Herreweghe dirigeert Mendelssohn en Schumann bij het Antwerp Symphony Orchestra
Grote Zaal 02 mei 2026 20.15 uur
Antwerp Symphony Orchestra
Philippe Herreweghe dirigent
Kristian Bezuidenhout piano
Dit concert maakt deel uit van de serie Klassieke Meesterwerken.
Ook interessant:
- Zo kwamen muziekstukken aan hun bijnamen
Felix Mendelssohn (1809-1847)
Ouverture ‘Ein Sommernachtstraum’, op. 21 (1826)
Pianoconcert nr. 2 in d kl.t., op. 40 (1837)
Allegro appassionato
Adagio moto sostenuto
Finale: Presto scherzando
pauze ± 20.55 uur
Robert Schumann (1810-1856)
Symfonie nr. 3 in Es gr.t., op. 97 (1850)
‘Rheinische’
Lebhaft
Scherzo: Sehr mässig
Nicht schell
Feierlich
Lebhaft (schneller)
einde ± 22.00 uur
Antwerp Symphony Orchestra
Philippe Herreweghe dirigent
Kristian Bezuidenhout piano
Dit concert maakt deel uit van de serie Klassieke Meesterwerken.
Ook interessant:
- Zo kwamen muziekstukken aan hun bijnamen
Felix Mendelssohn (1809-1847)
Ouverture ‘Ein Sommernachtstraum’, op. 21 (1826)
Pianoconcert nr. 2 in d kl.t., op. 40 (1837)
Allegro appassionato
Adagio moto sostenuto
Finale: Presto scherzando
pauze ± 20.55 uur
Robert Schumann (1810-1856)
Symfonie nr. 3 in Es gr.t., op. 97 (1850)
‘Rheinische’
Lebhaft
Scherzo: Sehr mässig
Nicht schell
Feierlich
Lebhaft (schneller)
einde ± 22.00 uur
Toelichting
Felix Mendelssohn (1809-1847)
Ouverture ‘Ein Sommernachtstraum’
In de kunstminnende familie Mendelssohn werd het uitzonderlijke muzikale talent van Felix al vroeg opgemerkt en gestimuleerd. Literatuur behoorde vanzelfsprekend tot de opvoeding; de twee broers en twee zussen waren er gek op. In 1826 gaf een aangetrouwde oom iets nieuws te lezen: een door diens broer August Wilhelm Schlegel vertaalde versie van Shakespeares A Midsummer Night’s Dream. De zeventienjarige Felix verslond het. Die zomer, die het gezin doorbracht in en rond het grote tuinhuis bij hun Berlijnse villa, componeerde hij binnen een maand een orkestwerk waarin hij de dromerige en sprookjesachtige sfeer van het toneelstuk wonderbaarlijk knap wist te vangen.
Ondanks de traditionele sonatevorm en klassiek-symmetrische frasen lijkt de Ouverture ‘Ein Sommernachtstraum’ een verhaal te vertellen. Na vier uitwaaierende akkoorden in de houtblazers, naar verluidt geïnspireerd door een zomerse bries, lijkt een groepje elfjes naar binnen te fladderen dankzij vederlichte vioolklanken. Zodra het orkest het goedgeluimde eerste thema inzet, opent het doek: een magische wereld openbaart zich. De opeenvolging van pakkende thema’s en sfeertekeningen suggereert allerlei scènes die zich daar afspelen. In de stijl klinkt Carl Maria von Weber door; er is zelfs een muzikaal citaat uit diens opera Oberon te horen, die eerder dat jaar in Londen in première was gegaan. Kort daarna overleed Weber – Mendelssohns ouverture was ongetwijfeld een eerbetoon.
Met zo’n programmatische concertouverture was de adolescent zijn tijd ver vooruit. Zijn contrapuntleraar Carl Friedrich Zelter beschuldigde hem er zelfs van de ‘architectonische principes’ van de klassieke muziek te hebben verraden. In een brief aan Felix’ vader Abraham vergeleek Zelter het ‘Sommernachtsstück’ met een zwerm muggen, vluchtig en van korte duur.
Maar het was de start van een bloeiende carrière. En zeventien jaar later kreeg de losse ouverture een ‘thuis’: in opdracht van de Pruisische koning Friedrich Wilhelm IV componeerde Mendelssohn muziek bij het complete toneelstuk. Zo werd het opus 21 van een wonderkind onderdeel van het opus 61 van een gevierde – maar nog steeds jonge – componist. Die helaas nog maar een paar jaar te leven had.
In de kunstminnende familie Mendelssohn werd het uitzonderlijke muzikale talent van Felix al vroeg opgemerkt en gestimuleerd. Literatuur behoorde vanzelfsprekend tot de opvoeding; de twee broers en twee zussen waren er gek op. In 1826 gaf een aangetrouwde oom iets nieuws te lezen: een door diens broer August Wilhelm Schlegel vertaalde versie van Shakespeares A Midsummer Night’s Dream. De zeventienjarige Felix verslond het. Die zomer, die het gezin doorbracht in en rond het grote tuinhuis bij hun Berlijnse villa, componeerde hij binnen een maand een orkestwerk waarin hij de dromerige en sprookjesachtige sfeer van het toneelstuk wonderbaarlijk knap wist te vangen.
Ondanks de traditionele sonatevorm en klassiek-symmetrische frasen lijkt de Ouverture ‘Ein Sommernachtstraum’ een verhaal te vertellen. Na vier uitwaaierende akkoorden in de houtblazers, naar verluidt geïnspireerd door een zomerse bries, lijkt een groepje elfjes naar binnen te fladderen dankzij vederlichte vioolklanken. Zodra het orkest het goedgeluimde eerste thema inzet, opent het doek: een magische wereld openbaart zich. De opeenvolging van pakkende thema’s en sfeertekeningen suggereert allerlei scènes die zich daar afspelen. In de stijl klinkt Carl Maria von Weber door; er is zelfs een muzikaal citaat uit diens opera Oberon te horen, die eerder dat jaar in Londen in première was gegaan. Kort daarna overleed Weber – Mendelssohns ouverture was ongetwijfeld een eerbetoon.
Met zo’n programmatische concertouverture was de adolescent zijn tijd ver vooruit. Zijn contrapuntleraar Carl Friedrich Zelter beschuldigde hem er zelfs van de ‘architectonische principes’ van de klassieke muziek te hebben verraden. In een brief aan Felix’ vader Abraham vergeleek Zelter het ‘Sommernachtsstück’ met een zwerm muggen, vluchtig en van korte duur.
Maar het was de start van een bloeiende carrière. En zeventien jaar later kreeg de losse ouverture een ‘thuis’: in opdracht van de Pruisische koning Friedrich Wilhelm IV componeerde Mendelssohn muziek bij het complete toneelstuk. Zo werd het opus 21 van een wonderkind onderdeel van het opus 61 van een gevierde – maar nog steeds jonge – componist. Die helaas nog maar een paar jaar te leven had.
Felix Mendelssohn 1809-1847
Mendelssohn: Tweede pianoconcert
In de zomer van 1837 vertrok Felix Mendelssohn met zijn jonge bruid Cécile Jeanrenaud op huwelijksreis naar het Zwarte Woud en Bingen aan de Rijn. Cécile kwam er spoedig achter wat het betekende om met een kunstenaar getrouwd te zijn. Haar kersverse echtgenoot stortte zich volledig op het componeren en bij terugkomst had hij enkele gloednieuwe stukken klaar. Werk ging blijkbaar voor het meisje.
Het belangrijkste product van deze ontspannen weken was het Tweede pianoconcert in d klein. De zorgeloosheid van de huwelijksreis klinkt overal door, in weerwil van de mineurtoonsoort. Het leven lachte de jonge Mendelssohn dan ook in alle opzichten toe, zowel artistiek als privé liep alles op rolletjes. Hij was een gerespecteerd dirigent van het Leipziger Gewandhausorchester – een van de meest begerenswaardige posten in muzikaal Duitsland –, was invloedrijk, en vriend en vijand erkende zijn uitzonderlijke talent.
In de zomer van 1837 vertrok Felix Mendelssohn met zijn jonge bruid Cécile Jeanrenaud op huwelijksreis naar het Zwarte Woud en Bingen aan de Rijn. Cécile kwam er spoedig achter wat het betekende om met een kunstenaar getrouwd te zijn. Haar kersverse echtgenoot stortte zich volledig op het componeren en bij terugkomst had hij enkele gloednieuwe stukken klaar. Werk ging blijkbaar voor het meisje.
Het belangrijkste product van deze ontspannen weken was het Tweede pianoconcert in d klein. De zorgeloosheid van de huwelijksreis klinkt overal door, in weerwil van de mineurtoonsoort. Het leven lachte de jonge Mendelssohn dan ook in alle opzichten toe, zowel artistiek als privé liep alles op rolletjes. Hij was een gerespecteerd dirigent van het Leipziger Gewandhausorchester – een van de meest begerenswaardige posten in muzikaal Duitsland –, was invloedrijk, en vriend en vijand erkende zijn uitzonderlijke talent.
Het korte pianoconcert – iets meer dan twintig minuten – bruist van optimisme. Robert Schumann noemde het een ‘zorgeloos geschenk’. De pianopartij is rijk en schuurt hier en daar zelfs aan tegen het virtuoze, wat te maken kan hebben gehad met de kennismaking van Mendelssohn met de pianoleeuw Sigismund Thalberg.
Collega-componist Robert Schumann vond evenwel dat het concert een tikje uitbundiger had mogen zijn, wat dankbaarder voor de solist. Het was immers de tijd waarin muziekliefhebbers vooral genoten van klatergoud aan virtuoos vertoon in de concertzaal, van pianistische acrobatiek zoals Franz Liszt die tentoonspreidde. Mendelssohn lag zoiets echter niet.
Grootgebracht met de klassieke beginselen van evenwicht en helderheid, en met het tijdloze contrapunt van Johann Sebastian Bach, wenste hij zijn muziek niet tot voertuig te maken van protserigheid. Zijn Tweede pianoconcert werd dan ook in menig opzicht een hulde aan het verleden.
Het openingsdeel is een breed uitgesponnen sonatevorm met een wervelende doorwerking. Het stemmenweefsel daar verraadt de invloed van de late Ludwig van Beethoven, wiens strijkkwartetten en sonates door Mendelssohn tot de laatste noot onder het vergrootglas werden gelegd. Het Adagio is juist van mozartiaanse allure. Sinds de première van het concert in Birmingham, eind 1837, is dit een publiekstrekker gebleven, vergelijkbaar met het model waarop het lijkt te zijn gebaseerd: Mozarts Pianoconcert in d-klein, KV 466.
De milde, hoogromantische melodie die Mendelssohn ontvouwt ondergaat diverse transformaties, maar nergens wordt echt dramatiek gezocht. Ook tegenwoordig verkiezen we deze intieme expressie boven vingervlugge hoogstandjes zoals die in de sprankelende Finale, ingebed in een compact en uitbundig Presto scherzando. Zulke brille vormt voor professionele pianisten van nu geen enkel struikelblok.
Het korte pianoconcert – iets meer dan twintig minuten – bruist van optimisme. Robert Schumann noemde het een ‘zorgeloos geschenk’. De pianopartij is rijk en schuurt hier en daar zelfs aan tegen het virtuoze, wat te maken kan hebben gehad met de kennismaking van Mendelssohn met de pianoleeuw Sigismund Thalberg.
Collega-componist Robert Schumann vond evenwel dat het concert een tikje uitbundiger had mogen zijn, wat dankbaarder voor de solist. Het was immers de tijd waarin muziekliefhebbers vooral genoten van klatergoud aan virtuoos vertoon in de concertzaal, van pianistische acrobatiek zoals Franz Liszt die tentoonspreidde. Mendelssohn lag zoiets echter niet.
Grootgebracht met de klassieke beginselen van evenwicht en helderheid, en met het tijdloze contrapunt van Johann Sebastian Bach, wenste hij zijn muziek niet tot voertuig te maken van protserigheid. Zijn Tweede pianoconcert werd dan ook in menig opzicht een hulde aan het verleden.
Het openingsdeel is een breed uitgesponnen sonatevorm met een wervelende doorwerking. Het stemmenweefsel daar verraadt de invloed van de late Ludwig van Beethoven, wiens strijkkwartetten en sonates door Mendelssohn tot de laatste noot onder het vergrootglas werden gelegd. Het Adagio is juist van mozartiaanse allure. Sinds de première van het concert in Birmingham, eind 1837, is dit een publiekstrekker gebleven, vergelijkbaar met het model waarop het lijkt te zijn gebaseerd: Mozarts Pianoconcert in d-klein, KV 466.
De milde, hoogromantische melodie die Mendelssohn ontvouwt ondergaat diverse transformaties, maar nergens wordt echt dramatiek gezocht. Ook tegenwoordig verkiezen we deze intieme expressie boven vingervlugge hoogstandjes zoals die in de sprankelende Finale, ingebed in een compact en uitbundig Presto scherzando. Zulke brille vormt voor professionele pianisten van nu geen enkel struikelblok.
Robert Schumann (1810-1856)
‘Rheinische’ symfonie
Bij pianostukken en liederen was Robert Schumann in zijn natuurlijke element. Ze klinken zo spontaan en vanzelfsprekend, dat hij noten leek te ademen in plaats van te bedenken en op te schrijven. De vier symfonieën zijn onmiskenbaar van dezelfde maker, maar toch van een andere orde: de weg van inventie naar klinkend resultaat is aanzienlijk langer. In Schumanns tijd was een goede symfonie een gelaagd bouwsel met een sterke interne samenhang.
Schumann, de improvisator, zou zich als ‘architect’ bewijzen.
Aan zulke constructies waagde hij zich aanvankelijk niet, tot zijn vrouw Clara hem over de streep trok. Als concertpianiste was zij vertrouwd met zijn pianostukken, en die waren volgens haar ‘volkomen orkestraal gedacht’. Een extra stimulans was zijn ontdekking van Franz Schuberts Symfonie in C groot: klinkend bewijs dat een typische liedcomponist grotere vormen kon veroveren. Schumann, de improvisator, zou zich als ‘architect’ bewijzen.
Na het succes van zijn Eerste symfonie volgden er vrij snel na elkaar nog drie, waarvan de Derde de laatste (de nummering correspondeert niet met de ontstaansvolgorde) en in menig opzicht de beste is. De orkestratie is effectiever dan in de eerdere drie, en ondanks de vorminvloeden van de grote Ludwig van Beethoven hoor je vooral een componist met een eigen agenda en een eigen verhaal. Later zou zelfs de altijd kritische Pjotr Tsjaikovski zich lovend over dit werk uitlaten. Dat juist deze symfonie zo overtuigt, heeft alles te maken met de pakkende thema’s: die moesten ‘klinken als volksmuziek’, aldus Schumann. Het duidelijkst hoor je dat in het tweede deel, een volksdans-achtig Scherzo. Maar ook de andere delen zitten vol markante deuntjes die je bijblijven en waarop je meteen een tekst zou kunnen plakken.
Schumann voltooide het werk binnen een paar weken in Düsseldorf, waar hij zojuist een nieuwe baan als dirigent had aangenomen. Het omliggende landschap en een boottocht over de Rijn met Clara werkten inspirerend – al was het niet Schumann zelf die deze symfonie de bijnaam ‘Rheinische’ gaf. Anekdotisch is wel de ‘kathedraalmuziek’ in het vierde deel (Feierlich): het is een impressie van de mis die de Schumanns bijwoonden toen ze tijdens hun Rijntrip de in aanbouw zijnde Dom van Keulen bezochten. In dit wonderlijke deel treden de tot dan toe zwijgende trombones op de voorgrond, met een bijna verblindend effect. Eigenlijk heeft de hele symfonie een spiritueel karakter: na het uitbundige openingsdeel wordt de sfeer geleidelijk ingetogener, de tempo’s worden trager, de expressie geconcentreerder – totdat in de Finale de volksliedjes en -dansjes weer losbarsten. Schumanns streven was om mensen door kunst met het hogere te verbinden; in deze symfonie kwam hij hoog, maar stond hij nog net met beide benen op de grond. Want helaas schreef hij hiermee eigenlijk ook zijn muzikale testament. Na de voltooiing verslechterde zijn geestelijke gezondheid razendsnel en zaten artistieke voltreffers er niet meer in. Zes jaar later overleed de componist in een psychiatrisch ziekenhuis.
Bij pianostukken en liederen was Robert Schumann in zijn natuurlijke element. Ze klinken zo spontaan en vanzelfsprekend, dat hij noten leek te ademen in plaats van te bedenken en op te schrijven. De vier symfonieën zijn onmiskenbaar van dezelfde maker, maar toch van een andere orde: de weg van inventie naar klinkend resultaat is aanzienlijk langer. In Schumanns tijd was een goede symfonie een gelaagd bouwsel met een sterke interne samenhang.
Schumann, de improvisator, zou zich als ‘architect’ bewijzen.
Aan zulke constructies waagde hij zich aanvankelijk niet, tot zijn vrouw Clara hem over de streep trok. Als concertpianiste was zij vertrouwd met zijn pianostukken, en die waren volgens haar ‘volkomen orkestraal gedacht’. Een extra stimulans was zijn ontdekking van Franz Schuberts Symfonie in C groot: klinkend bewijs dat een typische liedcomponist grotere vormen kon veroveren. Schumann, de improvisator, zou zich als ‘architect’ bewijzen.
Na het succes van zijn Eerste symfonie volgden er vrij snel na elkaar nog drie, waarvan de Derde de laatste (de nummering correspondeert niet met de ontstaansvolgorde) en in menig opzicht de beste is. De orkestratie is effectiever dan in de eerdere drie, en ondanks de vorminvloeden van de grote Ludwig van Beethoven hoor je vooral een componist met een eigen agenda en een eigen verhaal. Later zou zelfs de altijd kritische Pjotr Tsjaikovski zich lovend over dit werk uitlaten. Dat juist deze symfonie zo overtuigt, heeft alles te maken met de pakkende thema’s: die moesten ‘klinken als volksmuziek’, aldus Schumann. Het duidelijkst hoor je dat in het tweede deel, een volksdans-achtig Scherzo. Maar ook de andere delen zitten vol markante deuntjes die je bijblijven en waarop je meteen een tekst zou kunnen plakken.
Schumann voltooide het werk binnen een paar weken in Düsseldorf, waar hij zojuist een nieuwe baan als dirigent had aangenomen. Het omliggende landschap en een boottocht over de Rijn met Clara werkten inspirerend – al was het niet Schumann zelf die deze symfonie de bijnaam ‘Rheinische’ gaf. Anekdotisch is wel de ‘kathedraalmuziek’ in het vierde deel (Feierlich): het is een impressie van de mis die de Schumanns bijwoonden toen ze tijdens hun Rijntrip de in aanbouw zijnde Dom van Keulen bezochten. In dit wonderlijke deel treden de tot dan toe zwijgende trombones op de voorgrond, met een bijna verblindend effect. Eigenlijk heeft de hele symfonie een spiritueel karakter: na het uitbundige openingsdeel wordt de sfeer geleidelijk ingetogener, de tempo’s worden trager, de expressie geconcentreerder – totdat in de Finale de volksliedjes en -dansjes weer losbarsten. Schumanns streven was om mensen door kunst met het hogere te verbinden; in deze symfonie kwam hij hoog, maar stond hij nog net met beide benen op de grond. Want helaas schreef hij hiermee eigenlijk ook zijn muzikale testament. Na de voltooiing verslechterde zijn geestelijke gezondheid razendsnel en zaten artistieke voltreffers er niet meer in. Zes jaar later overleed de componist in een psychiatrisch ziekenhuis.
Felix Mendelssohn (1809-1847)
Ouverture ‘Ein Sommernachtstraum’
In de kunstminnende familie Mendelssohn werd het uitzonderlijke muzikale talent van Felix al vroeg opgemerkt en gestimuleerd. Literatuur behoorde vanzelfsprekend tot de opvoeding; de twee broers en twee zussen waren er gek op. In 1826 gaf een aangetrouwde oom iets nieuws te lezen: een door diens broer August Wilhelm Schlegel vertaalde versie van Shakespeares A Midsummer Night’s Dream. De zeventienjarige Felix verslond het. Die zomer, die het gezin doorbracht in en rond het grote tuinhuis bij hun Berlijnse villa, componeerde hij binnen een maand een orkestwerk waarin hij de dromerige en sprookjesachtige sfeer van het toneelstuk wonderbaarlijk knap wist te vangen.
Ondanks de traditionele sonatevorm en klassiek-symmetrische frasen lijkt de Ouverture ‘Ein Sommernachtstraum’ een verhaal te vertellen. Na vier uitwaaierende akkoorden in de houtblazers, naar verluidt geïnspireerd door een zomerse bries, lijkt een groepje elfjes naar binnen te fladderen dankzij vederlichte vioolklanken. Zodra het orkest het goedgeluimde eerste thema inzet, opent het doek: een magische wereld openbaart zich. De opeenvolging van pakkende thema’s en sfeertekeningen suggereert allerlei scènes die zich daar afspelen. In de stijl klinkt Carl Maria von Weber door; er is zelfs een muzikaal citaat uit diens opera Oberon te horen, die eerder dat jaar in Londen in première was gegaan. Kort daarna overleed Weber – Mendelssohns ouverture was ongetwijfeld een eerbetoon.
Met zo’n programmatische concertouverture was de adolescent zijn tijd ver vooruit. Zijn contrapuntleraar Carl Friedrich Zelter beschuldigde hem er zelfs van de ‘architectonische principes’ van de klassieke muziek te hebben verraden. In een brief aan Felix’ vader Abraham vergeleek Zelter het ‘Sommernachtsstück’ met een zwerm muggen, vluchtig en van korte duur.
Maar het was de start van een bloeiende carrière. En zeventien jaar later kreeg de losse ouverture een ‘thuis’: in opdracht van de Pruisische koning Friedrich Wilhelm IV componeerde Mendelssohn muziek bij het complete toneelstuk. Zo werd het opus 21 van een wonderkind onderdeel van het opus 61 van een gevierde – maar nog steeds jonge – componist. Die helaas nog maar een paar jaar te leven had.
In de kunstminnende familie Mendelssohn werd het uitzonderlijke muzikale talent van Felix al vroeg opgemerkt en gestimuleerd. Literatuur behoorde vanzelfsprekend tot de opvoeding; de twee broers en twee zussen waren er gek op. In 1826 gaf een aangetrouwde oom iets nieuws te lezen: een door diens broer August Wilhelm Schlegel vertaalde versie van Shakespeares A Midsummer Night’s Dream. De zeventienjarige Felix verslond het. Die zomer, die het gezin doorbracht in en rond het grote tuinhuis bij hun Berlijnse villa, componeerde hij binnen een maand een orkestwerk waarin hij de dromerige en sprookjesachtige sfeer van het toneelstuk wonderbaarlijk knap wist te vangen.
Ondanks de traditionele sonatevorm en klassiek-symmetrische frasen lijkt de Ouverture ‘Ein Sommernachtstraum’ een verhaal te vertellen. Na vier uitwaaierende akkoorden in de houtblazers, naar verluidt geïnspireerd door een zomerse bries, lijkt een groepje elfjes naar binnen te fladderen dankzij vederlichte vioolklanken. Zodra het orkest het goedgeluimde eerste thema inzet, opent het doek: een magische wereld openbaart zich. De opeenvolging van pakkende thema’s en sfeertekeningen suggereert allerlei scènes die zich daar afspelen. In de stijl klinkt Carl Maria von Weber door; er is zelfs een muzikaal citaat uit diens opera Oberon te horen, die eerder dat jaar in Londen in première was gegaan. Kort daarna overleed Weber – Mendelssohns ouverture was ongetwijfeld een eerbetoon.
Met zo’n programmatische concertouverture was de adolescent zijn tijd ver vooruit. Zijn contrapuntleraar Carl Friedrich Zelter beschuldigde hem er zelfs van de ‘architectonische principes’ van de klassieke muziek te hebben verraden. In een brief aan Felix’ vader Abraham vergeleek Zelter het ‘Sommernachtsstück’ met een zwerm muggen, vluchtig en van korte duur.
Maar het was de start van een bloeiende carrière. En zeventien jaar later kreeg de losse ouverture een ‘thuis’: in opdracht van de Pruisische koning Friedrich Wilhelm IV componeerde Mendelssohn muziek bij het complete toneelstuk. Zo werd het opus 21 van een wonderkind onderdeel van het opus 61 van een gevierde – maar nog steeds jonge – componist. Die helaas nog maar een paar jaar te leven had.
Felix Mendelssohn 1809-1847
Mendelssohn: Tweede pianoconcert
In de zomer van 1837 vertrok Felix Mendelssohn met zijn jonge bruid Cécile Jeanrenaud op huwelijksreis naar het Zwarte Woud en Bingen aan de Rijn. Cécile kwam er spoedig achter wat het betekende om met een kunstenaar getrouwd te zijn. Haar kersverse echtgenoot stortte zich volledig op het componeren en bij terugkomst had hij enkele gloednieuwe stukken klaar. Werk ging blijkbaar voor het meisje.
Het belangrijkste product van deze ontspannen weken was het Tweede pianoconcert in d klein. De zorgeloosheid van de huwelijksreis klinkt overal door, in weerwil van de mineurtoonsoort. Het leven lachte de jonge Mendelssohn dan ook in alle opzichten toe, zowel artistiek als privé liep alles op rolletjes. Hij was een gerespecteerd dirigent van het Leipziger Gewandhausorchester – een van de meest begerenswaardige posten in muzikaal Duitsland –, was invloedrijk, en vriend en vijand erkende zijn uitzonderlijke talent.
In de zomer van 1837 vertrok Felix Mendelssohn met zijn jonge bruid Cécile Jeanrenaud op huwelijksreis naar het Zwarte Woud en Bingen aan de Rijn. Cécile kwam er spoedig achter wat het betekende om met een kunstenaar getrouwd te zijn. Haar kersverse echtgenoot stortte zich volledig op het componeren en bij terugkomst had hij enkele gloednieuwe stukken klaar. Werk ging blijkbaar voor het meisje.
Het belangrijkste product van deze ontspannen weken was het Tweede pianoconcert in d klein. De zorgeloosheid van de huwelijksreis klinkt overal door, in weerwil van de mineurtoonsoort. Het leven lachte de jonge Mendelssohn dan ook in alle opzichten toe, zowel artistiek als privé liep alles op rolletjes. Hij was een gerespecteerd dirigent van het Leipziger Gewandhausorchester – een van de meest begerenswaardige posten in muzikaal Duitsland –, was invloedrijk, en vriend en vijand erkende zijn uitzonderlijke talent.
Het korte pianoconcert – iets meer dan twintig minuten – bruist van optimisme. Robert Schumann noemde het een ‘zorgeloos geschenk’. De pianopartij is rijk en schuurt hier en daar zelfs aan tegen het virtuoze, wat te maken kan hebben gehad met de kennismaking van Mendelssohn met de pianoleeuw Sigismund Thalberg.
Collega-componist Robert Schumann vond evenwel dat het concert een tikje uitbundiger had mogen zijn, wat dankbaarder voor de solist. Het was immers de tijd waarin muziekliefhebbers vooral genoten van klatergoud aan virtuoos vertoon in de concertzaal, van pianistische acrobatiek zoals Franz Liszt die tentoonspreidde. Mendelssohn lag zoiets echter niet.
Grootgebracht met de klassieke beginselen van evenwicht en helderheid, en met het tijdloze contrapunt van Johann Sebastian Bach, wenste hij zijn muziek niet tot voertuig te maken van protserigheid. Zijn Tweede pianoconcert werd dan ook in menig opzicht een hulde aan het verleden.
Het openingsdeel is een breed uitgesponnen sonatevorm met een wervelende doorwerking. Het stemmenweefsel daar verraadt de invloed van de late Ludwig van Beethoven, wiens strijkkwartetten en sonates door Mendelssohn tot de laatste noot onder het vergrootglas werden gelegd. Het Adagio is juist van mozartiaanse allure. Sinds de première van het concert in Birmingham, eind 1837, is dit een publiekstrekker gebleven, vergelijkbaar met het model waarop het lijkt te zijn gebaseerd: Mozarts Pianoconcert in d-klein, KV 466.
De milde, hoogromantische melodie die Mendelssohn ontvouwt ondergaat diverse transformaties, maar nergens wordt echt dramatiek gezocht. Ook tegenwoordig verkiezen we deze intieme expressie boven vingervlugge hoogstandjes zoals die in de sprankelende Finale, ingebed in een compact en uitbundig Presto scherzando. Zulke brille vormt voor professionele pianisten van nu geen enkel struikelblok.
Het korte pianoconcert – iets meer dan twintig minuten – bruist van optimisme. Robert Schumann noemde het een ‘zorgeloos geschenk’. De pianopartij is rijk en schuurt hier en daar zelfs aan tegen het virtuoze, wat te maken kan hebben gehad met de kennismaking van Mendelssohn met de pianoleeuw Sigismund Thalberg.
Collega-componist Robert Schumann vond evenwel dat het concert een tikje uitbundiger had mogen zijn, wat dankbaarder voor de solist. Het was immers de tijd waarin muziekliefhebbers vooral genoten van klatergoud aan virtuoos vertoon in de concertzaal, van pianistische acrobatiek zoals Franz Liszt die tentoonspreidde. Mendelssohn lag zoiets echter niet.
Grootgebracht met de klassieke beginselen van evenwicht en helderheid, en met het tijdloze contrapunt van Johann Sebastian Bach, wenste hij zijn muziek niet tot voertuig te maken van protserigheid. Zijn Tweede pianoconcert werd dan ook in menig opzicht een hulde aan het verleden.
Het openingsdeel is een breed uitgesponnen sonatevorm met een wervelende doorwerking. Het stemmenweefsel daar verraadt de invloed van de late Ludwig van Beethoven, wiens strijkkwartetten en sonates door Mendelssohn tot de laatste noot onder het vergrootglas werden gelegd. Het Adagio is juist van mozartiaanse allure. Sinds de première van het concert in Birmingham, eind 1837, is dit een publiekstrekker gebleven, vergelijkbaar met het model waarop het lijkt te zijn gebaseerd: Mozarts Pianoconcert in d-klein, KV 466.
De milde, hoogromantische melodie die Mendelssohn ontvouwt ondergaat diverse transformaties, maar nergens wordt echt dramatiek gezocht. Ook tegenwoordig verkiezen we deze intieme expressie boven vingervlugge hoogstandjes zoals die in de sprankelende Finale, ingebed in een compact en uitbundig Presto scherzando. Zulke brille vormt voor professionele pianisten van nu geen enkel struikelblok.
Robert Schumann (1810-1856)
‘Rheinische’ symfonie
Bij pianostukken en liederen was Robert Schumann in zijn natuurlijke element. Ze klinken zo spontaan en vanzelfsprekend, dat hij noten leek te ademen in plaats van te bedenken en op te schrijven. De vier symfonieën zijn onmiskenbaar van dezelfde maker, maar toch van een andere orde: de weg van inventie naar klinkend resultaat is aanzienlijk langer. In Schumanns tijd was een goede symfonie een gelaagd bouwsel met een sterke interne samenhang.
Schumann, de improvisator, zou zich als ‘architect’ bewijzen.
Aan zulke constructies waagde hij zich aanvankelijk niet, tot zijn vrouw Clara hem over de streep trok. Als concertpianiste was zij vertrouwd met zijn pianostukken, en die waren volgens haar ‘volkomen orkestraal gedacht’. Een extra stimulans was zijn ontdekking van Franz Schuberts Symfonie in C groot: klinkend bewijs dat een typische liedcomponist grotere vormen kon veroveren. Schumann, de improvisator, zou zich als ‘architect’ bewijzen.
Na het succes van zijn Eerste symfonie volgden er vrij snel na elkaar nog drie, waarvan de Derde de laatste (de nummering correspondeert niet met de ontstaansvolgorde) en in menig opzicht de beste is. De orkestratie is effectiever dan in de eerdere drie, en ondanks de vorminvloeden van de grote Ludwig van Beethoven hoor je vooral een componist met een eigen agenda en een eigen verhaal. Later zou zelfs de altijd kritische Pjotr Tsjaikovski zich lovend over dit werk uitlaten. Dat juist deze symfonie zo overtuigt, heeft alles te maken met de pakkende thema’s: die moesten ‘klinken als volksmuziek’, aldus Schumann. Het duidelijkst hoor je dat in het tweede deel, een volksdans-achtig Scherzo. Maar ook de andere delen zitten vol markante deuntjes die je bijblijven en waarop je meteen een tekst zou kunnen plakken.
Schumann voltooide het werk binnen een paar weken in Düsseldorf, waar hij zojuist een nieuwe baan als dirigent had aangenomen. Het omliggende landschap en een boottocht over de Rijn met Clara werkten inspirerend – al was het niet Schumann zelf die deze symfonie de bijnaam ‘Rheinische’ gaf. Anekdotisch is wel de ‘kathedraalmuziek’ in het vierde deel (Feierlich): het is een impressie van de mis die de Schumanns bijwoonden toen ze tijdens hun Rijntrip de in aanbouw zijnde Dom van Keulen bezochten. In dit wonderlijke deel treden de tot dan toe zwijgende trombones op de voorgrond, met een bijna verblindend effect. Eigenlijk heeft de hele symfonie een spiritueel karakter: na het uitbundige openingsdeel wordt de sfeer geleidelijk ingetogener, de tempo’s worden trager, de expressie geconcentreerder – totdat in de Finale de volksliedjes en -dansjes weer losbarsten. Schumanns streven was om mensen door kunst met het hogere te verbinden; in deze symfonie kwam hij hoog, maar stond hij nog net met beide benen op de grond. Want helaas schreef hij hiermee eigenlijk ook zijn muzikale testament. Na de voltooiing verslechterde zijn geestelijke gezondheid razendsnel en zaten artistieke voltreffers er niet meer in. Zes jaar later overleed de componist in een psychiatrisch ziekenhuis.
Bij pianostukken en liederen was Robert Schumann in zijn natuurlijke element. Ze klinken zo spontaan en vanzelfsprekend, dat hij noten leek te ademen in plaats van te bedenken en op te schrijven. De vier symfonieën zijn onmiskenbaar van dezelfde maker, maar toch van een andere orde: de weg van inventie naar klinkend resultaat is aanzienlijk langer. In Schumanns tijd was een goede symfonie een gelaagd bouwsel met een sterke interne samenhang.
Schumann, de improvisator, zou zich als ‘architect’ bewijzen.
Aan zulke constructies waagde hij zich aanvankelijk niet, tot zijn vrouw Clara hem over de streep trok. Als concertpianiste was zij vertrouwd met zijn pianostukken, en die waren volgens haar ‘volkomen orkestraal gedacht’. Een extra stimulans was zijn ontdekking van Franz Schuberts Symfonie in C groot: klinkend bewijs dat een typische liedcomponist grotere vormen kon veroveren. Schumann, de improvisator, zou zich als ‘architect’ bewijzen.
Na het succes van zijn Eerste symfonie volgden er vrij snel na elkaar nog drie, waarvan de Derde de laatste (de nummering correspondeert niet met de ontstaansvolgorde) en in menig opzicht de beste is. De orkestratie is effectiever dan in de eerdere drie, en ondanks de vorminvloeden van de grote Ludwig van Beethoven hoor je vooral een componist met een eigen agenda en een eigen verhaal. Later zou zelfs de altijd kritische Pjotr Tsjaikovski zich lovend over dit werk uitlaten. Dat juist deze symfonie zo overtuigt, heeft alles te maken met de pakkende thema’s: die moesten ‘klinken als volksmuziek’, aldus Schumann. Het duidelijkst hoor je dat in het tweede deel, een volksdans-achtig Scherzo. Maar ook de andere delen zitten vol markante deuntjes die je bijblijven en waarop je meteen een tekst zou kunnen plakken.
Schumann voltooide het werk binnen een paar weken in Düsseldorf, waar hij zojuist een nieuwe baan als dirigent had aangenomen. Het omliggende landschap en een boottocht over de Rijn met Clara werkten inspirerend – al was het niet Schumann zelf die deze symfonie de bijnaam ‘Rheinische’ gaf. Anekdotisch is wel de ‘kathedraalmuziek’ in het vierde deel (Feierlich): het is een impressie van de mis die de Schumanns bijwoonden toen ze tijdens hun Rijntrip de in aanbouw zijnde Dom van Keulen bezochten. In dit wonderlijke deel treden de tot dan toe zwijgende trombones op de voorgrond, met een bijna verblindend effect. Eigenlijk heeft de hele symfonie een spiritueel karakter: na het uitbundige openingsdeel wordt de sfeer geleidelijk ingetogener, de tempo’s worden trager, de expressie geconcentreerder – totdat in de Finale de volksliedjes en -dansjes weer losbarsten. Schumanns streven was om mensen door kunst met het hogere te verbinden; in deze symfonie kwam hij hoog, maar stond hij nog net met beide benen op de grond. Want helaas schreef hij hiermee eigenlijk ook zijn muzikale testament. Na de voltooiing verslechterde zijn geestelijke gezondheid razendsnel en zaten artistieke voltreffers er niet meer in. Zes jaar later overleed de componist in een psychiatrisch ziekenhuis.
Biografie
Antwerp Symphony Orchestra, orkest
Het Antwerp Symphony Orchestra heeft de Koningin Elisabethzaal in Antwerpen als thuisbasis. Philippe Herreweghe (sinds 1997 aan het orkest verbonden) is eredirigent, en Jaap van Zweden (chef 2008-2011) dirigent emeritus, en vanaf seizoen 2026/2027 neemt Marc Albrecht de rol van chef-dirigent op zich. Hij volgt Elim Chan op, die sinds september 2019 vijf jaar chef-dirigent was.
Het Antwerp Symphony Orchestra bestaat sinds 1955 en dankzij eigen series in Concertgebouw Brugge, Muziekcentrum De Bijloke (Gent) en Bozar (Brussel) bekleedt het een unieke positie in Vlaanderen. In het buitenland treedt het op als Vlaams cultureel ambassadeur; zo was het afgelopen jaar nog te gast op het George Enescu Festival in Boekarest. De programmering strekt zich uit van de Barok tot de hedendaagse muziek, met bijzondere aandacht voor Vlaams muzikaal erfgoed en het symfonische repertoire van de negentiende en twintigste eeuw.
In de discografie ligt de focus op het grote symfonische werk, muziek van eigen bodem en hedendaags klassiek. Naast zijn reguliere concerten biedt het Antwerp Symphony Orchestra educatieve en sociale projecten, waarmee het kinderen, jongeren en mensen met verschillende achtergronden door de symfonische klankwereld gidst. Met een jeugdorkest en een academie koestert het jong talent. In Het Concertgebouw is het Antwerp Symphony Orchestra geregeld te gast, meest recent met een Italiaans operaprogramma in Het Zondagochtend Concert op 25 september jongstleden.
Philippe Herreweghe, dirigent
Philippe Herreweghe combineerde in zijn geboorteplaats Gent zijn universitaire studie (geneeskunde en psychiatrie) met een conservatoriumopleiding piano. Al in die jaren begon hij met dirigeren en in 1970 richtte hij Collegium Vocale Gent op. Nikolaus Harnoncourt en Gustav Leonhardt merkten zijn uitzonderlijke benaderingswijze op en nodigden hem uit om mee te werken aan hun opnames van de verzamelde Bachcantates.
Philippe Herreweghe groeide uit tot een van de bekendste oudemuziekdirigenten, en zou zijn repertoire gestaag uitbreiden naar de symfonische canon. Hij was oprichter van La Chapelle Royale (1977, Franse muziek uit de zeventiende eeuw), het Orchestre des Champs-Elysées (1991, romantisch en preromantisch repertoire op originele instrumenten) en zijn eigen Italiaanse festival Collegium Vocale Crete Senesi (2001). Met een discografie van meer dan 120 titels begon de dirigent in 2010 zijn eigen label (PHI).
Sinds 1997 is Philippe Herreweghe bovendien eredirigent van het Antwerp Symphony Orchestra. Als gastdirigent stond hij voor het Concertgebouworkest, het Gewandhausorchester Leipzig, het Mahler Chamber Orchestra, het Scottisch Chamber Orchestra, het Tonhalle-Orchester Zürich en verschillende Amerikaanse gezelschappen. Het vorige optreden van Philippe Herreweghe in de Eigen Programmering van Het Concertgebouw was op 21 november 2023 met Mozarts ‘Haffner’-symfonie en Requiem door zijn eigen gezelschappen Collegium Vocale Gent en Orchestre des Champs-Élysées.
Kristian Bezuidenhout, piano
Kristian Bezuidenhout werd geboren in Zuid-Afrika, studeerde in Australië en New York, en woont nu in Londen. Hij studeerde piano bij Rebecca Penneys, fortepiano bij Malcolm Bilson, klavecimbel bij Arthur Haas en basso continuo bij Paul O’Dette. Op 21-jarige leeftijd won hij het fortepianoconcours van het Festival Musica Antiqua in Brugge (2001), wat het begin markeerde van een indrukwekkende internationale carrière.
Kristian Bezuidenhout excelleert op een breed scala aan klavierinstrumenten, zowel historische als moderne, en werkt met vooraanstaande ensembles, orkesten, dirigenten en solisten wereldwijd. Als solist trad hij op met onder andere het Chamber Orchestra of Europe, Les Arts Florissants, het Orchestre des Champs-Élysées, het Chicago Symphony Orchestra en het Gewandhausorchester Leipzig.
Als dirigent vanaf het klavier leidde hij onder meer het Orkest van de Achttiende Eeuw, Collegium Vocale Gent, het Dunedin Consort en het Concertgebouworkest (januari 2018). Hij is vaste gastdirigent van het Freiburger Barockorchester en The English Concert. Dit seizoen debuteert Kristian Bezuidenhout bij het Noors Radio Orkest, Tampere Filharmonia en het SWR Symphonie-orchester, en speelt hij kamermuziek met violiste Isabelle Faust, tenor Julian Prégardien en het Consone Quartet – dit laatste ook als onderdeel van een residency in Bourgie Hall (Montreal).
Zijn vorige optreden in de Kleine Zaal was op 20 januari jongstleden een Schubertiade met mezzosopraan Anne Sofie von Otter. In de Grote Zaal was Kristian Bezuidenhout voor het laatst te beluisteren in een solorecital in de serie Grote Pianisten op 9 januari 2023.