Hagen Quartett neemt afscheid: Mozarts 'Pruisische' strijkkwartetten
Kleine Zaal 27 februari 2026 20.15 uur
Hagen Quartett:
Lukas Hagen viool
Rainer Schmidt viool
Veronika Hagen altviool
Clemens Hagen cello
Ook interessant:
- Het achtergrondverhaal over de manuscripten van Mozarts Pruisische kwartetten
- 7 x Hagen Quartett
- Het afscheidsinterview met het Hagen Quartett
MOZARTS PRUISISCHE KWARTETTEN
Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)
Strijkkwartet in D gr.t., KV 575 (1789)
Allegretto
Andante
Menuetto: Allegretto
Allegretto
Strijkkwartet in Bes gr.t., KV 589 (1790)
Allegro
Larghetto
Menuetto – Moderato
Allegro assai
pauze ± 21.10 uur
Strijkkwartet in F gr.t., KV 590 (1790)
Allegro moderato
Andante
Menuetto: Allegretto
Allegro
einde ± 22.00 uur
Hagen Quartett:
Lukas Hagen viool
Rainer Schmidt viool
Veronika Hagen altviool
Clemens Hagen cello
Ook interessant:
- Het achtergrondverhaal over de manuscripten van Mozarts Pruisische kwartetten
- 7 x Hagen Quartett
- Het afscheidsinterview met het Hagen Quartett
MOZARTS PRUISISCHE KWARTETTEN
Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)
Strijkkwartet in D gr.t., KV 575 (1789)
Allegretto
Andante
Menuetto: Allegretto
Allegretto
Strijkkwartet in Bes gr.t., KV 589 (1790)
Allegro
Larghetto
Menuetto – Moderato
Allegro assai
pauze ± 21.10 uur
Strijkkwartet in F gr.t., KV 590 (1790)
Allegro moderato
Andante
Menuetto: Allegretto
Allegro
einde ± 22.00 uur
Toelichting
Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)
Pruisische kwartetten
De Weense klassieke stijl in allerhoogste bloei – zo mag je Wolfgang Amadeus Mozarts drie Pruisische kwartetten omschrijven. Wat vorm betreft is er een zorgvuldig uitgekristalliseerd evenwicht (sonatedeel, lyrisch langzaam deel, menuet, opzwepende finale), en ook wat inhoud aangaat kan het haast niet delicater (motivisch spel, gedoseerde contrapuntiek, speelse dialogen, melodisch-harmonische afwisseling). Tel daarbij op de instrumentale balans (ook de cello is geëmancipeerd) en de idiomatische eenvoud (de zes eerdere ‘Haydn-kwartetten’ zijn aanzienlijk doorwrochter) en het begrip ‘klassiek’ komt hier volledig tot haar recht.
Het Strijkkwartet in D groot, KV 575 is een demonstratie van Mozarts kunnen. Het openingsdeel is het prototype van de geïntegreerde sonatevorm, met bijvoorbeeld fragmenten van het eerste thema die in overgangs- en slotzinnen terugkeren, en onooglijke motiefjes die in de doorwerking ineens tot hoofdzaak worden gemaakt. Aan zulke procedés herken je de ware meester die boven de materie staat. Boeiend aan het lyrische Andante is de manier waarop thematisch materiaal is verdeeld over de vier instrumenten, met de cello in een ongewoon hoog register. Die bijzondere behandeling van de cello, die ook in het middendeel van het vrolijke Allegretto (deel 3) opvalt, is wel in verband gebracht met Mozarts poging om de cellospelende Pruisische koning [Friedrich Wilhelm II, red.] te plezieren. De finale is een feest van de dialoog: altviool en cello respectievelijk de twee violen vormen koppeltjes die een motief van zes noten presenteren. Later vallen er drie noten van af – een vorm van ‘thematische liquidatie’ die Mozart ook in zijn late symfonieën toepast.
De Weense klassieke stijl in allerhoogste bloei – zo mag je Wolfgang Amadeus Mozarts drie Pruisische kwartetten omschrijven. Wat vorm betreft is er een zorgvuldig uitgekristalliseerd evenwicht (sonatedeel, lyrisch langzaam deel, menuet, opzwepende finale), en ook wat inhoud aangaat kan het haast niet delicater (motivisch spel, gedoseerde contrapuntiek, speelse dialogen, melodisch-harmonische afwisseling). Tel daarbij op de instrumentale balans (ook de cello is geëmancipeerd) en de idiomatische eenvoud (de zes eerdere ‘Haydn-kwartetten’ zijn aanzienlijk doorwrochter) en het begrip ‘klassiek’ komt hier volledig tot haar recht.
Het Strijkkwartet in D groot, KV 575 is een demonstratie van Mozarts kunnen. Het openingsdeel is het prototype van de geïntegreerde sonatevorm, met bijvoorbeeld fragmenten van het eerste thema die in overgangs- en slotzinnen terugkeren, en onooglijke motiefjes die in de doorwerking ineens tot hoofdzaak worden gemaakt. Aan zulke procedés herken je de ware meester die boven de materie staat. Boeiend aan het lyrische Andante is de manier waarop thematisch materiaal is verdeeld over de vier instrumenten, met de cello in een ongewoon hoog register. Die bijzondere behandeling van de cello, die ook in het middendeel van het vrolijke Allegretto (deel 3) opvalt, is wel in verband gebracht met Mozarts poging om de cellospelende Pruisische koning [Friedrich Wilhelm II, red.] te plezieren. De finale is een feest van de dialoog: altviool en cello respectievelijk de twee violen vormen koppeltjes die een motief van zes noten presenteren. Later vallen er drie noten van af – een vorm van ‘thematische liquidatie’ die Mozart ook in zijn late symfonieën toepast.
Met het Strijkkwartet in Bes groot, KV 589 brengt Mozart een ode aan zijn oudere vriend en collega Joseph Haydn. Nergens worden conventies overtreden en zelfs harmonische uitstapjes in de doorwerking van het openingsdeel stellen het verwachtingspatroon van de luisteraar niet op de proef. Wel is er een weerhaakje in de reprise: de overgang van het eerste naar het tweede thema is eventjes angstwekkend dissonant – de luisteraar kan menen dat het aan de musici ligt en zeker in Mozarts tijd zullen hier de wenkbrauwen bij zijn gefronst. Zulke passages tonen aan dat Mozart zijn ware capaciteiten onderdrukte, omdat hij zonder die zelfdiscipline zijn publiek zou verliezen. Na een ingetogen Larghetto, met het aandoenlijke hoofdthema in de cello (alweer dat ongewoon hoge register), klinkt een onschuldig Menuetto, met in het middendeel vinnige toonsherhalingen en flarden meerstemmigheid. Meer contrapuntiek klinkt door in de rondo-finale, een dartel spel van vraag en antwoord. Na een fikse uithaal klinkt een verrassend verstilde slotzin.
Na een aarzelende start berust het hoofdthema van het Strijkkwartet in F groot, KV 590 op een stijgend motiefje van drie noten, gevolgd door een dalend unisono-loopje. De drie noten geven balans aan de gehele expositie, doordat ze telkens terugkeren. Het loopje is dan weer pregnant aanwezig in de doorwerking. Aan de reprise voegt Mozart een coda toe, dat klinkt als een tweede doorwerking. Het langzame deel volgt eveneens de sonatevorm, met een melancholiek, schubertiaans thema als materiaal, gebouwd op toonsherhalingen.
Hoogtepunt zijn een spannende modulatie en harmonische uitwijdingen om terug te komen in de hoofdtoonsoort. Het Menuetto is rijk aan chromatiek en kent nogal wat contrapunt in het middendeel. Ofschoon je aan de opening ervan een rondo vermoedt, is ook de finale een sonatevorm, met in het tweede thema contrapuntische verdichting. Vooral de doorwerking is een feest van tegenbewegingen, canons en syncopische en harmonische wrijving. De verrassend lichtvoetige slotmaten – Mozarts epiloog op kwartetgebied – klinken als een olijke knipoog.
Met het Strijkkwartet in Bes groot, KV 589 brengt Mozart een ode aan zijn oudere vriend en collega Joseph Haydn. Nergens worden conventies overtreden en zelfs harmonische uitstapjes in de doorwerking van het openingsdeel stellen het verwachtingspatroon van de luisteraar niet op de proef. Wel is er een weerhaakje in de reprise: de overgang van het eerste naar het tweede thema is eventjes angstwekkend dissonant – de luisteraar kan menen dat het aan de musici ligt en zeker in Mozarts tijd zullen hier de wenkbrauwen bij zijn gefronst. Zulke passages tonen aan dat Mozart zijn ware capaciteiten onderdrukte, omdat hij zonder die zelfdiscipline zijn publiek zou verliezen. Na een ingetogen Larghetto, met het aandoenlijke hoofdthema in de cello (alweer dat ongewoon hoge register), klinkt een onschuldig Menuetto, met in het middendeel vinnige toonsherhalingen en flarden meerstemmigheid. Meer contrapuntiek klinkt door in de rondo-finale, een dartel spel van vraag en antwoord. Na een fikse uithaal klinkt een verrassend verstilde slotzin.
Na een aarzelende start berust het hoofdthema van het Strijkkwartet in F groot, KV 590 op een stijgend motiefje van drie noten, gevolgd door een dalend unisono-loopje. De drie noten geven balans aan de gehele expositie, doordat ze telkens terugkeren. Het loopje is dan weer pregnant aanwezig in de doorwerking. Aan de reprise voegt Mozart een coda toe, dat klinkt als een tweede doorwerking. Het langzame deel volgt eveneens de sonatevorm, met een melancholiek, schubertiaans thema als materiaal, gebouwd op toonsherhalingen.
Hoogtepunt zijn een spannende modulatie en harmonische uitwijdingen om terug te komen in de hoofdtoonsoort. Het Menuetto is rijk aan chromatiek en kent nogal wat contrapunt in het middendeel. Ofschoon je aan de opening ervan een rondo vermoedt, is ook de finale een sonatevorm, met in het tweede thema contrapuntische verdichting. Vooral de doorwerking is een feest van tegenbewegingen, canons en syncopische en harmonische wrijving. De verrassend lichtvoetige slotmaten – Mozarts epiloog op kwartetgebied – klinken als een olijke knipoog.
Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)
Pruisische kwartetten
De Weense klassieke stijl in allerhoogste bloei – zo mag je Wolfgang Amadeus Mozarts drie Pruisische kwartetten omschrijven. Wat vorm betreft is er een zorgvuldig uitgekristalliseerd evenwicht (sonatedeel, lyrisch langzaam deel, menuet, opzwepende finale), en ook wat inhoud aangaat kan het haast niet delicater (motivisch spel, gedoseerde contrapuntiek, speelse dialogen, melodisch-harmonische afwisseling). Tel daarbij op de instrumentale balans (ook de cello is geëmancipeerd) en de idiomatische eenvoud (de zes eerdere ‘Haydn-kwartetten’ zijn aanzienlijk doorwrochter) en het begrip ‘klassiek’ komt hier volledig tot haar recht.
Het Strijkkwartet in D groot, KV 575 is een demonstratie van Mozarts kunnen. Het openingsdeel is het prototype van de geïntegreerde sonatevorm, met bijvoorbeeld fragmenten van het eerste thema die in overgangs- en slotzinnen terugkeren, en onooglijke motiefjes die in de doorwerking ineens tot hoofdzaak worden gemaakt. Aan zulke procedés herken je de ware meester die boven de materie staat. Boeiend aan het lyrische Andante is de manier waarop thematisch materiaal is verdeeld over de vier instrumenten, met de cello in een ongewoon hoog register. Die bijzondere behandeling van de cello, die ook in het middendeel van het vrolijke Allegretto (deel 3) opvalt, is wel in verband gebracht met Mozarts poging om de cellospelende Pruisische koning [Friedrich Wilhelm II, red.] te plezieren. De finale is een feest van de dialoog: altviool en cello respectievelijk de twee violen vormen koppeltjes die een motief van zes noten presenteren. Later vallen er drie noten van af – een vorm van ‘thematische liquidatie’ die Mozart ook in zijn late symfonieën toepast.
De Weense klassieke stijl in allerhoogste bloei – zo mag je Wolfgang Amadeus Mozarts drie Pruisische kwartetten omschrijven. Wat vorm betreft is er een zorgvuldig uitgekristalliseerd evenwicht (sonatedeel, lyrisch langzaam deel, menuet, opzwepende finale), en ook wat inhoud aangaat kan het haast niet delicater (motivisch spel, gedoseerde contrapuntiek, speelse dialogen, melodisch-harmonische afwisseling). Tel daarbij op de instrumentale balans (ook de cello is geëmancipeerd) en de idiomatische eenvoud (de zes eerdere ‘Haydn-kwartetten’ zijn aanzienlijk doorwrochter) en het begrip ‘klassiek’ komt hier volledig tot haar recht.
Het Strijkkwartet in D groot, KV 575 is een demonstratie van Mozarts kunnen. Het openingsdeel is het prototype van de geïntegreerde sonatevorm, met bijvoorbeeld fragmenten van het eerste thema die in overgangs- en slotzinnen terugkeren, en onooglijke motiefjes die in de doorwerking ineens tot hoofdzaak worden gemaakt. Aan zulke procedés herken je de ware meester die boven de materie staat. Boeiend aan het lyrische Andante is de manier waarop thematisch materiaal is verdeeld over de vier instrumenten, met de cello in een ongewoon hoog register. Die bijzondere behandeling van de cello, die ook in het middendeel van het vrolijke Allegretto (deel 3) opvalt, is wel in verband gebracht met Mozarts poging om de cellospelende Pruisische koning [Friedrich Wilhelm II, red.] te plezieren. De finale is een feest van de dialoog: altviool en cello respectievelijk de twee violen vormen koppeltjes die een motief van zes noten presenteren. Later vallen er drie noten van af – een vorm van ‘thematische liquidatie’ die Mozart ook in zijn late symfonieën toepast.
Met het Strijkkwartet in Bes groot, KV 589 brengt Mozart een ode aan zijn oudere vriend en collega Joseph Haydn. Nergens worden conventies overtreden en zelfs harmonische uitstapjes in de doorwerking van het openingsdeel stellen het verwachtingspatroon van de luisteraar niet op de proef. Wel is er een weerhaakje in de reprise: de overgang van het eerste naar het tweede thema is eventjes angstwekkend dissonant – de luisteraar kan menen dat het aan de musici ligt en zeker in Mozarts tijd zullen hier de wenkbrauwen bij zijn gefronst. Zulke passages tonen aan dat Mozart zijn ware capaciteiten onderdrukte, omdat hij zonder die zelfdiscipline zijn publiek zou verliezen. Na een ingetogen Larghetto, met het aandoenlijke hoofdthema in de cello (alweer dat ongewoon hoge register), klinkt een onschuldig Menuetto, met in het middendeel vinnige toonsherhalingen en flarden meerstemmigheid. Meer contrapuntiek klinkt door in de rondo-finale, een dartel spel van vraag en antwoord. Na een fikse uithaal klinkt een verrassend verstilde slotzin.
Na een aarzelende start berust het hoofdthema van het Strijkkwartet in F groot, KV 590 op een stijgend motiefje van drie noten, gevolgd door een dalend unisono-loopje. De drie noten geven balans aan de gehele expositie, doordat ze telkens terugkeren. Het loopje is dan weer pregnant aanwezig in de doorwerking. Aan de reprise voegt Mozart een coda toe, dat klinkt als een tweede doorwerking. Het langzame deel volgt eveneens de sonatevorm, met een melancholiek, schubertiaans thema als materiaal, gebouwd op toonsherhalingen.
Hoogtepunt zijn een spannende modulatie en harmonische uitwijdingen om terug te komen in de hoofdtoonsoort. Het Menuetto is rijk aan chromatiek en kent nogal wat contrapunt in het middendeel. Ofschoon je aan de opening ervan een rondo vermoedt, is ook de finale een sonatevorm, met in het tweede thema contrapuntische verdichting. Vooral de doorwerking is een feest van tegenbewegingen, canons en syncopische en harmonische wrijving. De verrassend lichtvoetige slotmaten – Mozarts epiloog op kwartetgebied – klinken als een olijke knipoog.
Met het Strijkkwartet in Bes groot, KV 589 brengt Mozart een ode aan zijn oudere vriend en collega Joseph Haydn. Nergens worden conventies overtreden en zelfs harmonische uitstapjes in de doorwerking van het openingsdeel stellen het verwachtingspatroon van de luisteraar niet op de proef. Wel is er een weerhaakje in de reprise: de overgang van het eerste naar het tweede thema is eventjes angstwekkend dissonant – de luisteraar kan menen dat het aan de musici ligt en zeker in Mozarts tijd zullen hier de wenkbrauwen bij zijn gefronst. Zulke passages tonen aan dat Mozart zijn ware capaciteiten onderdrukte, omdat hij zonder die zelfdiscipline zijn publiek zou verliezen. Na een ingetogen Larghetto, met het aandoenlijke hoofdthema in de cello (alweer dat ongewoon hoge register), klinkt een onschuldig Menuetto, met in het middendeel vinnige toonsherhalingen en flarden meerstemmigheid. Meer contrapuntiek klinkt door in de rondo-finale, een dartel spel van vraag en antwoord. Na een fikse uithaal klinkt een verrassend verstilde slotzin.
Na een aarzelende start berust het hoofdthema van het Strijkkwartet in F groot, KV 590 op een stijgend motiefje van drie noten, gevolgd door een dalend unisono-loopje. De drie noten geven balans aan de gehele expositie, doordat ze telkens terugkeren. Het loopje is dan weer pregnant aanwezig in de doorwerking. Aan de reprise voegt Mozart een coda toe, dat klinkt als een tweede doorwerking. Het langzame deel volgt eveneens de sonatevorm, met een melancholiek, schubertiaans thema als materiaal, gebouwd op toonsherhalingen.
Hoogtepunt zijn een spannende modulatie en harmonische uitwijdingen om terug te komen in de hoofdtoonsoort. Het Menuetto is rijk aan chromatiek en kent nogal wat contrapunt in het middendeel. Ofschoon je aan de opening ervan een rondo vermoedt, is ook de finale een sonatevorm, met in het tweede thema contrapuntische verdichting. Vooral de doorwerking is een feest van tegenbewegingen, canons en syncopische en harmonische wrijving. De verrassend lichtvoetige slotmaten – Mozarts epiloog op kwartetgebied – klinken als een olijke knipoog.
Biografie
Hagen Quartett, kwartet
In januari 1984 maakte het Hagen Quartett – na concoursprijzen te hebben gewonnen in Lockenhaus, Evian, Portsmouth, Bordeaux en Banff – zijn Kleine Zaal-debuut en in 2019 kreeg het de Concertgebouw Prijs. Al ruim vier decennia komen de strijkers geregeld naar Amsterdam; meestal speelden ze in de Kleine Zaal, maar bijvoorbeeld ook in coronatijd voor een klein publiek in de Grote Zaal.
In seizoen 2020/2021 vierde het ensemble – twee broers en een zus uit Salzburg, sinds 1987 aangevuld met de Duitse violist Rainer Schmidt – zijn veertigjarig jubileum, en nu is het bezig met zijn afscheidsseizoen.
Het Hagen Quartett is sinds 2012 erelid van het Wiener Konzerthaus en was vaste gast van de bekende zalen van Wenen, Berlijn, Hamburg, München, Londen, Barcelona, Madrid, Milaan, Rome, Parijs en Brussel en van onder meer de Salzburger Festspiele (debuut 1984), het Lucerne Festival en de Schubertiade Schwarzenberg.
De musici tourden meermaals in Azië, Australië en Noord- en Zuid-Amerika, brachten nieuwe (opdracht-)composities in première van György Kurtág en vele anderen, en realiseerden sinds 1985 een discografie van zo’n vijftig titels. In 2011 waren ze Ensemble van het Jaar bij Echo Klassik.
Ze musiceerden met pianisten als Maurizio Pollini, Mitsuko Uchida, Krystian Zimerman en Kirill Gerstein, met de klarinettisten Sabine Meyer en Jörg Widmann en met cellisten als Heinrich Schiff, Julia Hagen (dochter van kwartetlid Clemens Hagen) en Gautier Capuçon.
Het Hagen Quartett verzorgde wereldwijd masterclasses en geeft les aan de Musikhochschule in Basel en – al sinds 1988 – het Mozarteum in thuisstad Salzburg. De vorige optredens in de Kleine Zaal waren op 22 en 24 mei 2025, met strijkkwartetten van Haydn en Janáček.