onuitgegeven manuscripten waren nog ‘in onderduik’, bij vrienden en familie, tussen hoop en vrees wachtend op hun terugkeer.
Carine Alders is muziekwetenschapper en -journalist. In 2025 promoveerde ze aan de Universiteit van Amsterdam op onderzoek naar componisten in Nederland die tijdens de Tweede Wereldoorlog vervolgd werden. Eerder publiceerde zij samen met Eleonore Pameijer Vervolgde componisten in Nederland. Op 16 april kwam de publieksversie uit van haar promotieonderzoek: In een web van stilte – Hoe Nederlandse componisten door de Tweede Wereldoorlog vergeten raakten (Uitgeverij Balans).