Hoe barokmuziek Zuid-Amerika bekeerde / Hoe muziek hielp een continent te onderwerpen
door Clemens Romijn 01 mei 2026 01 mei 2026
In het kielzog van de Spaanse veroveraars probeerden missionarissen begin zestiende eeuw de inheemse bevolking van Zuid-Amerika te bekeren. Barokmuziek hielp daarbij een handje. / In het kielzog van de Spaanse veroveraars werd Zuid-Amerika begin zestiende eeuw overspoeld door missionarissen die hun culturele stempel kwamen drukken op het ‘wilde’ continent. Barokmuziek hielp daarbij een handje.
‘Ze hebben je belegerd, mijn hart, en wachten op je overgave.
De enigen die verslagen worden, mijn hart, zijn zij die niet vechten.
Laat ze je vreugde niet doden, mijn hart.
Herstel je gewonde vleugels met een droom, mijn hart.
Geef je niet over, vrij hart, geef je niet over.
Geef je niet over, vrij hart, geef je niet over.’
Dit zijn woorden uit het zo kalm gezongen lied Corazón libre (‘Vrij hart’) van Mercedes Sosa. De Argentijnse zangeres (1935-2009) was jarenlang een baken van hoop in het door militaire dictaturen geplaagde Zuid-Amerika. Dankzij haar liederen over vrijheid en het geloof in een rechtvaardiger wereld, maar ook over liefde, vriendschap, standvastigheid en culturele identiteit. Omdat ze als een heilige vereerd werd, durfde de brute junta haar niet het zwijgen op te leggen, al werd ze meerdere malen met de dood bedreigd. Toen Argentinië een democratie werd, voelde Mercedes Sosa zich ook in artistiek opzicht bevrijd en keerde ze terug uit haar asiel. De grande dame, bijgenaamd ‘La Negra’, werd dé stem van Zuid-Amerika genoemd, de advocaat van de eeuwenlang onderdrukte indígenos.
Sosa bezong een continent van superlatieven. De langste bergketen op aarde, de Andes, bepaalt met zijn meer dan achtduizend kilometer al eeuwen het leven van de bewoners van Peru, Bolivia en Ecuador. De grootste watervallen ter wereld storten hier omlaag, de langste rivier van het continent, de Amazone, doorstroomt het van schoonheid en natuurgeweld getekende landschap. De droogste woestijn ter wereld, de Atacama, ligt er in het westen, in Peru de hoogste spoorlijn en in buurland Bolivia de hoogst gelegen hoofdstad, La Paz. En het grootste regenwoudgebied ter wereld ligt in Brazilië.
Dit is het continent dat vanaf de Middeleeuwen het rijk van de Inca’s herbergde, van het noorden van Ecuador tot het zuiden van Chili, groter dan het Romeinse Rijk. Tot de superlatieven telt ook het drastische en wrede einde van dat Incarijk begin zestiende eeuw, de vernietiging van de ‘heidense’ heiligdommen, het uitwissen van de cultuur en taal van de indios. En dat dankzij ‘ontdekkingsreizigers’ en veroveraars die vanuit Spanje en Portugal voet op Zuid-Amerikaanse bodem zetten, op zoek naar goud en zilver om de omvangrijke huurlegers te betalen en de krappe staatskas te spekken. Tienduizenden indianen in Peru legden het met hun houten speren en pijlen af tegen de superieure ijzeren wapens en paarden van de niets ontziende Spaanse legerleider Don Francisco Pizarro met zijn schamele tweehonderd huursoldaten.
Maar het dodelijkst waren de uit Europa geïmporteerde ziekten als mazelen en pokken. Daaraan bezweken miljoenen indios, nog meer dan aan de slavenarbeid op de plantages en in de goud-, koper- en zilvermijnen. Ter compensatie haalden de Spanjaarden en Portugezen daarom tot de afschaffing van de slavernij meer dan tien miljoen slaven uit Afrika om zo het roofkapitalisme op gang te houden waaronder Zuid-Amerika tot de dag van vandaag gebukt gaat.
De gewelven werden doorgalmd met gregoriaanse gezangen, missen en magnificats van Spaanse en Italiaanse makelij
Met de invasie van de conquistadores, de veroveraars, werd Zuid-Amerika overspoeld door missionarissen, componisten, kapelmeesters, zangers, instrumentalisten en instrumentenbouwers die hun culturele stempel kwamen drukken op het ‘wilde’ continent. Zij vonden emplooi en fortuin op de plekken van de ruïnes van verwoeste tempels van de Azteken in Mexico, die van de Maya’s in Guatemala en die van de Inca’s in Argentinië, Bolivia en Peru. Want daaroverheen werden kathedralen opgetrokken in weelderig barokke stijl naar het voorbeeld van die in Spanje en Portugal. Hier werden niet langer natuurgoden aanbeden, zoals Pachamama, de godin van de aarde, maar de god der christenen, zijn zoon Jezus en diens moeder Maria. De gewelven werden doorgalmd met gregoriaanse gezangen, met meerstemmige missen, vesperhymnen en magnificats van de beste Spaanse en Italiaanse makelij. In Mexico-Stad, Guatemala-Stad, Bogotá, Cuzco, Lima, Córdoba, Montevideo, Buenos Aires en de vele kleinere plaatsen kwamen partituren tot klinken van de grootmeesters van de Spaanse Renaissance, van Cristóbal de Morales, Antonio de Cabezón, Francisco Guerrero en Tomás Luís de Victoria.
Zoals Maarten Luther (1483-1546) in Duitsland met muziek de duivel wilde uitdrijven, zo wilden de missionarissen via hun Spaanse muziekmeesters ‘de heidense’ oerbevolking van Zuid-Amerika kerstenen en hersenspoelen. Dat lukte des te beter doordat missionarissen, en vanaf 1587 vooral de jezuïeten, zich de indianentaal Quechua eigen maakten, waardoor de communicatie verbeterde en de veroveraars een menselijker gezicht toonden. ‘Het is meer dankzij de muziek dan door het godsdienstonderwijs dat de indianen zich bekeren’, zo schreef een van de eerste bisschoppen van Mexico aan keizer Karel V in zijn verzoekschrift om meer geld voor zangers, musici en een dirigent in zijn kathedraal.
‘Half religieus half volks en gekruid met inheemse ritmen veroverden de villancico’s de harten van Zuid-Amerikanen én Spanjaarden’
Op een meer uitgekiende wijze voerden de jezuïeten hun bekeringsmissies uit in hun ‘republieken’ in de ontoegankelijke binnenlanden waar de Amazone en Paraguay-rivier ontspringen, in het zuiden van Bolivia, Paraguay en het noorden van Argentinië. Door de indringende kracht van muziek, waarvoor de inheemse bewoners zo gevoelig waren, probeerden de jezuïeten de Guaraní, de Chiquitos en de Moxos om te kneden tot ‘beschaafde’ christenen. Toen de jezuïeten-missies te veel uitgroeiden tot een staat binnen de staat, en in 1767 werden opgeheven en verboden, bleven de opgebouwde gemeenschappen veelal voortbestaan. Gehandhaafd bleven inheemse muziekscholen van niveau die getalenteerde muziekmeesters afleverden, koorleiders, organisten, zangers, instrumentalisten en instrumentenbouwers. Maar ook componisten van inheemse komaf die zich bekwaamden in het zelf componeren van de Spaanse barokstijl waarmee ze vertrouwd waren geraakt. Nog vandaag de dag klinken bij de Moxos en de Chiquitos op zondagen en kerkelijke feesten gezangen die hun voorouders maar liefst drie eeuwen geleden van de jezuïeten leerden.
Een andere tegemoetkoming aan de inheemse bevolking van Peru waren de kerkelijke gezangen in lokale talen als het Quechua, en dan het liefst in de vorm van de villancico’s zoals die in Spanje zelf al zo populair waren. Half religieus half volks en gekruid met inheemse ritmen veroverden deze gezangen in honderdvoud de harten van Zuid-Amerikanen én Spanjaarden met Kerst, in de lijdenstijd en met Pasen. Totdat deze fusie van Spaanse en ‘wilde’ cultuur werd gezien als een uitwas en verboden werd. Door een decreet van de aartsbisschop van Lima eindigden alle muziekinstrumenten van de indios in de vlammen: de panfluiten, harpen en castagnetten. Daarmee zou ‘de duivel immers zijn kwade werk kunnen voortzetten’ en zou de afgoderij maar blijven verder smeulen. In Guatemala riskeerde iedere Maya honderd zweepslagen als hij zong of danste bij heidense plechtigheden.
Deze systematische repressie heeft niet kunnen verhinderen dat ‘heidense’ elementen vanuit Zuid-Amerika doorsijpelden naar Spanje en elders in Europa. Want naast goud, zilver, koper, aardappels, maïs, koffie, peper en slaven waren de met pittige ritmes doorspekte dansen van de indios begeerde artikelen in het beschaafde Europa. Waar zouden de ontelbare passacaglia’s, chaconnes en sarabandes zijn in de westerse klassieke muziek? Waar de gepeperde fandango van de Spaanse priester Antonio Soler? Waar het slotkoor van Bachs Matthäus-Passion? Een sarabande immers, een dans die de erotische pit van zijn Zuid-Amerikaanse oorsprong via Spanje en Frankrijk gaandeweg verloren was, en plechtig en langzaam was geworden. Misschien kan dat droeve koor iets goedmaken voor het getergde en gegeselde continent? Zoals het engagement van Pablo Neruda in zijn vuistdikke poëziebundel Canto General (1938-50) of de liefdevolle woede in de liederen van Mercedes Sosa. ‘Wir setzen uns mit Tränen nieder.’
zo 3 mei | Kleine Zaal
Música Temprana
Adrián Rodríguez Van der Spoel gitaar/tenor/artistieke leiding
Bestel hier kaarten
Bekijk het concertprogramma
‘Ze hebben je belegerd, mijn hart, en wachten op je overgave.
De enigen die verslagen worden, mijn hart, zijn zij die niet vechten.
Laat ze je vreugde niet doden, mijn hart.
Herstel je gewonde vleugels met een droom, mijn hart.
Geef je niet over, vrij hart, geef je niet over.
Geef je niet over, vrij hart, geef je niet over.’
Dit zijn woorden uit het zo kalm gezongen lied Corazón libre (‘Vrij hart’) van Mercedes Sosa. De Argentijnse zangeres (1935-2009) was jarenlang een baken van hoop in het door militaire dictaturen geplaagde Zuid-Amerika. Dankzij haar liederen over vrijheid en het geloof in een rechtvaardiger wereld, maar ook over liefde, vriendschap, standvastigheid en culturele identiteit. Omdat ze als een heilige vereerd werd, durfde de brute junta haar niet het zwijgen op te leggen, al werd ze meerdere malen met de dood bedreigd. Toen Argentinië een democratie werd, voelde Mercedes Sosa zich ook in artistiek opzicht bevrijd en keerde ze terug uit haar asiel. De grande dame, bijgenaamd ‘La Negra’, werd dé stem van Zuid-Amerika genoemd, de advocaat van de eeuwenlang onderdrukte indígenos.
Sosa bezong een continent van superlatieven. De langste bergketen op aarde, de Andes, bepaalt met zijn meer dan achtduizend kilometer al eeuwen het leven van de bewoners van Peru, Bolivia en Ecuador. De grootste watervallen ter wereld storten hier omlaag, de langste rivier van het continent, de Amazone, doorstroomt het van schoonheid en natuurgeweld getekende landschap. De droogste woestijn ter wereld, de Atacama, ligt er in het westen, in Peru de hoogste spoorlijn en in buurland Bolivia de hoogst gelegen hoofdstad, La Paz. En het grootste regenwoudgebied ter wereld ligt in Brazilië.
Dit is het continent dat vanaf de Middeleeuwen het rijk van de Inca’s herbergde, van het noorden van Ecuador tot het zuiden van Chili, groter dan het Romeinse Rijk. Tot de superlatieven telt ook het drastische en wrede einde van dat Incarijk begin zestiende eeuw, de vernietiging van de ‘heidense’ heiligdommen, het uitwissen van de cultuur en taal van de indios. En dat dankzij ‘ontdekkingsreizigers’ en veroveraars die vanuit Spanje en Portugal voet op Zuid-Amerikaanse bodem zetten, op zoek naar goud en zilver om de omvangrijke huurlegers te betalen en de krappe staatskas te spekken. Tienduizenden indianen in Peru legden het met hun houten speren en pijlen af tegen de superieure ijzeren wapens en paarden van de niets ontziende Spaanse legerleider Don Francisco Pizarro met zijn schamele tweehonderd huursoldaten.
Maar het dodelijkst waren de uit Europa geïmporteerde ziekten als mazelen en pokken. Daaraan bezweken miljoenen indios, nog meer dan aan de slavenarbeid op de plantages en in de goud-, koper- en zilvermijnen. Ter compensatie haalden de Spanjaarden en Portugezen daarom tot de afschaffing van de slavernij meer dan tien miljoen slaven uit Afrika om zo het roofkapitalisme op gang te houden waaronder Zuid-Amerika tot de dag van vandaag gebukt gaat.
De gewelven werden doorgalmd met gregoriaanse gezangen, missen en magnificats van Spaanse en Italiaanse makelij
Met de invasie van de conquistadores, de veroveraars, werd Zuid-Amerika overspoeld door missionarissen, componisten, kapelmeesters, zangers, instrumentalisten en instrumentenbouwers die hun culturele stempel kwamen drukken op het ‘wilde’ continent. Zij vonden emplooi en fortuin op de plekken van de ruïnes van verwoeste tempels van de Azteken in Mexico, die van de Maya’s in Guatemala en die van de Inca’s in Argentinië, Bolivia en Peru. Want daaroverheen werden kathedralen opgetrokken in weelderig barokke stijl naar het voorbeeld van die in Spanje en Portugal. Hier werden niet langer natuurgoden aanbeden, zoals Pachamama, de godin van de aarde, maar de god der christenen, zijn zoon Jezus en diens moeder Maria. De gewelven werden doorgalmd met gregoriaanse gezangen, met meerstemmige missen, vesperhymnen en magnificats van de beste Spaanse en Italiaanse makelij. In Mexico-Stad, Guatemala-Stad, Bogotá, Cuzco, Lima, Córdoba, Montevideo, Buenos Aires en de vele kleinere plaatsen kwamen partituren tot klinken van de grootmeesters van de Spaanse Renaissance, van Cristóbal de Morales, Antonio de Cabezón, Francisco Guerrero en Tomás Luís de Victoria.
Zoals Maarten Luther (1483-1546) in Duitsland met muziek de duivel wilde uitdrijven, zo wilden de missionarissen via hun Spaanse muziekmeesters ‘de heidense’ oerbevolking van Zuid-Amerika kerstenen en hersenspoelen. Dat lukte des te beter doordat missionarissen, en vanaf 1587 vooral de jezuïeten, zich de indianentaal Quechua eigen maakten, waardoor de communicatie verbeterde en de veroveraars een menselijker gezicht toonden. ‘Het is meer dankzij de muziek dan door het godsdienstonderwijs dat de indianen zich bekeren’, zo schreef een van de eerste bisschoppen van Mexico aan keizer Karel V in zijn verzoekschrift om meer geld voor zangers, musici en een dirigent in zijn kathedraal.
‘Half religieus half volks en gekruid met inheemse ritmen veroverden de villancico’s de harten van Zuid-Amerikanen én Spanjaarden’
Op een meer uitgekiende wijze voerden de jezuïeten hun bekeringsmissies uit in hun ‘republieken’ in de ontoegankelijke binnenlanden waar de Amazone en Paraguay-rivier ontspringen, in het zuiden van Bolivia, Paraguay en het noorden van Argentinië. Door de indringende kracht van muziek, waarvoor de inheemse bewoners zo gevoelig waren, probeerden de jezuïeten de Guaraní, de Chiquitos en de Moxos om te kneden tot ‘beschaafde’ christenen. Toen de jezuïeten-missies te veel uitgroeiden tot een staat binnen de staat, en in 1767 werden opgeheven en verboden, bleven de opgebouwde gemeenschappen veelal voortbestaan. Gehandhaafd bleven inheemse muziekscholen van niveau die getalenteerde muziekmeesters afleverden, koorleiders, organisten, zangers, instrumentalisten en instrumentenbouwers. Maar ook componisten van inheemse komaf die zich bekwaamden in het zelf componeren van de Spaanse barokstijl waarmee ze vertrouwd waren geraakt. Nog vandaag de dag klinken bij de Moxos en de Chiquitos op zondagen en kerkelijke feesten gezangen die hun voorouders maar liefst drie eeuwen geleden van de jezuïeten leerden.
Een andere tegemoetkoming aan de inheemse bevolking van Peru waren de kerkelijke gezangen in lokale talen als het Quechua, en dan het liefst in de vorm van de villancico’s zoals die in Spanje zelf al zo populair waren. Half religieus half volks en gekruid met inheemse ritmen veroverden deze gezangen in honderdvoud de harten van Zuid-Amerikanen én Spanjaarden met Kerst, in de lijdenstijd en met Pasen. Totdat deze fusie van Spaanse en ‘wilde’ cultuur werd gezien als een uitwas en verboden werd. Door een decreet van de aartsbisschop van Lima eindigden alle muziekinstrumenten van de indios in de vlammen: de panfluiten, harpen en castagnetten. Daarmee zou ‘de duivel immers zijn kwade werk kunnen voortzetten’ en zou de afgoderij maar blijven verder smeulen. In Guatemala riskeerde iedere Maya honderd zweepslagen als hij zong of danste bij heidense plechtigheden.
Deze systematische repressie heeft niet kunnen verhinderen dat ‘heidense’ elementen vanuit Zuid-Amerika doorsijpelden naar Spanje en elders in Europa. Want naast goud, zilver, koper, aardappels, maïs, koffie, peper en slaven waren de met pittige ritmes doorspekte dansen van de indios begeerde artikelen in het beschaafde Europa. Waar zouden de ontelbare passacaglia’s, chaconnes en sarabandes zijn in de westerse klassieke muziek? Waar de gepeperde fandango van de Spaanse priester Antonio Soler? Waar het slotkoor van Bachs Matthäus-Passion? Een sarabande immers, een dans die de erotische pit van zijn Zuid-Amerikaanse oorsprong via Spanje en Frankrijk gaandeweg verloren was, en plechtig en langzaam was geworden. Misschien kan dat droeve koor iets goedmaken voor het getergde en gegeselde continent? Zoals het engagement van Pablo Neruda in zijn vuistdikke poëziebundel Canto General (1938-50) of de liefdevolle woede in de liederen van Mercedes Sosa. ‘Wir setzen uns mit Tränen nieder.’
zo 3 mei | Kleine Zaal
Música Temprana
Adrián Rodríguez Van der Spoel gitaar/tenor/artistieke leiding
Bestel hier kaarten
Bekijk het concertprogramma